← Nederland

Beleidsregels sociaal domein Olst-Wijhe Januari 2024 (Olst-Wijhe)

Beleidsregels sociaal domein Olst-Wijhe Januari 2024Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Olst-Wijhe, vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders d.d 19 maart 2024 Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d., besluit: de Beleidsregels sociaal domein Olst-Wijhe Januari 2024 met terugwerkende kracht vast te stellen per 1 januari

  1. 1.1Inleiding De gemeente Olst-Wijhe vindt het belangrijk dat inwoners mee kunnen doen in de samenleving. Mogelijk met ondersteuning van een ander of hulpmiddelen. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te ondersteunen. Op basis van de landelijke regels en de Verordening sociaal domein heeft de gemeente aanvullende beleidsregels opgesteld Deze beleidsregels geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: werken en participeren inkomen en uitkeringen schuldhulpverlening In Nederland vinden we het belangrijk dat: mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; mensen hun financiën op orde hebben; 1.1.1Waarom deze regels Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: Participatiewet (PW); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ) Wet Uitvoeren breed offensief; Wet inburgering 2021; Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Jeugdwet Wet kinderopvang Algemene wet bestuursrecht (Awb) Gemeentewet Verordening sociaal domein gemeente Olst-Wijhe De gemeente maakte regels om te kunnen beoordelen welke hulp ze kan geven. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Belangrijk is dat de oplossing past bij de doelen van de gemeente. Soms levert het volgen van de regels geen goed resultaat op. De regels lossen het probleem van de inwoner niet op terwijl dat wel hard nodig is. De gemeente kan dan van de regels afwijken en bijstand geven als de persoonlijke situatie belangrijk genoeg is en er geen andere oplossing voor het probleem is. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op deze wetten en de Verordening sociaal domein Olst-Wijhe januari
  2. Alleen waar dit nodig is zijn bijzondere bepalingen opgenomen in deze beleidsregels. 1.1.2Leeswijzer Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar “hij” staat kan ook “zij of die “gelezen worden. Alleen waar dit nodig is zijn bijzondere bepalingen opgenomen in deze beleidsregels. In de bijlage financieel besluit worden de geldende bedragen genoemd. Deze kunnen jaarlijks door de gemeente worden aangepast. Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de wetten die bij 1.1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze beleidsregels. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk helemaal gebaseerd op één of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Soms wordt in deze beleidsregels ‘Gemeentewet’ als grondslag genoemd. Dan wordt de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen staan die op dat artikel van toepassing zijn. De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk
  3. 2De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over alle in paragraaf 1.1.1 genoemde wetten. 2.1Waar kunnen inwoners terecht voor hulp? Inwoners kunnen met vragen over werk, geld en geldproblemen terecht bij het team Werk inkomen en zorg. Er zijn spreekuren in het gemeentehuis en in het Holstohus, maar er staat ook veel informatie op www.ondersteuning.olst-wijhe.nl. Een inwoner die hulp nodig heeft, meldt zich eerst bij de gemeente. Als het nodig is, bespreekt een medewerker van de gemeente met de inwoner welk effect hij met zijn hulpvraag wil bereiken. Wat is er nodig? Hoe is de situatie van de inwoner? Wat kan de inwoner zelf doen om zijn (financiële) situatie te verbeteren? Welke (andere) voorzieningen zijn er mogelijk? In het gesprek beoordeelt de medewerker of de inwoner in aanmerking komt voor ondersteuning en kan een aanvraag in behandeling worden genomen. 2.1.1Voorkomen is beter dan genezen Het is beter om financiële problemen te voorkomen, dan ze op te lossen. Om problemen te voorkomen, is het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen goed weten welke hulp de gemeente kan geven. Dit kan financiële steun zijn, maar ook andere vormen van hulp. Zo kan de inwoner bijvoorbeeld hulp vragen bij Financiën de baas. Het doel van Financiën de baas is om inwoners van Olst-Wijhe te helpen bij hun thuisadministratie en daarmee hun zelfredzaamheid op te vergroten. Als een inwoner al schulden heeft die hij moeilijk kan aflossen, kan hij schulddienstverlening krijgen. Deze wordt uitgevoerd door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Naast budgetadvies (hoe omgaan met geld) en budgetbeheer kan het BAD ook kijken naar de mogelijkheid van een schuldregeling. Het BAD maakt dan afspraken met schuldeisers over gehele of gedeeltelijke afbetaling van de schulden. Deze maatregelen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat inwoners zelf hun huishoudboekje op orde kunnen houden. 2.2Voorzieningen die voorgaan Soms kan een inwoner gebruik maken van ondersteuning uit andere wetten of voorzieningen. Dit zijn voorzieningen die voorgaan. Is er aanspraak mogelijk op een voorziening die voorgaat dan wordt in principe geen ondersteuning gegeven. Dit geldt onder andere voor: Zorgverzekeringswet (ZW) Wet langdurige zorg (Wlz) Wet Werkloosheidsuitkering (WW) WGA/WIA Toeslagenwet Hulp uit een andere wet is voorliggend wanneer dit een passende oplossing biedt voor de vraag van de inwoner. In elke situatie wordt beoordeeld of er sprake is van een voorliggende voorziening en of die voorliggende voorziening een passende oplossing biedt. Alleen wanneer dit niet zo is, kan de inwoner ondersteuning vanuit de gemeente krijgen. Voor de verschillende regelingen gelden soms ook andere aanvraagprocedures, deze staan dan per regeling beschreven. 2.3Inwoners die vermoedelijk recht hebben op een voorziening die voorgaan Als uit het onderzoek blijkt dat een inwoner in de ogen van de gemeente voor een voorziening die voorgaat in aanmerking lijkt te komen, zal allereerst gevraagd worden deze voorziening aan te vragen. Als een inwoner hierover niet dezelfde mening heeft als de gemeente dan zal zo nodig een onafhankelijk deskundig advies opgevraagd worden. Deze deskundige zal gevraagd worden of de inwoner naar zijn mening in aanmerking komt voor een voorziening die voorgaat. Blijkt uit het deskundig advies dat de inwoner niet in aanmerking komt voor een voorziening die voorgaat dan wordt de aanvraag om ondersteuning vanuit de gemeente voortgezet. Blijkt uit het deskundig advies dat iemand voor een voorziening die voorgaat wel in aanmerking kan komen dan wordt geen voorziening verstrekt. Als dit in het geval een, tijdelijke, uitkering op grond van de Participatiewet nodig is dan wordt deze verhaalbaar verstrekt. 2.4Opvragen medisch advies De persoonlijke situatie van de inwoner bepaalt welke voorzieningen zinvol zijn richting werk of in het kader van bijzondere bijstand. Het is daarom nodig om een goed beeld te krijgen van eventuele medische (arbeids)beperkingen. Daarom zal de gemeente soms een medisch advies moeten aanvragen. Zo’n advies kan op dit moment

(2024)aangevraagd worden bij JPH-arbodienst. Voor de gemeente of voor inwoners is het niet mogelijk om van de huisarts of een behandelend specialist een medisch advies te krijgen. Dat bepalen de richtlijnen van de KNMG (beroepsvereniging van artsen). Wel kan een medisch adviseur in opdracht van de gemeente een arts vragen zo’n verklaring te geven of medische informatie te delen. Voorwaarde is wel dat de inwoner daar mee instemt. Op grond van de informatie van de adviseur kan de gemeente bepalen welke voorzieningen goed passen en of de inwoner vrijgesteld moet worden van de arbeidsverplichtingen. 3Werk en participatie (PW, IOAW, IOAZ) 3.1Algemene bepalingen Werk is een belangrijk middel om in het eigen levensonderhoud te voorzien, maar het brengt mensen ook in contact met anderen, helpt mensen zich te ontplooien en geeft invulling aan de dag, De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een gemeentelijke uitkering aan het werk gaan als zij dat kunnen, de gemeente wil deze inwoners ondersteunen bij het vinden van passend werk. De gemeente ondersteunt inwoners met een bijstandsuitkering om aan het werk te gaan (re-integratie). De gemeente kan die ondersteuning op allerlei manieren geven. Concrete ondersteuning noemen we een voorziening. Als werk nog niet mogelijk is, stimuleert de gemeente de inwoner om te werken aan belemmeringen op weg naar werk. Inwoners die niet (meer) kunnen werken, kan de gemeente helpen bij het invullen van de dag en bij het krijgen van gespecialiseerde zorg, als dat nodig is. Als de gemeente iemand ondersteund, is die persoon verplicht die ondersteuning te accepteren. Werkt een inwoner onvoldoende mee aan de re-integratie dan kan de gemeente de uitkering verlagen. Zie ook hoofdstuk
  1. Uitgangspunt van de Participatiewet is dat iedereen die aan het werk kan gaan, ook aan het werk moet gaan. De route naar werk moet in principe zo kort mogelijk zijn. Inwoners met een bijstandsuitkering die 18 jaar of ouder zijn, moeten elke vorm van werk die bij hen past accepteren, tot aan de AOW-leeftijd. Elke vorm van werk is in feite passend. We spreken van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 9 lid 1a Participatiewet). Hiermee wordt werk bedoeld dat in de samenleving als betaald werk is aanvaard. Hieronder vallen bijvoorbeeld parttime werk, tijdelijke contracten, uitzendwerk, en gesubsidieerd werk op basis van loonwaarde. Inwoners met een bijstandsuitkering zijn verplicht zich in te spannen om de Nederlandse taal voldoende te beheersen, zie ook 3.7 Wet Taaleis. 3.2Doelgroep De participatiewet bepaalt voor welke inwoners de gemeente een verantwoordelijkheid heeft, We noemen dit de doelgroep van het gemeentelijk re-integratiebeleid. Omdat de financiële middelen beperkt zijn heeft de gemeente keuzes gemaakt bij het besteden van het budget en kunnen niet alle voorzieningen ingezet worden voor de hele doelgroep. In deze beleidsregels zijn de keuzes van de gemeente vastgelegd. De gemeente helpt inwoners die vallen onder één van de volgende doelgroepen (artikel 7 van de Participatiewet). Het gaat hierbij in ieder geval om inwoners van 18 jaar of ouder die nog niet de pensioenleeftijd hebben: Inwoners met een gemeentelijke uitkering (Participatiewet, IOAW, IOAZ); inwoners zonder uitkering en zonder werk (zgn nuggers); inwoners met een nabestaandenuitkering (ANW); werknemers met loonkostensubsidie; inwoners die met loonkostensubsidie aan het werk zijn gegaan, hun baan zijn kwijtgeraakt door ziekte/beperking, ZW- of WIA- uitkering ontvangen en op het moment van ontslag nog niet twee jaar zelfstandig (zonder loonkostensubsidie) het minimumloon hebben verdiend. De wet maakt het ook mogelijk dat bepaalde voorzieningen door de gemeente worden ingezet die buiten de wettelijke doelgroep vallen. Het gaat hier met name om: beschut werk: deze voorziening kan ook worden ingezet voor inwoners met een uitkering van het UWV. loonkostensubsidie: deze kan ook worden ingezet voor jongeren die vanuit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding MBO (binnen zes maanden) zijn gaan werken bij een werkgever. persoonlijke ondersteuning (Jobcoaching)en andere voorzieningen: deze kunnen ook worden ingezet voor 16-17-jarigen zonder werk en zonder startkwalificatie als de jongere aan een werk-leertraject (BBL) gaat deelnemen. Loonkostensubsidie en andere voorzieningen kunnen dan ook worden ingezet. 3.2.1Nuggers (niet-uitkeringsgerechtigden) Een nugger is iemand die niet werkt of minder dan 12 uur per week werkt en die minimaal 12 uur per week zou willen werken. Dit is de definitie die het UWV gebruikt voor het meten van werkloosheid. De Participatiewet geeft gemeente de opdracht Nuggers te ondersteunen. Veelal gaat het om huishoudens waarbij één partner werkt. Concreet kunnen we denken aan herintredende vrouwen, ZZP’ers die gestopt zijn, afgestudeerden die werkloos thuis zitten en gezinsmigranten. Mensen die om welke redenen dan ook een beroep op ondersteuning doen, hebben allereerst een eigen verantwoordelijkheid om terug te keren op de arbeidsmarkt of om de arbeidsmarkt voor het eerste te betreden. Dit geldt met name voor inwoners die een zodanig verdienvermogen hebben dat ze zelfstandig mee kunnen doen op de arbeidsmarkt. Deze groep wordt niet actief benadert. De hulp wordt beperkt tot een groep die een (gezamenlijk) netto-inkomen heeft dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Bovendien moet de nugger minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor werk en gaat het om inwoners die kans hebben op betaald werk. Het accent van de ondersteuning ligt op matching op vacatures en hulp bij solliciteren. 3.2.2Jongeren van 18 tot 27 jaar In dit artikel maken we een uitzondering voor kwetsbare jongeren van 18 tot 27 jaar. Schoolverlaters van het Voortgezet Speciaal onderwijs (VSO) en het Praktijkonderwijs (Pro) werden tot 1 januari 2015 al op 18-jarige leeftijd toegelaten tot de Wajong. Vanaf 1 januari 2015 doet deze groep een beroep op de Participatiewet. Deze jongeren hebben niet altijd recht op een uitkering. Om onze sluitende aanpak voor deze kwetsbare groep jongeren te borgen kan deze groep wel gebruik maken van al onze voorzieningen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de loonwaardemeting, loonkostensubsidie, persoonlijke ondersteuning etc. Per situatie beoordeelt de gemeente welke hulp nodig is, 3.2.3Diagnose en trajectplan De persoonlijke situatie van de inwoner bepaalt welke voorzieningen zinvol zijn richting werk. Het is daarom nodig om een goed beeld te krijgen van de positie op de arbeidsmarkt, zijn sterke punten en belemmeringen die van belang zijn voor werk. Hiervoor gebruiken we de zogenoemde ABC-meting van L&d support. Als een inwoner recht heeft op een uitkering, wordt samen met de inwoner een trajectplan opgesteld. In het plan worden concrete doelen en activiteiten opgenomen, gericht op werk of maatschappelijke activiteiten. In het trajectplan wordt ook de ondersteuning vanuit de gemeente concreet gemaakt. 3.3Ontheffingen Inwoners met een bijstandsuitkering, IOAW- of IOAZ-uitkering zijn verplicht actief mee te werken aan de re-integratie. Als de gemeente voorzieningen aanbiedt die de inwoner helpen in de richting van werk, dan moet de inwoner actief meewerken. Bovendien is de inwoner verplicht om te solliciteren en werk te accepteren. Voor sommige groepen geldt een uitzondering op deze regel. Uitzondering 1: alleenstaande ouders Een alleenstaande ouder die de zorg heeft voor één of meer ten laste komende kinderen tot 5 jaar, stelt de gemeente op verzoek vrij van de verplichting om werk te zoeken en te aanvaarden. Het gaat om ouders die alleen wonen, voor het kind kinderbijslag ontvangen en voor het kind zorgen. De vrijstelling duurt totdat het jongste kind 5 jaar is geworden. De alleenstaande ouder kan in totaal maximaal 5 jaar vrijgesteld worden van de arbeidsverplichting. De gemeente kan de alleenstaande ouder die vrijgesteld is wel voorzieningen aanbieden die de alleenstaande ouder naar werk helpen. De alleenstaande ouder is verplicht van die voorzieningen gebruik te maken. Doet de alleenstaande dat niet, dan kan de gemeente de vrijstelling van de arbeidsverplichting weigeren of intrekken. Gaat het om een alleenstaande ouder die nog geen startkwalificatie heeft, dan biedt de gemeente scholing aan waardoor de arbeidskansen stijgen. Uitzondering 2: dringende redenen De inwoner met een bijstandsuitkering kan vrijgesteld worden van de arbeidsverplichting en van de verplichting om mee te werken aan hulp die de gemeente de inwoner aanbiedt. Die vrijstelling kan alleen worden ingezet als er sprake is van dringende redenen. Dat is het geval als het niet redelijk is om van de inwoner te verwachten dat hij actief bezig is met re-integratie. Voorbeelden van dringende redenen zijn: De inwoner geeft mantelzorg en dat is zo intensief dat er geen ruimte meer is voor werk of om gebruik te maken van voorzieningen op weg naar werk. En (kinder)opvang of andere oplossingen voor de mantelzorg zijn niet mogelijk; De inwoner is volledig en blijvend arbeidsongeschikt. De inwoner is niet in staat om betaald werk te doen, omdat de inwoner een verstandelijke beperking of psychiatrische aandoening heeft of een indicatie voor de Wet langdurige zorg. De inwoner neemt deel aan een intensief medisch programma gericht op behandeling van een ziektebeeld. De vrijstelling is tijdelijk, behalve wanneer de inwoner volledig en blijvend arbeidsongeschikt is. 3.4Voorzieningen instrumenten In de Verordening sociaal domein zijn de belangrijkste hulpmiddelen (voorzieningen) vastgelegd. De gemeente kan ook andere voorzieningen aanbieden als dat zinvol is om iemand te ondersteunen richting werk. De voorzieningen zijn hier, alleen voor zover nadere regels nodig zijn, verder uitgewerkt. 3.4.1Voorziening werkervaring 1.Een voorziening werkaanvaarding is een vorm van werken met behoud van uitkering. Het is in de eerste plaats bedoelt om op een werkplek werkervaring op te doen of te leren functioneren in een werkomgeving. Denk aan omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Aangesloten wordt bij de behoefte van de inwoner 2.Hier vallen alle soorten werkervaringsplekken onder zoals een werk-leertraject, een werkfit traject, maar ook een (taal) stage. 3.De voorziening werkervaring is bedoeld voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het gaat daarbij in de eerste plaats om inwoners die nooit of lang geleden hebben gewerkt, maar ook om inwoners voor wie een voorziening werkervaring om andere reden zinvol is, bijvoorbeeld om werknemersvaardigheden aan te leren. De invulling van dit traject is op basis van maatwerk, wat is er nodig om de arbeidskansen te vergroten. 4.Een voorziening werkervaring duurt in principe maximaal zes maanden. Dit kan worden verlengd met nog eens zes maanden als daardoor de arbeidskansen worden vergroot. De noodzaak wordt in gezamenlijk overleg vastgesteld. 3.4.2Participatieplaats 1.Voor inwoners met een bijstandsuitkering voor wie de kans op inschakeling op de arbeidsmarkt gering is en die als gevolg daarvan nog niet bemiddelbaar zijn kan een participatieplaats worden ingezet. Het gaat hierbij om onbeloonde additionele werkzaamheden. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken is het doel van de inzet van een participatieplaats. 2.De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder met recht op een bijstandsuitkering volgens artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 3.Na zes maanden werken op een participatieplaats moet aan de inwoner zonder startkwalificatie scholing of een opleiding worden aangeboden, tenzij dit niet bijdraagt aan hun kansen op de arbeidsmarkt. Hierbij wordt rekening gehouden met Het oordeel van degene in wiens opdracht de inwoner de additionele werkzaamheden uitvoert De scholingswens van de inwoner. 4.Na negen maanden vindt beoordeling plaats of de participatieplaats en de additionele werkzaamheden de kans op inschakeling in het arbeidsproces vergroot. Als dit niet het geval is, worden na 12 maanden de werkzaamheden beëindigt. 5.De termijn van twee jaar kan met twee keer één jaar worden verlengd als daarmee de arbeidskansen worden vergroot. Het heeft grote voorkeur de voortzetting van de participatieplaats na twee jaar te laten verrichten in een andere omgeving. 6.Na iedere periode van zes maanden werken op een participatieplaats wordt een premie toegekend. De hoogte van de premie is opgenomen in het financieel besluit. 3.4.3Wettelijke loonkostensubsidie 1.Loonkostensubsidie is een maandelijkse tegemoetkoming in de loonkosten. De werkgever ontvangt de wettelijke loonkostensubsidie voor een werknemer die minder productief is door een arbeidsbeperking. Hoe lager de productiviteit, hoe hoger de loonkostensubsidie. De werknemer ontvangt het normale cao-loon of het wettelijk minimumloon als er geen cao is. 2.Loonkostensubsidie is bedoeld voor een werkgever die iemand in dienst neemt die wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen vanwege een arbeidsbeperking. 3.Het moet gaan om iemand uit één van de volgende groepen: inwoners met een gemeentelijke uitkering; inwoners die door de gemeente geholpen moeten worden om werk te vinden, zoals inwoners met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet of mensen die geen uitkering ontvangen, de zogenaamde nuggers; jongeren die vanuit het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of de MBO- entree-opleiding aan het werk gaan of die in een BBL-traject zitten (ook voor 16- en 17-jarigen); inwoners, die een beschutte werkplek hebben, behalve inwoners met een Wajong-uitkering. 4.De loonkostensubsidie moet worden aangevraagd voordat het dienstverband wordt aangegaan, behalve als het gaat om: een jongere die praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of een MBO-entree-opleiding heeft gevolgd. Het dienstverband met die jongere moet binnen zes maanden na beëindiging van de opleiding zijn aangegaan. mensen die door de gemeente aan passend werk zijn geholpen, maar die kort na de start in een dienstbetrekking alsnog verminderd productief blijken te zijn. Hiervoor moet de aanvraag binnen zes maanden na de start van het dienstverband worden ingediend. In dit geval is geen forfaitaire loonkostensubsidie mogelijk. 5.De loonkostensubsidie kan zowel door de werknemer als de werkgever worden aangevraagd. 6.De gemeente stelt vast of het gaat om iemand die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat de inwoner op de werkplek zou kunnen verdienen op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de mogelijkheden van de inwoner om het werk te kunnen doen. De loonwaardemeting wordt gedaan volgens de uniforme landelijke methode. De loonwaarde wordt gemeten als percentage van het wettelijk minimumloon. 7.De loonwaarde wordt vastgesteld door de een loonwaarde-expert. Het proces van de loonwaardebepaling bestaat uit de volgende stappen: Eerst stelt de loonwaarde-expert samen met de werkgever de normfunctie, functieloon en hoofdtaken vast. Daarna brengt de loonwaarde-expert een werkplekbezoek aan de werkgever. Hij spreekt de werkgever en werknemer en beoordeelt de prestatie van de werknemer ter plekke. De loonwaarde-expert bespreekt zijn bevindingen met de werkgever. Dan stelt de loonwaarde-expert een rapportage op en berekent de loonwaarde en de loonkostensubsidie. Ten slotte legt gemeente in een beschikking vast of er loonkostensubsidie wordt verstrekt en zo ja, hoe hoog die dan is. De werkgever en de werknemer ontvangen de beschikking. 8.De berekening van de loonkostensubsidie gaat volgens de volgende rekenformule: bepalen loonwaarde; loonwaarde = percentage van het wettelijk minimum (jeugd)loon (inclusief 8% vakantietoeslag); wettelijk minimumloon (inclusief 8% vakantietoeslag) minus loonwaarde = hoogte loonkostensubsidie (exclusief vergoeding werkgeverslasten); vergoeding werkgeverslasten = 23,5% van loonkostensubsidie (per 1 januari 2024); stap c en d optellen = de loonkostensubsidie. 9.De loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. De werkgever ontvangt daarnaast een vergoeding voor de werkgeverslasten zoals opgenomen in het financieel besluit. (2024: 23,5% van de loonsom waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt). Het eventuele verschil tussen minimumloon en cao-loon komt voor rekening van de werkgever. 10.Het kan ook zijn dat de werknemer wordt gedetacheerd (uitgeleend). De werkgever bij wie de werknemer gaat werken, betaalt dan een inleenvergoeding aan de werkgever die de werknemer detacheert (de formele werkgever). Bij het bepalen van de hoogte van de inleenvergoeding kan rekening worden gehouden met de hoogte van de loonkostensubsidie. 11.De loonkostensubsidie loopt door tot het einde van het dienstverband of tot het moment waarop de arbeidsproductiviteit zo is toegenomen dat er geen loonkostensubsidie meer nodig is. Er kan tussentijds onderzoek worden gedaan naar de arbeidsproductiviteit en de loonwaarde. 12.Als een werknemer ziek wordt tijdens het dienstverband, dan wordt de loonkostensubsidie doorbetaald zo lang de werknemer ziek is, maar maximaal twee jaar. 13.Bij verhuizing naar een andere gemeente binnen Nederland vindt directe overdracht van de loonkostensubsidie naar de (nieuwe) woongemeente plaats. 14.Als werknemer verhuist naar een andere lidstaat van de EU, EER of Zwitserland wordt de loonkostensubsidie gecontinueerd. 3.4.4Vaste (forfaitaire) loonkostensubsidie 1.Naast de loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting op de werkplek, bestaat wettelijk de mogelijkheid om voor de eerste zes maanden dat iemand bij een werkgever in dienst komt een vaste loonkostensubsidie te verlenen. Hierbij wordt in eerste instantie geen loonwaarde gemeten, maar bedraagt de subsidie standaard 50% van het wettelijk minimumloon. Deze vaste loonkostensubsidie is beschikbaar als werkgevers daarom vragen en een arbeidsovereenkomst van tenminste zes maanden, geen o-urencontract, aanbieden en de intentie hebben de inwoner aansluitend een contractverlenging aan te bieden Na afloop van de vaste loonkostensubsidie, beoordeelt de gemeente of de loonkostensubsidie kan worden voortgezet op basis van een loonwaardemeting. 2.Aan de vaste loonkostensubsidie zijn enkele nadelen verbonden voor werknemer en werkgever: de werknemer wordt niet opgenomen in het doelgroepregister voor de banenafspraak; de werkgever kan niet in aanmerking komen voor de no-riskpolis als de werknemer ziek wordt; de werkgever kan niet in aanmerking komen voor de vrijwaringsregeling in het kader van de WGA-regeling. 3.De voordelen die onder b en c staan genoemd, zijn pas beschikbaar als de werknemer wordt opgenomen in het doelgroepregister banenafspraak. 3.4.5Beschut werk 1.Beschut werk is werken in een normaal dienstverband, maar onder aangepaste omstandigheden. Beschut werk vraagt altijd om aanpassing van de werkplek of intensieve begeleiding in een veilige (beschutte) werkomgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor het aanbieden van beschut werk. 2.Het gaat om inwoners die door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een hoge mate van (structurele) begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat niet van een werkgever mag worden verwacht dat hij deze inwoners in dienst neemt, ook niet met extra voorzieningen van gemeente of UWV. 3.Er wordt ook gekeken hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft). 4.Zodra de taakstelling bereikt is wordt de inwoner op de wachtlijst geplaatst. 5.Het UWV moet een positief advies geven. De inwoner of de gemeente kunnen een advies aanvragen. UWV beoordeelt of de persoon kan werken en of er sprake is van: één of meer technische of organisatorische aanpassingen die niet voor rekening van de werkgever kunnen worden gebracht omdat ze te kostbaar zijn; permanent toezicht of intensieve begeleiding die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kan worden aangeboden. 6.Als aan deze voorwaarden is voldaan, adviseert het UWV positief. De gemeente neemt dit advies in principe over en gaat dan op zoek naar een geschikte beschutte werkplek. Samen met de inwoner wordt bepaald welke voorziening het meest passend is. 7.Met de inwoner en de werkgever worden eventueel fysieke aanpassingen, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur bepaald. 8.De inwoner die voor beschut werken in aanmerking komt, krijgt een dienstverband aangeboden van minimaal 12 uur per week. 9.De beloning bedraagt 100% van het wettelijk minimumloon bij een volledige werkweek. Bij een dienstverband van minder dan een volledig werkweek wordt de beloning naar rato vastgesteld. 10.De gemeente/KonnecteD verzorgt het dienstverband. 11.De gemeente kan voor de ondersteuning op de beschutte werkplek het volgende aanbieden: loonkostenkostensubsidie; forfaitaire loonkostensubsidie te weten 70% van het wettelijk minimumloon voor de duur van maximaal zes maanden. extra begeleiding op de werkplek (jobcoaching); aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; 12.uitsplitsing van taken aanpassingen in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding een vergoeding voor begeleidingskosten zoals opgenomen in het financieel besluit. 13.Als de gemeente het nodig en zinvol vindt, kunnen ook andere voorzieningen worden ingezet, zoals schuldhulpverlening of persoonlijke ondersteuning. 14.De werkgever die een beschutte werkplek aanbiedt heeft recht op de zogenaamde no-riskpolis van UWV bij ziekte van de werknemer en kan gebruikmaken van fiscale maatregelen, waaronder het Lage inkomensvoordeel. 15.Beschut werk wordt in principe gedurende de eerste twee jaar van het dienstverband aangeboden in de vorm van een tijdelijk dienstverband. 16.Na het einde van de hierboven genoemde periode wordt beschut werk aangeboden in de vorm van een dienstverband voor onbepaalde duur, tenzij uit tussentijds onderzoek is gebleken dat iemand niet langer tot de doelgroep beschut werk behoort. Zo lang als het positieve advies van UWV geldig is en het dienstverband duurt tot aan de AOW-leeftijd. In de meeste situaties zal het om een langdurige periode gaan. Maar het is mogelijk dat omstandigheden veranderen, waardoor een nieuw advies van UWV nodig is. Zowel de werknemer als de gemeente kunnen een advies aanvragen bij UWV. 17.Als het aantal te realiseren beschutte werkplekken al is gerealiseerd wordt de inwoner met een indicatie op een wachtlijst geplaatst. 18.Deze inwoner krijgt voorrang op inwoners met een indicatie van latere datum, tenzij het beschikbare beschut werk niet aansluit bij de arbeidsmogelijkheden van deze inwoner. In dat geval wordt het beschut werk aangeboden aan de eerstvolgende persoon bij wie het beschut werk wel aansluit op diens arbeidsmogelijkheden. 19.Elke situatie is anders, dus de gemeente houdt rekening met de individuele situatie van de inwoner. Als het nodig en zinvol is, biedt de gemeente, tijdens de wachtperiode, één van de volgende voorzieningen aan: ondersteuning bij het invullen van de dag, waaronder arbeidsmatige dagbesteding; sociale activering (vrijwilligerswerk) andere vormen van maatschappelijke participatie of werk scholing. 3.4.6Detacheringsbaan 1.Een detacheringsbaan is betaald werk in loondienst via een organisatie die als tussenpersoon optreedt. De inwoner komt in dienst van de organisatie, die de inwoner detacheert (uitleent) op een werkplek bij een andere organisatie. Het doel is om de inwoner betaald werk aan te bieden om werkervaring op doen. 2.Een detacheringsbaan kan worden aangeboden aan inwoners voor wie de gemeente de re-integratie moet verzorgen. Het gaat in de eerste plaats om inwoners met een bijstandsuitkering. 3.Een detacheringsbaan past bij de inwoner en biedt uitzicht op doorstroming naar een “normaal” dienstverband 4.De inwoner werkt onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers in dienst van de inlenende organisatie. 5.Er moet in elk geval een schriftelijke overeenkomst te worden gesloten, waarin het volgende wordt vastgelegd: Doel van de detacheringsbaan; Duur van de detacheringsbaan; Hoogte van de inleenvergoeding; Afspraken over werktijden en verlof; De werkzaamheden die uitgevoerd worden; De wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. 3.4.7Scholing met behoud van uitkering 1.Soms is scholing nodig om dichter bij de arbeidsmarkt te komen. Een inwoner jonger dan 27 jaar moet in principe gebruik maken van het reguliere onderwijs, zoals een MBO- of hbo-opleiding die door het Rijk wordt bekostigd. 2.Het algemene uitgangspunt is dat ’werk’ boven uitkering gaat. Wanneer toestemming wordt gevraagd voor het volgen van een studie wordt beoordeeld of deze opleiding noodzakelijk is om de stap naar passend werk te maken voor een langere periode en de re-integratie niet in de weg staat. 3.De motivatie van de inwoner voor de scholing en het belang van de scholing voor de arbeidskansen van de inwoner staan daarbij voorop. Het is mogelijk dat de gemeente dit zelf organiseert of inkoopt, het kan ook zijn dat daarvoor een vergoeding wordt verstrekt. De scholing kan een kortdurende training of cursus zijn maar ook een langer durende opleiding. 4.Scholing is bedoeld voor inwoners die zonder scholing de afstand tot de arbeidsmarkt moeilijk kunnen overbruggen. Dit geldt in het bijzonder voor inwoners zonder startkwalificatie. Alleenstaande ouders die een ontheffing van de arbeidsplicht hebben gekregen, krijgen van de gemeente in principe altijd een aanbod voor scholing die de arbeidskansen laat stijgen. (zie ook artikel 3.3) 5.Voor scholing met behoud van uitkering gelden de volgende voorwaarden: De inwoner heeft actief naar werk gezocht, maar het is niet gelukt om werk te vinden; De opleiding mag niet gevolgd (gaan) worden in plaats van een baan te accepteren; De opleiding is een logisch vervolg op een opleiding die al eerder is gedaan; Met de opleiding wordt de kans op het krijgen van betaald werk vergroot; De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner De scholing leidt tot duurzaam werk Dit artikel geldt niet als ander organisaties ook passende scholing kunnen aanbieden. Er bestaat geen recht op een studietoelage of studiefinanciering en er kan ook geen lening voor de studie worden afgesloten bij DUO. 6.Voor het volgen van een opleiding moet er dus toestemming gevraagd worden aan de gemeente. Er is géén toestemming nodig voor: een avondopleiding; een schriftelijke opleiding, of; een opleiding van de Open Universiteit. De uitkering loopt bij deze opleidingen gewoon door. Maar als de inwoner een baan krijgt aangeboden, dan moet hij deze aannemen. 7.De opleiding mag in beginsel maximaal twee jaar duren. Een uitzondering kan worden gemaakt als er in overleg met het UAF een studietraject is opgesteld. Het UAF ondersteunt studenten bij het afmaken van hun studie en het vinden van een baan. Hiervoor gelden strenge selectiecriteria. 8.De kosten van les- en boekengeld moet de student zelf betalen. Mogelijk kan er op grond van het “Levenlanglerenkrediet” onder bepaalde voorwaarden een lening worden afgesloten bij DUO. In sommige gevallen betaalt het UAF de kosten van de studie. De gemeente kan het UAF een vergoeding geven voor de trajectkosten. 9.De kosten bedragen maximaal het bedrag opgenomen in het financieel besluit. 3.4.8Uitstroompremie De inwoner die betaald werk gaat doen heeft recht op een uitstroompremie onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening sociaal domein. De hoogte van de premie is opgenomen in het financieel besluit. 3.4.9premie vrijwilligerswerk De inwoner die vrijwilligerswerk gaat doen heeft recht op een premie onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening sociaal domein. De hoogte van de premie is opgenomen in het financieel besluit. 3.4.10Kinderopvang De voorwaarden voor het krijgen van een kinderopvangtoeslag zijn vastgelegd in paragraaf 7.
  2. 3.4.11Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Werk of een traject naar werk kan voor de inwoner extra kosten met zich meebrengen. De gemeente kan deze kosten vergoeden als dit nodig is om aan het werk te gaan of een traject naar werk te volgen. 2.Voor inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen. Het kan gaan om bijvoorbeeld de aanschaf van een fiets, een ov-kaart, kilometervergoeding of de aanschaf van kleding. 3.Het gaat om kosten die noodzakelijk zijn voor werk, een traject naar werk (zonder deze kosten geen werk) of een inburgeringstraject. 4.De kosten kunnen niet op een andere manier worden vergoed (bijvoorbeeld via carpooling of een voorschot van de werkgever). 5.Vergoed worden slechts de kosten die worden gemaakt voor de goedkoopste, passende oplossing. 6.Voor reiskosten voor enkele reizen minder dan 10 kilometer wordt geen vergoeding verstrekt. 7.Voor reiskosten in verband met een re-integratietraject binnen de gemeentegrenzen wordt geen vergoeding gegeven. 8.Een reiskostenvergoeding wordt voor maximaal 12 maanden gegeven. 9.De reiskosten in verband met een inburgeringstraject dat wordt gevolgd op een locatie binnen de driehoek Apeldoorn, Zwolle en Deventer worden maximaal 24 maanden vergoed. Deze reiskosten worden betaald uit de bijzondere bijstand. 10.De reiskostenvergoeding wordt vastgesteld op de kosten van openbaar vervoer en als dat niet mogelijk is op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel. Het aantal kilometers wordt bepaald via de kortste route van herkomst naar bestemming De hoogte van de reiskostenvergoeding is vastgelegd in het financieel besluit. 11.De eenmalige vergoeding voor kosten werkaanvaarding bedraagt maximaal het bedrag zoals opgenomen in het financieel besluit. 12.De kosten worden met bewijsstukken aangetoond. 13.De gemeente kan op eigen initiatief of op verzoek van de inwoner nagaan of een onkostenvergoeding verstrekt kan worden. 3.5Wet inburgering 2021 Deze paragraaf gaat over de (nieuw) wet inburgering die is ingegaan op 1 januari
  3. 3.5.1Informatieverstrekking 1.De gemeente zorgt ervoor voor dat de inburgeringsplichtigen op een behoorlijke wijze informatie ontvangen over: hun rechten en plichten op grond van de inburgeringswetgeving; de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP); het Participatieveerklaringstraject (PVT); de leerroutes. 2.De gemeente zorgt ervoor dat de asielstatushouders op een behoorlijke wijze informatie ontvangen over de maatschappelijke begeleiding. 3.5.2Brede intake inburgeringsplichtingen 1.De gemeente neemt de brede intake af zo snel mogelijk nadat de inburgeringsplichtige, eventueel na een eerder verblijf in het asielzoekerscentrum (AZC), in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente is ingeschreven. 2.De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat de brede intake inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor de brede intake moet verschijnen; dat de inburgeringsplichtige er recht op heeft om de gesprekken in het kader van de brede intake te voeren zonder dat daarbij andere mensen (bijvoorbeeld familieleden) aanwezig zijn dan professionals; wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt. 3.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen. 4.De gemeente legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast. 3.5.3Passende leerroute inburgeringsplichtigen en aanbod leerroute asielstatushouders 1.De gemeente beoordeelt op basis van de gegevens die het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) bij de eventuele voorinburgering heeft verkregen en ook op basis van de uitkomsten van de brede intake welke leerroute voor de inburgeringsplichtige passend is. 2.Bij de vaststelling van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen houdt De gemeente in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet. 3.De gemeente stemt de keuze voor een leerroute in ieder geval af op de MAP, het PVT, de (eventuele) maatschappelijke begeleiding en het financieel ontzorgen en de financiële zelfredzaamheid. 4.De gemeente neemt de leerroute op in het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). 5.De gemeente registreert de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in de Portal Inburgering. 6.De gemeente verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute. 7.De gemeente biedt asielstatushouders binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de vastgestelde leerroute kunnen voldoen. 8.Als het aanbod uitblijft, dan registreert de gemeente dat in de Portal Inburgering. 9.De gemeente registreert de deelname en afronding van de leerroute en het taalniveau in de Portal Inburgering. 3.5.4Participatieverklaringstraject (PVT) inburgeringsplichtigen 1.Het PVT bestaat in ieder geval uit: een wekelijkse workshop van drie uren, gedurende ten minste vier weken. 2.De frequentie en duur als bedoeld in het eerste lid, kan in het PIP worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige, de urennorm van ten minste twaalf uur voor de workshops is niet aan te passen. 3.De gemeente neemt het PVT op in het PIP. 4.De gemeente biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal achttien maanden na de verzending van het PIP het PVT aan. 5.De gemeente registreert de deelname aan het PVT in de Portal Inburgering. 6.Bij afronding van de in het eerste lid bedoelde activiteiten ontvangt de inburgeringsplichtige een uitnodiging voor de ondertekening van de participatieverklaring. 7.De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat de ondertekening van de participatieverklaring inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor ondertekening moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet voor de ondertekening verschijnt. 8.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de ondertekening van de participatieverklaring liggen minimaal vijf werkdagen. 9.De gemeente registreert de ondertekende participatieverklaring in de Portal Inburgering. 3.5.5Module arbeidsmarkt en participatie (MAP) inburgeringsplichtigen 1.De MAP bestaat in ieder geval uit: minimaal twintig en maximaal veertig uren kennismaking met, en voorbereiding op de Nederlandse arbeidsmarkt in klassikale vorm; en veertig uren stage. 2.De gemeente beoordeelt op basis van de uitkomsten van de brede intake hoeveel klassikale uren en welke stage voor de inburgeringsplichtige passend zijn. 3.Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake MAP-activiteiten heeft verricht, dan brengt de gemeente deze bestede uren in mindering op de urennorm van veertig uren als bedoeld in het eerste lid, onder b. 4.Bij de vaststelling van de MAP houdt de gemeente in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet. 5.De gemeente neemt de MAP op in het PIP. 6.De gemeente biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal zes maanden na de verzending van het PIP de MAP aan. 7.De gemeente registreert de deelname aan de MAP in de Portal Inburgering. 8.Na afronding van de klassikale uren en de stage nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige uit voor het eindgesprek ter afronding van de MAP. 9.De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat het eindgesprek inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het eindgesprek moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet voor het eindgesprek verschijnt. 10.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het eindgesprek liggen minimaal vijf werkdagen. 11.De gemeente doet verslag van het eindgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige. 12.De gemeente registreert de afronding van de MAP in de Portal Inburgering. 3.5.6Voortgangsgesprekken 1.De frequentie van de voortgangsgesprekken wordt vastgesteld op basis van de uitkomsten van de brede intake en afgestemd op de inburgeringsplichtige. In het eerste jaar zijn er minimaal twee voortgangsgesprekken. 2.De gemeente neemt de frequentie van de voortgangsgesprekken op in het PIP. 3.De gemeente vermeldt in de uitnodigingsbrief: wat het voortgangsgesprek inhoudt; waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het voortgangsgesprek moet verschijnen; wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet voor het voortgangsgesprek verschijnt. 4.Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het voortgangsgesprek liggen minimaal vijf werkdagen. 5.Ter voorbereiding op de voortgangsgesprekken beziet de gemeente de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige. 6.De gemeente doet verslag van het voortgangsgesprek en stelt dat op verzoek ter beschikking aan de inburgeringsplichtige. 3.5.7Maatschappelijke begeleiding 1.De maatschappelijke begeleiding voor asielstatushouders bevat in ieder geval: 2.ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken ten aanzien van voorzieningen zoals onder andere: wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving; voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals onder andere: wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties. De maatschappelijke begeleiding wordt gegeven door VluchtelingenWerk Oost-Nederland (VWON). De inburgeringsplichtige krijgt zo mogelijk een vaste begeleider toegewezen. 3.De maatschappelijke begeleiding begint zo snel mogelijk nadat de asielstatushouder, eventueel na een eerder verblijf in het AZC, in de BRP van de gemeente is ingeschreven. 3.5.8Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) 1.In het PIP worden vastgesteld: de te volgen leerroute; de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding (voortgangsgesprekken); de intensiteit van het PVT en de MAP; voor zover van toepassing: de mogelijkheden van voor- of vroegschoolse educatie; en indien het gaat om een asielstatushouder: de intensiteit van de leerroute. 2.Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen bevat, naast het bepaalde in het eerste lid, de beschikkingen op grond van de Participatiewet over opgelegde arbeids- en reintegratieverplichtingen (en/of ontheffingen) en over toegekende re-integratievoorzieningen. 3.Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bevat, naast het bepaalde in het eerste en het tweede lid, de ‘ontzorgingsbeschikking’ op grond van artikel 56a Participatiewet. 4.Zo snel mogelijk na de afname van de brede intake stelt de gemeente de inburgeringsplichtige in de gelegenheid tot samenspraak over de manier waarop de inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen. 5.De gemeente verzendt het PIP in ieder geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 10 weken na inschrijving in de BRP als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de inburgeringsplichtige. 6.De gemeente registreert de datum van vaststelling van het PIP in de Portal Inburgering. 3.5.9Overschakelen naar een andere leerroute 1.De termijn om over te schakelen van de ene naar de andere leerroute is, bijzondere gevallen daargelaten, maximaal anderhalf jaar vanaf de dag na dagtekening van het PIP, uitzondering is dat gedurende het gehele inburgeringstraject de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route. 2.De beoordeling van de gemeente of er onvoldoende voortgang of een grotere voortgang is dan op grond van het PIP was te verwachten, gebeurt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige. 3.Als de beoordeling bedoeld in het tweede lid daartoe aanleiding geeft, schakelt de inburgeringsplichtige over naar een andere leerroute en past de gemeente het PIP aan. 4.De gemeente registreert de wijziging van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in de Portal Inburgering. 5.De gemeente verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de nieuwe leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute. 6.De gemeente biedt asielstatushouders binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de nieuwe vastgestelde leerroute kunnen voldoen. 7.De gemeente registreert de deelname en afronding van de nieuwe leerroute en het taalniveau in de Portal Inburgering. 3.5.10Afschalen 1.Afschalen van niveau B1 naar niveau A2 in de B1-route is mogelijk na in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal wanneer uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de inburgeringsplichtige zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen. 2.Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede cursusuren Nederlands als tweede taal heeft gevolgd, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, dan brengt de gemeente deze bestede uren in mindering op de urennorm van 600 uren. 3.De beoordeling of niveau B1 niet (op alle onderdelen) haalbaar is, geschiedt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling en/of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige. 4.Als de beoordeling bedoeld in het derde lid daartoe aanleiding geeft, schaalt de gemeente (onderdelen van) de B1-route af naar A2-niveau en past de gemeente het PIP aan. 3.6Bijzondere regels om deelname aan werk van inwoners met een beperking te vergroten Deze regels sluiten aan bij hoofdstuk 3.4.A van de verordening Sociaal domein 3.6.1Persoonlijke ondersteuning bij werk In de verordening sociaal domein zijn de voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoaching) opgenomen. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in verschillende vormen aanbieden: Jobcoaching als dienst (in natura) door middel van een jobcoach die werkt bij of in opdracht van de gemeente OF bij een andere organisatie waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. de gemeente kan een subsidie (geldbedrag) geven aan de werkgever voor: jobcoaching door een jobcoach die ook werkt in het bedrijf of buiten het bedrijf; werkbegeleiding door iemand die in het bedrijf werkt. Het aantal in te zetten begeleidingsuren is altijd maatwerk. Het aantal begeleidingsuren is afhankelijk van het begeleidingsregime (licht, midden of intensief). Het aantal begeleidingsuren wordt uitgedrukt in een percentage van het aantal uren van het dienstverband. Het begeleidingsregime wordt vastgesteld aan de hand van de kwaliteit van de match de persoonlijke omstandigheden de mate van structurele functionele beperking in relatie tot de taak. Zowel de werknemer als de werkgever kan een aanvraag voor een externe jobcoach indienen. Uitsluitend activiteiten die direct verband houden met de persoonlijke ondersteuning van de persoon bij de uitvoering van zijn werkzaamheden worden vergoed. De volgende activiteiten van een jobcoachorganisatie komen niet voor vergoeding in aanmerking: Activiteiten die verband houden met de eigen bedrijfsvoering van de jobcoachorganisatie. Hieronder vallen ook administratieve werkzaamheden Reistijd van de jobcoach Overdracht van de persoonsinformatie van de ene naar de andere jobcoach Scholing of bijscholing van de jobcoach Intervisie (tussen o.a. de jobcoaches). De maximum uren en maximum bedragen zijn opgenomen in het financieel besluit Betaling geschiedt achteraf aan de jobcoach(organisatie). De jobcoach(organisatie) stuurt per kwartaal een factuur voor de daadwerkelijk gemaakte uren onderbouwd met een urenverantwoording. Bij jobcoaching tijdens een proefplaatsing wordt achteraf in één keer aan de jobcoach(organisatie) betaald. Betaling geschiedt op basis van een factuur. Minimaal ieder kwartaal zorgt de jobcoach voor een (korte schriftelijke of mondelinge) terugkoppeling aan de gemeente. Bij jobcoaching tijdens een proefplaatsing geldt dat aan het einde van de proefplaatsing een rapportage wordt opgeleverd. Wanneer de gemeente heeft vastgesteld dat de (potentiële) werknemer zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de door de werkgever opgedragen taken te verrichten kan interne jobcoaching ingezet worden als: De duur van de dienstbetrekking bij de start hiervan tenminste 6 maanden bedraagt en De persoon in deze dienstbetrekking ten minste 12 uur per week werkt. De interne jobcoach heeft een HARRIE certificaat of iets vergelijkbaars in het bezit of behaald dit op korte termijn. De interne jobcoach is voor het betreffende aantal begeleidingsuren vrijgemaakt Er is achtervang geregeld voor de jobcoach zodat de continuïteit is gewaarborgd bij afwezigheid. De hoogte van de subsidie betreft een vast bedrag en is vastgelegd in het financieel besluit 3.6.2Bijzondere voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Vervoersvoorzieningen: om naar het werk te reizen, in de vorm van aanpassing van een eigen vervoermiddel of van een vergoeding voor speciaal vervoer. De gemeente kijkt of er gebruik gemaakt kan worden van vervoer in het kader van de Wmo en andere regelingen. 3.6.3Bijzondere voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Intermediaire voorzieningen: voor inwoners met arbeidsvermogen die moeite hebben met zien, horen of bewegen, bijvoorbeeld een doventolk of voorleeshulp. 3.6.4Bijzondere voorwaarden meeneembare voorzieningen Meeneembare voorzieningen: aanpassingen of hulpmiddelen die ook op een andere werkplek gebruikt kunnen worden (en niet standaard beschikbaar zijn binnen een bedrijf), bijvoorbeeld; communicatiehulpmiddelen als een brailleleesregel, computersoftware, een voorleesmachine, een beeldschermloep, een speciaal toetsenbord of een muis. meubilair zoals een aangepaste bureaustoel, zitmeubilair en zit-sta bureaus, tillift orthopedische schoenen 3.6.5Bijzondere regels bij persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing 1.Werkplekaanpassingen: aanpassingen van de werkplek die aan de betreffende werkplek zijn gebonden. Het gaat om op de persoon en de op de specifieke werkplek afgestemde aanpassingen zoals bijvoorbeeld een aangepast toilet, een traplift of een aangepaste werkplek. 2.Als de werkgever een vergoeding aanvraagt, beoordeelt de gemeente of de voorziening echt nodig is. Hiervoor kunnen wij een deskundigenoordeel vragen bij een onafhankelijk arts of een arbeidsdeskundige. De gemeente gaan altijd uit van de goedkoopste adequate aanpassing. Ook bekijken we in hoeverre de aanpassing 'algemeen gebruikelijk' is, zoals internet of een aangepast toilet. De kosten voor een algemeen gebruikelijke aanpassing worden niet vergoed. 3.Bij aanpassingen in het pand, bijvoorbeeld een lift, stijgt de waarde van het bedrijfspand. De gemeente voert dan een bedrijfseconomische toets uit. Dit kan vermindering van de vergoeding betekenen. 4.Een voorziening kan ‘in natura’ beschikbaar worden gesteld (als product of dienst) of in de vorm van een geldbedrag. Gaat het om een product, dan wordt per geval beoordeeld of het in bruikleen of in eigendom aan de inwoner wordt gegeven. Uitgangspunt is in bruikleen, als dit zinvol is. 5.Voor persoonlijke voorzieningen zoals genoemd in de artikelen 3.6.2 tot en met 3.6.5 zijn enkele spelregels vastgesteld: De voorziening is noodzakelijk. Er is geen andere mogelijkheid beschikbaar. Er is een arbeidscontract van minimaal 6 maanden van tenminste 24 uur per week of er is zicht op zo’n arbeidscontract (bijvoorbeeld tijdens de proefplaatsing). De kosten moeten in verhouding staan tot de opbrengsten (uitstroom). De voorziening wordt toegekend volgens het principe: niet meer, niet duurder en niet langer dan noodzakelijk. De maximale hoogte is opgenomen in het financieel besluit. 3.7Wet Taaleis Inwoners met een bijstandsuitkering zijn verplicht om te werken aan de Nederlandse taal als zij die onvoldoende beheersen (artikel 18a Participatiewet) en in staat zijn om daarin vorderingen te maken. Als uit een taaltoets blijkt, dat de inwoner de taal onvoldoende beheerst, bepreekt de gemeente met de inwoner hoe hij daaraan gaat werken. De gemeente betrekt daarbij de persoonlijke situatie en de werksituatie van de inwoner. Uitgangspunt is dat werken aan taal er niet toe mag leiden dat de inwoner minder gaat werken. Gezocht moet worden naar een goed evenwicht. De inwoner die een bijstandsuitkering aanvraagt moet de Nederlandse taal beheersen. Een inwoner beheerst de Nederlandse taal als hij niveau 1F (einde basisschool) beheerst. Dit niveau is vastgesteld in artikel 2, eerste lid, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Als een inwoner in de leerplichtige leeftijd tenminste acht jaar in Nederland heeft gewoond, dan gaan we ervan uit dat hij acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd. Een inwoner toont het volgen van Nederlandstalig onderwijs aan met rapporten of diploma’s van erkende Nederlandse opleidingen (zowel basis- als voortgezet/beroepsonderwijs). Dat kan ook Nederlandstalig particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn. Een inwoner voldoet aan de taaleis als hij: een inburgeringsdiploma of een gelijkwaardig document heeft tijdens een vorige uitkeringsperiode is geslaagd voor de taaltoets Als een inwoner niet beschikt over de genoemde documenten kan hij via een eigen verklaring aantonen dat hij voldoet aan het taalniveau. Bij twijfel over deze verklaring kan de gemeente ervoor kiezen een taaltoets af te (laten) nemen. De taaltoets: de taaltoets wordt afgenomen binnen acht weken na de aanvraag om bijstand. wordt uitgevoerd door een hiervoor bevoegde instelling bevat naast een beoordeling van de taalvaardigheid ook een advies over de meest geschikte taaltraining voor de inwoner. Hierbij gaan we uit van de goedkoopste training die nodig is. Wanneer vastgesteld wordt dat de inwoner om persoonlijke redenen niet aan de taaleis kan voldoen wordt er geen taaltoets afgenomen. Dit is in ieder aan de orde als er: een ontheffing is in het kader van de Wet inburgering; er sprake is van een aangetoond leerprobleem; diverse keren een taalcursus gevolgd is en vastgesteld is door de school dat door persoonlijke omstandigheden de inwoner niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F te gaan beheersen. ontheffing van de arbeidsplicht of een algemene ontheffing is op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek. Is de uitkomst van de toets dat de inwoner niet aan de taaleis voldoet, dan wordt de volgende procedure gevolgd: de inwoner ontvangt binnen acht weken na het afleggen van de taaltoets de uitslag van de taaltoets belanghebbende krijgt een gesprek waarbij hij de uitslag van de taaltoets hoort en een trajectplan wordt afgesproken. wanneer de inwoner het eens is met het trajectplan tekent hij het trajectplan. Dit is de bereidverklaring om te starten met het leertraject dat leidt tot kennis van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F. wanneer de inwoner het niet eens is met het trajectplan en niet wil meewerken aan het leertraject wordt de bijstand verlaagd volgens de regels in artikel 18b van de Participatiewet. In het trajectplan staat: wat het startniveau van belanghebbende is; de manier waarop de belanghebbende de vereiste taalvaardigheden gaat leren; de voortgang en inspanningen die van belanghebbende worden verwacht; op welke momenten de voortgang en inspanningen worden gemonitord. Dit is minimaal iedere zes maanden. De inwoner kan een taaltraject op maat aangeboden krijgen door de gemeente (formeel aanbod). Het taaltraject wordt uitgevoerd door de onderwijsinstelling die daarvoor gecontracteerd is in het kader van de wet educatie. De gemeente kan ook een informeel lokaal aanbod als meest passend aanmerken om de Nederlandse taal machtig te worden op het referentieniveau 1F. Wanneer de inwoner begonnen is met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld is in de Wet Taaleis. Wanneer belanghebbende voor de ingangsdatum van de Wet Taaleis begonnen is met een taaltraject in het kader van de Wet educatie en dit traject loopt nog, kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld is in de Wet Taaleis. 3.8Het verrichten van zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal Voor bijstand aan zelfstandigen, die voldoen aan de definitie "zelfstandige" zoals opgenomen in de Bbz 2004, gelden afzonderlijke bijstandsregels (Bbz). Voor inwoners die niet als zelfstandige worden aangemerkt en een beroep op bijstand moeten doen, geldt de Participatiewet of de IOAW. De Participatiewet en de IOAW bieden juridische mogelijkheden om naast de uitkering parttime als zelfstandig ondernemer te werken. De gemeenten mogen beleid vaststellen om zelfstandige activiteiten van beperkte omvang binnen de Participatiewet of IOAW toe te staan. De regels waaraan de “zelfstandige op bescheiden schaal” moet voldoen om in aanmerking te (blijven) komen voor een uitkering moeten worden vastgelegd om onder andere concurrentievervalsing te voorkomen en inkomsten goed te kunnen verrekenen. Er is sprake van “verrichten zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal” als het gaat om “productieve” activiteiten van kleine omvang, die lage inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door de inwoner. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze, naar verwachting ook niet op termijn, zullen leiden tot voldoende inkomsten om zo zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het gaat om inwoners die voor een gedeelte van hun werkzame uren voor eigen rekening werken en hierdoor niet voldoen aan de definitie “zelfstandige”. Gevestigde zelfstandigen, startende zelfstandigen en inwoners met een voorbereidingsperiode op grond van de Participatiewet vallen niet onder deze regeling. Om gebruik te kunnen maken van deze regeling gelden de volgende voorwaarden. de inwoner heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt door oorzaken zoals sociaal-culturele achtergronden, het niet hebben van een opleiding, het niet hebben van ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur Er wordt vooraf (schriftelijk) toestemming aan de gemeente gevraagd en gegeven. De gemeente beoordeelt deze aanvraag en de voorwaarden en gemaakte afspraken worden vastgelegd in een trajectplan. De activiteiten als “zelfstandige op bescheiden schaal” mogen geen belemmering vormen voor het nakomen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling. De toestemming wordt gegeven voor 12 maanden. Deze toestemming kan eventueel worden verlengd. De werkzaamheden zijn van bescheiden omvang (gemiddeld minder dan 12 uur per week). Hieronder vallen zowel directe als indirecte uren. Deze uren gelden voor de parttime zelfstandige en diens eventuele partner. De activiteiten worden voor eigen rekening en risico uitgevoerd. De activiteiten leveren naar verwachting bescheiden inkomsten op en deze zijn onvoldoende om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien. De inwoner gaat geen langlopende verplichtingen aan of is aangegaan die snelle beëindiging van de zelfstandige activiteiten belemmeren. Er wordt een goede administratie bijgehouden van de gewerkte uren (directe en indirecte). Hierbij wordt zoveel als mogelijk is een vast rooster gehanteerd. De zelfstandige op bescheiden schaal moet voldoen aan de wettelijke eisen die verband houden met zijn activiteiten, waaronder het beschikken over: benodigde vergunningen een deugdelijke boekhouding die voldoet aan de eisen die de Belastingdienst hiervoor hanteert. Dit bestaat in ieder geval uit een kopie van de aangifte en aanslag inkomstenbelasting, EN een kopie van de jaarrekening (balans, en een winst- en verliesrekening met toelichting) OF een kasboek inclusief een btw-aangifte. Deze gegevens moeten jaarlijks na afloop van het boekjaar voor 1 mei aan de gemeente verstrekt worden. Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) als de gemeente dit nodig vindt. Illegale en strafrechtelijk verboden activiteiten en activiteiten in strijd met het bestemmingsplan of de algemeen verbindende voorschriften zijn niet toegestaan. Er mag geen concurrentievervalsing zijn. De inwoner is verplicht om de gebruikelijke marktprijzen vragen zijn product of dienst. Noodzakelijke kosten voor de uitvoering van de werkzaamheden mogen als kosten in mindering worden gebracht op de omzet wanneer de gemeente deze (vooraf) heeft goedgekeurd. Hiervan moeten bewijsstukken worden ingeleverd. Alleen zakelijke vervoerskosten worden geaccepteerd en worden vastgesteld op de noodzakelijke daadwerkelijke kosten. We gaan hierbij uit van het bedrag zoals opgenomen in het financieel besluit. Op de omzet kunnen de volgende kosten niet in mindering worden gebracht; huur of kosten bedrijfsruimte investeringen rentelasten, hier wordt geen rekening mee gehouden omdat daarmee indirect bijstand wordt verstrekt voor schulden of bedrijfskapitaal. kosten die worden opgevoerd in strijd met de belastingwetgeving kosten van activiteiten die in strijd zijn met deze beleidsregels. Kosten die door de belastingdienst niet als aftrekbaar in aanmerking worden genomen, blijven voor rekening van de “zelfstandige op bescheiden schaal”. Als netto-inkomsten worden aangemerkt de belastbare opbrengst minus de door de gemeente geaccepteerde bedrijfskosten. De gemeente verrekent bij toepassing van deze regeling de inkomsten op jaarbasis. Dit bedrag wordt na overleg met de inwoner en na overlegging van de stukken genoemd in lid 11 vastgesteld. Om onverwachte vorderingen aan het eind van het jaar te voorkomen worden de inkomsten op basis van een schatting per maand op de uitkering ingehouden. De inwoner moet per kwartaal een opgave te doen van zijn inkomsten over de afgelopen drie maanden. Deze inkomsten worden door de gemeente beoordeelt, deze stelt zo nodig de maandelijkse inkomstenkorting bij. De inkomstenvrijlating op grond van artikel 7.2 is hier niet van toepassing. Dat komt omdat deze regeling niet zal leiden tot duurzame arbeidsinschakeling. De toestemming wordt tussentijds ingetrokken als de inwoner niet langer aan de voorwaarden voldoet Als de werkzaamheden en de tijd die daarmee is gemoeid of de inkomsten uitkomen boven de vastgestelde grenzen moet de inwoner binnen een redelijke termijn een keuze gaan maken; de werkzaamheden staken, de uitkering kan dan doorlopen de werkzaamheden terugbrengen tot bescheiden schaal. De gemeente beoordeelt of dit met behoud van uitkering kan worden toegestaan of dat een ander traject, naar betaald werk, moet worden ingezet. de werkzaamheden ongewijzigd voortzetten en verder uitbouwen. De bijstandsuitkering moet dan stoppen. 4Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet) In dit hoofdstuk kunnen op een later moment artikelen worden ingevoegd. Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid zoals genoemd in artikel 8.1.
  4. Jeugdwet. Dit is verder uitgewerkt in artikel 9.3.2 en 9.3.7 van deze beleidsregels. 5Meedoen in de samenleving en wonen in een veilige en gezonde omgeving (Wmo) In dit hoofdstuk kunnen op een later moment artikelen worden ingevoegd. Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid zoals genoemd in artikel 2.4.
  5. Wmo
  6. Dit is verder uitgewerkt in artikel 9.3.2 en 9.3.7 van deze beleidsregels. 6Leerlingenvervoer In dit hoofdstuk kunnen op een later moment artikelen worden ingevoegd. 7Inkomen en schulden (Participatiewet, IOAW, IOAZ) 7.1Kostendelersnorm De kostendelersnorm is van toepassing op een inwoner van 21 jaar of ouder die één of meer kostendelende medebewoners heeft. Dit is opgenomen in de artikelen 19 a en 22a van de Participatiewet. De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van het aantal kostendelende medebewoners. Als een inwoner meer kostendelende medebewoners heeft, wordt de uitkering lager. In dit artikel worden de uitzonderingen geregeld. 7.1.1Geen toepassing kostendelersnorm 1.Een belanghebbende die een commerciële huurprijs betaalt, wordt niet aangemerkt als kostendeler. 2.Er is sprake van een commerciële huurprijs als de huurprijs minimaal de basishuur is. Bij een lagere huurprijs dan de basishuur wordt beoordeeld of het bedrag gebruikelijk is voor de ruimte die gehuurd wordt. Wanneer het om woonkosten gaat, waarin water- en energielasten zijn begrepen, is er sprake van een commerciële huurprijs als 60% van de totale huurprijs gelijk is aan de basishuur. 3.De basishuur is het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huur-toeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft. Zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag. 7.1.2Voorwaarden aantonen van een commerciële huur/kostgangersovereenkomst 1.Op grond van artikel 19a, tweede lid, van de Participatiewet moet een belanghebbende die op basis van een commerciële prijs onderhuurt of kostganger is dit aantonen met een huurcontract c.q. kostgangersovereenkomst. 2.Gegevens die in het huurcontract c.q. de kostgangerovereenkomst vermeld moeten zijn: de kamer, gemeubileerd of kaal, die wordt gehuurd; ingangsdatum verhuur; het overeengekomen bedrag per periode; wijze van betaling: deze dient een bancaire betaling te zijn; of de huur inclusief (gas, elektra, enz.) of exclusief is; looptijd van de huurovereenkomst; dat de huurder zich verplicht zich op dat adres bij de gemeente in te schrijven; bij kostgangers dient bovendien een overzicht te worden bijgevoegd van de diensten die in het contract zijn begrepen zoals, welke maaltijden, bewassing, verzorging bijv. bij ziekte, schoonmaken; de ruimtes de kostganger en de kamerhuurder nog meer mag gebruiken; uit het contract moeten de periodieke prijsverhogingen blijken. 7.1.3Ontbreken van woonlasten De gemeente kan de bijstandsnorm lager afstellen als er sprake is van het ontbreken van woonkosten. In afwijking van artikel 27 Participatiewet wordt de gestelde rekennorm verlaagd: met 20% als de inwoner lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, doordat hij niet kan aantonen woonlasten verschuldigd te zijn voor de woning die men bewoont. In afwijking van het eerste lid wordt de rekennorm voor belanghebbende verlaagd als er sprake is van lage woonlasten. Dit zoals is opgenomen in het financieel besluit. In afwijking van het eerste lid wordt de rekennorm voor belanghebbende niet naar beneden bijgesteld als aan dit verblijf aantoonbaar kosten zijn verbonden van minimaal de commerciële huur- of kostgangersbedragen. Onder woonkosten wordt verstaan: bij een huurwoning: de maandelijks verschuldigde huur, inclusief de servicekosten die op grond van de Wet op de huurtoeslag voor huurtoeslag in aanmerking komen; bij een eigen woning: de maandelijks verschuldigde hypotheekrente, verhoogd met de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud; bij kamerhuur: de maandelijks verschuldigde huur exclusief de bijdrage voor gas, water en elektra; bij anti-kraakbewoning of tijdelijke huur ingeval van leegstand: de maandelijks verschuldigde vergoeding voor bruikleen of tijdelijke huur, exclusief de bijkomende kosten. 7.1.4Verrekening inkomsten uit verhuur of kostgangersovereenkomst. 1.Een ontvangen vergoeding uit een commerciële huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7.1.3 voor verhuur wordt in beginsel onder aftrek van een bedrag 5% van het minimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand. 2.Een ontvangen vergoeding uit een commerciële overeenkomst als bedoeld in artikel 7.1.3 vanwege een kostganger wordt onder in beginsel onder aftrek van een bedrag van 20% van het nettominimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand. 3.Ten aanzien van lid 1en 2 moet aan de navolgende voorwaarden worden voldaan: De afspraken over de verhuur van de woning moeten op papier staan, in een huur of kostgangersovereenkomst en: Bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de gevraagde prijs werkelijk wordt betaald. 7.2Inkomstenvrijlating Als een inwoner met een bijstandsuitkering parttime aan het werk gaat kan een deel van de inkomsten tijdelijk worden vrijgelaten. Het doel van de inkomstenvrijlating is de inwoner te stimuleren om een (parttime) baan te accepteren. De vrijlating van inkomsten draagt dan bij aan de arbeidsinschakeling. Onder inkomstenvrijlating wordt verstaan de vrijlating van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in: artikel 31, lid 2 onder n van de Pw, artikel 8 lid 2 van de IOAW; en artikel 8 lid 3 van de IOAZ, of artikel 31 lid 2 onder r van de Pw, artikel 8 lid 5 van de IOAW en artikel 8 lid 9 van de IOAZ, artikel 31 lid 2 onder y van de Pw, artikel 8 lid 7 van de IOAW en artikel 8 lid 11 van de IOAZ De volgorde, duur en hoogte van de verschillende vrijlatingen is in onderstaand stroomschema weergegeven. Als een inwoner tijdens de bijstandsperiode (parttime) aan het werk gaat, vindt er een beoordeling inkomstenvrijlating plaats. Deze beoordeling geldt ook als aan de inwoner een uitkering wordt toegekend, waarbij er al sprake is van (parttime) inkomsten. De gemeente beoordeelt het recht op de inkomstenvrijlating uit eigen beweging (ambtshalve) of op (schriftelijke) aanvraag. Bij parttime ondernemen kan de gemeente achteraf de inkomstenvrijlating toepassen. De inkomstenvrijlating gaat in op de eerste dag van de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend. De inkomstenvrijlating kan eenmaal per uitkeringsperiode worden toegekend. Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet; de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente al werd verstrekt; de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm wordt voortgezet Het recht op inkomstenvrijlating wordt herzien of ingetrokken als het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht (zoals bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet) heeft geleid tot het ten onrechte of niet op de juiste wijze toepassen van een inkomstenvrijlating waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegepast; Voor de hoogte van de inkomstenvrijlating gelden verschillende percentages tot een maximaal bedrag per maand. De maximale bedragen staan genoemd in de onder lid 2 genoemde artikelen. 7.3Studietoeslag Studenten met een beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf staat voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald. 7.3.1Structurele medische beperking 1.Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie. 2.Structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen. 3.Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij: mantelzorg; een gebroken been; kortdurende beperkingen; beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken. 7.3.2Voorwaarden 1.Er bestaat recht op studietoeslag als de inwoner: als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te ververwerven; studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het “levenlanglerenkrediet” van de WSF valt niet hieronder; geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong. 7.3.3Aanvraag 1.De aanvraag voor studietoeslag wordt ingediend via het algemene aanvraagformulier Financiële tegemoetkomingen. De belanghebbende verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken: een kopie legitimatie; een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS; bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt. 2.De inwoner kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom belanghebbende niet kan werken naast de studie. Het college kan hierop besluiten dat een medisch onderzoek niet nodig is. 7.3.4Toekennen en uitbetalen 1.Als door de gemeente is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 2.In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als: belanghebbende daarom verzoekt; en belanghebbende over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag; 3.In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen: voor 1 april 2022; vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 4.De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. 5.De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald. 7.3.5Hoogte studietoeslag 1.Als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de studietoeslag geldt, het bedrag dat hoort bij de leeftijd die belanghebbende op de verjaardag heeft bereikt. 7.3.6Medisch advies 1.Het college is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking, tenzij dit naar oordeel van het college al voldoende blijkt uit een deskundigenverklaring. 2.Het college vraagt het medisch advies aan. 3.In afwijking van lid 1 kan het college alleen in deze situaties een medisch advies achterwege laten als direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking; 4.Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken. 7.4Vrijlating giften Participatiewet en Minimabeleid Gemeente Olst-Wijhe (Participatiewet en armoedebeleid). Giften zijn inkomsten als die het bestedingsniveau wezenlijk verhogen. Giften, voor zover het bedrag genoemd in lid 1 van dit artikel op jaarbasis niet wordt overstegen, hoeven niet gemeld te worden. Ze vallen niet onder de inlichtingenplicht voor zover dit onder het bedrag blijft als bedoeld in lid
  7. Een gift kan zowel eenmalig als periodiek zijn en heeft een onverplicht karakter. Giften, zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder m, zowel in de vorm van geld als in natura worden tot aan het drempelbedrag (opgenomen in het financieel besluit) niet tot de middelen gerekend. Giften in de vorm van verstrekkingen van: voedselbank, kledingbank, kerken en soortgelijke charitatieve instellingen tellen niet mee voor het bepalen van het drempelbedrag. Zodra het ontvangen van een gift ertoe leidt dat het drempelbedrag zoals bedoeld in lid 1 in een kalenderjaar wordt overschreden, moet dit direct door de bijstandsgerechtigde aan de betrokken inkomensconsulent of consulent minimabeleid van gemeente Olst-Wijhe worden gemeld. Vergoedingen voor materiële en immateriële schade zijn geen inkomsten, tenzij het gaat om een vergoeding vanwege verlies van inkomsten. 7.5Armoedebestrijding Deze paragraaf gaat over wat de gemeente kan doen als inwoners bepaalde kosten niet kunnen betalen. Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen, heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In deze beleidsregels zijn de bijzondere bepalingen opgenomen. 7.5.1Regels In de Verordening sociaal domein zijn de hoofdregels genoemd. De gemeenteraad stelde deze regels vast. Wat een inwoner kan krijgen, verschilt per regeling. Hieronder staan de verschillende regelingen, waar nodig, verder uitgewerkt. Er zijn veel soorten kosten waarvoor, in bijzondere omstandigheden, bijzondere bijstand kan worden gegeven. Daarom staan niet alle kosten in deze beleidsregels. Als er bijzondere bijstand wordt gevraagd voor kosten die niet in deze beleidsregels staan, wordt de aanvraag behandeld aan de hand van de volgende vragen: Zijn de kosten noodzakelijk? Zijn het kosten die vanuit het inkomen moeten worden betaald? Is er sprake van bijzondere omstandigheden? Kunnen de kosten worden betaald uit het inkomen of een financiële buffer (draagkracht)? 7.5.2Voor wie zijn de regelingen bedoeld? De regelingen uit het armoedebeleid zijn bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Dit zijn de belangrijkste basisvoorwaarden: de inwoner is 18 jaar of ouder is bij de gemeente Olst-Wijhe ingeschreven in de Basisregistratie personen heeft de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfstitel. de Reductieregeling en de inkomenstoeslag zijn niet bedoeld voor studenten. de inkomenstoeslag is er ook niet voor inwoners die de AOW-leeftijd hebben bereikt. Voor sommige minimaregelingen gelden andere voorwaarden. Deze staan dan vermeld. Soms is het nodig dat een inwoner gebruik maakt van de minimaregelingen, ook al voldoet hij niet aan alle voorwaarden. Als het nodig is, dan kan die inwoner toch van die regeling gebruikmaken. Denk bijvoorbeeld aan ouders van kinderen die anders niet kunnen meedoen met schoolactiviteiten. 7.5.3Hoe tellen het inkomen en vermogen mee? Samen met de inwoner onderzoekt de medewerker de financiële situatie. De medewerker beoordeelt of de inwoner de kosten zelf kan betalen. Als dat zo is, dan is het niet nodig om bijzondere bijstand te geven. De regels over inkomen die voor algemene bijstand gelden, gelden in principe ook voor de regelingen. Wat de Participatiewet aan inkomsten heeft vrijgelaten, telt voor de regelingen niet mee als inkomen. Als het inkomen lager is dan 110% van de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt, is er een draagkracht van 35% voor bijzondere kosten. Hierop zijn een paar uitzonderingen; Bij bijstand voor de dagelijkse kosten, zoals woonkostentoeslag en aanvullende bijstand voor 18- tot 21 -jarigen, geldt dat de inwoner bij een inkomen hoger dan 100% van de bijstandsnorm het meerdere inkomen aan de kosten bijdraagt. Bij bijstand voor de kosten die helpen om zelf in een inkomen te kunnen voorzien of die ervoor zorgen dat ouderen en gehandicapten zelfstandig kunnen blijven functioneren, wordt met een draagkrachtpercentage van 10% gerekend. Het gaat hierbij om de volgende kosten: personenalarmering maaltijdvoorziening eigen bijdrage(n) op grond van de Wmo premie aanvullende ziektekostenverzekering eigen risico ziektekostenverzekering kinderopvang op grond van Sociaal Medische Indicatie Alleen bij toepassing van de paragrafen 7.7, 7.10.1 tot en met 7.10.5 wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm. Bij deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering geldt een draagkrachtpercentage van 130%. Bij schuldensituaties kan een overzicht van de inkomsten en uitgaven worden opgevraagd om te beoordelen of er ruimte is in het budget om bepaalde kosten te betalen. 7.5.4Zelfstandigen 1.Het inkomen van een zelfstandig ondernemer wordt geschat aan de hand van het inkomen van vorig jaar, de laatst vastgestelde jaarrekening, een IB-verklaring of de huidige boekhouding. 2.Als de bijzondere bijstand per jaar meer bedraagt dan de geldende bijstandsnorm per maand wordt aan het eind van het jaar, aan de hand van de jaarrekening, de uiteindelijke draagkracht vastgesteld. 3.Als de draagkracht hoger is dan de verstrekte bijzondere bijstand wordt de bijzondere bijstand teruggevorderd. 4.De financiële buffer in het bedrijf wordt alleen meegeteld als deze financiële buffer redelijkerwijs ingezet kan worden. 5.De reductieregeling wordt altijd om niet verstrekt en niet achteraf teruggevorderd. 7.5.5Hoe wordt de inbreng van de inwoner berekend? 1.De inbreng wordt in principe berekend over de maand van aanvraag. Alleen bij sterk wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de afgelopen drie maanden. 2.De draagkracht wordt één keer per kalenderjaar vastgesteld, tenzij het inkomen of vermogen flink veranderd zijn dan kan een nieuwe berekening worden gemaakt. wijzigt met 20% of meer. Dit beoordeelt de medewerker. 7.6Vermogensgrenzen Het vermogen wordt op dezelfde manier bepaald als voor de algemene bijstandsuitkering. Schulden worden daarvan afgetrokken. Het overblijvende vermogen telt niet mee als het onder de vermogensgrenzen uit de Participatiewet blijft. Als het vermogen daarboven ligt, dan kun de inwoner soms toch bijstand krijgen. Dat is bijvoorbeeld zoals de inwoner op korte termijn hoge kosten moet maken waardoor het vermogen onder de vermogensgrens zal dalen. 7.6.1Bijzondere bepalingen 1.Er is sprake van draagkracht uit vermogen als de inwoner een vermogen heeft dat hoger is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet. 2.Als er sprake is van een eigen woning telt de overwaarde niet mee als: de gevraagde bijstand lager is dan één keer de bijstandsnorm de kosten verband houden met kosten om zelf in het inkomen te kunnen voorzien de kosten ervoor zorgen dat ouderen of gehandicapten langer voor zichzelf kunnen zorgen. Het gaat hierbij om de kosten voor personenalarmering, maaltijdvoorziening, eigen bijdrage Wmo, premie aanvullende ziektekostenverzekering en kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie. 3.De waarde van de auto telt mee voor zover deze meer bedraagt dan de waarde genoemd in het financieel besluit. De waarde van de auto wordt vastgesteld op basis van de prijzengids van www.autotrack.nl. 4.De waarde van de auto telt niet mee als: de auto gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk is. de auto ouder is dan acht jaar het geen exclusieve auto is er maximaal één auto per huishouden is. 5.Het saldo van de lopende rekening telt niet mee voor zover dit minder bedraagt dan de hoogte van de bijstandsnorm. 6.Er geldt een extra vermogensvrijlating als er sprake is van een reservering voor uitvaartkosten. Deze vrijlating kan alleen worden toegepast als het gereserveerde bedrag alleen beschikbaar komt bij overlijden. Contant geld, een banktegoed, een spaardeposito of spaargeld voor dit doel telt wel mee. 7.Als er sprake is van een schuldenregeling wordt de draagkracht bepaald aan de hand van het besteedbare inkomen. Dit voor zolang er sprake is van een wettelijk schuldtraject. Als een inwoner in een minnelijk schuldtraject zit is wordt er maximaal drie jaar rekening gehouden met het besteedbare inkomen. 8.De individuele inkomenstoeslag en de studietoeslag gelden niet als middel voor de bijzondere bijstand. 9.De bijzondere bijstand en reductieregeling worden uitbetaald na het inleveren van de betaalbewijzen. De inwoner kan vragen om de betaling rechtstreeks aan de leverancier te doen. 7.7Kosten van algemene aard 7.7.1Bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar 1.Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar geldt dat zij algemene bijstand kunnen krijgen als ze geen andere mogelijkheden hebben om in het levensonderhoud te voorzie. Tot zijn 21e jaar valt de jongere nog onder de onderhoudsplicht van de ouder(s). 2.De gemeente gaat ervan uit dat de onderhoudsplicht van de ouder(s) in ieder geval niet kan worden aangesproken als: de ouder(s) in het buitenland woont de jongere buiten het gezin is geplaatst op grond van de Jeugdwet, of er een acute noodsituatie is waarin de jongere zelf geen verandering kan brengen. Er is dan een indicatie van een hulpverlenende organisatie nodig. 3.De totale bijstand (bijzondere bijstand plus de algemene bijstand) is in dit geval gelijk aan de bijstandsnormen die gelden voor personen van 21 jaar en ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in dezelfde leef- en woonsituatie (inclusief de kostendelersnorm). 7.7.2Bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting 1.Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting wonen hebben geen recht op algemene bijstand. Wel kan bijzondere bijstand worden gegeven. 2.De bijzondere bijstand is in principe beperkt tot de normen die gelden voor 21-plussers die in een inrichting verblijven. 3.De bijstand wordt alleen gegeven als er geen gebruik kan worden gemaakt van de onderhoudsplicht van de ouder(s). 4.Als de ouder(s) niet wil(len) bijdragen in de kosten, dan onderzoekt de gemeente de mogelijkheden om de verstrekte bijstand te verhalen op de ouders. 5.De gemeente gaat ervan uit dat de onderhoudsplicht van de ouder(s) in ieder geval niet kan worden aangesproken als: de ouder(s) in het buitenland woont de jongere buiten het gezin is geplaatst op grond van de Jeugdwet, of er een acute noodsituatie is waarin de jongere zelf geen verandering kan brengen. Er is dan een indicatie van een hulpverlenende organisatie nodig. 7.7.3Aanvulling alleenstaande ouder 1.Voor een alleenstaande ouder geldt dezelfde bijstandsnorm als voor een alleenstaande. In een aantal situaties is in verband met het mislopen van de alleenstaande ouderkop het verlenen van een aanvulling alleenstaande ouder aan de orde. 2.Daar is in ieder geval sprake van in de volgende gevallen: Het gaat om een echtpaar waarvan één partner niet rechtmatig in Nederland verblijft. De aanvulling alleenstaande ouder wordt niet ontvangen omdat het partnerbegrip voor het extra kindgebonden budget anders is dan voor de uitkering. Hiervan kan sprake zijn als de partner in detentie is of in het buitenland verblijft. 3.De kosten voor het levensonderhoud van de alleenstaande ouder worden gelijkgesteld met de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, artikel 21 onder a Participatiewet, aangevuld met de alleenstaande ouderkop die geldt als belanghebbende geen toeslagpartner heeft. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de alleenstaande ouder en de toepasselijke bijstandsnorm. 4.In een aantal situaties is het mogelijk bij de Belastingdienst door te geven dat er geen partner is. Het gaat dan om een echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De inwoner komt alleen in aanmerking voor de alleenstaande ouderkop als er een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed is aangevraagd. Ook moet er nog voor worden gezorgd dat de ex-partner niet op hetzelfde adres woont en ook niet voorkomt in de BRP (basisregistratie personen) en dus wordt uitgeschreven van het adres van de alleenstaande ouder. 5.De inwoner moet kijken naar de mogelijkheden die er zijn om voor de alleenstaande ouderkop in aanmerking te komen. Dit staat in de artikelen 15 en 55 van de Participatiewet. 7.7.4Woonkostentoeslag bij een huurwoning Bijzondere bijstand voor de huur is niet mogelijk, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijstand voor woonkosten heet woonkostentoeslag. Als de inwoner geen huurtoeslag krijgt omdat de huur te hoog is, kan er ook een bijzondere situatie zijn. De medewerker bespreekt met de inwoner de oorzaak van de hoge woonlasten en de mogelijkheden om goedkopere woonruimte te zoeken en te verhuizen. De woonkostentoeslag wordt als volgt berekend: Welke huurtoeslag zou de inwoner maximaal kunnen krijgen voor deze woning? Hoeveel hoger is de huur dan de maximale huurgrens voor de betreffende woning in de situatie van de inwoner? De woonkosten bestaan uit de ‘kale’ huur. Dat is de huur die voor de huurtoeslag meetelt. Daarnaast kunnen de servicekosten worden meegenomen. Het gaat om de servicekosten waarvoor huurtoeslag kan worden verstrekt. Zie ook: www.toeslagen.nl. De woonkostentoeslag wordt uitbetaald voor een afgebakende periode (in principe maximaal één jaar). De inwoner zet zich in om goedkopere woonruimte te zoeken. Voor de huur van een kamer of voor kostgeld wordt in principe geen bijzondere bijstand gegeven. Voor de huur van een woonwagen is wel bijstand mogelijk. 7.7.5Woonkostentoeslag bij een eigen woning Een inwoner met een eigen huis kan geen huurtoeslag krijgen. De medewerker bespreekt met de inwoner wat er nodig is. Wat nodig is, hangt af van de omstandigheden. Het kan betekenen dat de inwoner de woning te koop zet en andere woonruimte zoekt. De kosten van de hypotheekrente, de zakelijke lasten en een bedrag voor onderhoud (normen van het Ministerie van VROM) tellen mee voor de hoogte van de woonkosten. De gemeente houdt ook rekening met de (voorlopige) belastingteruggave. Op basis van deze woonkosten wordt de woonkostentoeslag berekend, op dezelfde manier als voor een huurwoning. Als woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens nodig is, kan deze beperkt worden tot de periode die nodig is voor de verkoop van de woning, maar in principe voor maximaal één jaar. Als de inwoner later over dezelfde periode als waarin woonkostentoeslag is gegeven een teruggave van de Belastingdienst ontvangt, bepaalt de gemeente welk bedrag moet worden terugbetaald. 7.7.6Waarborgsom, administratiekosten en eerste huur 1.Als er geen andere mogelijkheden zijn om een waarborgsom, administratiekosten en/of de eerste huur te betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand geven. 2.Het moet dan gaan om een noodzakelijke huisvesting of verhuizing. 3.De bijstand voor een waarborgsom is in principe een lening. De medewerker van de gemeente maakt afspraken met de inwoner over terugbetaling. 7.7.7Woonlasten bij tijdelijke opname in een inrichting of bij detentie 1.Tijdens opname in een inrichting lopen de woonlasten vaak door. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden gegeven als er geen andere mogelijkheden zijn. 2.Gaat het om een langere opname, dan beoordeelt de medewerker of het verstandig is om de huur op te zeggen. De richtlijn is een periode van maximaal zes maanden. 3.Tijdens detentie kan de gemeente in principe geen bijstand voor doorlopende woonlasten geven. In bijzondere situaties kan er een uitzondering worden gemaakt. 4.Belangrijk is de vraag: wat zijn de gevolgen als er geen bijstand wordt verstrekt? 5.De bijzondere bijstand kan worden verleend voor de volgende kosten: huur gas, water en elektra ter hoogte van het vastrecht televisie abonnement onroerendezaakbelasting verzekeringen, zoals inboedelverzekering 6.Voor de wettelijke rente en aflossing van een hypotheek bij een eigen woning kan geen bijzondere bijstand worden gegeven. De inwoner moet dan een regeling treffen met de hypotheekverstrekker. 7.7.8Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Deze regeling wordt uitgevoerd door de Regionale belastingsamenwerking in Deventer. Of de inwoner voor kwijtschelding in aanmerking komt, hangt af van de financiële situatie. Ook de financiële situatie van mogelijke medebewoners kan een rol spelen. Het inkomen mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm. Wanneer de inwoner vraagt om kwijtschelding, dan worden zijn inkomensgegevens vergeleken met de wettelijke normbedragen. Kwijtschelding kan worden aangevraagd voor: Rioolheffing Afvalstoffenheffing De inwoner krijgt geen kwijtschelding voor het aanbieden van afvalzakken. Dit betekent dat de inwoner de kosten van deze aanbiedingen, ook wel ledigingen genoemd, zelf moet betalen. Als de inwoner hiervoor in aanmerking komt, ontvangt hij nog wel kwijtschelding over het basistarief. Kwijtschelding kan aangevraagd via het aanvraagformulier van de gemeente.1Zie: www.olst-wijhe.nl/kwijtschelding De inwoner krijgt geen kwijtschelding als hij voldoende inkomen heeft. Ook krijgt hij geen kwijtschelding als hij vermogen heeft. De wetgever gaat er dan vanuit dat hij de aanslag dan kan betalen. Bovendien krijgt de inwoner ook geen kwijtschelding als hij een eigen bedrijf heeft of als zelfstandige werkt. Als de inwoner niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, maar de gemeentelijke belastingen niet in een keer kan betalen, kan een betalingsregeling worden afgesproken. 7.7.9Individuele Inkomenstoeslag 1.De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die: in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm; geen goede financiële buffer heeft; en geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen. 2.Bij een korte onderbreking van de periode van 36 maanden raakt de inwoner zijn recht op inkomenstoeslag niet kwijt. De gemeente bedoelt met een korte onderbreking een periode van maximaal één keer één maand. 3.De hoogte van de toeslag is opgenomen in het financieel besluit. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. 4.De gemeente Olst-Wijhe gaat ervan uit dat studenten (op de peildatum en tijdens de voorafgaande periode van 36 maanden) uitzicht hebben op een stijging van het inkomen na afloop van de studie. De inkomenstoeslag is er daarom niet voor hen. 5.Als er in de laatste 12 maanden sprake is geweest van het verwijtbaar niet nakomen van arbeids- en/of re-integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel van 20% of meer is opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Er was uitzicht op inkomensverbetering, maar door eigen toedoen is dit teniet gedaan. Gedragingen waarvoor een maatregel is opgelegd van minder dan 20% staan de inkomenstoeslag niet in de weg. 6.De inwoner vraagt de inkomenstoeslag per kalenderjaar aan via een aanvraagformulier van de gemeente. De gemeente beoordeelt of de inwoner op de aanvraagdatum aan de voorwaarden heeft voldaan. De individuele inkomenstoeslag geldt niet als een voorliggende voorziening voor de bijzondere bijstand. 7.8Medische kosten Voor medische kosten kan vaak een beroep worden gedaan op de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Met ‘medisch’ bedoelen we ook: psychosociaal. Het is in principe niet nodig om voor medische kosten bijzondere bijstand te geven. Toch kan bijzondere bijstand soms noodzakelijk zijn omdat de genoemde regelingen de kosten niet (voldoende) vergoeden. Collectieve zorgverzekering Om de kosten van een zorgverzekering te beperken, is er een collectieve zorgverzekering met Salland Verzekeringen (Eno) afgesproken (zie bij artikel 7.8.1). De inwoner is niet verplicht om daaraan mee te doen. Dat is een eigen keus. Aanvullende bijstand mogelijk? Voor overblijvende medische kosten kan de gemeente bijzondere bijstand geven zolang het gaat om kosten die noodzakelijk zijn. Kosten die in elk geval noodzakelijk zijn en waarvoor de wetgever eigen bijdragen vaststelde zijn onder andere: hulpmiddelen, zoals verbandschoenen, steunzolen, orthopedisch schoeisel medisch noodzakelijke behandeling door een pedicure/manicure zittend ziekenvervoer de wettelijke eigen bijdrage voor eerstelijns psychologische zorg De bijzondere bijstand is dan gelijk aan de wettelijke eigen bijdrage. Voor medicijnen geldt dat eigen bijdragen voor rekening van de inwoner blijven als ook een goedkoper geneesmiddel gebruikt kan worden en er geen dringende medische noodzaak voor het duurdere middel is. Voor medische kosten die niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zijn opgenomen, gaat de gemeente ervan uit dat deze niet noodzakelijk zijn of zo algemeen gebruikelijk zijn dat ze voor rekening van de inwoner blijven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de huisapotheek. In bijzondere situaties kan de gemeente anders besluiten op basis van een medische indicatie. Voor brillen/contactlenzen en tandartskosten is bijzondere bijstand mogelijk als de kosten noodzakelijk zijn. Per situatie beoordeelt de gemeente dit. Voor bepaalde medische kosten is in het basispakket een maximumaantal behandelingen of een maximale vergoeding vastgesteld. Voor extra kosten geeft de gemeente in principe geen bijstand. Voor sommige kosten geldt dat de eigen bijdrage ook wordt opgelegd omdat de inwoner geld bespaart. Dat is bijvoorbeeld zo voor orthopedisch schoeisel. Dan kan geen bijstand worden verleend voor het deel dat de inwoner bespaart. De Nibud-prijzengids geeft daarvoor geschikte normen. Er kan in geen geval bijzondere bijstand worden gegeven voor de kosten van medische handelingen en verrichtingen die vallen onder de ontwikkelingsgeneeskunde of voor medische handelingen en verrichtingen die in het buitenland plaatsvinden. Medisch advies Uitgangspunt is dat alle kosten die onder de basisverzekering vallen en volledig of deels worden vergoed als medisch noodzakelijke kosten worden beschouwd. Daarnaast wordt er bij onderstaande medisch kosten van uitgegaan dat deze kosten medisch noodzakelijk zijn, maar toch om budgettaire redenen niet of niet volledig worden vergoed. Dit staat ook in de Zorgverzekeringswet. brillen en contactlenzen tandheelkundige hulp voor volwassenen eigen bijdrage voor de uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- en/of onderkaak/(kunstgebit) de kosten van de eerste vijf behandelingen fysiotherapie en oefentherapie eigen bijdrage voor een pruik eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel eigen bijdrage voor kraamzorg eigen bijdrage voor ziekenvervoer Voor de andere medische kosten wordt op basis van een op te vragen medisch advies bepaald of de kosten medisch noodzakelijk zijn. Als dit niet het geval is, dan worden de kosten niet vergoed vanuit de bijzondere bijstand. 7.8.1Collectieve zorgverzekering 1.De gemeente heeft een collectieve zorgverzekering (CZV) bij zorgverzekeraar Salland Verzekeringen afgesloten. 2.De CZV is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen. Het inkomen is in ieder geval laag als het onder de 130% van de bijstandsnorm blijft. 3.De gemeente beoordeelt niet of er een eigen huis of schulden zijn. 4.Kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd. 5.Er is geen medische (toegangs)toets. 6.Wanbetalers kunnen de CSV niet afsluiten. Dat zijn verzekerden die zes maanden de premie niet betalen. 7.Inwoners die bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn, moeten overstappen naar Salland verzekeringen om mee te kunnen doen. Ze moeten dan voor 1 januari van het volgende jaar een aanvraag voor de CZV indienen. Dat is alleen mogelijk in de periode van half november tot 1 januari. Deelname aan de CZV gaat dan in op 1 januari. 8.Inwoners moeten wijzigingen in de gezins- en woonsituatie doorgeven aan Salland verzekeringen en de gemeente. 9.Wijzigingen in het inkomen, waardoor de inwoner boven de genoemde inkomensgrens komen, moet hij doorgeven aan de gemeente. 10.Een inkomen boven de inkomensgrens, vermogen boven de vermogensgrens of een verhuizing naar een andere gemeente in Nederland betekent niet meteen het einde van de verzekering. De verzekering blijft doorlopen in het kalenderjaar, tenzij de inwoner aangeeft dat die eerder beëindigd kan worden. 11.De inwoner meldt zich aan via de site Gezond Verzekerd (www.gezondverzekerd.nl ). De gemeente beoordeelt of de inwoner in aanmerking komt voor deelname aan de gemeentepolis. 7.8.2Premie aanvullende ziektekostenverzekering 1.Er kan een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering worden gegeven. Het gaat om een inwoner die: Geen goede financiële buffer heeft en Moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm 2.Bij een inkomen hoger dan 110% van de bijstandsnorm wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen 3.Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar. 4.Bij inwoners die een collectieve ziektekostenverzekering hebben afgesloten wordt de bijdrage maandelijks als premiekorting verrekend. 5.Als de inwoner niet het hele jaar recht heeft op bijzondere bijstand wordt het bedrag naar een bijdrage per maand omgerekend. 6.De hoogte van de bedragen staat in het financieel besluit. 7.8.3Eigen risico zorgverzekering 1.Er kan een bijdrage worden gegeven voor het verplichte eigen risico als het eigen risico volledig is opgebruikt. Het gaat om een inwoner die: geen goede financiële buffer heeft en moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm. 2.Bij een inkomen hoger dan 110% wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen. 3.De hoogte van de bijdrage staat in het financieel besluit. 4.Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar of binnen drie maanden na ontvangst van het bericht dat het volledige eigen risico is opgebruikt. 7.8.4Brillen en/of contactlenzen Voor medische kosten die niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zijn opgenomen, gaat de gemeente ervan uit dat deze niet noodzakelijk zijn of zo algemeen gebruikelijk zijn dat ze voor rekening van de inwoner blijven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij brillen en contactlenzen. In bijzondere situaties kan de gemeente anders besluiten op basis van een medische indicatie. Bij de vergoeding wordt aangesloten bij de collectieve aanvullende verzekering (Salland Plus). De hoogte van de vergoeding staat in het financieel besluit. Als de inwoner geen (collectieve) aanvullende verzekering heeft, kan de inwoner een vergoeding voor een bril krijgen. Het gaat om één bril (of contactlenzen) per twee kalenderjaren. Alleen als de sterkte van de glazen met minimaal +1 of -1 is veranderd kan de inwoner eerder bijzondere bijstand voor de glazen aanvragen. Als de inwoner door medische klachten een dure bril nodig heeft, dan is een verklaring van de oogarts nodig. Er moeten dan brillenglazen of contactlenzen nodig zijn met een sterkte van +8 of -
  8. De maximale hoogte van deze vergoeding, genoemd in lid 4, is vastgelegd in het financieel besluit. 7.8.5Hoortoestellen 1.De kosten van hoorapparaten worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Hierbij geldt een wettelijke eigen bijdrage van 25%. Voor deze eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden gegeven. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de vergoeding die geldt bij de collectieve aanvullende verzekering van Salland plus. 3.Hierbij houdt de gemeente rekening met de vergoeding die de inwoner van zijn eigen verzekeraar ontvangt. 7.8.6Andere kosten als gevolg van ziekte of handicap 1.Voor kosten die raakvlakken hebben met medische kosten kan de gemeente bijstand geven als de medische of sociale noodzaak is vastgesteld en de kosten niet op een andere manier kunnen worden vergoed. 2.Het gaat bijvoorbeeld om de kosten van batterijen van gehoortoestellen, kosten van extra slijtage en bewassing van beddengoed en kleding, extra stookkosten als gevolg van chronische ziekte of handicap. Om te bepalen hoeveel hoger de stookkosten zijn, gaat de gemeente uit van de vuistregel dat elke graad verhoging van de temperatuur een extra verbruik met zich meebrengt van 7%. 3.Voor al deze kosten geldt dat de gemeente de extra kosten alleen kan vergoeden via de bijzondere bijstand. Om te bepalen hoe hoog die extra kosten zijn, maakt de gemeente gebruik van het financieel Besluit of de laatste Nibud-prijzengids. 4.Sommige kosten zijn ook aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Met die (mogelijke) aftrekbaarheid houdt de gemeente geen rekening. 7.8.7Bevalling en kraamhulp 1.De kosten van bevalling en kraamhulp worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Voor de wettelijke eigen bijdrage voor kraamhulp kan bijzondere bijstand worden gegeven. 2.Hierbij wordt rekening gehouden met de vergoeding die de inwoner vanuit de (collectieve) aanvullende ziektekostenverzekering ontvangt. 7.8.8Persoonlijke alarmering 1.Als er een medische noodzaak is voor een persoonlijk alarm, dan vergoedt de basisverzekering de aanschafkosten. Is er een sociale noodzaak, dan geeft de gemeente op basis van de Wmo subsidie aan de organisatie die de alarmering verzorgd. In een aantal gevallen kan de aanvullende ziektekostenverzekering een vergoeding geven. Voor de kosten die voor eigen rekening komen, kan bijzondere bijstand worden gegeven. De gemeente gaat dan uit van de goedkoopste voorziening die nodig is. 2.Voor vergoeding komt in aanmerking; de huur- en aansluitkosten de service- en/of abonnementskosten (alarmopvolging) huur sleutelkluisje 3.Voor mensen die in een zorginstelling wonen, wordt alleen de bijdrage voor de kosten van alarmering vergoed. De overige kosten die de verzorgingshuizen in rekening brengen voor een zorgabonnement, komen niet voor de vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking. 7.8.9Maaltijdvoorziening 1.Als men (tijdelijk) niet in staat is om warm eten voor zichzelf te maken of te laten maken, kan de inwoner gebruikmaken van een maaltijdvoorziening waarbij het eten aan huis of het restaurant in de woonvoorziening wordt bezorgd. Omdat deze service duurder is dan zelf koken, kan bijzondere bijstand worden gegeven. 2.Of dit nodig is, wordt vastgesteld door een indicatie van het toegangsteam Wmo, de (thuis)zorgorganisatie of de medewerker van de gemeente. 3.Maaltijden die gekocht worden bij een supermarkt, door afhaal- of brengservice, traiteur of een slagerij komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 4.De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in het financieel besluit. 7.8.10Tandartskosten 1.Bijzondere bijstand voor tandartskosten is in de regel niet mogelijk. De inwoner kan voor deze kosten een (aanvullende) ziektekostenverzekering afsluiten. 2.Als hiervan wordt afgeweken kan voor de kosten van een consult maximaal 100% worden vergoed en voor de behandelkosten maximaal 75% tot een maximumbedrag dat is opgenomen in het financieel besluit. De vergoeding van de afgesloten (collectieve) aanvullende ziektekostenverzekering wordt hiervan afgehaald. 3.Alleen bij zeer bijzondere omstandigheden (denk aan ernstige medische complicaties) kan de gemeente overwegen om een hogere vergoeding te geven in de vorm van leenbijstand. De gemeente vraagt dan medisch advies. Denk hierbij aan de mogelijkheid om behandelingen te spreiden over meerdere jaren. 4.Voor de kosten van orthodontie is geen vergoeding mogelijk; voor personen jonger dan 18 jaar is de vergoeding opgenomen in de ziektekostenverzekering. Voor personen ouder dan 18 jaar is er bewust voor gekozen deze kosten niet in de ziektekostenverzekering op te nemen. Hiervoor kan dan ook geen bijzondere bijstand worden verstrekt. 7.8.11Gebitsprothese 1.De aanschafkosten van een kunstgebit of reparatiekosten van een kunstgebit worden vergoed door de zorgverzekeraar. Na goedkeuring worden de kosten van een kunstgebit (inclusief de techniekkosten) voor 75% vergoed uit de basisverzekering tot een bepaald maximumbedrag. De hoogte van het bedrag is ervan afhankelijk of de tandarts of een tandprotheticus de gebitsprothese verzorgt. Daarnaast wordt een vergoeding gegeven vanuit de aanvullende verzekering. De overgebleven eigen bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. 2.Een medisch advies is niet nodig als het gaat om een prothese die eenmaal per vijf jaar wordt vervangen. 3.Als de inwoner niet aanvullend is verzekerd, wordt rekening gehouden met de vergoeding uit de laagste verzekering. 7.8.12Fysiotherapie 1.Voor fysiotherapie en vergelijkbare therapieën, zoals manuele therapie en oefentherapie, is de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening. De basisverzekering vergoedt de eerste twintig behandelingen niet (per indicatie). Hiervoor kan een aanvullende verzekering worden afgesloten. 2.Wanneer de inwoner geen aanvullende verzekering heeft kunnen vanuit de bijzondere bijstand maximaal zes behandelingen per jaar worden vergoed. Het moet hierbij gaan om (chronische) aandoeningen die staan op een door de minister vastgestelde lijst (Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering). Alleen bij zeer dringende redenen kan hiervan worden afgeweken. 3.Voor de inwoner die ergens anders aanvullend verzekerd is, worden maximaal 20 behandelingen per jaar vergoed. Hierbij wordt rekening gehouden met de vergoeding die de inwoner ontvangt op basis van de (aanvullende) ziektekostenverzekering. 7.8.13Eigen bijdrage Wmo 1.Voor ondersteuning vanuit de Wmo wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden gegeven waarbij rekening wordt gehouden met de eigen financiële draagkracht. 2.Ook voor de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg (voor thuiswonenden) of jeugdhulp kan een eigen bijdrage worden gerekend. De eigen bijdrage wordt in een aantal gevallen inkomensafhankelijk berekend. Ook deze bijdragen komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. 3.Soms is het inkomen te hoog ingeschat. Er moet dan eerst worden gevraagd de bijdrage opnieuw te berekenen op basis van de werkelijke situatie. 7.9Kosten van maatschappelijke aard 7.9.1Bewindvoeringskosten Soms heeft iemand een bewindvoerder, curator of mentor nodig. Een bewindvoerder kan nodig zijn als de inwoner probleemschulden heeft of niet goed in staat is zijn financiële huishouding zelf te voeren. De gemeente zet zich ervoor in dat deze inwoners goed worden ondersteund, bijvoorbeeld met budgetbeheer en/of schulddienstverlening. Dit wordt uitgevoerd door het Budget Advies Bureau Deventer (BAD). Als de rechter beschermingsbewind, curatele of mentorschap oplegt, dan zijn de kosten die daaraan zijn verbonden noodzakelijk. Voor deze kosten is bijzondere bijstand mogelijk. Het bedrag dat maximaal kan worden gegeven, wordt berekend volgens de Regeling curatoren, bewindvoerders en mentoren2Zie http://wetten.overheid.nl/BWBR0035730/2016-10-01, tenzij de rechter in zijn beschikking iets anders aangeeft. De bijstand duurt in principe een jaar en kan dan opnieuw worden aangevraagd. 7.9.2Schulden 1.Er mag geen bijzondere bijstand worden gegeven voor schulden (artikel 13 lid 1 sub g PW). Wanneer is er sprake van bijstand voor schulden? De inwoner vraagt bijstand voor aflossing van de schulden. De inwoner heeft vóór de dag van de aanvraag kosten gemaakt, maar deze nog niet betaald. De inwoner heeft vóór de dag van de aanvraag kosten gemaakt en deze zijn door een ander betaald. Als de verplichting tot terugbetaling voldoende is aangetoond, is er een schuld (anders een gift). 2.De wet noemt twee situaties waarin alsnog bijstand voor schulden kan worden gegeven. Er kan bijzondere bijstand worden gegeven in de vorm van borgtocht als de inwoner alleen een lening voor de sanering van schulden kan krijgen als er iemand (de gemeente bijvoorbeeld) borg staat. De tweede situatie is dat er zeer dringende redenen bestaan om toch bijstand te geven en borgtocht geen oplossing biedt. 7.9.3Bijstand bij borgtocht Het sociaal minimum is een gegarandeerd bestaansminimum door het vangnet van de bijstand. Dat betekent dat in principe iedereen kan beschikken over voldoende inkomen om de dagelijkse bestaanskosten te kunnen betalen en het maken van schulden niet nodig is. Iedereen is zelf verantwoordelijk voor het aflossen van zijn schulden. Lukt dit niet, dan kan de inwoner een lening voor het saneren van de schulden aanvragen. Wordt het verzoek om deze lening afgewezen omdat de inwoner onvoldoende mogelijkheden heeft om de lening terug te betalen, dan kan er bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht worden gegeven om de schuldsanering alsnog door te laten gaan. De schuldsanering wordt uitgevoerd door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Als de lening voor het saneren van de schulden niet mogelijk is, kan - als er sprake is van zeer dringende redenen - bijstand in de vorm van een geldlening of een bedrag ‘om niet’ worden gegeven. De aanwezigheid van deze dringende redenen wordt per situatie bekeken. 7.9.4Rechtsbijstand Als de inwoner een juridische procedure wil starten, dan betaalt hij daarvoor proceskosten en de kosten van de advocaat. Hij moet altijd eerst telefonisch contact opnemen met het Juridisch Loket voor advies. Het juridisch loket verwijst zo nodig door naar een mediator of advocaat en geeft bij de verwijzing een diagnosedocument mee. Hierin staan het probleem en het advies van het Juridisch Loket beschreven. Het diagnosedocument geeft een korting op de eigen bijdrage voor rechtshulp. Krijgt de inwoner een mediator of advocaat toegevoegd, dan kan voor de eigen bijdrage bijzondere bijstand worden gegeven. De eigen bijdrage (min de korting van het juridisch loket) kan volledig worden vergoed. Heeft de inwoner een advocaat die niet door de Raad voor de rechtsbijstand is toegevoegd, dan blijven de kosten in principe voor eigen rekening. 7.9.5Reiskosten 1.Kosten voor vervoer moet de inwoner in principe zelf betalen als het gaat om privé-activiteiten of om werk. Dat kan anders liggen als het gaat om noodzakelijke reiskosten naar een bestemming buiten de gemeente Olst-Wijhe (maar binnen Nederland). 2.Denk daarbij aan reiskosten: van en naar een ziekenhuis, een revalidatie- of andere (medische) instelling voor bezoek aan een familielid of dierbare voor bezoek aan een familielid of dierbare die in een gevangenis zit van en naar school die niet door een voorliggende voorziening worden vergoed. Dit voor zover de soort opleiding niet binnen een in onze gemeente algemeen gebruikelijke vervoersafstand (school staat in Deventer, Raalte of Zwolle) gevolgd kan worden. De enkele reisafstand bedraagt ten minste 20 kilometer naar de begrafenis van een familielid of dierbare voor vervoer van en naar een (medische) instelling en vervoer voor weekendverlof voor vervoer vanuit een gevangenis. 3.Als er geen andere voorziening in de kosten is en de inwoner geen andere (gratis) oplossingen kan vinden voor het vervoer (carpoolen, beroep op vrienden en familie) kan de gemeente bijstand geven. 4.Als de inwoner geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, kan de gemeente de kosten voor het gebruik van de auto vergoeden voor het bedrag dat is opgenomen in het financieel besluit. 5.In overleg met de inwoner bepaalt de medewerker van de gemeente hoe vaak een bezoek moet worden gebracht. Vuistregel is dat hoe inniger de relatie, hoe vaker de reis noodzakelijk is. 6.Voor een aantal van de hierboven genoemde kosten is de maximale vergoeding opgenomen in het financieel Besluit. 7.9.6Computerregeling 1.Er kan bijzondere bijstand worden aangevraagd voor een computer, laptop of tablet. 2.In de aanvraag mogen ook een beeldscherm, toetsenbord, muis en printer inclusief geïnstalleerde software, officepakket, eventuele installatiekosten en meegeleverde extra inktpatronen worden meegenomen. Andere (meer)kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. 3.De computerregeling is voor inwoners die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een netto-inkomen hebben gehad tot en met 110% van de geldende bijstandsnorm en die in deze periode van drie jaar ook geen financiële buffer hebben gehad. Bij een korte onderbreking beoordeelt de gemeente of de inwoner alsnog voor deze regeling in aanmerking kan komen. 4.Er wordt uitgegaan van een levensd

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.