Beleidsregels jeugdhulpWettelijke basis: bepalingen van Jeugdwet (artikel 8.1.1, tweede lid, onder c), Verordening jeugdhulp (artikelen 2, 6 en 9) en de Algemene wet bestuursrecht. Burgemeester en wethouders van Haaksbergen Besluiten: Vast te stellen de Beleidsregels jeugdhulp Artikel1Begripsbepalingen Deze beleidsregels verstaan onder: ADL: algemeen dagelijkse levensverrichtingen; ambulante spoedhulp: een kortdurende, intensieve, activerende hulpverleningsvorm waarbij hulp in de woonsituatie wordt ingezet bij crisis en spoedeisende situaties in de opvoedingssituatie van de jeugdige. Deze voorziening maakt onderdeel uit van ondersteuningsbehoefte 3; BIG-geregistreerd: register van alle zorgverleners in Nederland. Zorgverleners zijn apothekers, artsen, fysiotherapeuten, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, tandartsen, verloskundigen en verpleegkundigen. De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) regelt de zorgverlening door beroepsbeoefenaren. Alleen wie in het register is ingeschreven, mag de door de wet beschermde titel voeren; iJw: iJw is een informatiestandaard die inzicht geeft in de gegevensstromen tussen gemeenten en zorgaanbieders binnen de Jeugdwet. kinderen: jeugdigen als bedoeld in de Jeugdwet; ondersteuningsbehoefte 1: ondersteuningsbehoefte 1 geeft ondersteuning bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij de jeugdige in staat zijn om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren; ondersteuningsbehoefte 2: ondersteuningsbehoefte 2 geeft ondersteuning aan de jeugdige bij het voeren van de regie over en/of uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden; ondersteuningsbehoefte 3: ondersteuningsbehoefte 3 geeft specialistische/therapeutische ondersteuning aan de jeugdige bij het aanleren van nieuwe vaardigheden die betrekking hebben op het (psychosociaal) functioneren en bijdragen aan gedragsverandering; ondersteuningsbehoefte 4: ondersteuningsbehoefte 4 geeft ondersteuning aan de jeugdige voor de aanpak van een aandoening of stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden waarbij er tenminste één op één contact nodig is met een specialistische behandelaar; ondersteuningsplan: het door het college opgestelde plan waarin de hulpvraag van de jeugdige en/of gezinsleden, de te behalen resultaten, de bijbehorende acties en uitvoeringstermijnen, de namen en de contactgegevens van alle mensen die zijn betrokken en (indien van toepassing) het veiligheidsplan zijn opgenomen; vervoer van en naar de jeugdhulplocatie: een voorziening waarbij een jeugdige vervoerd wordt van zijn woning naar de locatie waar één van de vormen ondersteuningsbehoefte wordt aangeboden en omgekeerd. De jeugdige heeft geen vrijheid in het bepalen van de bestemming van het vervoer; verordening: de Verordening jeugdhulp; wonen en verblijf: een module die aanvullend kan worden ingezet wanneer er bij de jeugdige naast de ondersteuningsbehoefte ook behoefte is aan een woon- of verblijfsomgeving; Artikel2Overige voorzieningen (artikel 2, derde lid, van de verordening) De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar en hieronder wordt verstaan: informatie- en opvoedadvies: instellingen waaronder LOES, de jeugdgezondheidszorg, het maatschappelijk werk en het welzijnswerk die informatie en adviezen geven over het opvoeden en opgroeien van jeugdigen; preventieve opvoed- en opgroeiondersteuning individueel: instellingen waaronder LOES, de jeugdgezondheidszorg, het maatschappelijk werk, het welzijnswerk en vrijwilligersorganisaties die cursussen en trainingen geven aan individuele jeugdigen over het opvoeden en opgroeien van jeugdigen specifiek gericht op preventie; preventieve opvoed- en opgroeiondersteuning groepsgewijs: instellingen waaronder LOES, de jeugdgezondheidszorg, het maatschappelijk werk, het welzijnswerk en vrijwilligersorganisaties die cursussen en trainingen geven aan groepen jeugdigen en/of ouders over het opvoeden en opgroeien van jeugdigen specifiek gericht op preventie; kortdurende ondersteuning: instellingen waaronder LOES, de jeugdgezondheidszorg, het maatschappelijk werk, het welzijnswerk en vrijwilligersorganisaties die gedurende een korte periode ondersteuning geven in of gericht op het gezin. Artikel3Uitwerking individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 1 1.De individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 1 heeft als doel om de zelfredzaamheid van de jeugdige te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. 2.Binnen de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 1 zijn drie niveaus te onderscheiden, namelijk niveau A, niveau B en niveau C. 3.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau A vallen: er is geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context; de jeugdige en/of het cliëntsysteem kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is gering; de jeugdige heeft voldoende inzicht, kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de jeugdige is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. 4.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau B vallen: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is aanwezig maar niet groot; de jeugdige kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de jeugdige voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. 5.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau C vallen: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de jeugdige is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar; voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de jeugdige kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de jeugdige is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 6.Het college kent de maatwerkvoorziening ondersteuningsbehoefte 1 groepsgericht en/of individueel toe. Artikel4Uitwerking individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 2 1.De individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 2 heeft als doel om de zelfredzaamheid van de jeugdige te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. 2.Binnen de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 2 zijn drie niveaus te onderscheiden, namelijk niveau A, niveau B en niveau C. 3.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau A vallen: er is geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context; de jeugdige kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de jeugdige heeft voldoende inzicht, kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de jeugdige is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. 4.Kenmerken van jeugdigen die onder niveau B vallen: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de jeugdige kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de jeugdige voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. 5.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau C vallen: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de jeugdige is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar; voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de jeugdige kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de jeugdige is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 6.Het college kent de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 2 groepsgericht en/of individueel toe. Artikel5Uitwerking individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 3 1.De individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 3 heeft als doel dat de jeugdige een haalbaar niveau van zelfredzaamheid bereikt. Het gedrag van de jeugdige is passend bij de ontwikkelmogelijkheden en helpt de jeugdige om adequaat te functioneren op de relevante leefgebieden, zoals passende interactie met zijn/haar directe omgeving, positief opvoedklimaat scheppen, of creëren van een veilige leefomgeving. De ondersteuning is gericht op het aanleren en oefenen van nieuwe (inter)persoonlijke vaardigheden in het dagelijks functioneren. 2.Binnen de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 3 zijn drie niveaus te onderscheiden, namelijk niveau A, niveau B en niveau C. 3.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau A vallen: er is geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context; de jeugdige en/of het cliëntsysteem kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de jeugdige heeft voldoende inzicht, kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. 4.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau B vallen: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de jeugdige of het gezinssysteem kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de jeugdige en/ of/het gezinssysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. 5.Specifiek voor ondersteuningsbehoefte 3 niveau B geldt dat er altijd een specialistisch behandelaar betrokken is. Onder betrokken wordt verstaan dat de jeugdhulpverlener afstemt met een specialistisch behandelaar over de in te zetten methode van de specialistische/therapeutische ondersteuning. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: psychiater; klinisch psycholoog; klinisch neuropsycholoog; psychotherapeut; verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel specialistisch behandelaar binnen de verslavingszorg); verpleegkundig specialist Geestelijke Gezondheidszorg; GZ-psycholoog; VG arts; Orthopedagoog-generalist NVO; kinder- en jeugdpsycholoog NIP; medisch specialist; gedragswetenschapper (basis orthopedagoog, ontwikkelpsycholoog). 6.Kenmerken van jeugdigen/systemen die onder niveau C vallen: er is sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de jeugdige of het gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar; voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de jeugdige of het gezinssysteem kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 7.Specifiek voor ondersteuningsbehoefte 3 niveau C geldt dat er altijd een specialistisch behandelaar eindverantwoordelijk is. Onder eindverantwoordelijk wordt verstaan dat er altijd 1 op 1 contact is geweest tussen specialistisch behandelaar en jeugdige en de specialistisch behandelaar eindverantwoordelijk is voor de specialistische/therapeutische ondersteuning. Er mogen medebehandelaren/jeugdhulpverleners worden ingezet, maar deze werken altijd onder eindverantwoordelijkheid van de specialistisch behandelaar. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: psychiater; klinisch psycholoog; klinisch neuropsycholoog; psychotherapeut; verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel specialistisch behandelaar binnen de verslavingszorg); verpleegkundig specialist GGZ; GZ-psycholoog; VG arts; Orthopedagoog-generalist NVO; kinder- en jeugdpsycholoog NIP; medisch specialist. 8.Het college kent de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 3 niveau C groepsgericht en/of individueel toe. 9.Het college kent de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 3 niveau A en niveau B individueel toe. Artikel6Uitwerking individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 4 1.De individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 4 heeft als doel dat de behandeling bijdraagt aan (inter)persoonlijke vaardigheden zoals beschreven bij ondersteuningsbehoefte 3. Onder de behandeling valt ook diagnostiek gericht op het in kaart brengen van mogelijkheden en beperkende factoren binnen een ziektebeeld en/of behandeling (procesdiagnostiek) gericht op ontwikkelen van inzichten in eigen handelen en/of nieuwe vaardigheden. Mogelijk vormt medicatiecontrole onderdeel van de ondersteuning die geboden wordt, mits het betreft controle van medicatiegebruik door een kinderpsychiater of een consult in verband met de medicatie. 2.Binnen de individuele voorziening ondersteuningsbehoefte 4 zijn drie niveaus te onderscheiden, namelijk niveau A, niveau B en niveau C. 3.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau A vallen: er is geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context; de jeugdige en/of het cliëntsysteem kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de jeugdige heeft voldoende inzicht, kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. 4.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau B vallen: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de jeugdige of het gezinssysteem kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de jeugdige of het gezinssysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. 5.Kenmerken van jeugdigen/situaties die onder niveau C vallen: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de jeugdige of het gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar; voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de jeugdige of het gezinssysteem kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. 6.Voor ondersteuningsbehoefte 4 geldt dat een specialistische behandelaar eindverantwoordelijk is. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: psychiater; klinisch psycholoog; klinisch neuropsycholoog; psychotherapeut; verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel regiebehandelaar binnen de verslavingszorg); verpleegkundig specialist GGZ; GZ-psycholoog; VG arts; orthopedagoog-generalist NVO; kinder- en jeugdpsycholoog NIP; medisch specialist. Artikel7Uitwerking individuele voorziening ambulante spoedhulp (artikel 2, derde lid, van de verordening) 1.Bij het bieden van ambulante spoedhulp gaat het om de ondersteuning zoals deze geboden kan worden binnen ondersteuningsbehoefte 3 niveau B en ondersteuningsbehoefte 3 niveau C. Kenmerkend hiervoor is dat aanbieders binnen 24 uur en dag en nacht de ondersteuning kunnen starten en geven aan de jeugdige. Ook zijn de betreffende jeugdhulpprofessionals deskundig in spoedhulpverlening. 2.Voor ambulante spoedhulp geldt een maximum duur van vier weken. 3.Bij inzetten van de individuele voorziening ambulante spoedhulp is de werkwijze als volgt: na het verzoek van het college aan het Coördinatiepunt Spoedhulp (CPSH) voor het starten van ambulante spoedhulp, start de aanbieder binnen 24 uur de ambulante spoedhulp; de aanbieder van ambulante spoedhulp neemt op de eerste werkdag na het oppakken van de casus binnen kantoortijd contact op met het college om af te stemmen over de duur en intensiteit van de ambulante spoedhulp; de aanbieder meldt met een aanvraag zorgtoewijzing (iJw) bij het college dat zij ambulante spoedhulp inzet op verzoek van Veilig Thuis Twente of het college; binnen vier weken draagt de aanbieder in afstemming met de jeugdige zorg voor de evaluatie en advies over eventuele vervolgondersteuning aan het college. 4.Met het inzetten van de individuele voorziening ambulante spoedhulp worden de volgende resultaten bereikt: veiligheid en basisroutines (eten, slapen, naar school/werk gaan) van de jeugdige zijn voldoende hersteld en er is gewerkt aan urgente korte termijn doelen en indien van toepassing wordt er een veiligheidsplan gevolgd of opgesteld; de problematiek, risicofactoren, krachten/kansen en wensen en verwachtingen van de jeugdgie zijn verkend en geordend; samen met de jeugdige is vastgesteld wat er aan de hand is en wat er nog nodig is, dit vindt plaats middels formulering van een advies aan het college; waar vervolghulp gewenst/nodig is vindt een zorgvuldige overdracht plaats. Artikel8Uitwerking individuele voorziening Ernstige Enkelvoudige Dyslexie 1.Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (hierna: EED) is een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau, die aanhoudt ondanks goed onderwijs en extra ondersteuning vanuit het passend onderwijs. Deze jeugdigen zouden zich zonder specialistische jeugdhulp niet kunnen ontwikkelen conform hun intelligentie. Enkelvoudig betekent dat de jeugdige naast Dyslexie geen ggz-stoornis, beperking of andere taal-of leerstoornissen heeft die belemmerend zijn voor dyslexieonderzoek en/of -behandeling (co-morbiditeit). Deze voorziening maakt onderdeel uit van ondersteuningsbehoefte 4. 2.Alvorens het college EED inzet, sluit het college eerst uit dat de lees- en/of spellingproblemen een andere oorzaak hebben, zoals slechte ogen, slecht taalonderwijs of een zeer laag IQ. 3.Het college verleent EED-zorg aan jeugdigen in het basisonderwijs van 7 tot 13 jaar. Het onderzoek start voordat de leerling 13 jaar wordt en kan alleen plaatsvinden als de leerling nog op de basisschool zit. 4.Voor de behandeling van EED begint, worden afspraken gemaakt tussen de wettelijk vertegenwoordigers (ouders/verzorgers), de school en de jeugdhulpaanbieder. Het gezamenlijke doel van de onderwijsondersteuning, de behandeling en de leesondersteuning door de wettelijk vertegenwoordigers, is het halen van een functioneel niveau van technisch lezen. Minimaal leesniveau E6 is noodzakelijk om in het Voortgezet Onderwijs mee te kunnen komen. De 'best practice behandeling' waarmee dit doel bereikt moet worden, gaat uit van het specifieke taalverwerkingsprobleem. Het richt zich op lezen én spellen en gekoppelde verwerking van spraakklanken en letters/woorden. De behandeling bestaat uit inhoudelijke modules, die systematisch op elkaar voortbouwen met aandacht voor individuele kind kenmerken. 5.Het college biedt jeugdigen met EED zodanige dyslexiezorg die zij nodig hebben zodat zij met een zo optimaal mogelijk resultaat hun schoolloopbaan kunnen doorlopen. Het college stemt de dyslexiezorg af op de individuele ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en houdt rekening met omgevingsfactoren waarin de jeugdige opgroeit. Bovendien gaat het college ervan uit dat de aanbieder optimaal aansluit bij het onderwijsproces (inhoud en proces). 6.Het college hanteert daarnaast de volgende aanvullende kwaliteitseisen: de behandeling van dyslexie bestaat uit maximaal 70 uur voor het behandeltraject conform "Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling (PDD&B)", NKD 2013; de behandeling wordt pas ingezet als de begeleiding vanuit het onderwijs (ondersteuningsniveau 1 t/m 3) aantoonbaar tot onvoldoende resultaat heeft geleid. Pas dan is er mogelijk sprake van EED en kunnen onderzoek en behandeling gewenst zijn. De EED ondersteuning is aanvullend op de onderwijsondersteuning die gelijktijdig blijft plaatsvinden; aanbieder is aangesloten bij het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (NKD) en handelt in overeenstemming met de meest recente richtlijnen en protocollen van dit instituut en voldoet aan de kwaliteitseisen die door het NKD zijn gesteld op de volgende gebieden: kwaliteitseisen voor een dyslexie behandelaar; eisen met betrekking tot de kwaliteit van de diagnose en de behandeling; kwaliteitseisen ten aanzien van de behandellocatie; de specialistisch behandelaar is eindverantwoordelijk voor de behandeling van EED; als specialistisch behandelaar voor EED komen in aanmerking: een BIG-geregistreerd gezondheidspsycholoog; een NIP-geregistreerde kinder- en jeugdpsycholoog en een NVO-geregistreerd orthopedagoog generalist; als medebehandelaars kunnen onder verantwoordelijkheid van de specialistische behandelaar betrokken worden: een basispsycholoog en/of orthopedagoog; een logopedist. Artikel9Uitwerking individuele voorziening wonen en verblijf (artikel 2, derde lid, van de verordening) 1.Onder de individuele voorziening wonen en verblijf verstaat het college een 24 uurs voorziening voor jeugdigen ter vervanging van de eigen thuissituatie. Afhankelijk van de mogelijkheden en behoeften van de jeugdige wordt de huisvesting vormgegeven. 2.De module wonen en verblijf bestaat uit de volgende onderdelen, ook wel dakjes genoemd: Dakje 0-A Pleegzorg; Dakje 0-B Gezinshuizen; Dakje 1 Vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden; Dakje 2 Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van actief toezicht; Dakje 3 Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van onvoorspelbaar gedrag. 3.Het college zet de module wonen en verblijf aanvullend in wanneer er naast de ondersteuningsbehoeften ook behoefte is aan een woon- of verblijfsomgeving. Voor dakje 0 en dakje 1 geldt dat het college deze ook zelfstandig kan inzetten. 4.Een dakje bestaat uit de volgende elementen: accommodatie; eten en drinken; hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, keuken, portier, gastvrouw, slaapdienst, bewaking en nachtwacht); leefklimaat (dagelijkse/nachtelijke zorg ter vervanging van de zorg in de eigen natuurlijke omgeving zoals bijvoorbeeld het gezin). 5.Dakje 0-A Pleegzorg is het (tijdelijk) opvoeden en verzorgen van een jeugdige uit een ander gezin. Pleegouders bieden jeugdigen en thuis, waar ze kunnen rekenen op veiligheid, stabiliteit en een positief opvoedklimaat. Pleegouders zijn vrijwilligers en ontvangen dus geen salaris. De pleegzorgvergoeding die zij ontvangen is bedoeld ter dekking van de kosten voorde jeugdige. De pleegzorgbegeleiding (minimaal 1 keer per 6 weken) vanuit de instelling bestaat uit: het bevorderen en volgen van een veilige en gezonde ontwikkeling van de jeugdige en tijdig signaleren wanneer deze stagneert; het begeleiden van (specifieke) opvoeding van de jeugdige in het pleeggezin; het coördineren en verbinden van het informele en formele systeem rondom de jeugdige(onderlinge relaties tussen pleegouders, ouders ende jeugdige); het creëren van helderheid over het perspectief en; het bewaken van de continuïteit; rapportage en evaluatie. 2.Het college onderscheidt bestandspleegzorg en netwerkpleegzorg. Bij netwerkpleegzorg zijn de pleegouders geworven uit het netwerk van de jeugdige en zijn systeem en kent de jeugdige de pleegouders, bij bestandspleegzorg komen de pleegouders uit het bestand van de aanbieder. Pleegzorg kan zowel in full time variant als deeltijdvariant toegepast worden. Bij de deeltijdvariant gaat het vaak om preventieve hulp voor een pleeggezin waar de zorg en opvoeding de (pleeg)ouders te zwaar valt. Het doel van de deeltijdvariant is het voorkomen van een uithuisplaatsing of break down (vroegtijdig beëindigde pleeggezinplaatsing). Wanneer er sprake is van meer dan de gebruikelijke opvoeding en verzorging wordt dit dakje gecombineerd met een ondersteuningsbehoefte voor jeugdige en/of pleegouders. Dit kan permanent zijn maar ook tijdelijk, bijvoorbeeld om de pleegouder bepaalde vaardigheden aan te leren. 3.Wanneer in verband met een ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/of ouders besloten is (in vrijwillig of justitieel kader) tot directe plaatsing in een crisispleeggezin, wordt de zorg voor de jeugdige vooral gericht op stabilisatie, veiligheid en rust. Het verblijf in het crisispleeggezin is ondersteunend aan het proces dat met de ouders wordt doorlopen om voor de jeugdige weer een veilige gezinssituatie te realiseren. Bij crisispleegzorg is er sprake van spoedeisende problematiek of een crisissituatie. Het doel is stabilisatie van de crisissituatie en ontwikkelen van een perspectief voor de jeugdige en de ouders. Het college legt het vervolg voor de jeugdige en het gezin vast in een plan. Het college zet crisispleegzorg in voor maximaal 28 dagen met een gemiddelde van 7 contacturen per week door de pleegzorginstelling. 6.Dakje 0-B Gezinshuizen is een vorm van kleinschalige jeugdhulp waarin gezinshuisouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.