Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Gemeente Tytsjerksteradiel 20231.Algemeen Inleiding Model Tytsjerksteradiel Goed samenhangend stelsel Het regisseursmodel Het gespreksverslag en ondersteuningsplan 2.Toegang tot de Wmo De melding Cliëntondersteuning Het persoonlijk plan Vaststellen identiteit Het onderzoek Het verslag De aanvraag De verkorte aanvraagprocedure De beschikking 3.Algemeen afwegingskader maatwerkvoorziening Financiële mogelijkheden Ondersteuning door mantelzorgers en vrijwilligers Gebruikelijke hulp/zorg Afstemmen met voorzieningen die op grond van andere wettelijke voorzieningen kunnen worden verstrekt. Goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening Langdurig noodzakelijk Algemene voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorziening Vervanging en renovatie Vervanging hulpmiddelen Huishoudelijke apparatuur Aanvaardbaar niveau Voorzienbaarheid Contra-indicatie 4.Maatwerkvoorziening Vormen van verstrekkingen Voorziening in natura Persoonsgebonden budget (Pgb) Financiële tegemoetkoming 5.Verstrekken maatwerkvoorziening Zelfstandig leven en Maatschappelijke deelname Wonen Rolstoel in en om de woning en lokaal kunnen verplaatsen Vervoer Beschermd wonen Opvang Kortdurend verblijf Respijtzorg 6.Slotbepalingen Inwerkingtreding en overgangsrecht Citeertitel Bijlagen Richtlijn gebruikelijke hulp Overzicht maatwerkvoorzieningen (inclusief algemene kwaliteitseisen, perceelspecifieke eisen, normenkader huishoudelijke hulp en kwaliteitskader Wmo maatwerkvoorzieningen) Objectief Normenkader en maatstaf Huishoudelijke Hulp Kwaliteitskaders bij Wmo maatwerkvoorzieningen Richtlijnen maatwerkvoorzieningen ‘Zelfstandig Leven’ en ‘Maatschappelijke Deelname’ 1Algemeen 1.1Inleiding De nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 (nadere regels en beleidsregels) zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 (hierna Wmo-verordening 2023) en vormen samen met de genoemde verordening de basis van de wijze waarop de gemeente Tytsjerksteradiel de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert. De nadere regels zijn een uitwerking van bepalingen die in de Wmo-verordening staan. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten voor burgers. Beleidsregels kunnen dat niet. Een beleidsregel beschrijft hoe een bestuursorgaan omgaat met een bepaalde bevoegdheid. Om de leesbaarheid te bevorderen en de veelheid aan voorschriften te verminderen, zijn de nadere regels en beleidsregels samengevoegd. In de tekst staan verwijzingen naar de Wmo-verordening 2023 ingeval het een nadere regel betreft. De bepalingen zonder verwijzing zijn beleidsregels. Wanneer in de nadere regels en beleidsregels wordt gesproken over de inwoner wordt daarmee de doelgroep bedoeld waarop de nadere regels en beleidsregels betrekking hebben. De definities en begrippen die u aantreft komen overeen met de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 en de Wmo-verordening 2023. 1.2Model Tytsjerksteradiel Het te bereiken resultaat is het uitgangspunt voor inzet van maatwerkvoorzieningen. Dit komt ook terug in de wijze waarop onze gemeente de voorzieningen inkoopt. Niet het aantal uren is leidend maar het te bereiken resultaat. Via het regisseursmodel kan de inwoner samen met de sociaal werker van het gebiedsteam een zo optimaal mogelijk voorzieningenarrangement, bestaand uit de inzet van eigen kracht, het sociaal netwerk en maatwerkvoorzieningen, samenstellen om het gewenste resultaat te behalen. De beoordeling hiervan en de beslissing hierop wordt gedaan door de gemeente. Over de uit te voeren activiteiten om het resultaat te bereiken worden tussen zorgaanbieder en inwoner afspraken gemaakt. Deze afspraken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Voor wat de huishoudelijk hulp betreft wordt het van toepassing zijnde normenkader meegestuurd bij de beschikking. 1.3.Goed samenhangend stelsel De nadere regels en de beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Er zijn hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn eigen verantwoordelijkheid, uitgaan van te bereiken resultaten en het leveren van maatwerk. De bijlagen maken integraal onderdeel uit van de vigerende nadere regels en de beleidsregels. 1.4.Het regisseursmodel De sociaal werker gaat na een melding in gesprek met de inwoner. Vertrekpunt is de persoonlijke situatie en leefomgeving van de inwoner. Welke problemen ervaart de inwoner en welke kansen zijn er om deze op te lossen? Hierbij staat de vraag wat nodig is om de problemen op het gebied van zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie te compenseren centraal. Oplossingen worden eerst gezocht in (het versterken van) de eigen kracht en/of het sociaal netwerk. Vervolgens wordt nagegaan wat aan algemene of collectieve voorzieningen mogelijk is. Als het nodig is, worden maatwerkvoorzieningen verstrekt. De weergave van het gesprek en de besproken oplossingen worden vastgelegd in het gespreksverslag. 1.5.Het gespreksverslag en ondersteuningsplan Het gespreksverslag is de weergave van het gesprek van een sociaal werker en de inwoner. Het gespreksverslag geeft aan wat het resultaat is dat een inwoner wil bereiken en de ondersteuning die aangevraagd wordt om dat mogelijk te maken. In het gespreksverslag is vastgelegd wat iemand zelf kan, wat het netwerk kan en welke maatwerkvoorziening nodig is (het "wat"). Het ondersteuningsplan wordt voor iedere inwoner individueel op maat gemaakt, dit doet de aanbieder met de inwoner. De exacte invulling van een maatwerkvoorziening (het "hoe") staat in het ondersteuningsplan. De zorgaanbieder heeft hier immers de benodigde kennis voor. Om de aanbieders voldoende handelingsruimte te bieden zijn de maatwerkvoorzieningen aan de hand van resultaten gedefinieerd. Het is dan ook mogelijk dat verschillende aanbieders een andere invulling geven aan dezelfde maatwerkvoorziening, immers het resultaat kan op verschillende manieren bereikt worden. Nadat is gestart met de uítvoering van het ondersteuningsplan blijft de sociaal werker betrokken bij de inwoner. Het is zijn taak om de kwaliteit van de uitvoering van het ondersteuningsplan te bewaken, de tevredenheid van alle betrokkenen periodiek te evalueren en het gesprek aan te gaan over het bijstellen van het ondersteuningsplan waar dit nodig is. 2Toegang tot de Wmo 2.1.De melding Inwoners kunnen op verschillende manieren een melding maken en vragen stellen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid. Meldingen kunnen bij het gebiedsteam, telefonisch bij de Front-office sociaal domein (FO-SD) of via de mail binnen komen. Wanneer inwoners telefonisch contact opnemen worden ze aangesproken in het Fries. Dit doen we omdat veel van onze inwoners Fries spreken en verstaan. Inwoners kunnen hun vraag natuurlijk ook in het Nederlands stellen. Onze medewerkers kunnen Fries verstaan en (meestal) ook spreken. De melding mag ook door iemand anders worden gedaan. Als een melding door iemand anders gedaan wordt, wordt altijd gevraagd of de persoon voor wie een melding wordt gedaan toestemming heeft gegeven. Is dit niet het geval dan wordt in gesprek gegaan met de melder om te zorgen dat deze afstemming regelt met de betrokkene. De melding kan bijvoorbeeld door een familielid, een vriend, kennis, buren etc. gedaan worden. Als de melding niet bij het gebiedsteam thuishoort, wordt de inwoner doorverwezen naar de juiste instantie. Na deze doorverwijzing of wanneer het geven van informatie voldoende is, eindigt hier het contact. De datum van binnenkomst van de vraag bij de FO-SD of medewerker Wmo is de datum van de melding; deze wordt geregistreerd. Als er vervolgacties nodig zijn, dan wordt de melding (mondeling of schriftelijk) bevestigd. In de bevestiging wordt in elk geval aangegeven: de mogelijkheden om gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning; de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan. 2.2.Cliëntondersteuning Gemeenten zijn verplicht kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar te stellen aan inwoners die een melding doen tot maatschappelijke ondersteuning. Cliëntondersteuning houdt in dat inwoners recht hebben op algemene ondersteuning in het kader van de zelfredzaamheid en participatie en ondersteuning bij informatie en advies. Ook hierbij wordt een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen gerealiseerd. Het belang van de inwoner bij de onafhankelijke cliëntondersteuning is het uitgangspunt. De cliëntondersteuning is onafhankelijk, dat wil zeggen dat het nooit dezelfde persoon kan zijn als degene die beslist over de aanvraag van een maatwerkvoorziening. De onafhankelijke cliëntondersteuner kan de onafhankelijke cliëntondersteuning bieden maar dat kan ook informele (familie, vrienden, vrijwilliger) cliëntondersteuning zijn. 2.3.Het persoonlijk plan Voordat het onderzoek van start gaat, kan de inwoner het college een persoonlijk plan overhandigen waarin de omstandigheden beschreven zijn en aangegeven wordt op welke maatschappelijke ondersteuning een beroep gedaan wordt. Het college brengt de inwoner van deze mogelijkheid op de hoogte bij de melding, dit wordt gedaan door de FO-SD en/of door het gebiedsteam. De inwoner heeft gedurende zeven dagen na de melding de gelegenheid het plan te overhandigen In een persoonlijk plan staat in ieder geval: De persoonlijke gegevens zoals: naam, adres, telefoonnummer, geboortedatum en een e-mailadres. Waarom er ondersteuning wordt aangevraagd en waarvoor. Wat de inwoner zelf kan doen en wat de inwoner zelf kan organiseren (of regelen). Wat mensen in de omgeving kunnen doen, bijvoorbeeld familie. Wat de mantelzorger aan ondersteuning nodig heeft (als dit van toepassing is). De onder 2.2. genoemde onafhankelijke cliëntondersteuner kan helpen bij het opstellen van een persoonlijk plan. 2.4.Vaststelling identiteit De gemeente is wettelijk verplicht om de identiteit vast te stellen van de personen aan wie de gemeente een voorziening verleent. Dat geldt ook voor mensen die zich melden bij de gemeente met een ondersteuningsvraag. Daarvoor hoort de inwoner gevraagd te worden naar een geldig legitimatiebewijs (paspoort, ID-kaart of rijbewijs Op dit moment is het de werkwijze dat alle inwoners die een eerste Wmo melding doen een huisbezoek krijgen en is de check in de gemeentelijke basisadministratie voldoende om de identiteit vast te stellen en hoeft geen legitimatiebewijs gevraagd te worden. Bij twijfel wordt wel om een legitimatiebewijs gevraagd. 2.5.Het onderzoek Het onderzoek wordt uitgevoerd door de sociaal werker samen met degene door of namens wie de melding is gedaan. Waar mogelijk worden ook mantelzorger(s), begeleider(
- s)of vertegenwoordiger(
- s)betrokken bij het onderzoek. Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd maar in elk geval binnen zes weken na de melding. Onderdeel van het onderzoek is een huisbezoek (of een gesprek op een andere locatie als de melder daar de voorkeur aan geeft), in die gevallen waar iemand al bekend is bij het gebiedsteam kan een telefonisch gesprek volstaan. Tijdens het onderzoek komen de volgende onderwerpen (in elk geval) aan de orde: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp in een (deel) van de oplossing te voorzien; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in een (deel) van de oplossing te voorzien; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(
- s)van de inwoner; de mogelijkheid om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten in een (deel) van de oplossing te voorzien; de mogelijkheid om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders en partijen op het gebied van gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan; welke bijdrage in de kosten de inwoner verschuldigd is. Van het onderzoek wordt een verslag gemaakt. Indien nodig wordt een aanvullend ( medisch of ergonomisch) onderzoek gedaan. Ook deze gegevens worden meegenomen in het verslag. 2.6.Het verslag Van het onderzoek en gesprek wordt door de sociaal werker een verslag gemaakt. Binnen tien werkdagen na het laatste gesprek (of als de laatste opgevraagde gegevens voor het (aanvullend) onderzoek binnen zijn) verstrekt het college aan de inwoner een verslag van de weergave van het gesprek. De inwoner heeft de mogelijkheid om opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd. 2.7.De aanvraag Als de inwoner het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van zijn naam, Burgerservicenummer (BSN), geboortedatum, NAW-gegevens, telefoonnummer, evt. e-mailadres en een dagtekening, kan het verslag fungeren als aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een aanvraag kan alleen in behandeling worden genomen wanneer het gespreksverslag voorzien van naam, geboortedatum en ondertekening door de inwoner (of gemachtigde) is ingeleverd. De datum waarop het volledig ingevulde gespreksverslag bij de gemeente wordt ontvangen, geldt als aanvraagdatum. 2.8De verkorte aanvraagprocedure (Artikel 8a lid 2 Wmo-verordening 2023) In de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel is in artikel 8 opgenomen dat een gespreksverslag dat ondertekend is als aanvraag(formulier) wordt beschouwd. In de praktijk betekent dit dat bij een eerste aanvraag een gespreksverslag wordt gemaakt en wordt ondertekend door de inwoner, In artikel 8a van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 wordt een uitzondering hierop namelijk de verkorte aanvraagprocedure beschreven. Hieronder wordt toegelicht wanneer deze verkorte aanvraagprocedure van toepassing is en welke voorwaarden er dan gelden. Er moet sprake zijn van een eerdere ondertekende aanvraag. De sociaal werker toetst of er een eerdere ondertekende aanvraag aanwezig is. Wanneer dit het geval is besluit de sociaal werker in overleg met de inwoner om de verkorte aanvraagprocedure toe te passen. Het is een voorwaarde dat de inwoner akkoord gaat met de toepassing van de verkorte procedure. De datum wordt genoteerd waarop de verkorte aanvraagprocedure gaat lopen. De reden waarom de aanvraag in aanmerking komt voor de verkorte procedure wordt door de sociaal werker vastgelegd. Dit geldt eveneens voor de motivering om een maatwerkvoorziening te verstrekken. Wanneer er sprake is van de verkorte aanvraagprocedure wordt dit ook in de toekenningsbeschikking vermeld. 2.9.De beschikking De inwoner ontvangt de beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015 binnen twee weken na de aanvraag schriftelijk in een beschikking. In de beschikking staat: de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing en bij een positieve uitkomst het te behalen resultaat Wanneer de verkorte procedure is toegepast wordt dit ook vermeld in de beschikking. Tegen de beslissing is bezwaar en beroep volgens de AWB mogelijk, ook dit wordt opgenomen in de beschikking. Dit kan door binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking een bezwaarschrift schriftelijk in te dienen bij het college. 3Algemeen afwegingskader maatwerkvoorziening Wanneer een inwoner een beroep doet op ondersteuning op basis van de Wmo, dan wordt dit verzoek gewogen. Het gaat daarbij om een individuele weging, waarbij we altijd de volgende onderdelen betrekken: 3.1.Financiële mogelijkheden De wet staat niet toe dat op basis van inkomen passende ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid in eigen oplossingen te voorzien. De financiële middelen zijn daarom wel onderdeel van het gesprek, het is belangrijk om met mensen in gesprek te gaan over hun eigen verantwoordelijkheid. Daar hoort ook de mogelijkheid bij om zelf een oplossing voor het probleem te financieren. Uiteindelijk kan iedereen zelf bepalen of hij wel of niet eigen middelen wil inzetten. 3.2.Ondersteuning door mantelzorgers en vrijwilligers Wanneer verminderde zelfredzaamheid of een participatieprobleem (gedeeltelijk) kan worden opgelost door een mantelzorger of vrijwilliger, kan aanvullend daarop een algemene of maatwerkvoorziening nodig zijn. Bij het bepalen van de meest passende ondersteuningsvorm wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de belangen en belastbaarheid van de mantelzorger of vrijwilliger. Dit is een belangrijk onderwerp dat besproken wordt in het gesprek met de inwoner. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid. 3.3.Gebruikelijke hulp/zorg In de Wmo 2015 is het begrip gebruikelijke hulp gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Daar wordt onder verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. In het kort komt het erop neer dat van een partner of een kind een bijdrage in de ondersteuning wordt verwacht als één van de gezinsleden dat nodig heeft. Dit gaat om de normale dagelijkse activiteiten in een samenlevingsverband (gezin). Denk daarbij aan bijvoorbeeld het helpen van de partner met de financiën. Onder gebruikelijke hulp kan ook gebruikelijke zorg vallen. Gebruikelijke zorg is een onderdeel van gebruikelijke hulp. Bij gebruikelijke zorg gaat het om de huishoudelijke taken die je gezamenlijk uitvoert in een gezin/huishouden. Bij het bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp zijn de onderstaande punten van essentieel belang. De aard van de relatie Van een echtgenoot mag je bijvoorbeeld meer verwachten dan van een andere huisgenoot. En bij kinderen hangt het van de leeftijd af wat je mag verwachten. De aard van de hulp Gaat het om huishoudelijke taken, dan mag je bijvoorbeeld verwachten dat een gezonde volwassen huisgenoot dit overneemt. Minder gebruikelijk is het dat huisgenoten elkaar helpen bij hun persoonlijke verzorging. Maar partners in kortdurende situaties mogelijk wel. En blijft het beperkt tot aansturing? Dan kan het ook gebruikelijk zijn om dit te bieden. Ook kan een rol spelen wanneer de hulp gegeven moet worden en of deze uitstelbaar is. De omvang van de hulp De tijd die nodig is om de hulp uit te voeren speelt ook een rol. Daarbij kan de gemeente ook meewegen wat de echtgenoot of huisgenoot verder voor verplichtingen heeft. In bijlage 1 treft u de richtlijn gebruikelijke hulp aan. 3.4.Afstemmen met voorzieningen die op grond van andere wettelijke regelingen kunnen worden verstrekt In verband met de zelfredzaamheid wordt er gekeken naar de (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan voordat een maatwerkvoorziening aan de orde is. Als een inwoner zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet, is er voldoende eigen kracht. Wanneer dit zich voordoet wordt er op grond van de Wmo geen voorziening verstrekt. Andere wettelijke regelingen zijn bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (ZVW), ziektekostenverzekering, het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), ziektewet, WIA, Wajong of de Participatiewet. Maar ook de mogelijkheid om kinderopvang in te zetten. 3.5.Goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening Het college moet, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening bieden. De begrippen “goedkoopst” en “compenserend” moeten in onderlinge samenhang worden bekeken. De volgorde waarin de begrippen zijn geplaatst, betekent niet dat in de beoordeling die bij het verstrekken van een voorziening wordt gemaakt, de hoogte van de kosten van de voorziening voorop staat en pas op de tweede plaats wordt bekeken of de voorziening compenserend is. “Goedkoopst compenserend” betekent dat een voorziening altijd compenserend moet zijn. Pas als er meerdere compenserende voorzieningen zijn, kan de goedkoopste compenserende voorziening worden gekozen. Het begrip ‘goedkoop’ moet bij de beoordeling niet in absolute zin worden uitgelegd. Zo kan een in aanschaf duurdere voorziening bijvoorbeeld langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. 3.6.Langdurig noodzakelijk Allereerst moet duidelijk zijn dat de voorziening noodzakelijk is om de beperkingen te compenseren Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt wanneer deze niet langdurig noodzakelijk is. In beginsel vallen voorzieningen voor een beperkte of onzekere duur niet onder de compensatieplicht op grond van de Wmo. Waar de grens tussen tijdelijk en langdurig gelegd moet worden is niet duidelijk aan te geven. Dit volgt niet expliciet uit de wet. Een afbakening die gemaakt kan worden, is door te kijken naar andere regelgeving die voor beperkte duur voorzieningen verstrekken, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit de Zvw kunnen hulpmiddelen ten hoogste 26 weken (een halfjaar) verstrekt worden. Is de voorziening minimaal 26 weken noodzakelijk dan is er sprake van langdurig noodzakelijk. Vanuit de Wmo verordening sluiten wij hierbij aan; onder langdurig noodzakelijk wordt verstaan tenminste 26 weken noodzakelijk. Wanneer de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp of begeleiding betreft geldt deze bepaling niet en kan een maatwerkvoorziening tijdelijk ( korter dan 26 weken) worden ingezet. 3.7.Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om een laagdrempelige, vrij toegankelijke voorziening. Met de activiteiten of ondersteuning die via deze algemene voorziening wordt geboden, kan een cliënt (een deel van) zijn participatieproblemen verminderen of zijn zelfredzaamheid verhogen. Denk aan bijvoorbeeld maaltijdvoorzieningen, boodschappendienst, een rolstoel- of scootmobielpool of een was- en strijkservice, een breiclub of een biljartclub. In deze gevallen is het niet noodzakelijk een maatwerkvoorziening in te zetten of kan worden volstaan met een aanvulling op de algemene voorziening. Er wordt altijd op individueel niveau onderzocht of de cliënt met de algemene voorziening voldoende resultaat kan behalen. 3.8.Algemeen gebruikelijke voorziening Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: daadwerkelijk beschikbaar is d.w.z. normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en een passende bijdrage kan leveren aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; de voorziening kan gedragen worden door een inkomen op minimumniveau.1Behalve de al langer bekende criteria dat het moet gaan om een voorziening die gewoon verkrijgbaar is en niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking, gaat het nu om de vraag of de voorziening financieel gedragen kan worden met een minimuminkomen. Of de aanvrager zelf nu wel of niet een minimuminkomen heeft. Als een voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden dan betekent dit dat het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken. 3.9.Vervanging en renovatie Ook bij vervanging bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien deze voor de inwoner algemeen gebruikelijk is. Het college moet echter wel onderzoeken of er sprake is van een situatie waarbij de algemeen gebruikelijke voorziening, gelet op de specifieke behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager, toch verstrekt moet worden. Indien een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen in aanmerking voor vergoeding. Een renovatie (van een keuken of badkamer bijvoorbeeld) is niet snel algemeen gebruikelijk als deze nodig is voor een beperking van de inwoner. Het maakt niet uit hoe oud de badkamer of keuken is. De meeste renovaties zijn namelijk kostbaar en kunnen dus niet gedragen worden met een minimuminkomen.2Zie ECLI:NL:CRVB:2019:3535 3.10Vervanging hulpmiddelen Bij vervanging van hulpmiddelen wordt gekeken naar de reden van vervanging (vaak aangegeven door de leverancier). In sommige gevallen is door het gebruik een voorziening aan vervanging toe en moet beoordeeld worden of deze kosten dan voor rekening van de gemeente zijn of van de gebruiker. 3.11Huishoudelijke apparatuur De aanspraak op een maatwerkvoorziening voor het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden bestaat aanvullend op eigen mogelijkheden. Daaronder kunnen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden gerekend. Hieruit volgt dat er geen indicatie afgegeven wordt als de beperkingen afdoende kunnen worden opgelost met bijvoorbeeld technische hulpmiddelen. Daaronder wordt algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur verstaan zoals een wasmachine, een droogtrommel, een afwasautomaat of stofzuiger. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een oplossing kunnen bieden voor het probleem, dan gaat de aanschaf van deze hulpmiddelen in beginsel voor op het indiceren van ondersteuning. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf. 3.12Aanvaardbaar niveau De omvang van de te verstrekken maatwerkvoorziening wordt begrensd door artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Dat artikel bepaalt dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Als het onderzoek uitwijst dat in het concrete geval maatwerk moet worden geboden, kan niet worden volstaan met standaardoplossingen. Dit houdt niet in dat alles gecompenseerd dient te worden. De aanvrager hoeft niet in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie te wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had en aansluiten bij de leeftijd en leefomstandigheden. Daarbij is het niet van belang wat de persoon noodzakelijk vindt in het kader van smaak. Ook betekent het niet per definitie dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende. Bij aanvaardbaar niveau gaan we uit van de jurisprudentie zoals deze onder de Wmo 2007 is ontwikkeld. Concreet betekent dit dat van iemand met een beperking wordt verwacht dat hij aanvaardt dat, door de beperking, niet alles meer mogelijk is. 3.13.Voorzienbaarheid De maatwerkvoorziening is nadrukkelijk een hekkensluiter. Alleen wanneer een inwoner echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor de gemeente. Dat is niet het geval als de inwoner zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen.3Memorie van toelichting bij de Wmo 2015 Kamerstukken II, 2013/14, 33841, nr 3, p 148 Een voorbeeld hiervan is een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning. Voorzienbaarheid moet concreet en duidelijk zijn, bijvoorbeeld omdat er al een beperking is die consequenties heeft. Daar moet men rekening mee houden De consequentie is dat voorzienbaarheid beperkt is tot de gevolgen van een reeds bestaand probleem. Van iemand die geen problemen heeft, kan de gemeente niet verwachten dat die gaat anticiperen op iets dat voor hem op dat moment nog volstrekt onduidelijk is. Beleid dat uitgaat van voorzienbaarheid zonder dat er al een bestaand probleem is, is daarom niet geoorloofd. Dus het ouder worden en de mogelijke gebreken die dat met zich met mee kan brengen valt nadrukkelijk niet onder voorzienbaarheid. 3.14Contra-indicatie Er wordt altijd beoordeeld of de vraag van de cliënt bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie. Daarom wordt ook altijd meegenomen of in de afzonderlijke situaties de vraag niet leidt tot een contra-indicatie. Bijvoorbeeld: bij bepaalde ziektebeelden is het beter om in beweging te blijven, een rolstoel of een scootmobiel draagt dan niet (in de juiste vorm) bij. Iemand zal dan sneller achteruitgaan waardoor er meer problemen ontstaan dan het verstrekken van een maatwerkvoorziening oplevert. Het is mogelijk dat bij bepaalde maatwerkvoorzieningen een afwijkend toetsingskader van toepassing is. Mocht dat het geval zijn, dan benoemen wij dit bij de uitwerking van de betreffende maatwerkvoorziening. 4Maatwerkvoorziening 4.1 Vormen van verstrekking Het uitgangspunt is dat de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt. De gemeente heeft echter op grond van de Wmo 2015 de plicht om inwoners de keuzemogelijkheid te geven tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Een andere vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming die slechts in beperkte gevallen wordt toegekend . Deze vorm van verstrekking wordt weliswaar niet in de wet genoemd maar in recente uitspraken stelt de Centrale Raad van beroep dat de definitie van een maatwerkvoorziening ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten. In dit hoofdstuk worden verschillende verstrekkingsvormen en die criteria die hierbij gelden behandeld. 4.2Voorziening in natura Een voorziening is een algemene voorziening of maatwerkvoorziening. Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; Een maatwerkvoorziening is een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang; De gemeente regelt de maatwerkvoorziening in natura voor de inwoner. 4.3Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 11 tot en met 13 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 gaat over het persoonsgebonden budget. Voor wat betreft de inhoud, de voorwaarden en verplichtingen van het pgb verwijzen wij naar genoemde artikelen. Een persoonsgebonden budget is een bedrag waaruit namens het college betalingen gedaan worden voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een inwoner van derden heeft betrokken. Met een pgb kan de inwoner zelf ondersteuning, hulpmiddelen of voorzieningen inkopen. De inwoner voert zelf de regie over zijn eigen ondersteuning. Zo kan hij, mits aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan, kiezen voor een aanbieder uit een ander gebied, maar ook voor het financieren van hulp die wordt verleend door het eigen sociale netwerk. Het kiezen voor een pgb dient altijd een bewuste en vrijwillige keuze te zijn van de inwoner. In de wet is tevens een verplichting aan gemeenten meegegeven om de inwoner te informeren over de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen van die keuze. Wanneer inwoners vooraf helder en volledig geïnformeerd worden over wat er komt kijken bij het beheer van een pgb, vergroot dit de kans dat men weloverwogen kiest voor het pgb en hier op adequate wijze mee om kan gaan. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb voor maatwerk (zoals een scootmobiel of een rolstoel) toekennen ter hoogte van het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. Hierbij moet het voor de inwoner wel mogelijk zijn tegen dezelfde kosten een voorziening aan te schaffen. Er bestaat een mogelijkheid om bij de huidige leverancier van de gemeente een hulpmiddel aan te schaffen tegen hetzelfde tarief als de gemeente betaalt. Een inwoner die met een pgb de ondersteuning zelf organiseert, kan deze ondersteuning afnemen bij een formele hulp/professional of een informele hulp/het sociale netwerk. Het pgb wordt via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) uitbetaald. Formele hulp (professionals) Is de zorg die verleend wordt door mensen die daar een diploma voor hebben en die daarvoor betaald worden. Wat zij wel en niet mogen doen, staat vast in de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het programma van eisen bij de inkoop van Zorg in natura (zie bijlage). PGB formele hulp bedraagt een bepaald percentage van het zorg in natura tarief. Dit percentage wordt genoemd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 Het sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Huiselijke kring Hieronder vallen familieleden, huisgenoten, echtgenoot of voormalige echtgenoot of mantelzorgers (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Andere personen Dit zijn personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging (zie daarover de toelichting bij artikel 1.1.1 Wmo 2015). Volgens de rechtbank Oost-Brabant behoren buren niet per definitie tot het sociaal netwerk van een cliënt. Doorslaggevend is volgens de rechtbank of sprake is van een sociale relatie tussen de cliënt en de buren5Rechtbank Oost-Brabant 2-2-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:403. Voor de inzet van het sociale netwerk wordt een lager percentage gehanteerd. Dit percentage wordt ook genoemd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 In het gesprek kan de inwoner de wens uitspreken om het sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. Een pgb voor het sociale netwerk blijft in elk geval beperkt tot die gevallen waarin het de gebruikelijke zorg of hulp overstijgt. Wat kan niet uit het pgb betaald worden/bestedingsregels Artikel 11 lid 8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel stelt dat tussenpersonen en belangenbehartigers niet uit het pgb betaald mogen worden. De volgende kosten kunnen niet uit een PGB worden betaald: bemiddeling; ondersteuning die, wanneer veel inwoners kiezen voor een pgb, zorgen voor het wegvallen van gemeentelijke inkoopvoordelen. administratie. De doorlopende administratiekosten die de pgb-houder bij derden heeft belegd komen niet voor betaling uit een pgb in aanmerking. De pgb-administratie doet een pgb-houder zelf of een vertegenwoordiger doet dit zonder hiervoor geld uit het pgb te ontvangen. coördinatie. Een inwoner komt in principe alleen in aanmerking voor een pgb als hij zelf (of een vertegenwoordiger) op verantwoorde wijze regie kan voeren. Coördinatie is om deze reden niet aan de orde, deze rol vervult de pgb-houder immers zelf of is belegd bij een vertegenwoordiger. crisishulp / crisisopvang / spoedeisende zorg Wanneer in geval van crisis direct hulp moet worden verleend, is er geen tijd om een persoonlijk ondersteuningsplan op te stellen, de hoogte van het Pgb te bepalen en een (arbeids-) overeenkomst te sluiten met een hulpverlener/ organisatie. Bovendien moet deze hulp voldoen aan kwaliteitseisen. Voor crisishulp is het om deze redenen niet mogelijk een Pgb te ontvangen; reiskosten van de zorgverlener; eenmalige uitkering of feestdagenuitkering aan de zorgverlener. Pgb voor een éénmalige voorziening Dit is een pgb dat incidenteel of éénmalig toegekend kan worden voor de besteding aan een (woning)aanpassing en/of hulpmiddel. Met dit pgb bepaalt u zelf waar en bij wie u de voorziening aanschaft. Het pgb wordt door de gemeente uitgekeerd aan de leverancier (dit i.v.m. het trekkingsrecht en totdat deze pgb’s ook via de SVB gaan lopen.) Het pgb voor een hulpmiddel bedraagt maximaal het bedrag dat de gemeente betaalt voor aanschaf van de geïndiceerde voorziening bij haar leverancier, en is toereikend voor minimaal vijf tot zeven jaar. Budget voor onderhoud en reparatie moet, indien nodig, jaarlijks worden aangevraagd. Ook dit budget wordt aan de leverancier uitgekeerd. De voorwaarden die behoren bij een “gewone” pgb zijn ook van toepassing op het pgb voor een éénmalige voorziening Denk hierbij o.a. aan: u heeft voldoende gemotiveerd waarom u een eenmalig pgb wilt u bent in staat om (met hulp) een kwalitatief goede voorziening uit te zoeken u bent, indien van toepassing, in staat een onderhoudscontract af te sluiten 4.4.Financiële tegemoetkoming In artikel 14a wordt in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Tytsjerksteradiel 2023 de financiële tegemoetkoming beschreven. Deze kan alleen worden toegekend voor: De kosten voor verhuizing en inrichting; De kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Wat is het verschil met een pgb? Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een financiële tegemoetkoming of van een pgb, kan meespelen of aan de verstrekte voorziening kwaliteits- en verantwoordingseisen worden gesteld en of de SVB bij de realisering ervan is betrokken4CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961). Een ander verschil is dat een financiële tegemoetkoming, in tegenstelling tot een pgb, niet precies toereikend hoeft te zijn. Daarnaast wordt er op de financiële tegemoetkoming geen bijdrage als bedoeld in artikel 18 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 toegepast. 5Verstrekken van maatwerkvoorziening 5.1Zelfstandig Leven en Maatschappelijke Deelname Indeling maatwerkvoorzieningen In de maatwerkvoorzieningen Zelfstandig Leven (ZL) en Maatschappelijke Deelname (MD) staat het te behalen resultaat centraal – niet hoe de ondersteuning ingevuld gaat worden. Per situatie wordt bekeken welke ondersteuning ingezet moet worden, dat kan één, meerdere of álle vormen zijn. Maatschappelijke Deelname kan ook gecombineerd worden maar kan samen nooit meer worden dan het maximale aantal dagdelen van 10. Complexiteiten De moeite en inzet die het kost om dit resultaat te behalen, hangt af van de aard en zwaarte van de beperking van de inwoner en de mate waarin ondersteuning vanuit de eigen/sociale omgeving, vrijwilligerswerk en/of algemene voorzieningen kan worden gerealiseerd. Per maatwerkvoorziening worden drie ‘complexiteiten’ onderscheiden: Licht, Midden en Zwaar. Met elke individuele cliënt bepaalt de cliëntondersteuner per maatwerkvoorziening welke complexiteit nodig is. Zie bijlage 4 Richtlijn maatwerkvoorzieningen ‘Zelfstandig Leven’ en ‘Maatschappelijke Deelname’ voor het toetsingskader. Zintuiglijke beperking Voor ondersteuning aan cliënten met een zintuiglijke beperking zijn landelijk (via VNG) aparte afspraken gemaakt waarvan we als gemeente gebruik kunnen maken. Het gaat om: ondersteuning vroegdoven; ondersteuning visueel gehandicapten; ondersteuning doofblinden. Het gaat om de mogelijke inzet van een maatwerkvoorziening, maar er kunnen ook producten worden ingezet om optimaal gebruik te maken van de kennis en expertise van aanbieders voorafgaand aan of tijdens de begeleiding. Bijvoorbeeld voor de uitvoering van of ondersteuning bij vraagverheldering. Aanvulling (afwegingskader) Huishoudelijke hulp Voor de begrippen gebruikelijke hulp en gebruikelijke zorg wordt u verwezen naar hoofdstuk 3 onder c van deze beleidsregels en naar bijlage 1. Strijken Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed en dergelijke gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Uitzondering 1: als iemand bedlegerig is, worden de lakens gestreken. Uitzondering 2: bij infectiegevoeligheid worden theedoeken en zakdoeken gestreken. Boodschappen Het doen van boodschappen door de huishoudelijke hulp is een uitzondering en alleen mogelijk als er geen andere mogelijkheden (bijvoorbeeld een boodschappendienst of inschakelen sociaal netwerk ) zijn. Bij boodschappen is het uitgangspunt: éénmaal in de week boodschappen doen. Het betreft dan de boodschappen die nodig zijn voor levensonderhoud. Een uitzondering wordt door het college alleen gemaakt als helder is dat dit niet in éénmaal per week mogelijk is. Zorg kinderen De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren, is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. De Wmo heeft als een inwoner zelf geen oplossingen heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een structurele oplossing. Ook zijn er mogelijkheden om dit via de Participatiewet te regelen. Als er sprake is van sociaal/medisch noodzaak kunnen de opvangkosten vergoed worden via de bijzondere bijstand. Grootte en inrichting woning Een inwoner heeft een eigen verantwoordelijkheid waaruit voortvloeit dat, in het algemeen, het type en de grootte van de woning niet van invloed zijn op de hoeveelheid te verstrekken huishoudelijke hulp. Dit zijn keuzes waarop inwoners zelf invloed kunnen uitoefenen en keuzes in kunnen maken. Tevens wordt van een inwoner verwacht dat hij meewerkt aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van inwoners mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning. Te denken valt aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Tevens valt te denken aan het benutten van domotica of technische hulpmiddelen. Het onderhoud van de tuin wordt niet tot het huishouden gerekend. Huisdieren De aanwezigheid van huisdieren is niet van invloed op de hoeveelheid te verstrekken huishoudelijke hulp. Dit zijn keuzes waarop cliënten zelf invloed kunnen uitoefenen en keuzes in kunnen maken. Het verzorgen en het houden van (huis)dieren (niet zijnde hulphonden/dieren) en de gevolgen daarvan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor, behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van cliënt. Inzet van hulp bij het huishouden in een Hospice Bij opname in een hospice gelden afwijkende, provinciale afspraken. De noodzaak staat vast en standaard wordt 5 uur per week huishoudelijke hulp ingezet. Aanmelding door de aanbieder die in het betreffende hospice verantwoordelijk is voor de ondersteuning, is afdoende voor een toekenning van de voorziening. Een schriftelijke aanvraag is dus niet nodig. Er wordt wel een besluit aan de inwoner gezonden en de eigen bijdrage is van toepassing. Flitsteam In gevallen waar er eerst grondig schoongemaakt moet worden, kan het Flitsteam ingezet worden. De kosten van deze inzet zijn voor rekening van de gemeente. Deze inzet wordt gezien als pgb, er wordt geen eigen bijdrage geïnd. ( artikel 18 lid 2 onder e van de verordening Maatschappelijke ondersteuning) Reden hiervoor is dat het vaak gaat om zorgmijders en dat het risico op afbreken van de ondersteuning groot is bij het innen van een eigen bijdrage. Doel is om na de grondige schoonmaak een ingang te hebben voor het voortzetten van ondersteuning. Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging valt onder de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Het gaat bij persoonlijke verzorging op grond van de Wmo niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de inwoner , maar om de begeleiding hierbij. Het gaat dus om inwoners die zichzelf wel kunnen wassen, aankleden en dergelijke, maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regieprobleem hebben, bijvoorbeeld inwoners met een verstandelijke handicap of een psychiatrische aandoening. Dit betekent dat de aanspraak op persoonlijke verzorging verband houdt met de zelfredzaamheid en in het verlengde ligt van begeleiding. Het gaat altijd om boven-gebruikelijke zorg (zorg die niet meer gebruikelijk is voor een partner of kind). Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan alleen dan bestaan uit aansturing bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), waaronder: in en uit bed komen; aan-en uitkleden: bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne; toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen Doelgroep Inwoners vanaf 18 die aansturing nodig hebben bij de ADL. Er is echter geen behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Resultaat De ondersteuning wordt geboden met als doel ondersteuning bij de zelfzorg (wassen, kleden en dergelijke). Doel is het behouden van de aanwezige zelfredzaamheid en ondersteuning en/of overname van de zelfzorg. Persoonlijke verzorging bevat onder andere hulp bij het wassen/douchen en aankleden, het gaat om niet-medische activiteiten. Specifieke voorwaarde Persoonlijke verzorging onder de Wmo kan alleen wanneer er geen indicatie is voor de Wlz of een aanspraak op de Zvw (Wmo 2015, art. 1.1.1.) Voor een overzicht van het verschil zie bijlage6Bijlage 1: Onderscheid Persoonlijke Verzorging in de Wmo, de Zorgverzekeringswet en de Wlz De behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico hierop, is het leidend criterium en geldt voor iedereen in dezelfde mate, ongeacht de beperking die iemand heeft. Aanvulling (afwegingskader) Maatschappelijke Deelname Vervoer Vervoer naar de locatie kan onderdeel uitmaken bij Maatschappelijke Deelname wanneer dit noodzakelijk is. Uitgangspunt bij het beoordelen van ‘noodzakelijk’ is het gebrek aan zelfredzaamheid van cliënt. 5.2Wonen Doel Doel van de woonvoorziening is het compenseren van ergonomische belemmeringen die iemand ondervindt bij woonactiviteiten. Het gaat daarbij om belemmeringen die normale woonactiviteiten bemoeilijkt of onmogelijk maken zoals: het bereiden van eten; slapen; lichaamsreiniging; verzorgen van kinderen (waaronder het veilig kunnen spelen van een kind). De daarvoor bestemde ruimten moeten bruikbaar zijn voor de functies waarvoor ze bestemd zijn. Het gebruik van hobby-, werk- of recreatieruimte, zolder en bergruimte valt in principe niet onder het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat voor deze ruimten geen woonvoorzieningen mogelijk zijn, tenzij dit noodzakelijk is. Aanvulling (afwegingskader) Wonen Algemeen uitgangspunt Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf moet zorgdragen voor een geschikte woning. Daarbij mag ervan uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats spreken we in principe van een woning. Verhuizing Blijkt na toepassing van het algemeen afwegingskader dat de cliënt niet in staat is om de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen uit de voeren, dan bekijkt het college of compensatie via een verhuizing tot de mogelijkheden behoort. Hierbij wegen we onderstaande aspecten mee: Als de belemmeringen onvoldoende worden gecompenseerd door aanpassingen, is verhuizen naar een andere geschiktere woonruimte de enige compenserende oplossing. Beoordeling of aanpassing (technisch) mogelijk is. De verschillende consequenties zowel vanuit de gemeente als vanuit de belanghebbende moeten afgewogen worden tegen onder meer de kosten van de verschillende opties. Vergelijking van aanpassingskosten van de huidige versus de nieuwe woonruimte. Snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost In een aantal gevallen kan verhuizing het woonprobleem veel sneller oplossen, bijvoorbeeld als iemand in een revalidatiehuis of ziekenhuis verblijft en pas ontslagen kan worden als de woonsituatie is aangepast. Sociale omstandigheden. Sociale omstandigheden spelen een rol bij de afweging aanpassen of verhuizen. Hierbij kan worden gedacht aan de binding die de cliënt heeft met de wijk of buurt. Maar ook de nabije aanwezigheid van mantelzorg, afstand tot de verschillende voorzieningen (winkels, ziekenhuis etc) spelen een rol. Integrale afweging van de verschillende categorieën Wmo voorzieningen. Afstemming met Wmo-voorzieningen: afstand tot openbaar vervoershaltes, aanwezigheid van voorzieningen, winkels, ziekenhuis etc. De conclusie kan zijn dat het adequater is om de huidige woning aan te passen dan de cliënt te laten verhuizen in verband met behoud van de bereikbaarheid van voorzieningen waardoor minder aanvullende maatregelen genomen hoeven te worden. Woonlastenconsequenties Een vergelijking maken tussen woonlasten van het aanpassen van de huidige woonruimte versus het verhuizen naar een ander woonruimte. Hierbij kunnen wij bijvoorbeeld rekening houden met de hoogte en de duur van de te ontvangen huurtoeslag. Is de belanghebbende eigenaar dan heeft een verhuizing andere consequenties dan bij een huurder. Vermogenswinsten of –verliezen moeten worden meegenomen in de overweging. Dit geldt ook voor de mogelijkheid tot hergebruik van de woningaanpassing. Om tot een zorgvuldig besluit te komen, moeten alle argumenten goed worden afgewogen. Verhuiskosten Een verhuiskostenvergoeding is bedoeld voor onder andere de kosten voor een verhuisbedrijf. Een verhuiskostenvergoeding kan in natura of als een pgb dan wel als een financiele tegemoetkoming ( artikel 14a verordening maatschappelijke ondersteuning) verstrekt worden. De hoogte van de vergoeding voor een verhuizing (verhuiskosten) stellen we vast op basis van minimaal twee, door de gemeente, goedgekeurde offertes. Bij twijfel vraagt de gemeente zelf een offerte op. Aanbouw/woonunit Wanneer aanbouw noodzakelijk is, dan overweegt het college – naast de optie tot een vaste aanbouw – met name vanwege financieel-economische argumenten het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit. Een losse woonunit wordt in bruikleen verstrekt. Bij het plaatsen van een unit zijn de bijkomende kosten voor rekening van de gemeente. Ook de verwijderkosten, c.q. de kosten om de woning terug te brengen in de oude staat, worden door de gemeente vergoed. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen Een woningaanpassing kan ook worden toegekend aan cliënten die in een woonwagen of op een woonschip of binnenschip wonen. Er gelden in deze gevallen extra voorwaarden in verband met de duurzaamheid van de voorzieningen, namelijk: een woonwagen en een woonschip moeten nog een technische levensduur van tenminste vijf jaar hebben. Ook de stand- en ligplaats moet nog zeker vijf jaar blijven bestaan, behoudens wijzigingen die buiten de invloedsfeer van een cliënt liggen; de hoofdcliënt van een woonwagen beschikt over een bewoningsvergunning. Een voorziening aan een binnenschip kan slechts aan het woongedeelte worden aangebracht en het schip moet geregistreerd zijn en bedrijfsmatig worden gebruikt. Bouwkundige aanpassingen Bij bouwkundige aanpassingen aan/in de woning werkt het College altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Een bouwkundige aanpassing kan zowel in natura als in een Pgb verstrekt worden. Voor uitbreiding of aanbouw van ruimten wordt aansluiting gezocht bij de normen zoals gehanteerd in het meest recente Handboek toegankelijkheid. Dezelfde richtlijnen gelden ook voor een woonunit. Voor de slaapkamer en doucheruimte gelden onderstaande richtlijnen: Vertrek Maximaal aantal m² Eenpersoonskamer 12 Tweepersoonskamer 18 Badkamer 10 Het vigerende Bouwbesluit moet worden toegepast bij bouwkundige aanpassingen. Hoogte pgb bouwkundige aanpassingen (Artikel 11 lid 6 Wmo-verordening 2023) De hoogte van het pgb bij bouwkundige aanpassingen wordt bepaald op basis van een vastgestelde offerte. De volgende kosten worden hierin meegenomen: de aanneemsom (inclusief de loon-en materiaal kosten waarbij wordt uitgegaan van de goedkoopst, adequate materialen gelijk aan de normen sociale woningbouw, eventueel de ontwerpkosten bij een ingrijpende en of complexe woningaanpassing, indien nodig, de noodzakelijke kosten voor het bereken van de constructie/draagkracht, de bouwleges die betrekking hebben op het kunnen realiseren van de woningaanpassing, onvoorziene kosten die tijdens het opstellen van de offerte niet redelijkerwijs begroot konden worden, kosten van het aansluiten op openbare nutsvoorzieningen; tussentijdse wijzigingen en of aanpassingen die invloed hebben op de kostprijs worden na toestemming, in overleg met de gemeente, vergoed, tussentijdse, onvoorziene indexatie van btw en of materiaaltarieven, worden in overleg met de gemeente vergoed. Bezoekbaar maken van de woning Het is mogelijk om een woonvoorziening te treffen voor het bezoekbaar maken van de woning wanneer de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een verzorgingsinstelling. In dat geval is artikel 10, tweede lid, onderdeel b van de vigerende Verordening maatschappelijke ondersteuning van toepassing. Ook in het geval van een gehandicapt kind met ouders die niet samenwonen, is het mogelijk om één woning aan te passen en de woning van de andere ouder bezoekbaar te maken. Participatie Het bezoekbaar maken van een woning moet bijdragen aan de participatie van de aanvrager. Onder participatie vallen het ontmoeten van medemensen en het onderhouden van contacten. Overname voorzieningen Al een tijd lang wordt gesignaleerd dat het lastig is in de Wmo als mensen gaan verhuizen naar een andere gemeente. Iedere gemeente heeft zijn eigen beleid en voorzieningen en de overgang van de ene gemeente naar de andere kan daardoor ingewikkeld zijn. Voor het meeverhuizen van hulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen is er een verhuisconvenant opgesteld. Dit convenant heeft als doel ervoor te zorgen dat de inwoner met een Wmo voorziening geen hinder ondervindt van een verhuizing en het de reeds ter beschikking gestelde hulpmiddel kan blijven gebruiken. 5.3Rolstoel in en om de woning en lokaal kunnen verplaatsen Doel Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en om de woning bestaat uit het in staat zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging, de tuin of het balkon kunnen bereiken en er zich zodanig kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. Ook je lokaal kunnen verplaatsen in verband met het participeren is een te bereiken resultaat. Een maatwerkvoorziening voor een rolstoel kan aan de orde zijn als er sprake is van belemmeringen in het zich verplaatsen in of om de woning. Bij verplaatsingen om de woning gaat het om verplaatsingen in de directe omgeving van de eigen woning: om het huis, naar de buren of bestemmingen in de wijk die op loopafstand liggen. Aanvulling (afwegingskader) verplaatsen in en om de woning Selectie rolstoelen Er zijn diverse typen rolstoelen te verkrijgen. De selectie van een rolstoel is maatwerk en wordt door de aanbieder in samenspraak met de cliënt bepaald. Bij het beoordelen (door het gebiedsteam) of iemand een rolstoel nodig heeft, worden in elk geval de volgende factoren meegenomen: het gebruik; het gebruiksgebied; de aandrijving; de zithouding; de meeneembaarheid; lichaamsmaten. Sportrolstoel Inwoners die voor de beoefening van hun sport een sportrolstoel nodig hebben, kunnen in aanmerking komen voor een sportrolstoel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Daarbij wordt uitgegaan van het niveau van recreatie/ breedte sport. De meerkosten van duurdere sportrolstoelen voor sportbeoefening op wedstrijdniveau komen voor rekening van de cliënt. 5.4Vervoer Doel Het verplaatsen van cliënten om deel te kunnen nemen aan het leven van alledag is van wezenlijk belang om contacten te onderhouden. Het gaat hier om de directe leef- en woonomgeving van de cliënt. Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen. Hierbij gaat het om verplaatsingen in een straal van maximaal 25 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Aanvulling (afwegingskader) vervoer Vervoer naar locatie Vervoer naar de locatie kan onderdeel uitmaken zijn van Maatschappelijke Deelname wanneer dit noodzakelijk is. Uitgangspunt bij het beoordelen van ‘noodzakelijk’ is het gebrek aan zelfredzaamheid van cliënt. Collectief vervoer Moeten we compenseren, dan beoordelen we of deze behoefte bij een persoon ingevuld kan worden met een systeem van collectief vervoer. Hierbij houden wij rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Afstand Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1500 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Wanneer daar aanleiding voor is kan dit aantal worden verhoogd of verlaagd. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte, voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden wat invloed kan hebben op het aantal kilometers. Begeleiding tijdens vervoer Wanneer vaststaat dat er een medische indicatie bestaat voor begeleiding tijdens vervoer, dan kan een vervoerspas met begeleiding worden verstrekt. De begeleider reist gratis mee. Er is alleen indicatie mogelijk voor begeleiding bij het collectief vervoer wanneer: er een medische noodzaak is voor verzorging onderweg; te denken valt aan epilepsie, het moeten toedienen van medicijnen die acuut nodig zijn er sprake is van een gedragsstoornis, waarbij de chauffeur niet kan optreden of betrokkene rustig kan maken of houden. bruik kunnen maken van collectief vervoer Artikel 14a onder b van de verordening kent een financiële tegemoetkoming voor: De kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte is gebaseerd op de kilometerprijs van het Nibud en het uitgangspunt dat de cliënt 1500 km per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen. De te hanteren kilometerprijs van het Nibud is de op dit moment geldende kilometerprijs voor de variabele kosten voor een auto uit de miniklasse. Overige vervoersvoorziening Bij personen bij wie het collectief vervoer de behoefte niet in voldoende of volledige mate compenseert, beoordeelt het college of ernaast of in plaats van deze voorziening een andere voorziening verstrekt moet worden. Scootmobiel De meest voorkomende individuele vervoersvoorziening is de scootmobiel. Het gaat hier om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de eigen woning en op de iets langere afstand ( max 15 kilometer enkele reis) Deze voorziening kan gecombineerd worden met collectief vervoer. Een scootmobiel wordt vooral geïndiceerd wanneer er sprake is van een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving van de woning. Dit is het geval als de cliënt met een scootmobiel zelf boodschappen kan doen, familie en kennissen kan bezoeken en kan voorzien in recreatief vervoer. Bij verstrekking van deze voorziening is het van belang dat de cliënt: zonder begeleider zelf zijn bestemming moet kunnen bepalen en vinden; kan in- en uitstappen en een goede zitbalans heeft; het voertuig kan bedienen en besturen; een plek heeft om de voorziening te stallen en op te laden. Aanpassingen aan auto Bij de beoordeling of cliënten in aanmerking komen voor een aanpassing, bekijken we eerst of de vervoersbehoefte bij de cliënt kan worden ingevuld met een systeem van collectief vervoer. In de regel wordt hiermee voorzien in de vervoersbehoefte. In enkele gevallen kunnen aanpassingen aan een beschikbare eigen auto een adequate en goedkope oplossing voor mobiliteitsproblemen zijn. In dat geval is vergoeding van aanpassingen mogelijk. Wij beoordelen de aanvraag in samenhang met eventueel eerder getroffen (vervoers) voorzieningen. In de volgende gevallen kan een aanpassing een adequate en goedkope oplossing zijn: gebruik van het collectief vervoer is op medische gronden niet mogelijk; vervoer van een gehandicapt kind dat onderdeel uitmaakt van het gezin; het collectief vervoer is gezien de persoonlijke kenmerken en behoeften onvoldoende compenserend. Wat wordt vergoed De gemeente vergoedt de kosten van de aanpassing evenals onderhoud en reparatie daarvan. De hoogte van het pgb wordt bepaald op basis van minimaal twee ingediende offertes Voorwaarden aanpassing aan auto Vergoeding van de kosten voor aanpassing van de auto is alleen mogelijk als de auto: redelijk is aan te passen (kosten staan in verhouding tot het gebruik); aanpassing is voor gebruik sociaal vervoer, niet voor bijvoorbeeld werk of dagopvang; iemand voor de dagelijkse vervoersbehoefte afhankelijk is van de auto. Het is voor u dus niet mogelijk om te reizen met het openbaar vervoer of Aanvullend openbaar vervoer, de fiets, taxi of scootmobiel; de auto is kan nog vijf jaar mee gereden worden (dit dient door een onafhankelijke partij op basis van een keuring aangetoond te worden); Aanpassingen aan de eigen auto worden maximaal één keer per vijf jaar vergoed. Voorwaarden aanschaffen auto In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om een auto te verstrekken. Dit kan alleen als er geen andere mogelijkheden zijn om de belemmeringen op het gebied van het vervoer op te lossen. Bij de aanschaf wordt er vanuit gegaan dat, indien er een eigen auto/autobus is, deze ingeruild worden en de waarde geïnvesteerd wordt in de aan te schaffen voorziening. Per situatie wordt beoordeeld welke kosten voor rekening komen van de cliënt. 5.5Beschermd wonen 5.5.1Inleiding Vanaf 1 januari 2015 is de centrumgemeente Leeuwarden verantwoordelijk voor het bieden van beschermd wonen voor de regio Friesland. Deze regionale taak is belegd bij Sociaal Domein Fryslân (SDF). De gemeente Leeuwarden koopt namens de 18 Friese gemeenten beschermd wonen in en draagt zorg voor de toegang en het afgegeven van een beschikking. 5.5.2 Toegang Een cliënt wordt aangemeld voor beschermd wonen bij het gebiedsteam van de gemeente waar deze persoon woont of stroomt door vanuit een andere opvang of behandelsetting. Het gebiedsteam bekijkt samen met de cliënt en een eventuele huidig betrokken aanbieder welke hulpvraag er is en of beschermd wonen noodzakelijk is. De cliënt moet hiervoor voldoen aan de criteria voor beschermd wonen. Als er sprake is van een noodzaak tot beschermd wonen, vult de sociaal werker van het gebiedsteam, eventueel met de zorgaanbieder, een besluitformulier voor beschermd wonen in. Dit besluit wordt getoetst door de daartoe aangewezen uitvoeringsorganisatie. Deze organisatie geeft een beschikking af waarmee de cliënt formeel toegang tot beschermd wonen krijgt. Beschermd Wonen is een landelijk toegankelijke voorziening. Dit betekent dat cliënten in principe te allen tijde gebruik kunnen maken van de voorziening, ongeacht waar zij vandaan komen of zich melden. Er wordt afstemming gezocht met de gemeente van herkomst. Uitgangspunt in de provincie Friesland is wel dat cliënten zo veel mogelijk uit de regio Friesland, Groningen of Drenthe komen. Wanneer de cliënt geen binding heeft met de regio, dan wordt in samenspraak tussen cliënt, zorgaanbieder en het betrokken gebiedsteam gezocht naar mogelijkheden om de cliënt te plaatsen in een Beschermde Woonvorm in de regio van herkomst. Ten zij dit niet in het belang van de cliënt is. 5.5.3 Afwegingskader Voor het afwegingskader en verdere uitwerking zie de vigerende ‘Beleidsregels Wmo’ van de gemeente Leeuwarden 5.6Opvang 5.6.1Inleiding De maatschappelijke opvang en vrouwenopvang hebben als taak het bieden van tijdelijk en veilig verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. De kerntaak van de opvang richt zich op het bieden van een vangnet en een stuk nazorg. Vaak gaat het om kwetsbare cliënten met combinaties van verschillende problematiek. Voor ambulante begeleiding, geboden door maatschappelijke opvanginstellingen en vrouwenopvang (Fier Fryslân, Zienn, Limor en Leger des Heils) geldt dat de toegang verloopt via het gebiedsteam in de directe omgeving waar iemand woont. Zij geven een indicatieadvies waarna Sociaal Domein Friesland (SDF) een beschikking afgeeft. Ook een aanbieder waar een cliënt bekend is, kan in afstemming met het gebiedsteam een advies geven aan SDF. 5.6.2Centrumgemeente versus regio De centrumgemeente Leeuwarden heeft vanuit de Wmo een belangrijke rol bij Opvang, waaronder maatschappelijke- en vrouwenopvang. De uitvoeringstaken rondom opvang zijn ondergebracht bij Sociaal Domein Fryslân. De centrumgemeente Leeuwarden maakt namens 18 Friese gemeenten afspraken met de aanbieders van opvang over het vangnet dat ze bieden voor de regio Fryslân. De centrumgemeente Leeuwarden werkt nauw samen met de lokale gemeenten met als gezamenlijk doel het verminderen van het aantal daklozen, het zo kort mogelijk verblijven in het vangnet, het zo snel mogelijk weer doorstromen naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan en het verminderen van overlast en geweld in afhankelijkheidsrelaties. Dit is beschreven in het document ‘Uitgangspunten voor de financiering van: Opvang, Beschermd Wonen en Veilig Thuis 2016’ (https://www.sdfryslan.nl/sites/default/files/inline_content/uitgangspunten_financiering_bw-opvang-veilig_thuis_2016.pdf). 5.6.3Toegang De opvangvoorzieningen in de regio zijn van belang voor cliënten die in een (dreigende) situatie van dak- of thuisloosheid verkeren. Cliënten kunnen zich rechtstreeks wenden tot aanbieders om een beroep te doen op de voorzieningen. Een toets op de toegang vindt plaats door aanbieders. Voor alle voorzieningen geldt dat ze worden gesubsidieerd door de centrumgemeente Leeuwarden zodat beschikbaarheid en continuïteit gegarandeerd zijn. Binnen de opvang kan onderscheid worden gemaakt naar algemene- en maatwerkvoorzieningen. De algemene voorzieningen in de gemeente zijn in principe toegankelijk voor iedereen met (dreigende) dak- of thuisloosheid, een lichte toegangstoets wordt door de zorgaanbieders uitgevoerd. De toets bestaat uit het nagaan of de cliënt tot de doelgroep, namelijk (dreigend) dak- of thuisloos, behoort. De algemene voorzieningen zijn voorliggend op maatwerkvoorzieningen. Een maatwerkvoorziening is in de wet een individuele voorziening waarop een toets op rechtmatigheid plaatsvindt. In 2017 vindt deze toegangstoets plaats door middel van de intake die door de aanbieders wordt gedaan. Een beschikking wordt afgegeven door de gemeente waar een cliënt feitelijk verblijft in een voorziening en wanneer deze cliënt een Participatiewet uitkering heeft. Bij een andere vorm van inkomen wordt de beschikking afgegeven door de instelling zelf, namens de gemeente. Voor de maatwerkvoorziening opvang geldt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Landelijk is bepaald dat de voorzieningen van de opvang toegankelijk moet zijn voor iedereen die in Nederland woont, waarbij de centrumgemeente van aanmelding, wanneer nodig, de eerste opvang verzorgt en vervolgens bepaalt, in overleg met de cliënt, in welke plaats een individueel traject het meest kansrijk is. Deze centrumgemeente verzorgt de opvang. De opvanginstellingen in de regio Friesland werken conform de criteria zoals benoemd in de beleidsregels van de handreiking Landelijke toegankelijkheid in de maatschappelijke opvang en het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang. Toegang tot een opvangvoorziening kan worden geweigerd wanneer een cliënt zich (na toegang tot de voorziening) niet houdt aan de huisregels van een voorziening. 5.6.4Afwegingskader Voor het afwegingskader en verdere uitwerking zie de vigerende ‘Beleidsregels Wmo’ van de gemeente Leeuwarden. 5.7Kortdurend Verblijf Doel Bij kortdurend verblijf gaat het om logeren gedurende maximaal drie etmalen per week. Het doel is het overnemen van de zorg ter ontlasting van de gebruikelijke zorg of de mantelzorger. Of het tijdelijk onttrekken van de cliënt uit de thuissituatie om tot rust te komen. Het verblijf is aanvullend op het wonen in de thuissituatie en niet bedoeld om voor het grootste deel van de week te wonen in een instelling. Doelgroep Cliënten die in aanmerking komen voor kortdurend verblijf: hebben chronische complexe problemen door een somatische, zintuiglijke of verstandelijke beperking, een psychische- of cognitieve aandoening; die niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie; en die worden ondersteund door een mantelzorger die tijdelijk ontlast moet worden; hebben maximaal drie etmalen nodig omdat de andere etmalen door gebruikelijke hulp en/of de mantelzorg worden geboden. (Er kunnen ten behoeve van vakantie van de mantelzorger ook etmalen worden gespaard en vervolgens worden opgenomen, tot maximaal drie weken). 5.8Respijtzorg Doel Respijtzorg biedt mantelzorgers de mogelijkheid hun zorgtaken tijdelijk aan een ander over te dragen. Daardoor kunnen zij de zorg beter volhouden. Is ontlasting van de gebruikelijke zorg of de mantelzorger noodzakelijk, dan kan respijtzorg worden ingezet. Aandachtspunt: kijken naar voorliggende mogelijkheden zoals vergoeding via de zorgverzekering en de WLZ of ontlasting van de mantelzorger door inzet van een vrijwilliger. Vormen respijtzorg De volgende vormen van respijtzorg kunnen bijvoorbeeld worden ingezet om de gebruikelijk zorg of de mantelzorger te ontlasten: kortdurend verblijf; huishoudelijke hulp; Maatschappelijke Deelname. 6.Slotbepalingen 6.1.Inwerkingtreding en overgangsrecht Deze Nadere regels en Beleidsregels treden in werking op 1 juli 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020. De Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023 zijn van toepassing op alle aanvragen die vanaf de datum van inwerkingtreding worden ingediend. De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 zijn van toepassing op alle aanvragen die tot 1 juli 2023 worden ingediend. 6.2.Citeertitel Deze beleidsregels wordt aangehaald als: Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel op 19 september 2023.de secretaris, (mw. H.M. van Gils) de burgemeester, (dhr. Drs. L.J. Gebben)Bijlagen1.Richtlijn gebruikelijke hulp Wmo Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt dus bepaald door wat op dat moment normaal is en kan in de loop van de tijd veranderen. Volgens de regering is het op dit moment in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Van wie wordt gebruikelijke hulp verwacht? De leefeenheid van de cliënt die een beroep doet op ondersteuning is primair verantwoordelijk voor het functioneren van de leefeenheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. Ook valt te denken aan het overnemen van administratieve taken als een lid van de leefeenheid die dit normaliter doet uitvalt. De huisgenoten moeten meewerken aan het onderzoek dat noodzakelijk is om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het onderzoek. Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat de gemeente de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Dit kan dus betekenen dat er geen maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Leefeenheid De leefeenheid waartoe cliënt behoort, bestaat, gelet op artikel 1.1.1 Wmo 2015, uit de: echtgenoot ouders inwonende kinderen, of andere huisgenoten waarmee cliënt een gezamenlijke huishouding voert. Gelet op de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, en Memorie van Toelichting, kunnen meer dan twee volwassen personen tot de leefeenheid behoren. Het begrip gezamenlijke huishouding heeft betekenis in relatie tot ‘andere huisgenoten’. Hiermee is bedoeld om bijvoorbeeld kamerhuurders uit te sluiten of personen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Als de cliënt deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de medewerker van de toegang vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar. Hoofdverblijf in dezelfde woning Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. De enkele inschrijving in de Brp is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat een persoon in het Brp is ingeschreven op het adres van de cliënt is onvoldoende om te spreken van hoofdverblijf in dezelfde woning. Belangrijk zijn de concrete feiten en omstandigheden. Hierbij kan gekeken worden naar de plek waar iemand slaapt waar iemand zijn persoonlijke bezittingen heeft waar iemand meestal eet, doucht, de was doet en zijn administratie regelt waar iemand zijn sociale contacten heeft. Soms kan er twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw. In die situatie kunnen de volgende factoren onderzocht worden om te bepalen of het gaat om één leefeenheid: zijn de woningen kadastraal gesplitst? hebben ze een eigen huisnummer? is er sprake van een huurovereenkomst? Is het mogelijk om huurtoeslag aan te vragen voor de woning? Beschikt de woning over algemeen gebruikelijke voorzieningen? • Heeft de woning een eigen toegangsdeur? Echtgenoot Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld (artikel 1.1.2 Wmo 2015): de geregistreerde partner de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Gezamenlijke huishouding Van een gezamenlijke huishouding is sprake wanneer twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De algemene wettelijke definitie bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan (artikel 1.1.2 lid 3 Wmo): het moet gaan om twee personen; men moet het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning; men moet blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Twee personen Het is uitdrukkelijk niet mogelijk dat meer dan twee personen met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. Het is wel mogelijk dat als meer dan twee personen in een woning wonen, twee daarvan een gezamenlijke huishouding voeren. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Behoren er meer dan twee personen tot de leefeenheid, en voeren twee daarvan een gezamenlijke huishouding, dan kan niettemin ten aanzien van de andere huisgenoten ook sprake zijn van gebruikelijke hulp. Echter, zal dan vastgesteld moeten worden wat gebruikelijke hulp is voor deze huisgenoten t.o.v. de cliënt. Zorg dragen voor elkaar Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt ook wel het verzorgingscriterium genoemd en is in de praktijk het lastigste om aan te tonen. De betrokkenen moeten voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De aanwezigheid van een contract of van bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren. Het is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Wanneer er echter enkel door één van beide personen zorg wordt geboden, is aan het verzorgingscriterium niet voldaan. Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als er een mate van financiële verstrengeling aanwezig is, die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Zoals dat ook het geval is in andere situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, kan het college een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen. Gebruikelijke hulp door kinderen Wanneer er gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, dan moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind (voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk). Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Verschil met mantelzorg Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Bovendien hoeven mantelzorgers niet per se een gezamenlijke huishouding te voeren met de zorgvrager. Een huisgenoot kan wel naast gebruikelijke hulp ook mantelzorg verlenen, omdat de zorg die hij verleent boven de gebruikelijke hulp uitstijgt. Deze bovengebruikelijke hulp (mantelzorg) kan, in tegenstelling tot gebruikelijke hulp, echter niet verplicht worden. Wanneer kan geen gebruikelijke hulp worden verwacht? Geobjectiveerde beperkingen / ontbreken kennis & vaardigheden Wanneer partner, ouders, kind en/of elke andere huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/ of kennis/vaardigheden mist, hoeven zij geen gebruikelijke hulp te bieden. Tenzij de betreffende huisgenoot nog leerbaar is. In dat geval kan er alleen kortdurend ondersteuning toegekend worden, zodat de huisgenoot zich de vaardigheden eigen kan maken. Niet-inwonende kinderen Niet-inwonende kinderen hoeven geen gebruikelijke hulp te bieden, want zij behoren niet tot de leefeenheid. De medewerker van de toegang kan wel met de cliënt bespreken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden. Dreigende overbelasting Bij gebruikelijke hulp moet onderzocht worden of diegene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht, ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden of dat er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een medisch onderzoek kan deel uitmaken van het onderzoek Bij het onderzoek moet het college aandacht besteden aan draaglast en draagkracht. Bekeken moet worden of de echtgenoot of huisgenoot, naast zijn/ haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch nog in staat is gebruikelijke hulp aan cliënt te verlenen. Als dat niet het geval is en er is dus sprake van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een indicatie moeten verstrekken. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp met andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp. Dit kan alleen anders zijn als de vrijetijdsbesteding noodzakelijk is om niet overbelast te raken. Dit moet altijd in het individuele geval onderzocht worden. Korte levensverwachting7Een levensverwachting korter dan 1 jaar In geval de zorgvrager een korte levensverwachting heeft, kan ter fysieke en psychische ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager besloten worden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp. Afweging gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt. Denk hierbij aan stomaverzorging in plaats van toiletgang en sondevoeding in plaats van eten. Van bovengebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang. Hier is dus sprake van bovengebruikelijke hulp. Culturele diversiteit Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin iedereen gelijke aanspraken op zorg kan maken. Opvang en verzorging van kinderen Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, in het kader van de opvoeding. Dit houdt in het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid, en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van een kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen. Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Indien dit niet mogelijk is dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening zoals crèche, buitenschoolse opvang, gastouderbureau e.d. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurende overbrugging nodig, dan kan hulp worden ingezet. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, en de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput, dan is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind hulp mogelijk tot 40 uur per week voor oppas, opvang, begeleiding en verzorging van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), met de bedoeling binnen deze termijn een eigen oplossing te realiseren. Huishoudelijke verzorging Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij huishoudelijke verzorging? Volwassene Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Uit een uitspraak van de CRvB volgt dat wanneer de echtgenoot, huisgenoot of inwonende zoon of dochter wel in staat is om gebruikelijke hulp te verlenen maar weigert om huishoudelijke taken te verrichten, de gemeente geen hulp bij het huishouden hoeft te verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule (ECLI:NL:CRVB:2016:3665). Taken van een 18-23 jarige Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van wc en badkamer, schoonhouden van keuken, leefruimte en één slaapkamer, wasverzorging, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Dit betekent dat er wel huishoudelijke verzorging kan worden toegekend voor het schoonhouden van overige slaapkamer(
- s)inclusief het verschonen van bedden, het schoonmaken van de hal/bijkeuken en het zemen van ramen aan de binnenzijde. Daarnaast kunnen 18-23 jarigen eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Bijdrage van kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat de medewerker van de toegang ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Het aanleren van huishoudelijke activiteiten Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, kan, indien nodig, huishoudelijke verzorging voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zouden worden gerekend. Belasting door werk, studie, maatschappelijke participatie of zorgtaken Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan ondersteuning te bieden. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke hulp. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver, om chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie voor hulp bij het huishouden worden gesteld op onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal getracht worden die indicatie van korte duur te laten zijn, om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het (plotseling) overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Respijtzorg Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen daartoe niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting, die niet op een andere manier door hem is op te lossen. Het college moet de cliënt met beperkingen dan ondersteunen. Het college beoordeelt de situatie dan alsof de cliënt zonder gebruikelijke hulpverlener woont. Er is een variëteit aan respijtvoorzieningen waarmee vervangende zorg vorm zou kunnen krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan begeleiding thuis, informele zorg, dagopvang, een logeerhuis en kortdurend verblijf. Ook kan het maatwerk bestaan uit het bieden van diensten, hulpmiddelen of andere maatregelen die van belang zijn bij het ondersteunen van een cliënt door een mantelzorger. Persoonlijke Verzorging Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij persoonlijke verzorging? Van belang is onderscheid te maken tussen: gebruikelijke persoonlijke verzorging van partners voor elkaar, gebruikelijke persoonlijke verzorging van volwassen huisgenoten voor elkaar, w.o. inwonende volwassen kinderen (> 18 jaar) voor hun ouders. Onder partner wordt verstaan: De volwassene met wie de zorgvrager een intieme, emotionele relatie heeft èn een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Partners onderling Kortdurende situaties Van partners wordt verwacht dat zij elkaar persoonlijke verzorging bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt dat persoonlijke verzorging daarna niet langer is aangewezen. De zorgplicht van partners onderling betreft persoonlijke, lichamelijke zorg inclusief assistentie bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, aandacht en begeleiding bij ziekte en psychosociale problemen. Een voorbeeld hiervan is de zorg voor een huisgenoot of partner tijdens een kortdurend gezondheidsprobleem als herstel na een operatie, griep, gekneusde ledematen e.d. Deze vorm van zorg is in principe (afhankelijk van de aard, omvang en duur) gebruikelijk. Alleen als er gemotiveerd kan worden, in geval van een kortdurende zorgsituatie, dat een partner niet de persoonlijke verzorging kan bieden aan diens zorgbehoevende partner kan er alsnog een indicatie voor persoonlijke verzorging worden gegeven. Langdurige situaties Bij een zorgvraag die naar verwachting langer dan 3 maanden zal gaan duren, is persoonlijke verzorging ook tussen partners geen gebruikelijke hulp. Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat de zorgsituatie een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, alvorens zorg kan worden ingezet. Wanneer de partner voor het deel dat de gebruikelijke hulp overstijgt, een aanvraag indient voor ondersteuning, dient dat te worden opgevat als een signaal dat geen mantelzorg wordt verleend. Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling Persoonlijke verzorging van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp. Begeleiding Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij begeleiding? Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling Kortdurende situaties Alle begeleiding van de cliënt door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat begeleiding daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurige situaties Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp wanneer die begeleiding normaal gesproken door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt: Het begeleiden van cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort. Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte cliënt werd uitgevoerd. Aanleren aan derden Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de cliënt is gebruikelijke hulp. Bijlage2:Overzicht maatwerkvoorzieningen a. Algemeen overzicht maatwerkvoorzieningen Maatwerkvoorziening Resultaat Intensiteiten Bekostiging ZL. 1 Administratie en financiën De administratie van de cliënt en het beheer van zijn (huishoud)geld zijn op orde. Licht Resultaatgericht (tarief per maand) Midden Resultaatgericht (tarief per maand) Zwaar Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 2. Sociale redzaamheid in contact met anderen Cliënt kan in een sociale context een gesprek voeren en voor zichzelf opkomen. Licht Resultaatgericht (tarief per maand) Midden Resultaatgericht (tarief per maand) Zwaar Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 3. Zelfoplossend vermogen en dagstructuur Cliënt heeft voldoende regelvermogen, besluitvaardigheid en initiatief om zelfregie en dagstructuur te ontwikkelen en te behouden. Licht Resultaatgericht (tarief per maand) Midden Resultaatgericht (tarief per maand) Zwaar Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 4. Werknemersvaardigheden Cliënt beschikt over werknemersvaardigheden. Licht Resultaatgericht (tarief per maand) Midden Resultaatgericht (tarief per maand) Zwaar Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 5. Onderhouden van een Sociaal Netwerk Cliënt beschikt over een betrokken en actief sociaal netwerk. Licht Resultaatgericht (tarief per maand) Midden Resultaatgericht (tarief per maand) Zwaar Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 8. Schoon Huis Cliënt beschikt over een schoon huis. Basis Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 9 - Schone Kleding & Linnen Cliënt beschikt schone kleding en linnengoed. Basis Resultaatgericht (tarief per maand) ZL. 10 - Maaltijdvoorziening Cliënt wordt ondersteund in dagelijks gebruik van voldoende maaltijden. Maatwerk Inspanningsgericht (Maatwerkbudget) ZL. 11 - Huishoudelijke Hulp plus Licht Resultaatgericht (tarief per maand) Midden Resultaatgericht (tarief per maand) Zwaar Resultaatgericht (tarief per maand) MD. 1 Zinvolle dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle dagbesteding. Licht Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Midden Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Zwaar Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) MD. 2. Zinvolle arbeidsmatige dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle dagbesteding met arbeidsmatig karakter. Licht Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Midden Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Zwaar Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) MD. 3. Zinvolle educatieve dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle en educatieve dagbesteding. Licht Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Midden Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Zwaar Inspanningsgericht (tarief per dagdeel) Vervoer Regulier Inspanningsgericht (tarief per retour) Rolstoel Inspanningsgericht (tarief per retour) ZL. 12 - Thuisplus Maatwerk De cliënt kan (met ondersteuning) veilig en zelfstandig thuis wonen. Maatwerk Inspanningsgericht (maatwerkbudget) ZL. 13 - Kortdurend Verblijf De mantelzorger van de cliënt is tijdelijk ontlast van ondersteuningstaken. Met aandacht Inspanningsgericht (tarief per etmaal) Met zorg Inspanningsgericht (tarief per etmaal) De volgende paragrafen geven per groep maatwerkvoorzieningen toelichting op de concrete resultaten, de tarieven en onderbouwing daarvan. 2.1 ZL. 1 – 5 Zelfstandig leven De maatwerkvoorzieningen Zelfstandig Leven 1, 2, 4 en 5 worden niet gewijzigd ten opzichte van de huidige systematiek. Zelfstandig Leven 3 is aangevuld met enkele sub resultaten corresponderend met Persoonlijke Verzorging. De tabel hieronder geeft de concrete resultaten per maatwerkvoorziening weer. 2.1.1.Resultaatgebieden Maatwerkvoorziening Resultaat Subresultaten Complexiteiten ZL. 1 Administratie en financiën De administratie van de cliënt en het beheer van zijn (huishoud)geld zijn op orde. Cliënt opent, leest, begrijpt en beantwoordt zijn post De administratie van de cliënt is op orde Cliënt maakt de juist financiële keuzes (beheert zijn (huishoud)geld) en kan betalen, pinnen en/of overmaken Cliënt maakt gebruik van regelingen, uitkeringen en toeslagen waar hij voor in aanmerking komt Cliënt heeft inzicht in zijn administratie en financiën Licht Midden Zwaar ZL. 2 Sociale redzaamheid in contact met anderen Cliënt kan in een sociale context een gesprek voeren en voor zichzelf opkomen. Cliënt kan zichzelf begrijpelijk maken Cliënt begrijpt wat anderen zeggen Cliënt kan een gesprek voeren Cliënt durft voor zichzelf op te komen (heeft zelfvertrouwen) Cliënt weet in veelvoorkomende situaties op welke wijze hij het best voor zichzelf kan opkomen Cliënt houdt zich aan afspraken en regels Cliënt leert omgaan met zijn beperking of gedragsproblematiek Cliënt ervaart een gevoel van veiligheid en geborgenheid in eigen woonomgeving en vormt geen gevaar voor zichzelf of anderen Licht Midden Zwaar ZL. 3 Zelf-oplossend vermogen en dagstructuur Cliënt heeft voldoende regelvermogen, besluitvaardigheid en initiatief om zelfregie en dagstructuur te ontwikkelen en te behouden. Cliënt maakt zelfstandig beslissingen Cliënt overziet de gevolgen van zijn beslissingen Cliënt herkent praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen en lost deze op Cliënt kan plannen en zijn agenda bijhouden Cliënt initieert eenvoudige taken en voert deze ook uit Cliënt voert activiteiten voor persoonlijke verzorging uit en heeft hier routine in Cliënt komt afspraken na met zorgaanbieders/ professionals en andere organisaties. Licht Midden Zwaar ZL. 4 Werknemersvaardigheden Cliënt beschikt over werknemersvaardigheden. Cliënt komt op tijd Cliënt komt afspraken na Cliënt ziet er verzorgd uit Cliënt kan omgaan met gezag Cliënt kan omgaan met emoties en spanningen van de arbeidsmatige activiteiten Licht Midden Zwaar ZL. 5 Onderhouden van een Sociaal netwerk Cliënt beschikt over een betrokken en actief sociaal netwerk. Cliënt wordt herkend en erkend door zijn omgeving De omgeving van de cliënt kan omgaan met (de beperking of gedragsproblematiek van) de cliënt Cliënt is op de hoogte van contacten in zijn leefomgeving en maakt daar gebruik van Cliënt is in staat zijn sociaal netwerk te ontwikkelen en te onderhouden Licht Midden Zwaar 2.1.1.Tarieven De tarieven voor ZL. 1 t/m 5 zijn berekend zoals omschreven in de bijlage Openhouse Uitgangspunten Tariefberekening welke is doorgesproken met de deelnemers aan de Overlegtafels. Deze calculatie levert een gemiddelde inspanning op voor elke combinatie van resultaatgebied en complexiteit. Deze inspanningen zijn vermenigvuldigd met een gewogen gemiddelde inzet van twee tariefgroepen waaruit de volgende tarieven per periode van een maand resulteren. De geldende tarieven worden opgenomen in een door het college vastgesteld Besluit en worden gepubliceerd in Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. 7-11 Schoon huis, schone kleding, maaltijdverzorging, Huishoudelijke Hulp Plus 2.1.1.Aanleiding De huidige resultaatgerichte maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp wordt vanaf 2018 aangepast. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep rondom resultaatgerichte voorzieningen Huishoudelijke Hulp maken duidelijk dat voor cliënten voldoende duidelijk moet zijn wat een toegewezen maatwerkvoorziening nu precies inhoudt: op welke ondersteuning kan men rekenen. Tevens moet deze ondersteuning gebaseerd zijn op een objectieve maatstaf en normenkader. Dit betekent niet dat een cliënt een beschikking in uren moet krijgen – resultaten zeggen immers meer dan een aantal uren ondersteuning – maar dat resultaten wel voldoende concreet beschreven moeten worden. De Opdrachtgever heeft vanuit dit kader in dialoog met zorgaanbieders nieuwe maatwerkvoorzieningen Huishoudelijke Hulp ontwikkeld. Hierbij sluiten we – op onderdelen – aan bij objectief onderzoek dat andere gemeenten al eerder hebben laten uitvoeren. Belangrijk: de sub resultaten, activiteiten en frequentie bij de resultaatgebieden zijn in veel detail bepaald. Dit is van belang om aan te sluiten bij een objectief normenkader (‘wat is een objectieve norm voor het schoonmaken van bepaalde vertrekken in een huis’) en een objectieve maatstaf (‘hoe lang duurt het schoonmaken van een vertrek als dit door een professionele schoonmaakhulp gebeurt’). De gemeente wil echter op geen enkele wijze voorschrijven hoe de resultaten bereikt moeten worden. Als een zorgaanbieder een innovatieve methode of werkwijze heeft om bepaalde sub resultaten te bereiken, dan wordt inzet van deze methode of werkwijze juist toegejuicht. Mits de resultaten en genoemde frequenties uit het normenkader maar op vergelijkbare wijze worden gerealiseerd. In Bijlage 1 Objectief normenkader en maatstaf huishoudelijke hulp is per maatwerkvoorziening in detail omschreven welke sub resultaten (activiteiten en frequenties) volgen uit het objectieve normenkader. Tevens volgt uit extern onderzoek een maatstaf voor de inzet om de norm te bereiken. Wij schrijven nadrukkelijk geen inzet voor, maar hanteren deze wel als gegeven om reële tarieven voor de resultaatgebieden te bereken. Per maatwerkvoorziening worden hierna de voorwaarden, bekostiging en tarieven beschreven. 7.1.1ZL. 8 - Schoon Huis De maatwerkvoorziening voorziening Schoon Huis voorziet in de ondersteuning bij het periodiek schoonmaken van de leef vertrekken van het huis van de cliënt. Bijlage 1 geeft de concrete schoonmaakactiviteiten per type vertrek, frequentie volgend uit de onafhankelijk gestelde norm, en gemiddelde tijdsbesteding volgend uit onafhankelijk onderzoek weer. Voor Schoon Huis hanteert de Opdrachtgever de resultaatgerichte bekostiging met een vast maand tarief. 7.1.2ZL. 9 - Schone kleding en linnengoed De maatwerkvoorziening Schone Kleding en Linnengoed voorziet in de ondersteuning bij het wassen, drogen, opbergen en waar nodig strijken van kleding en linnengoed. Bijlage 1 benoemt de concrete activiteiten, frequentie en gemiddelde tijdsbesteding volgend uit extern onafhankelijk onderzoek. Voor Schone Kleding en Linnengoed hanteert de Opdrachtgever een resultaatgerichte bekostiging met een vast maand tarief. 7.1.3ZL. 10 - Maaltijdvoorziening In de maatwerkvoorziening Maaltijdvoorziening onderscheidt de Opdrachtgever drie verschillende onderdelen:
(1)boodschappen doen,
(2)het klaarzetten van broodmaaltijden en
(3)het klaarzetten van warme maaltijden. Uit gesprekken met de cliëntondersteuners in de gebiedsteams en met de huidige leveranciers van maatwerkvoorzieningen Hulp bij het Huishouden blijkt dat een beperkte groep cliënten een zeer uiteenlopende ondersteuningsbehoefte heeft ten aanzien van de maaltijdvoorziening. Tevens zijn er diverse voorliggende voorzieningen aanwezig op dit terrein. Voor de cliënten waarbij deze voorliggende voorzieningen geen passende oplossing bieden, biedt de Opdrachtgever de maatwerkvoorziening Maaltijdverzorging. De maatwerkvoorziening Maaltijdverzorging wordt inspanningsgericht bekostigd. De beperkte groep gebruikers en de uiteenlopende behoefte laat niet toe dat er een resultaatgericht gemiddeld tarief wordt gebruikt. Bijlage 1 geeft het afwegingskader en rekenkader weer dat sociaal werkers gebruiken bij toewijzing van een maatwerkvoorziening Maaltijdvoorziening. 7.1.4ZL. 11 - Huishoudelijke hulp Plus De norm en maatstaf voor ZL. 8 - Schoon Huis en ZL. 9 - Schone Kleding en Linnen zijn gebaseerd op uitgebreid onafhankelijk onderzoek. Echter, deze norm en maatstaf houden geen rekening met buitengewone verzwarende omstandigheden. Daar waar sprake is van een of meerdere verzwarende omstandigheden biedt de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp Plus extra financiële ruimte voor een hoger niveau van hygiëne, extra aanvullende resultaten en de inzet van hoger gekwalificeerd personeel. Een maatwerkvoorziening ZL. 11 Huishoudelijke Hulp Plus komt altijd in de plaats van ZL. 8 en/of ZL. 9 en kan dus niet tegelijk met één of beide van deze voorzieningen toegekend worden. Een combinatie met ZL. 10 - Maaltijdvoorziening is wel mogelijk. De maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp Plus kan worden ingezet in situaties waarin: er verzwarende omstandigheden zijn waaronder ondersteuning moet worden geleverd, waardoor er meer tijd nodig is om schoon te maken dan de basisnorm; en/of er is sprake van snellere vervuiling door situatie in het huishouden (door aard van de beperking van de cliënt of aanwezigheid van jonge kinderen in het huishouden) of er is een hoger niveau van hygiëne nodig waardoor er vaker moet worden schoongemaakt, en er dus meer tijd nodig is om schoon te maken dan de basisnorm; en/of er aanvullend extra sub resultaten van toepassing zijn bij de cliënt, bijvoorbeeld omdat er een regievraagstuk is; en/of cliënten ondersteuning nodig hebben van een hulpverlener met aanvullende competenties en ervaring, bijvoorbeeld bij een regievraagstuk gecombineerd met een complex ziektebeeld. Als één of meerdere van de genoemde omstandigheden speelt, biedt de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp Plus een hoger tarief om een hoger gekwalificeerde hulpverlener in te zetten, om met een reguliere hulpverlener vaker de resultaten te bereiken of extra resultaten te bereiken, of een combinatie hiervan. In het Gespreksverslag maakt de sociaal werker duidelijk met welke doelen en bijbehorende concrete resultaten Huishoudelijke Hulp Plus wordt ingezet. 7.1.5Afwegingskader Huishoudelijke Hulp Plus Huishoudelijke Hulp Plus kan alleen worden toegewezen als een cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft op het vlak van het Schone Huis en/of Schone Kleding en Linnen, én bovendien is er ten minste een verzwarende omstandigheid geconstateerd. De sociaal werker stelt eerst vast of de ondersteuningsbehoefte: Enkel van toepassing is op het Schone Huis Of van toepassing is op het Schone Huis én Schone Kleding en Linnengoed. Als er enkel sprake is van ondersteuning voor het schoonmaken van het huis, en er is sprake van één verzwarende omstandigheid – dan is complexiteit Licht passend voor deze cliënt. Bij meerdere verzwarende omstandigheden tegelijkertijd is complexiteit Midden passend. Als er ondersteuning nodig is voor het schoonmaken van het huis én de kleding/ linnengoed, en er is sprake van één verzwarende omstandigheid – dan is complexiteit Midden passend voor deze cliënt. In de situaties waarin meerdere verzwarende omstandigheden tegelijkertijd aan de orde zijn, is complexiteit Zwaar passend. De onderstaande tabel geeft schematisch weer welke complexiteit (licht, midden of zwaar) aan de orde is in welke situatie. Verzwarende omstandigheden Ondersteuningsbehoefte Kennis ziektebeeld Extra hygiëne extra vervuiling regie combinaties Schoon huis Licht Licht Licht Licht Midden Schoon Huis + Schone kleding en Linnengoed Midden Midden Midden Midden Zwaar 7.1.6Tarieven ZL.8 t/m 11 De berekening van de tarieven voor de bouwstenen is enerzijds gebaseerd op de objectieve maatstaf per resultaatgebied: welke gemiddelde inzet volgt uit extern onderzoek om de resultaten te bereiken? Deze inzet wordt vermenigvuldigd met een rekentarief per uur om tarieven voor de maatwerkvoorzieningen te berekenen. Er is stapeling mogelijk van tarieven voor ZL. 8., ZL.
- en ZL.
- óf tussen ZL.10 en ZL.
- (licht, midden óf zwaar). Er is nadrukkelijk géén stapeling mogelijk tussen ZL.
- en de basisvoorzieningen ZL.
- en ZL.
- De geldende tarieven worden opgenomen in een door het college vastgesteld Besluit en worden gepubliceerd in Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. 7.2MD. 1 t/m 3 - Maatschappelijke Deelname De maatwerkvoorzieningen Maatschappelijke Deelname 1 tot en met 3 worden inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de bestaande systematiek en omschrijvingen. 7.2.1Resultaatgebieden Maatwerkvoorziening Resultaat Sub resultaten Complexiteiten MD-
- Zinvolle dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle dagbesteding Cliënt heeft sociale contacten buiten huis Cliënt neemt deel aan georganiseerde (groeps)activiteiten Mantelzorgers van de cliënt is dermate ontlast dat mantelzorg langdurig wordt vol gehouden Situatie van cliënt is stabiel, achteruitgang wordt voorkomen Cliënt veroorzaakt geen overlast Cliënt voelt zich ondersteund bij onvermijdelijke achteruitgang Licht Midden Zwaar MD-
- Zinvolle arbeidsmatige dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle dagbesteding met arbeidsmatig karakter Cliënt bouwt ervaring en ritme op in arbeidsmatige omgeving Cliënt ervaart een waardevolle arbeidsmatige bijdrage; Cliënt ervaart behoud of vergroting eigen waarde en sociale acceptatie Cliënt bouwt arbeidsvaardigheden en arbeidsritme op, met zicht op doorstroming naar reguliere of begeleide arbeid Cliënt voert met ondersteuning werk uit Licht Midden Zwaar MD-
- Zinvolle educatieve dagbesteding Cliënt heeft een zinvolle en educatieve dagbesteding Cliënt heeft vaardigheden aangeleerd ter vergroting van zijn zelfstandigheid Cliënt heeft vaardigheden aangeleerd gericht op arbeidsmatige participatie en heeft verhoogde arbeidsmatige waarde Cliënt ervaart groei en ontwikkeling na terugval Cliënt onderhoudt aangeleerde vaardigheden Licht Midden Zwaar 7.2.2Tarieven Maatschappelijke Deelname De geldende tarieven worden opgenomen in een door het college vastgesteld Besluit en worden gepubliceerd in Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. 7.3Vervoer Wanneer een cliënt voor de ondersteuning Maatschappelijke Deelname zich niet op eigen kracht naar de locatie kan begeven waar de ondersteuning wordt geleverd, is de Opdrachtnemer verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer. Bij vervoer gaat het om verplaatsingen per auto of autobus. 7.3.1Tarieven vervoer De geldende tarieven worden opgenomen in een door het college vastgesteld Besluit en worden gepubliceerd in Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. 7.4ZL. 12 - Thuisplus maatwerk Een groep inwoners met andere beperkingen dan die met een GGZ-grondslag hebben ondersteuning nodig om zelfstandig verantwoord en veilig thuis te gaan of juist blijven wonen. Voor inwoners met een GGZ-grondslag koopt Sociaal Domein Fryslân (SDF) een product ‘Thuisplus’ in op regionaal niveau. De opdrachtgever constateert dat er andere groepen cliënten zijn die ook baat hebben bij deze vorm van ondersteuning. De maatwerkvoorziening ZL. 12 - Thuisplus Maatwerk richt zich op cliënten met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte, maar die niet passen binnen de doelgroep van ‘SDF ThuisPlus’. Deze maatwerkvoorziening kan bijvoorbeeld worden ingezet om: cliënten met gevorderde dementie langer thuis te laten wonen met reguliere ambulante begeleiding en opname in een verpleegtehuis te kunnen uitstellen. cliënten met een Licht Verstandelijke Beperking of met autisme met begeleiding en training zelfstandig te leren en laten wonen. begeleiding te bieden aan (jong-) volwassenen met dementie een meer natuurlijke overgang in ondersteuning te bieden voor inwoners die 18 worden en onder de Wmo gaan vallen, maar tot hun 18e een intensief behandeltraject doorlopen. Hiervoor is op dit moment nog geen geschikte bouwsteen waarmee de wenselijke ‘zachte landing’ en natuurlijke overgang kan worden gerealiseerd. Thuisplus Maatwerk beoogt begeleiding bij, en training voor zelfstandig wonen. Denk hierbij aan zorgvormen als ‘begeleid wonen’ en ‘kamertraining’, maar dan in het kader van de Wmo. Het uitgangspunt is dat cliënten zelfstandig wonen met geplande – en soms ongeplande - ondersteuning. De Opdrachtgever heeft met Thuisplus Maatwerk geen intramurale zorgvorm voor ogen. Bij inzet van Thuisplus Maatwerk geldt dit als een integrale maatwerkvoorziening met corresponderende vergoeding. Er is nadrukkelijk geen gelijktijdige toekenning mogelijk van maatwerkvoorzieningen Zelfstandig Leven 1 tot en met
- De groep cliënten voor deze maatwerkvoorziening is klein, en binnen deze groep is de ondersteuningsbehoefte zeer variabel. Dit betekent dat deze maatwerkvoorziening zich niet leent voor resultaatgerichte bekostiging met een vast maand tarief. 7.4.1Doelgroep en voorwaarden toegang Deze maatwerkvoorziening richt zich op de volgende doelgroepen: cliënten met gevorderde dementie langer thuis te laten wonen met reguliere ambulante begeleiding en opname in een verpleegtehuis te kunnen uitstellen. cliënten met een Licht Verstandelijke Beperking of met autisme met begeleiding en training zelfstandig te leren en laten wonen. begeleiding te bieden aan (jong-) volwassenen met dementie een meer natuurlijke overgang in ondersteuning te bieden voor inwoners die 18 worden en onder de Wmo gaan vallen, maar tot hun 18e een intensief behandeltraject doorlopen. Hiervoor is op dit moment nog geen geschikte bouwsteen waarmee de wenselijke ‘zachte landing’ en natuurlijke overgang kan worden gerealiseerd. Er is geen sprake van voorliggende of gelijktijdige inzet van voorzieningen uit: Zvw (behandeling met wonen) Wlz (verstandelijke of lichamelijke beperking) ThuisPlus Maatwerk kan worden ingezet om een thuissituatie van de cliënt te stabiliseren, bijvoorbeeld bij cliënten die met ondersteuning langer thuis kunnen wonen. ThuisPlus Maatwerk kan ook gericht zijn op ontwikkelen en trainen: het aanleren van vaardigheden om zelfstandig te wonen. Het stabiliseren richt zich met name op de groep ouderen met dementie die met stevige ondersteuning langer thuis kunnen blijven wonen. Het aanleren/ ontwikkelen richt zich op (jong)volwassenen met een beperking (bijvoorbeeld LVB of Autisme) die vaardigheden moeten aanleren om zelfstandig(er) thuis te wonen. 7.4.2Afwegingskader inzet ThuisPlus Maatwerk De voorziening ThuisPlus Maatwerk richt zich op inwoners waarvoor de reguliere voorzieningen Zelfstandig Leven niet voldoende ruimte bieden om de benodigde ondersteuning te realiseren. De ernst en omvang van de beperking is zo zwaar dat de benodigde ondersteuning buiten de bandbreedte van Zelfstandig Leven valt – zelfs als meerdere of alle resultaatgebieden in zware complexiteit gestapeld toegewezen worden. Ter illustratie: het gaat dan om situaties waarin meer dan 10 uur individuele begeleiding óf meer dan 8 uur specialistische individuele begeleiding per week noodzakelijk is. Het introduceren van de voorziening ThuisPlus beoogt ook situaties te voorkomen waarin maatwerkvoorzieningen Zelfstandig Leven worden toegewezen puur uit financiële noodzaak (‘opplussen’) terwijl ondersteuning bij de corresponderende resultaten en sub resultaten voor de betreffende cliënt niet aan de orde is. Het is de verantwoordelijkheid van de sociaal werkers in de gebiedsteams om te adviseren over de exacte inzet van de elementen ‘basis-begeleiding’ en ‘specialistische begeleiding’ in het kader van de voorziening ThuisPlus maatwerk. Hierbij weegt de sociaal werker de aard en omvang van de beperking, en de mate van informele ondersteuning die aanwezig is. De sociaal werker kan bij deze afweging advies vragen van een zorgaanbieder en/of onafhankelijke derde partij. 7.4.3Resultaten De maatwerkvoorziening Thuisplus Maatwerk bestaat uit het bieden van ondersteuning op (meerdere) geplande en mogelijk ook ongeplande momenten per dag. In voorkomende gevallen worden afspraken gemaakt over de aard en omvang van bereikbaarheid en beschikbaarheid van de zorgaanbieder. Er geldt echter niet per definitie 24-uurs bereikbaarheid of beschikbaarheid. De zorgaanbieder draagt de verantwoordelijkheid om te signaleren dat iemand achteruitgaat en maatregelen te nemen om tijdig een interventie te doen. Dat betekent ook dat de zorgaanbieder op ongevraagde momenten ondersteuning biedt aan de cliënt. Ondersteuning vindt integraal plaats, dat betekent dat er een breed gedragen ondersteuningsplan wordt opgesteld door de zorgaanbieder en de cliënt waarin diverse leefgebieden zoals wonen, daginvulling, financiën, persoonlijke verzorging aan bod komen. De sociaal werker houdt de regie op het behalen van het gewenste resultaat. Er is één zorgaanbieder die regie heeft op de ondersteuning vanuit Thuisplus Maatwerk en hiervoor de eindverantwoordelijkheid draagt. Deze aanbieder schakelt waar nodig aanvullende expertise in om het palet aan ondersteuning dat de cliënt nodig heeft te kunnen bieden. ThuisPlus Maatwerk kenmerkt zich door een hoog intensieve inzet. Wanneer het resultaat gericht is op de ontwikkeling van vaardigheden dan zal de inzet na verloop van tijd (bijvoorbeeld na een half jaar of een jaar) afhankelijk van de vorderingen teruggebracht kunnen worden. De sociaal werker houdt bij deze cliënten regelmatig de vinger aan de pols, en in deze situatie passen beschikkingen met een beperkte duur. Wanneer het resultaat gericht is op stabiliseren, dan zal de inzet na verloop van tijd wellicht juist moeten toenemen. Ook hier houdt de sociaal werker – naar eigen inzicht – regelmatig de vinger aan de pols. Concrete sub resultaten kunnen overeenkomen met de sub resultaten van Zelfstandig Leven 1 tot en met 5, en worden op maat aangevuld door de sociaal werker. Maatwerkvoorziening Resultaat Sub resultaten Complexiteit ZL.
- De cliënt kan (met ondersteuning) veilig en zelfstandig thuis wonen Mogelijke sub resultaten: zie Zelfstandig Leven 1 tot en met 5 Maatwerk Thuisplus Maatwerk Sub resultaten ThuisPlus Maatwerk worden event