Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Brunssum 2023De raad van de gemeente Brunssum; Gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d. 19 december 2023 Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Vastgoed, zaaknummer 202310978; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 Wet op het primair onderwijs en artikel 6.12 Wet op het voortgezet onderwijs; gelet op het advies van de Commissie d.d. 9 of 16 januari 2024; gelet op het gevoerde overleg met de schoolbesturen. Besluit Vast te stellen de volgende verordening inclusief de hierbij behorende bijlagen 1 t/m
(4)jaar noodzakelijk is. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van (ten hoogste) 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen. A.9 Herstel van constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair, en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming. De noodzaak van: nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of renovatie niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 25 jaar (conform gemeentelijk activabeleid) of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of; het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als: de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt of; de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw. het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor: een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: ten minste 20 klokuren binnen 1.5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of; ten minste 5 klokuren klokuren binnen 7,5 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg en; een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. B.2 Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is. B.3 Eerste inrichting De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als: nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en; voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs of speciaal basisonderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt. B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is. B.5 Medegebruik De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is. B.6 Herstel constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. BijlageII – Prognosecriteria A. Algemeen Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode). De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd. B. Voedingsgebied Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast. C. Prognose school voor basisonderwijs De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met: het voedingsgebied; de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het voedingsgebied; veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b; veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad; de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en; het onderwijs dat wordt gegeven. D. Prognose speciale school voor basisonderwijs De prognose van een speciale school voor basisonderwijs moet inzicht geven in: het voedingsgebied; de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven; de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en; als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is. E. Prognose school voor voortgezet onderwijs De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in: de gemeente van herkomst van de leerlingen; het voedingsgebied; de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool; de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen, en; de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven. BijlageIII – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte Deel A – Vaststellen capaciteit A.1 Uitgangspunten De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld. Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht. De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante meter bruto vloeroppervlakte als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend. De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs. Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling. A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld. A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten. A.1.4 Terrein Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. A.1.5 Inventaris Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket, meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris. A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren. A.1.6.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. A.1.6.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn. Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte B.1 Lesgebouwen B.1.1 School voor basisonderwijs De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. Aan de ruimtebehoefte wordt een toeslag verbonden, indien voor de school aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 200 + 5,03 * L, waarbij: R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter; L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandscore als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 * G, waarbij: T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. G = De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal. B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 250 + 7,35 * L, waarbij: R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter. B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. B.1.4 School voor voortgezet onderwijs De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: een leerlinggebonden component, en; een vaste voet. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 1 opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs en het profiel die de leerling volgt. Aan de hand van de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs kunnen de aantallen worden vastgesteld. Voor leerjaar 1 en 2 wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de onderwijssoorten. Als aan de school meerdere afdelingen (VWO/HAVO en VMBO) zijn verbonden, wordt de verhouding tussen de leerlingen in het vierde leerjaar als uitgangspunt genomen. De vaste voet, opgenomen in tabel 1 voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging, waarvan de omvang afhankelijk is van het VMBO-profiel, dat wordt aangeboden. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs is de som van: de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; de vaste voet per instelling; als dit van toepassing is, een vaste voet per VMBO-profiel, uitgedrukt in bruto vierkante meter. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van: de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten; de vaste voet voor praktijkonderwijs. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent een afzonderlijke normering voor het praktijkonderwijs. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum. Tabel 1 Ruimtebehoeftemodel Voortgezet Onderwijs m² bvo vaste voet m² bvo/ leerling excl. Gymnastiek m² bvo/ leerling gymnastiek Per school VMBO-HAVO-VWO (hoofdvestiging*) Per school VMBO-HAVO-VWO (nevenvestiging met spreidingsnoodzaak*) Per school PRO (ook indien eigen afdeling binnen school VO) 980 550 306 PRO (Praktijkonderwijs) - 12,0 2,0 VMBO- Theoretische leerweg (TLW) - 5,8 1,5 VMBO- Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO) - 6,1 1,7 LWOO BLW-KLW GLW 8,0 LWOO BLW-KLW GLW VMBO- Profiel Bouwen, wonen en interieur (BWI) VMBO- Profiel produceren, installeren en energie (PIE) VMBO- Profiel Mobiliteit en transport (M&T) VMBO- Profiel Maritiem en techniek (MaT) (+ 299) 11,7 9,7 1,7 1,5 VMBO- Profiel Media, vormgeving en ICT (MVI) VMBO- Profiel Economie en ondernemen (E&O) VMBO- Profiel Horeca, bakkerij en recreatie (HBR) (+ 162) 8,9 7,4 6,9 VMBO- Profiel Zorg-welzijn (Z&W) (+ 139) 8,4 7,4 6,9 VMBO- Profiel Groen (+ 117) 7,8 6,9 6,3 VMBO- Profiel Dienstverlening en producten (D&P) (+ 150) 8,9 7,4 6,9 HAVO - 5,8 1,2 VWO - 5,8 1,0 *) niet van toepassing voor zelfstandige praktijkschool TLW = Theoretische leerweg LWOO = Leerwegondersteunend onderwijs BLW- KLW = Basisberoep of- Kaderberoepsgerichte leerweg GLW = Gemengde leerweg B.2 Lokalen bewegingsonderwijs De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder; voor een speciale school voor basisonderwijs op 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en; als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuren per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 1 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷
- Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷
- Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan. C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld. C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een: school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs; 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs. school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%. Voor een speciale school voor basisonderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, 90 vierkante meter. C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil: bij een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en; bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b. C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van een goedgekeurde voorziening: voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D. eerste aanschaf van: onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs en een speciale school voor basisonderwijs, en; leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening. voor tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing, waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte, is gekoppeld aan de omvang van toegekende voorziening en bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. C.4 Lokalen bewegingsonderwijs De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt: voor een school voor basisonderwijs en een speciale school voor basisonderwijs op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte[, en; voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit. De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiden van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.
- De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen D.1 Terreinoppervlakte Bij (vervangende) nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school Omvang buitenruimte 1-100 leerlingen 300 101-200 leerlingen 300 + 3 * (L - 100) 201-400 leerlingen 600 401-600 leerlingen 600 + 3 * (L - 400) 601-800 leerlingen 1200 801-1000 leerlingen 1200 + 3 * (L - 800) 1001 leerlingen of meer 1800 L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. Bij (vervangende) nieuwbouw voor een school voor voortgezet onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school Omvang buitenruimte 1-300 leerlingen 300 301 leerlingen of meer 300 + 0,75 * (L - 300) L = Aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. De in het eerste en tweede lid gestelde normen betreffen de exclusieve speel- en beweegruimte voor de leerlingen van de school. De terrein voor voorzieningen dient te worden opgeteld bij de norm. Voor parkeervoorzieningen wordt de voor de locatie van het terrein geldende gemeentelijke parkeernorm gehanteerd. D.2 Speellokaal Een speellokaal heeft een minimum van 60 bruto vierkante meter. D.3 Lokaal bewegingsonderwijs De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 vierkante meter en de hoogte minstens 5 meter. Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid. Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
- E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie. E.2.2 Voortgezet onderwijs De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau, en de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter. E.2.3 Uitzonderingen De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen. Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend. BijlageIV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Deel A – Indexering De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling: A.1 Nieuwbouw en uitbreiding 1 Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw) MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen) ------------------------------------ * ------------------------------------- * ----------------------------------- MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen) Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw) 1 A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 1 Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t) MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) ------------------------------------ * ------------------------------------- * ----------------------------------- MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t-1) 1 Deel B – Normbedragen Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW. Weergegeven zijn de normbedragen voor 2023 conform opgave van de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten). A. Nieuwbouw met permanente bouwaard A.1 Kostencomponenten nieuwbouw De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten: kosten voor terrein; bouwkosten; toeslag voor verhuiskosten bij vervangende bouw; als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering; als het een speciale school voor basisonderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal. Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B. A.2 Kosten voor terreinen Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen. A.3 Bouwkosten A.3.1 Bouwkosten Tot de bouwkosten behoren: de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering; en de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd. A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo* € 1.411.576 Voor elke volgende m2 bvo € 2.416 * Onder m2 bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto vloeroppervlakte. A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal 2.287.178 Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal 2.529 Toeslag voor elk speellokaal 217.012 A.3.4 Bouwkosten school voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs bestaat uit: een startbedrag, afhankelijk van de omvang van de voorziening; een werkplaatstoeslag, afhankelijk van het profiel in het VMBO; een bedrag afhankelijk van het aantal vierkante meters, vastgesteld op basis van de toegekende ruimtebehoefte per onderwijssoort, overeenkomstig bijlage III, deel C. Startbedrag = < 455 m2 € 0 >= 455 m2 < 2500 m2 € 706.541 >2500 m2 € 892.008 Werkplaatstoeslag VMBO = Voor de onderwijssoort VMBO met de profielen: bwi, pie, mot, mat, hbr en g een bedrag van € 86.
- Ruimteafhankelijke vergoeding = Een bedrag per vierkante meter, dat afhankelijk is van de omvang van de voorziening en van de onderwijssoort en bijbehorende profiel bvo totaal exclusief gymnastiek <=455 m2 >455 m2 <2.500 m2 >=2.500 m2 Onderwijssoort Profielen PRO, HAVO, VWO VMBO-TL, VMBO TL-IW € 3.779 € 2.243 € 2.189 VMBO Gemengde leerweg bwi, pie, mot, mat € 4.341 € 2.576 € 2.515 mvi, eo, hbr € 4.426 € 2.626 € 2.563 zw € 3.779 € 2.243 € 2.189 g € 4.927 € 2.924 € 2.854 d&p € 4.070 € 2.415 € 2.358 VMBO Basisberoepsgerichte/ Kaderberoepsgerichte leerweg bwi, pie, mot, mat € 4.538 € 2.693 € 2.629 mvi, eo, hbr € 4.628 € 2.746 € 2.681 zw € 3.779 € 2.243 € 2.189 g € 4.885 € 2.899 € 2.830 d&p € 3.381 € 2.007 € 1.959 VMBO Leerwegondersteunend onderwijs bwi, pie, mot, mat € 4.632 € 2.749 € 2.683 mvi, eo, hbr € 4.808 € 2.853 € 2.785 zw € 3.779 € 2.243 € 2.189 g € 4.370 € 2.594 € 2.532 d&p € 4.242 € 2.518 € 2.457 bwi = bouwen, wonen en interieur eo = economie en ondernemen pie produceren, installeren en energie hbr = horeca, bakkerij en recreatie mot = mobiliteit en transport zw = zorg en welzijn mat = maritiem en techniek g = groen mvi = media, vormgeving en ict d&p = dienstverlening en producten A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld: paalfundering, en; bemaling. De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende formules: Nieuwbouw en uitbreiding < 1000 m2 Paallengte 1 tot 15 meter € 6.951 + (€ 36 * A) Paallengte 15 tot 20 meter € 7.401 + (€ 62 * A) Paallengte 20 meter of langer € 8.263 + (€ 110 * A) Uitbreiding >= 1000 m2 Paallengte 1 tot 15 meter € 8.489 + (€ 13 * A) Paallengte 15 tot 20 meter € 11.072 + (€ 33 * A) Paallengte 20 meter of langer € 16.814 + (€ 67 * A) Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 24 per vierkante meter terrein. A.3.7 Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende nieuwbouw Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van het bestaande schoolgebouw, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor één verhuizing. Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw tijdelijk op een andere locatie moet worden gehuisvest, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor twee verhuizingen. De vergoeding wordt vastgesteld op feitelijke kosten. B. Uitbreiding met permanente bouwaard B.1 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing. B.2 Kosten terrein Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2 overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding benodigde terrein. B.3 Bouwkosten B.3.1 Bouwkosten Tot de bouwkosten behoren: de bouwkosten van het gebouw, en; kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd. B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter € 206.711 Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo € 137.807 Voor elke volgende m2 bvo € 2.754 B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter € 212.574 Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo € 141.716 Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 2.808 Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school € 247.825 Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder gelijktijdige uitbreiding van de school € 455.642 B.3.4 Bouwkosten school voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding. C. Tijdelijke voorziening C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen: nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie; uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en; uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. C.2 Kosten voor terreinen Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig A.
- C.3 Bouwkosten C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. C.3.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter € 80.387 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo € 53.591 Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo € 1.975 C.3.3 Vergoeding school voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de vergoedingsformule € 1.203 * A + € 82.680, waarbij A het overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is. C.4 Uitbreiding C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair onderwijs De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen. Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen. C.4.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter € 45.186 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo € 30.124 Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo € 2.070 C.4.3 Vergoeding school voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten. D. Eerste inrichting D.1 Basisschool en speciale school voor basisonderwijs D.1.1Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair Onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding. D.1.2 Vergoeding basisschool De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, inclusief 200 m2 bvo € 48.785 Voor elke volgende m2 bvo € 171 D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, inclusief 250 m2 bvo € 103.505 Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo € 177 D.1.4 Vergoeding school voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 9.
- D.2 School voor voortgezet onderwijs De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per onderwijssoort. De vergoeding per onderwijssoort wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Onderwijssoort per m2 bvo Praktijkonderwijs € 386 VMBO Theoretische leerweg (TLW) € 201 VMBO Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO) € 201 VMBO- Profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI) € 494 VMBO- Profiel Produceren, Installeren en Energie (PIE) € 494 VMBO- Profiel Mobiliteit en Transport (M&T) € 494 VMBO- Profiel Maritiem en Techniek (MaT) € 494 VMBO- Profiel Media, Vormgeving en ICT (MVI) € 288 VMBO- Profiel Economie en Ondernemen (E&O) € 288 VMBO- Profiel Horeca, Bakkerij en Recreatie (HBR) € 956 VMBO- Profiel Zorg-Welzijn (Z&W) € 471 VMBO- Profiel Groen € 494 VMBO- Profiel Dienstverlening en Producten (D&P) € 201 HAVO € 201 VWO € 201 Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is. E. Lokalen bewegingsonderwijs E.1 Bouwkosten nieuwbouw De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante meters bedraagt € 1.483.923 als deze op het schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 1.513.936 als deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en inrichting van het terrein. Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van de volgende bedragen: Paallengte Vergoeding Vergoeding bij ruimten LG en MG 1<15m € 29.847 € 37.633 15<20m € 41.146 € 52.119 >20m € 57.788 € 75.008 E.2 Uitbreiding Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Uitbreiding Normbedrag Paallengte 1 < 15 meter 15 < 20 meter > 20 meter 112 t/m 120 m2 € 344.771 € 13.362 € 23.144 € 37.838 121 t/m 150 m2 € 419.116 € 16.708 € 28.923 € 47.298 E.3 Eerste inrichting E.3.1 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 65.
- E.3.2 OLP/meubilair school voor (voortgezet) speciaal onderwijs N.v.t. E.3.3 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Meubilair Leer- en hulpmiddelen Totaal Eerste lokaal € 1.380 € 82.312 € 83.692 Tweede lokaal € 1.380 € 64.210 € 65.590 Derde lokaal € 1.380 € 27.915 € 29.296 Oefenplaats 1 € 0,00 € 18.178 € 18.178 Oefenplaats 2 € 0,00 € 2.098 € 2.098 E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door middel van: medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of; huur van een gebouw van een commerciële exploitant. F. Verhoging vergoeding F.1 Verhoging normbedragen De normbedragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, kunnen door burgemeester en wethouder worden verhoogd met een toeslag als de voorziening zonder deze verhoging door bijzondere lokale omstandigheden in redelijkheid niet kan worden gerealiseerd. Het budgetrecht is voorbehouden aan de gemeenteraad. F.2 Verhoging feitelijke kosten De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met 6% voor de kosten van technische advisering, voor zover het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c. H. Huur sportvelden Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 27 per klokuur. Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd. BijlageV – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening
- Algemeen Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.
- Onderscheid voorzieningen Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn: om capaciteitstekorten op te heffen, en; om een adequaat niveau te handhaven. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit
- Het betreft de volgende voorzieningen: nieuwbouw, inclusief terrein; uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein; in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein; verplaatsen tijdelijke gebouwen; eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en hulpmiddelen; uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen, en; medegebruik. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit
- Het betreft de volgende voorzieningen: vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein; herstel van een constructiefout, en; herstel en vervanging in verband met schade. De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.
- 3.Hoofd- en subprioriteit Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit. Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs. Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking komen: als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.