Participatieverordening gemeente Heerenveen 2023De Raad van de gemeente Heerenveen; gelezen het voorstel van het college burgemeester en wethouders van 28 november 2023, gelet op artikel 108, tweede lid juncto artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, gelet op artikel 6, tweede lid van de Participatiewet, gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdelen a, c, d en e van de Participatiewet, besluit vast te stellen de volgende verordening: Participatieverordening gemeente Heerenveen 2023 HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen; Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Persoon of personen: persoon die tot de doelgroep van deze verordening behoort; Voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling; Overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Participatiewet; Interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de persoon anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren en waarbij sprake is van meer dan gebruikelijke begeleiding van een persoon op een werkplek; Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en houden van werk; Praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; Loonwaarde: loonwaarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel g van de Participatiewet; Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet; Ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, inclusief het bepalen en aanbieden van door het college noodzakelijk geachte voorzieningen, waaronder de proefplaatsing als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel h van de Participatiewet; Participatie: alle activiteiten waaraan de persoon in de samenleving deelneemt, onderverdeeld in arbeid, onderwijs en maatschappelijke participatie; Pva: plan van aanpak waarin de door het college voor een individuele persoon noodzakelijk geachte ondersteuning, alsmede de voor deze persoon geldende algemene en bijzondere verplichtingen zijn vastgelegd; Bab: baanafspraakbaan; Participatieladder: meetinstrument met zes treden die het niveau van participatie aangeven; Meeneembare voorziening: voorzieningen voor personen met een visuele of motorische beperking die kunnen worden meegenomen naar een nieuwe werkplek; Verdringing: verstoring van de arbeidsmarkt door het handelen van de gemeente zonder dat daar een groter publiek belang mee wordt gediend; 2.Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel2.Toepassingsbereik Deze verordening richt zich op het bieden van ondersteuning aan personen die tot de doelgroep behoren bij het participeren op het voor de individuele persoon hoogst haalbare niveau op de participatieladder. Artikel3.Opdracht college 1.Het college biedt aan personen ondersteuning en voorzieningen aan voor zover deze door het college noodzakelijk wordt geacht. 2.Het college biedt de meest adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het pva, bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. 3.Het college maakt een afweging van de individuele mogelijkheden en capaciteiten van een persoon, teneinde de ondersteuning zodanig vorm te kunnen geven dat de beoogde mate van participatie zo doelmatig mogelijk wordt gerealiseerd. 4.Bij de toepassing van het vorige lid besteedt het college in ieder geval aandacht aan de afstand tot de arbeidsmarkt en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de zorgtaken, waaronder begrepen de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar en het noodzakelijkerwijs verrichten van mantelzorg. HOOFDSTUK2.PARTICIPATIE ALGEMEEN Artikel4.Ondersteuning van personen 1.Het college doet een persoon een aanbod voor ondersteuning bij participatie dat in overeenstemming is met de bepalingen van deze verordening. 2.De componenten waaruit de ondersteuning bestaat worden nader uitgewerkt in een op de specifieke situatie van een persoon toegespitst pva. 3.Een persoon heeft geen recht op ondersteuning indien er een voorliggende voorziening voorhanden is welke naar het oordeel van het college voldoende bijdraagt aan het behalen van het voor de persoon hoogst haalbare participatieniveau. Artikel5.Ondersteuning en voorzieningen 1.Proefplaatsing Een persoon kan na bemiddeling op een vacature of op een bab gedurende twee maanden op proef worden geplaatst met behoud van uitkering, op voorwaarde dat de werkgever de persoon aansluitend voor minimaal zes maanden een contract aanbiedt. Deze periode van twee maanden kan indien nodig éénmalig worden verlengd met maximaal vier maanden. In geval van proefplaatsing met als doel om een loonwaarde te bepalen kan in afwijking van artikel 5, eerste lid onder a, worden gekozen voor een maximale periode van drie maanden. In beginsel wordt de proefplaatsing niet verlengd, als tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting heeft plaatsgevonden en dit heeft geleid tot het toekennen van loonkostensubsidie. 2.Persoonlijke ondersteuning bij werk Voor personen die problemen ervaren op meerdere domeinen die belemmerend zijn om naar school of aan het werk te gaan, kan jobcoaching of interne werkbegeleiding worden ingezet. Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning bij werk. De in te zetten persoonlijke ondersteuning wordt bepaald op basis van de individuele behoefte en mogelijkheden van personen met een beperking. De persoonlijke ondersteuning wordt voor maximaal twee jaar ( met de mogelijkheid van een jaar verlenging) ingezet. Deze verlengingsperiode kan in uitzonderingsgevallen worden gecontinueerd. Het college kan jobcoaching in de vorm van natura verstrekken door middel van de inzet van een jobcoach die werkzaam is in dienstverband bij of in opdracht van de gemeente. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: beschikken over de juiste opleiding en ervaring op het gebied van begeleiding en coaching van personen met een arbeidsbeperking. Een relevante opleiding, zoals een sociaal- pedagogische of psychologische opleiding, is daarbij belangrijk en; op de hoogte zijn van de wet- en regelgeving die van toepassing is op personen met een arbeidsbeperking en de Participatiewet. 3.Vervoersvoorziening Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig of met openbaar vervoer naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor de toegekende vervoersvoorziening. Het college kan per situatie de noodzaak van de hoogte van de vergoeding bepalen. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 4.Noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 5.Meeneembare voorzieningen Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 6.Werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. 7.In opdracht van het college kan advies gevraagd worden met betrekking tot de medische, dan wel arbeidsmedische situatie van een persoon die van invloed zijn op de ondersteuning. Artikel6.Verplichtingen van de persoon 1.Een persoon die deelneemt aan of gebruik maakt van een voorziening is gehouden tenminste te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de inkomensvoorziening waar de persoon aanspraak op maakt, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 2.Indien een persoon die deelneemt aan of gebruik maakt van een voorziening niet voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan het college de aangeboden voorziening beëindigen. 3.Het college verlaagt de uitkering van de persoon in overeenstemming met de afstemmingsmogelijkheden binnen de Participatiewet, indien de persoon die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. HOOFDSTUK3.BEPALINGEN MET BETREKKING TOT IN DE PARTICIPATIEWET OPGENOMEN VOORZIENINGEN Artikel7.Vaststelling loonwaarde doelgroep loonkostensubsidie 1.Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een arbeidsovereenkomst sluiten met een werknemer die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet. Dit kan ook een forfaitaire loonkostensubsidie zijn. 2.Het college stelt de loonwaarde vast van een persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Het college maakt met betrekking tot de beoordeling van de loonwaarde van een tot de doelgroep loonkostensubsidie behorende persoon gebruik van een objectieve en deskundige loonwaardemethodiek. 3.Bij de vaststelling van de loonwaarde is er sprake van een werkplek, waarop het werktempo, kwaliteit en inzetbaarheid van de persoon wordt vergeleken met een werknemer die de functie middels volledige loonwaarde invult. Op basis van de uitkomst van de loonwaardemeting wordt de loonkostensubsidie vastgesteld. 4.Er wordt een flexibele termijn gehanteerd voor de frequentie van loonwaardebepalingen van maximaal eens per 6 maanden en minimaal eens per vijf jaar, afgestemd op de individuele omstandigheden van de persoon en het perspectief op eventuele ontwikkelmogelijkheden. Artikel8.Aanvraagproces loonkostensubsidie Het college neemt bij het verstrekken van loonkostensubsidie, het landelijk ontwikkelde preferent werkproces loonkostensubsidie in acht. Artikel9.Participatievoorziening beschut werk 1.Een persoon met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking, dan wel een combinatie van genoemde beperkingen, die een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek vereist dat van een reguliere werkgever in redelijkheid niet mag worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt, wordt door het college de voorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet aangeboden. 2.Het college biedt de volgende op arbeidsinschakeling gerichte voorzieningen aan om de in artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 3.Het college biedt tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt een van de andere voorzieningen in deze verordening aan. Artikel10.Detacheringsbaan 1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De persoon wordt voor het verrichten van arbeid door de werkgever gedetacheerd bij een onderneming ofwel inlenende organisatie. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. Artikel11.Werkstage 1.Het college kan een persoon een werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van beroepsgerichte werkervaring. De werkstage duurt maximaal zes maanden. 3.Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 4.Het college sluit met de werkgever een schriftelijke overeenkomst waarin tenminste wordt vastgesteld: het doel, duur en omvang van de stage en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel12.Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.Het college verstrekt aan een persoon, die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet, ambtshalve, een gefaseerde premie (van € 180,- na het eerste halfjaar, € 240,- na een jaar en vanaf anderhalf jaar en ieder volgend halfjaar een bedrag van € 300,-). 4.Indien de persoon niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 5.Het college betrekt het oordeel van degene in wiens opdracht de persoon de additionele werkzaamheden uitvoert en de scholingswens van de persoon bij de in lid 4 bedoelde beoordeling. Artikel13.Uitstroompremie 1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie van € 1.000,- toekennen aan een persoon die langdurig bijstand ontvangt en die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van het college. 2.Onder een langdurige bijstand wordt verstaan: gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer op een uitkering van het college aangewezen is. 3.Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 maanden. HOOFDSTUK4.INNOVATIE Artikel14.Innovatie 1.Het college kan in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in en in het verlengde van deze verordening. 2.De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste twee jaar. HOOFDSTUK5.SLOTBEPALINGEN Artikel15.Uitvoering 1.Het college draagt zorg voor de uitvoering van deze verordening. 2.Het college kan voor de uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels vaststellen. Artikel16.Hardheidsclausule Het college kan, indien de toepassing van bepalingen in deze verordening in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard leidt voor zover het de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze verordening, afwijken van deze verordening. Artikel17.Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Participatieverordening gemeente Heerenveen 2023’. Artikel18.Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024 onder gelijktijdige intrekking van de Participatieverordening gemeente Heerenveen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.