Beleidsregel levensgedrag en wijze van bedrijfsvoering Bloemendaal 2024De burgemeester van Bloemendaal, Gelet op: artikel 2:25, 2:28, 2:39, 3:7 en 3:9 APV, Overwegende dat: de burgemeester bevoegd is te beslissen op aanvragen voor en intrekkingen van een exploitatievergunning voor (alcoholvrije) openbare inrichtingen, speelgelegenheden, seksbedrijven, raamprostitutiebedrijf, escortbedrijf en vergunningplichtige vechtsportwedstrijden- of gala’s. Besluit: de volgende beleidsregel vast te stellen: Beleidsregel levensgedrag en wijze van bedrijfsvoering Bloemendaal 2024 Afkortingenlijst APV Algemene Plaatselijke Verordening Bloemendaal 2024 ATW Arbeidstijdenwet Besluit Alcoholbesluit BVH Basisvoorziening Handhaving AW Alcoholwet IND Immigratie- en Naturalisatiedienst NLA Nederlandse Arbeidsinspectie NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit RIEC Regionaal Informatie en Expertise Centrum VOG Verklaring Omtrent het Gedrag Wav Wet arbeid vreemdelingen Wml Wet minimumloon Inleiding Deze beleidsregel beschrijft de invulling die de burgemeester geeft aan de begrippen ‘levensgedrag’ en ‘de wijze van bedrijfsvoering’ zoals opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening Bloemendaal 2024 (hierna: APV). Exploitanten en leidinggevenden van alcohol schenkende horecabedrijven en slijterijen mogen op grond van de Alcoholwet (hierna: AW) in geen enkel opzicht van slecht levensgedrag zijn.1 Op grond van de APV geldt hetzelfde voor exploitanten en leidinggevenden van: alcoholvrije openbare inrichtingen2 speelgelegenheden seksinrichtingen en escortbedrijven3 vergunningplichtige vechtsportwedstrijden- of gala’s4 Exploitanten en leidinggevenden van bovengenoemde bedrijven hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. Het exploiteren van dergelijke bedrijven, of beter gezegd, het niet verantwoord exploiteren ervan, kan tot een verstoring van de openbare orde leiden of het omliggende woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden. De levensgedragtoets is een noodzakelijke preventieve toets om de risico’s op inbreuken op de openbare orde en veiligheid en een goed woon- en leefklimaat te beperken. Slecht levensgedrag is een grond om de vergunning te weigeren of in te trekken of om een aspirant leidinggevende niet bij te schrijven op de vergunning. Volgens de Afdeling is de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip ‘levensgedrag’ niet in strijd met de Dienstenrichtlijn (artikel 10 van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt).5 Ondanks dat de APV-bepalingen betreffende levensgedrag de toets aan de Dienstenrichtlijn kunnen doorstaan, beoogt deze beleidsnotitie meer duidelijkheid te geven over de term slecht levensgedrag uit de AW en de APV. Net als bij slecht levensgedrag kan de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of leidinggevende van bovengenoemde bedrijven uit de APV een grond zijn om de vergunning te weigeren of in te trekken. Bij het beoordelen van de bedrijfsvoering gaat het om feiten waaruit blijkt of betrokkene het bedrijf op deugdelijke wijze zal exploiteren of exploiteert. Bij het beoordelen van het levensgedrag en de bedrijfsvoering wordt gekeken naar uiteenlopende feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag en/of de bedrijfsvoering van de betrokkene. Er moet voldoende vertrouwen kunnen worden gesteld in exploitanten en leidinggevenden. Bij de beoordeling wordt vooral gekeken naar strafbare feiten, maar bijvoorbeeld ook liegen over feiten die relevant zijn voor de beoordeling van de bedrijfsvoering en het levensgedrag is relevant voor de beoordeling. De beoordelingen die worden gemaakt in het kader van het criterium levensgedrag en bedrijfsvoering vinden plaats aan de hand van diverse informatiebronnen. De beoordelingen zijn onder andere afhankelijk van het type zaak en de omgeving van de zaak. Dit betekent dat een feitencomplex in het ene geval tot een weigering wegens slecht levensgedrag leidt, en in het andere geval niet. In de verschillende vergunningstelsels kunnen accenten verschillen. Het doel van deze beleidsnotitie is om meer inzicht te geven in de wijze waarop de levensgedragtoets en de beoordeling van de bedrijfsvoering plaatsvindt. Omdat het bij het beoordelen van het levensgedrag en de bedrijfsvoering gaat om maatwerk, kan rekening worden gehouden met het betrekken van andere feiten en omstandigheden die niet specifiek zijn benoemd in deze beleidsregel, maar die wel relevant kunnen zijn voor de belangen die de AW en APV beogen te behartigen. Leeswijzer Artikel 1 bevat een niet-limitatieve opsomming van bronnen die worden gebruikt voor de levensgedragtoets en het toetsen van de wijze van de bedrijfsvoering. In artikel 2 staat de levensgedragtoets beschreven en artikel 3 beschrijft hoe de wijze van bedrijfsvoering wordt getoetst. Artikel1.Relevante gegevens Om het levensgedrag en de bedrijfsvoering te toetsen worden diverse gegevens, in samenhang, gewogen. Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van de belangrijkste informatiebronnen: Informatie van de politie Het Justitieel Documentatie Systeem Handhavingsgegevens en overige gegevens waarover de gemeente beschikt Informatie van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)6 Informatie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit Informatie van de Omgevingsdienst(en) Informatie van de Belastingdienst Informatie van de Douane Informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Informatie uit het Centraal Insolventieregister7 Informatie uit een Bibob-toets8 Informatie uit openbare bronnen9 Bij de levensgedragtoets worden altijd de politie en/of het Justitieel Documentatie Systeem geraadpleegd. Andere informatiebronnen, met uitzondering van eigen handhavings-gegevens, worden niet standaard geraadpleegd voor het beoordelen van het levensgedrag en de wijze van bedrijfsvoering. Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan via het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) informatie worden uitgewisseld met de NLA, de Belastingdienst, de Douane, de NVWA en de IND. Artikel2.Beoordeling levensgedrag Exploitanten en leidinggevenden vervullen een belangrijke rol als het gaat om het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en ook als het gaat om de openbare orde en veiligheid. Ze spelen een belangrijke rol in het creëren van een rustige en veilige omgeving en hebben hierin een voorbeeldfunctie. Ze dienen zorg te dragen voor een goede gang van zaken in- en rondom de onderneming. Exploitanten en leidinggevenden dienen een verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en misbruik van andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming en het signaleren en melden van misstanden, mensenhandel en uitbuiting. Van exploitanten en leidinggevenden wordt verwacht dat zij te allen tijde hun medewerking verlenen aan toezichthouders, informatie proactief delen en eerlijk zijn over de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan en relevant zijn voor het beoordelen van het levensgedrag en de bedrijfsvoering. Wanneer precies sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is op het exploiteren van de onderneming, is niet concreet te benoemen. Vanwege de diversiteit in (strafbare) feiten die hierbij een rol kunnen spelen, zijn hier geen standaard criteria voor op te stellen. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om niet-onbesproken levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag. Of er sprake is van slecht levensgedrag dat moet leiden tot het weigeren of intrekken van de vergunning wordt daarom per individueel geval bepaald. De toetsing vindt plaats bij de vergunningaanvraag, bij een bijschrijving van de exploitant of leidinggevende en bij een verlengingsaanvraag. Ook gedurende de looptijd van een vergunning kan er aanleiding zijn om het levensgedrag opnieuw te beoordelen, bijvoorbeeld als sprake is van nieuwe (strafbare) feiten of omstandigheden, naar aanleiding van signalen over de onderneming of naar aanleiding van signalen over een andere onderneming van dezelfde exploitant. Voor een beter begrip hoe de toetsing wordt uitgevoerd, wordt hierna een aantal richtlijnen en uitgangspunten geformuleerd. Artikel 1 beschrijft de levensgedragtoets voor alcoholvrije openbare inrichtingen en artikel 2 beschrijft de toets uit de AW. Artikel 3 beschrijft de levensgedragtoets in het kader van de overige exploitatievormen uit de APV. Artikel2.1.Alcoholvrij openbare inrichting Bij de levensgedragtoets zijn met name strafrechtelijke gegevens relevant, maar ook andere feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag van betrokkenen kunnen relevant zijn. Elke beoordeling is maatwerk; alle feiten en omstandigheden worden in samenhang en in relatie met de vergunning gewogen. Er zijn geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken. De beoordeling is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het aantal relevante feiten, een patroon van deze feiten, wanneer de feiten zijn gepleegd, het type feiten, een combinatie van feiten, de omstandigheden rondom het feit, de hoogte van de strafmaat, of goed wordt meegewerkt aan toezicht en de houding daarbij van exploitanten en leidinggevenden. Alleen het levensgedrag dat relevant is voor de beoordeling of de aanwezigheid van het bedrijf het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt, wordt meegenomen in de beoordeling. Levensgedrag waarvan geen weerslag te verwachten is op het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid, kan geen grond zijn voor weigering of intrekking van een vergunning. Artikel2.1.1.Algemene uitgangspunten Bij de beoordeling van het levensgedrag kunnen feiten en omstandigheden worden meegewogen die niet zijn gerelateerd aan de exploitatie van een inrichting.10 Voor het aannemen van slecht levensgedrag is niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde of veiligheid hebben voorgedaan.11 Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist.12 Ook constateringen die zijn verwoord in bijvoorbeeld processen-verbaal of BVH-mutaties van de politie of rapportages van toezichthouders wegen mee in de beoordeling. Naast strafrechtelijke veroordelingen wegen ook transacties13 en strafbeschikkingen mee.14 Zaken waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard kunnen worden meegewogen.15 De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is, beperkt zich niet tot dezelfde feiten en gedragingen die bij de toetsing van Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) in ogenschouw worden genomen. Een VOG vormt een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een aanvrager over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten beschikt, echter neemt dit niet weg dat het bestuursorgaan op grond van de AW en de APV een zelfstandige bevoegdheid heeft in de beoordeling van het levensgedrag. Zaken die zijn geseponeerd, met uitzondering van een sepot wegens onvoldoende bewijs, worden meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag.16 Feiten die zijn geseponeerd wegens onvoldoende bewijs of waarop vrijspraak is gevolgd worden in beginsel niet meegewogen. Informatie uit de betreffende zaak over het gedrag van betrokkene kan echter wel worden meegenomen in de beoordeling. Een exploitant kan bijvoorbeeld zijn vrijgesproken voor een geweldsdelict, maar het feitencomplex kan informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant dat relevant is voor de toets aan het woon- en leefklimaat. Het geweldsdelict zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over de houding en het gedrag van de exploitant wel. Een dergelijk feitencomplex zal op zichzelf staand geen weigeringsgrond opleveren. Artikel2.1.2.Beoordelingsaspecten Bij de beoordeling worden de onderstaande punten in ogenschouw genomen: Wat voor type zaak betreft het? Een lunchroom, strandpaviljoen en restaurant zijn verschillend van karakter/aard en trekken overwegend een ander publiek aan. Ze brengen daarom verschillende risico’s en verantwoordelijkheden voor de exploitant en leidinggevende met zich mee. Is er sprake van een imperatieve weigeringsgrond uit het Alcoholbesluit? De imperatieve weigeringsgronden uit het Besluit wegen zwaar mee bij de beoordeling van het levensgedrag van exploitanten en leidinggevenden van alcoholvrije zaken. In welke periode zijn de feiten gepleegd? In beginsel worden slechts feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Uitgezonderd informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten; daarbij wordt gekeken naar de aard en de omvang van de informatie en of sprake is van een patroon om te beoordelen of dit relevant is voor de levensgedragtoets. Hebben er de afgelopen vijf jaar geen feiten voorgedaan die relevant zijn voor de levensgedragtoets, dan zal de vergunning in beginsel niet worden geweigerd of ingetrokken op grond van slecht levensgedrag. Bij de berekening van de periode van vijf jaar gelden de volgende uitgangspunten: De pleegdatum is in beginsel leidend. Voor de berekening van de laatste vijf jaar telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan niet mee.17 De datum van het primaire besluit over het levensgedrag op de aanvraag van de exploitatievergunning, de tussentijdse bijschrijving van een exploitant en/of leidinggevende of intrekking van de exploitatievergunning is de peildatum voor vaststellen van de periode van vijf jaar. Indien er sprake is van een patroon of een hoge frequentie van (soortgelijke) feiten, kunnen ook gedragingen en/of veroordelingen die langer dan vijf jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden, in de beoordeling worden betrokken. Wat voor type feiten betreft het? In bijlage 1 staat een overzicht van de meest belangrijke feiten die meewegen in de levensgedragtoets. Bij het beoordelen van het type feiten wordt gekeken naar de ernst van het feit en de belangen die de strafbaarstelling/handhaving van het feit beoogt te beschermen. Bij de levensgedragtoets gaat het om gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de exploitant/leidinggevende als verantwoordelijke voor de exploitatie het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloed. Ook wordt rekening gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig in vorenbedoelde zin kunnen worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren dat de betrokkene de voor hem geldende regels net naleeft, zodat ook dan de vrees voor de kwaliteit van het woon- en leefklimaat, de openbare orde en de veiligheid.18 Zijn de feiten aan de zaak te relateren? Het is niet vereist dat de feiten aan een horeca inrichting te relateren zijn. Als dit wel het geval is, kan dit zwaar meewegen. Denk bijvoorbeeld gedacht aan een leidinggevende die tijdens de uitoefening van zijn functie betrokken is geraakt bij geweldsincidenten of een leidinggevende die onder invloed van middelen verkeerd tijdens de uitoefening van zijn functie. Opgelegde straf Is er een straf of een maatregel opgelegd en hoe hoog is deze straf of maatregel? Ook transacties en beschikkingen tellen mee. Het is niet vereist dat er een straf is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag. Leeftijd op pleegdatum en huidige leeftijd van betrokkene Ook (strafbare) feiten gepleegd als minderjarige worden bij de beoordeling betrokken.19 Bij de beoordeling speelt de leeftijd waarop het feit is gepleegd, de ernst van het feit en de ontwikkeling op latere leeftijd een rol. Openbare orde sluiting op last van de burgemeester Is de exploitant of leidinggevende verwijtbaar en/of nalatig betrokken geweest bij een pand dat op last van de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet, artikel 174a Gemeentewet of artikel 2:74b APV is gesloten? Artikel2.2.Alcohol schenkend horecabedrijf en slijtersbedrijf Op grond van artikel 8 lid 1 onder b AW mag een exploitant of leidinggevende van een alcoholschenkend horecabedrijf of slijtersbedrijf niet van slecht levensgedrag zijn. Net als bij de levensgedragtoets uit artikel 2:28 lid 2 en 6 APV heeft de burgemeester een ruim beoordelingskader, er gelden geen beperkingen aan de feiten omstandigheden die daarbij mogen worden betrokken. Voor het toetsen van het levensgedrag op grond van de AW gelden de uitgangspunten uit de inleiding van dit artikel en artikel 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.