Damoclesbeleid gemeente Wassenaar 20241.Inleiding Drugscriminaliteit, zoals de handel in en productie van soft- en harddrugs, heeft een sterk ondermijnend karakter. De handel in en productie van drugs vormen een ernstig gevaar voor de aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Het woon- en leefklimaat en de sociale en/of fysieke veiligheid van burgers worden erdoor aangetast, onder meer door het aantrekken van criminaliteit en risico’s op geweldpleging. Hennepplantages en drugslaboratoria vormen een groot gevaar voor de woon- en leefomgeving vanwege onder andere het risico op brandgevaar, elektrocutiegevaar, ontploffing en waterschade. Tevens is de volksgezondheid in het geding, omdat er sprake is van ongecontroleerde handel in drugs. Vanuit het oogpunt van de openbare orde en veiligheid, het beschermen van het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid, is het van belang dat er wordt opgetreden tegen illegale handel in drugs. Er zijn ook woningen en panden die een grote rol spelen bij de handel in drugs waarbij er tijdens de doorzoeking door de politie echter geen drugs worden aangetroffen, maar waarbij er wel sprake is van voorbereidingshandelingen. In dergelijke panden worden bijvoorbeeld versnijdingsmiddelen, chemicaliën, kweektenten, een net gerooide of in opbouw zijnde hennepplantage, geldtelmachines, assimilatielampen of drugsverpakkingen aangetroffen. Dergelijke panden, maar ook winkel die deze producten verkopen, spelen een rol bij het in stand houden en faciliteren van de productie van en handel in drugs. Nit alleen de handel in drugs, maar ook het faciliteren daarvan vormt een ernstig gevaar voor de openbare orde. De gevaren en risico’s verschillen niet wezenlijk van daadwerkelijke handelspunten. Panden waarin dergelijke voorbereidingshandelingen plaatsvinden, vormen eveneens een schakel in de productie of distributie van drugs, ook als er (nog) geen directe gevolgen zijn voor de lokale woon- en leefomgeving (Kamerstukken II, 2016-2017, 34763, nr. 3, p. 3). Uit de ondermijningsbeelden van de regio Haaglanden blijkt dat het fenomeen drugs de rode draad is van de georganiseerde ondermijnende criminaliteit in de regio. Zowel regionaal als lokaal is daarom prioriteit gegeven aan de aanpak van drugscriminaliteit. Voor de handhaving van de Opiumwet is de gecoördineerde inzet van het openbaar bestuur, het Openbaar Ministerie, en de politie vereist. Het Regionaal Samenwerkingsverband Integrale Veiligheid heeft daarbij de behoefte uitgesproken om het Damoclesbeleid van de gemeenten in de eenheid Den Haag zoveel mogelijk te harmoniseren waarin tegelijkertijd ruimte is voor lokaal maatwerk. Uitgangspunt is dat de burgemeester handhavend optreedt als zich een overtreding als genoemd in artikel 13b Opiumwet voordoet. In dit beleid staat beschreven onder welke omstandigheden en op welke wijze in de gemeente Wassenaar gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen indien de Opiumwet is overtreden. 2.Doelstellingen Dit beleid richt zich primair op de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en op het tegengaan van nadelige effecten van de handel in en productie van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, onder meer bezien vanuit de gevolgen op de openbare orde. Hieruit voorkomende (niet limitatieve) nevendoelstellingen zijn: De kwaliteit van het woon- en leefklimaat verbetert en herstelt; Voor de overtreder en/of rechthebbende op het gebruik van het pand kenbaar is welke herstelmaatregel van de overheid verwacht kan worden na een overtreding, hetgeen een preventief effect creëert, in die zin dat pandeigenaren zich bewust worden van de verantwoordelijkheden die zij hebben met betrekking tot het verhuren van hun panden; De illegale activiteiten rondom drugs en binding met het criminele circuit effectiever worden bestreden; 3.Beleidskader Dit beleid is van toepassing op de uitoefening door de burgemeester van de in artikel 13b Opiumwet neergelegde bevoegdheid met betrekking tot: Woningen en bijbehorende erven; Voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (bijvoorbeeld horecazaken en winkels); Niet voor publiekelijk toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (bijvoorbeeld bedrijfsruimten, loodsen, magazijnen en woningen die feitelijk niet worden bewoond). 4.Juridisch kader Op grond van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen indien in een woning of lokaal of op het daarbij behorende erf een middel als bedoeld in lijst I of lijst II dan wel aangewezen krachtens 3a, vijfde lid Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Daarnaast is artikel 13b Opiumwet sinds 1 januari 2019 verruimd met het voorhanden hebben van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 van de Opiumwet of artikel 11a Opiumwet (zogenoemde voorbereidingshandelingen). Volgens artikel 5:21 van de Algemene Wet Bestuursrecht wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of tijdig wordt uitgevoerd. In artikel 5:32 van de Algemene Wet Bestuursrecht is opgenomen dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan een last onder dwangsom kan opleggen. Volgens artikel 5:31d van de Algemene Wet Bestuursrecht wordt onder een last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. De last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom zijn reparatoire maatregelen. Dergelijke maatregelen hebben in de context van artikel 13b van de Opiumwet onder meer als doel de geconstateerde overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen en ik voorkomend geval als nevendoel het aangetaste woon- en leefklimaat en de openbare orde te herstellen, dan wel te voorkomen dat deze (verder) wordt verstoord. Handelshoeveelheid Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt. De burgemeester is dan bevoegd om artikel 13b van de Opiumwet toe te passen. De enkele ontkenning dat de drugs bestemd waren om te worden verhandeld, is daartoe onvoldoende. De betrokkene zal aannemelijk moeten maken dat de drugs geen handelsbestemming hebben. Om te bepalen wanneer sprake is van een handelshoeveelheid, wordt aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. De daarin vermelde criteria en indicatoren worden als leidraad gebruikt. Volgens die criteria worden een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram, een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en 5 hennepplanten als hoeveelheden voor eigen gebruik aangemerkt. Voor wat betreft harddrugs kan worden gedacht aan bijvoorbeeld één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil/tablet. Bij GHB wordt een consumptie-eenheid aangehouden van 5 milliliter. Grotere hoeveelheden dan de genoemde hoeveelheden worden aangemerkt als een handelshoeveelheid. Artikel 13b van de Opiumwet kan ook van toepassing zijn op panden waarin minder dan een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, maar waarvan het op grond van andere gegevens, zoals meldingen, politiewaarnemingen of handelsindicatoren (onder andere gripzakjes, weegschalen, wapens of contant geld) aannemelijk is dat het pand wel wordt gebruikt voor de productie van en/of handel in drugs. Zo nu en dan wordt een hennepkwekerij opgerold die vlak voor de inval is geoogst of is er sprake van een pand waarvan uit onderzoek door de politie is gebleken dat het gebruikt wordt als knooppunt waaruit handelsafspraken worden gemaakt ten behoeve van vervoer, verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. In dergelijke gevallen worden geen handelshoeveelheden drugs aangetroffen, maar valt het betreffende pand wel onder de werking van artikel 13b van de Opiumwet. Het is immers gebruikt ten behoeve van de productie, verkoop, aflevering, vervoer dan wel verstrekking van drugs. Dergelijke gevallen worden gelijkgesteld met de situatie waarin de betreffende drugs wel zijn aangetroffen. Lachgas Per 1 januari 2023 is lachgas op lijst II van de Opiumwet geplaatst en is het lachgasverbod ingegaan. Dit maakt het mogelijk dat wordt lachgas in het kader van deze beleidsregel gezien als softdrugs en volgt het daardoor dezelfde categorieën als die van grammen softdrugs. Voor de bestuurlijke handhaving op artikel 13b van de Opiumwet wordt volledig aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet en de richtlijn strafvordering Opiumwet. De mate van overschrijding van de hierin beschreven gebruikershoeveelheid, kan een parallel worden getrokken met de in deze beleidsregel beschreven handhavingsmatrixen. Voorbereidingshandelingen Op 1 januari 2019 is artikel 13b van de Opiumwet uitgebreid. De bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet is sinds deze wetswijziging ook toepasbaar op zogenoemde voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11a van de Opiumwet. De artikelen 10a en 11a van de Opiumwet vereisen dat degene die een voorwerp of stof in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het breiden, bewerken, verwerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid aanhef en onder b, van de Opiumwet, is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/2017, 34763 nr. 3, p. 3) is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs (ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617). Een bestuurlijke maatregel op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet beoogt het beëindigen of opheffen van locaties waar voorbereidingshandelingen plaatsvinden en betreft een pandgerichte aanpak. Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet richt zich, anders dan de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet, dan ook niet tot een persoon. Weet of ernstig vermoeden Het subjectieve bestanddeel ‘weet of ernstige reden heeft om te vermoeden’ uit de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet kan voor de toepassing van de sluitingsbevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet op basis van de feitelijke situatie ter plaatse worden vastgesteld. Dit betekent dat de burgemeester bevoegd is een pand te sluiten indien hij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat er in het pand voorwerpen of stoffen aanwezig waren waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor het bereiden, bewerken, verwerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De burgemeester hoeft dus niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden had dat de in het pand aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het breiden, bewerken, verwerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Wetenschap en verwijtbaarheid kunnen wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mag maken (ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523). De aangetroffen situatie zal van dien aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dit vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van de in beslag genomen stof en de aangetroffen stoffen en voorwerpen in onderlinge combinatie. De combinatie van voorwerpen en stoffen is hierbij cruciaal, omdat in de hennepteelt vaak gebruik wordt gemaakt van materialen die ook legaal gebruikt kunnen worden. Tevens kan een voorbereidingshandeling blijken uit zaken als tapgesprekken of observaties uit een opsporingsonderzoek. Grootschalig of beroeps- of bedrijfsmatigheid In het geval van voorbereidingshandelingen die te maken hebben met de productie van harddrugs, is de aanwezigheid van stoffen of voorwerpen die gebruikt worden voor het voorbereiden van harddrugsdelicten voldoende om artikel 13b van de Opiumwet te kunnen toepassen. Gaat het om softdrugs, dan moet sprake zijn van voorbereidingshandelingen die beroeps- of bedrijfsmatig van aard zijn of die betrekking hebben op een grotere hoeveelheid van een middel (grootschalige hennepteelt). Er is sprake van grootschaligheid bij meer dan 500 gram hennep, 50 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Voor wat betreft voorbereidingshandelingen die beroeps- of bedrijfsmatig van aard zijn, wordt een aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet. Hierbij is allereerst de schaalgrootte van de teelt van belang: de hoeveelheid planten. Bij een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik. Daarnaast is de mate van professionaliteit, afgemeten aan het soort perceel waarop geteeld wordt, belichting, verwarming, bevloeiing, etc. van belang. Indien, ongeacht de hoeveelheid planten, wordt voldaan aan twee of meer punten, genoemd in de lijst van indicatoren in bijlage 1 bij de Aanwijzing Opiumwet met betrekking tot de mate van professionaliteit, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. In de lijst worden als indicatoren genoemd: afscherming, belichting, voeding, ruimte, ventilatie, verwarming, bodem, ziektebestrijding, verwerking, plantmateriaal, en CO2-suppletie. Ten slotte speelt bij de vaststelling van hetgeen beroeps- of bedrijfsmatige teelt is het doel van de teelt mee. Als er sprake is van teelt om geldelijk gewin te verkrijgen, is er sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Aan de hand van de aangetroffen goederen en stoffen kan een inschatting worden gemaakt hoeveel hennepplanten er met de goederen gekweekt zouden kunnen worden. Als gemiddelde wordt een kwekerij gehanteerd met 15 planten per vierkante meter (m2). Een plant levert gemiddeld een opbrengst op van 28,2 gram hennep. Deze hoeveelheden zijn gebaseerd op het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie). Voorhanden zijn Voor de vraag of de burgemeester bevoegd is om gebruik te maken van zijn bevoegdheid als genoemd in artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet, is het niet relevant of de aanschreven persoon de voorwerpen of stoffen zelf voorhanden heeft, maar dat de voorwerpen of stoffen voorhanden zijn. Het gaat dus om de aanwezigheid van stoffen of voorwerpen in een woning of lokaal. 5.Uitgangspunten Onderscheid tussen woningen en lokalen In dit beleid wordt een onderscheid gemaakt tussen drugshandel en/of daaraan gerelateerde strafbare voorbereidingshandelingen in lokalen en in woningen. Een sluiting van een woning is ingrijpender voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene dan een sluiting van een lokaal. Voor woningen is dan ook een zwaardere motivering vereist om bestuursdwang in de vorm van een sluiting toe te passen dan voor lokalen. Uit jurisprudentie blijkt dat bij woningen terughoudender moet worden omgegaan met de effectuering van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van een sluiting. Anderzijds moet ook bedacht worden dat juist als het om woningen gaat, de impact en het gevaar van drugshandel op de omgeving en de omwonenden potentieel groter is. Lokaal Onder een lokaal en het daarbij behorende erg wordt het volgende verstaan: alle al dan niet voor publiek toegankelijk opgestelde lokalen en daarbij behorende erven zoals winkel, horecabedrijven, hotels, buurthuizen, clubhuizen, bedrijfsruimten, magazijnen, loodsen en woningen die feitelijk niet bewoond worden. Woning De wetgever heeft het begrip woning in de Opiumwet niet gedefinieerd. In het kader van dit beleid wordt onder een woning het volgende verstaan: een woning is een verblijf dat in hoofdzaak dient tot woning dan wel dienstbaar is aan het wonen. Het is een plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook de daadwerkelijk feitelijk daaraan gegeven bestemming. Zo zal iemand die incidenteel overnacht in een woning niet aangemerkt worden als bewoner. Het betreffen zowel koopwoningen als huurwoningen, maar ook stacaravans, woonwagens en woonschepen. Bij woningen die feitelijk niet worden bewoond, worden de handhavingsmatrix toegepast die geldt voor een lokaal. Artikel 8 EVRM Een illegaal productie- en/of verkooppunt van verdovende middelen kan een woning of een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal betreffen. Aangezien het huisrecht op grond van artikel 8 van het EVRM beschermd wordt, is voor woningen een zwaardere motivering vereist om bestuursdwang in de vorm van een sluiting toe te passen dan voor lokalen. Er is een aantal zwaarwegende argumenten die het direct sluiten van een woning noodzakelijk maken: De desbetreffende woningen worden vaak niet als zodanig gebruikt; Er is sprake van bedrijfsmatige activiteiten; Ter voorkoming van het verplaatsingseffect. Bij een niet-gelijke toepassing van de sluitingssystematiek, zal een nog sterkere verplaatsing naar woningen plaatsvinden, met alle negatieve gevolgen van dien, zoals verloedering van de woonomgeving; Er is sprake van een gevaar voor bewoners, gebruikers, eigenaren en omwonenden van een pand. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet bij woningen levert niet per definitie strijd op met artikel 8 van het EVRM. Volgens het tweede lid van artikel 8 van het EVRM zijn inmengingen van enig openbaar gezag in de uitoefening van het in het eerste lid neergelegde recht toegestaan, voor zover deze bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, onder meer, het voorkomen van strafbare feiten of het beschermen van de rechten van anderen. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet en derhalve bij de wet voorzien. Aanwezigheid van minderjarigen Indien sprake is van minderjarige bewoners en/of betrokkenen in een woning waarin drugs worden aangetroffen dan wel waar sprake is van voorbereidingshandelingen, wordt er in beginsel een melding gedaan bij Veilig Thuis. Objectgericht karakter van de maatregel Een last tot sluiting van een woning of lokaal is een pandgebonden maatregel. Dit betekent dat een eventuele overdracht van het pand of de komst van nieuwe huurders, de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet als zodanig niet aantast. Ook indien een dergelijk geval zich voordoet, zullen de met de sluiting beoogde doelen immers behaald dienen te worden. Onderscheid tussen harddrugs en softdrugs In dit beleid wordt, net als in de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Harddrugs zijn verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs leidt tot een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid. In de jurisprudentie wordt een overtreding met betrekking tot harddrugs in de regel als ernstiger aangemerkt dan een overtreding met betrekking tot softdrugs. In de sanctionering wordt een onderscheid gemaakt tussen het aantreffen van harddrugs en softdrugs en de daaraan gerelateerde strafbare voorbereidingshandelingen. Aantasting openbare orde wordt zonder meer aangenomen Gelet op de tekst van artikel 13b van de Opiumwet is voor het ontstaan van de hierin neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van drugs overlast heeft veroorzaakt. Door de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen. De openbare ordeverstoring in de vorm van drugsgerelateerde overlast in de omgeving hoeft niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond. De mate waarin de openbare orde daadwerkelijk is verstoord, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mag maken. Strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aanpak Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van misdrijven en overtredingen van het gestelde bij of krachtens de Opiumwet. Het strafrechtelijke optreden richt zich op de bij de handel of productie betrokken personen. Strafrechtelijke sancties hebben een punitief karakter, omdat op de overtreding een straf volgt. Om ook handhavende maatregelen te nemen tegen het gebruik van de woningen of lokalen waarin overtredingen zijn begaan, kan de burgemeester aanvullend gebruik maken van de bestuursrechtelijke mogelijkheden. De bestuurlijke maatregelen die de burgemeester treft, hebben in het kader van de Opiumwet een herstellend karakter. De bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot strafrechtelijk optreden staat los van bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester. Dat geldt ook andersom; als het Openbaar Ministerie niet strafrechtelijk optreed, blijft de burgemeester bevoegd bestuursrechtelijk op te treden. Tijdsverloop Tussen het constateren van de overtreding van de Opiumwet en het effectueren van de bestuurlijke maatregelen kan enige tijd zitten, nu de eisen van zorgvuldigheid en evenredigheid bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet in acht moeten worden genomen. Als door de duur van de procedure geruime tijd is verstreken sinds de ontdekking van de verdovende middelen, hoeft dat geen aanleiding te zijn om te concluderen dat de belangenafweging tot een minder vergaande maatregelen moet leiden. Het opleggen van een maatregel kan dan alsnog doeltreffend en proportioneel zijn. Wel zal de burgemeester het aspect van tijdsverloop als belang moeten meewegen bij zijn besluitvorming. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat tijdsverloop ertoe kan leiden tot sluiting van een pand redelijkerwijs niet meer zal bijdrage aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Als de burgemeester een pand nog niet feitelijk heeft gesloten en daar nog wel toe wil overgaan, moet hij daarom opnieuw een beoordeling maken van de noodzaak van het alsnog sluiten als meer dan één jaar is verstreken sinds de datum dat de sluiting volgens het bestuursdwangbesluit in zou zijn gegaan (ABRvS 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756). Alternatieve huisvesting Bij het opstellen van dit beleid is onderkend en meegewogen dat bewoners bij een woningsluiting tijdelijk elders moeten verblijven en dat dit een ingrijpende maatregel is. Bewoners dienen in eerste instantie zelf voor vervangende woonruimte te zorgen. Men heeft een bepaald risico genomen door zich in te laten met de productie van en/of handel in drugs en de gevolgen van die keuze komen voor rekening en risico van de betreffende bewoners. Op de burgemeester rust enkel de inspanningsverplichting om te beoordelen of de bewoners erin kunnen slagen een vervangend onderkomen te regelen. Als er redenen zijn om aan te nemen dat zij daarin niet kunnen slagen, kan de burgemeester hulp bieden bij het vinden van een vervangend onderkomen. Bewoners hebben geen afdwingbaar recht op een alternatieve, vervangende woning via de gemeente. Zij mogen ‘slechts’ verwachten dat de burgemeester rekening houdt met hun woonsituatie (ABRvS 27 juli 2022 ECLI:NL:RVS:2022:2106). Drugsconvenant Het bestaande convenant Aanpak drugscriminaliteit eenheid Den Haag blijft onverminderd van toepassing. Het convenant heeft tot doel om in gezamenlijkheid en onderlinge afstemming preventieve en repressieve maatregelen te nemen die ertoe leiden dat gevaarlijke situaties worden beëindigd en de illegale verwerking, productie, opslag van en handel in drug worden voorkomen en bestreden. De betrokken partijen verplichten zich over en weer tot elkaar om de in dit convenant neergelegde rechten en verplichtingen naar vermogen uit te voeren en na te leven, met inachtneming van de doelstelling van dit convenant en met behoud van ieders eigen verantwoordelijkheden en alle geldende wettelijke bepalingen. Daarnaast kan vanuit de betrokken lokale Wassenaarse partners bij de uitvoering van dit Damoclesbeleid bestuurlijk worden opgeschaald indien de omstandigheden van een specifiek geval hierom vraagt of noodzakelijk wordt geacht. Afwijkingsbevoegdheid Bij het opstellen van dit beleid is gekozen voor een aanpak waarvan kan worden verwacht dat deze in het gros van de gevallen kan worden toegepast. Er kunnen zich echter altijd bijzondere omstandigheden voordoen waarin handelen in overeenstemming met dit beleid gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. In deze gevallen heeft de burgemeester de bevoegdheid af te wijken van dit beleid en naar eigen inzicht te besluiten geen of een andere, minder vergaande of juist een verdergaande maatregel op te leggen dan op grond van dit beleid is voorgeschreven. Indien de burgemeester gebruik maakt van zijn afwijkingsbevoegdheid, wordt dit in het besluit expliciet gemotiveerd. 6.Belangenafweging Bestuurlijke waarschuwing en last onder dwangsom Als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 13b van de Opiumwet volgt in beginsel bij een eerste overtreding in een woning dan wel een daarbij behorend erf, een bestuurlijke waarschuwing of een last onder dwangsom. Hiermee wordt gevolg gegeven aan hetgeen de wetgever heeft beoogd bij de toedeling van deze bevoegdheid. In de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is in algemene zin vermeld dat in geval van een woning bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen van worden afgeweken. De overdraagbaarheid van minder dan 30 gram softdrugs of van minder dan 15 hennepplanten wordt niet hoog geacht. In dergelijke gevallen, in zowel lokalen als in woningen, zal de burgemeester bij een eerste constatering in beginsel volstaan met een bestuurlijke waarschuwing. De bestuurlijke waarschuwing wordt op schrift gesteld en blijft drie jaar geldig. Een bestuurlijke waarschuwing is pandgebonden. Bij woningen speelt het recht van betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.