Beleidsregels Participatiewet gemeente Emmen 2024Bijgaande geactualiseerde ‘Beleidsregels Participatiewet gemeente Emmen 2024’ vast te stellen; De ‘Beleidsregels Participatiewet gemeente Emmen 2021’ in te trekken. HOOFDSTUK1:INLEIDING EN BEGRIPSBEPALING INLEIDING In de Participatiewet wordt gestreefd naar een uitvoering die is toegesneden op de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Dit individualiseringsbeginsel biedt de mogelijkheid de marges optimaal te benutten en zodoende maatwerk te leveren. In deze beleidsregels wordt nadere invulling gegeven aan de Participatiewet, de verordeningen en de beleidsplannen. Voortschrijdende wetgeving, jurisprudentie of een andere stellingname in het gemeentelijk beleid kunnen aanleiding zijn om de beleidsregels aan te passen. BEGRIPSBEPALINGEN In deze beleidsregels wordt verstaan onder: de wet: Participatiewet het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen domicilie: wettelijke woonplaats domiciliebeginsel: de gemeente waar de belanghebbende zijn “woonstede” heeft is gehouden de bijstand te verlenen. Dit begrip komt uit het Burgerlijk Wetboek en brengt onder andere tot uitdrukking dat het moet gaan om een bestendig en vooropgezet verblijf in de gemeente. Het moet gaan om meer dan enkel vertoeven in de gemeente. beschermingsbewind: beschermingsbewind is voor mensen die hun financiële zaken niet zelf kunnen regelen. De beschermingsbewindvoerder beheert het geld en de goederen van de betrokkene. curatele: curatele is voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen en voor wie beschermingsbewind en/of mentorschap niet volstaat. Een curator beslist over geld, verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding van de betrokkene. Een belanghebbende die onder curatele staat is handelingsonbekwaam. mentorschap: mentorschap is voor mensen die hun persoonlijke zaken niet meer zelf kunnen regelen. De mentor beslist over de verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding van de betrokkene. Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen doelgroep tegenprestatie: de belanghebbende van achttien jaar of ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die een uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). vrijwilligerswerk: vrijwilligerswerk is onbetaald werk met een maatschappelijk of liefdadig doel, zonder commerciële belangen. mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. woonkosten: de kosten van huur of hypotheek. woonlasten: de kosten van wonen. De huur of hypotheek, maar ook de kosten van energie en water en dergelijke. HOOFDSTUK2:ARBEIDSVERPLICHTINGEN/UITSTROOMBEVORDERING PARTICIPATIE VERGOEDINGEN Op grond van de Re-integratieverordening kunnen een aantal kosten uit het werkdeel vergoed worden. Uitgangspunt bij alle vergoedingen die in het kader van een re-integratietraject worden vergoed, is dat het re-integratietraject ten dienste van de arbeidsinschakeling staat. VERGOEDING OPENBAAR VERVOER Er wordt een vergoeding verstrekt voor de kosten van openbaar vervoer bij een re-integratietraject en bij parttime werk wanneer voldaan wordt aan de volgende criteria: de werkgever betaalt geen reiskosten; de enkele reisafstand woon – werkverkeer bedraagt meer dan tien kilometer en wordt vastgesteld aan de hand van de site www.anwb.nl, op basis van de kortste route; wanneer de belanghebbende op grond van medische beperkingen niet in staat is om te fietsen, wordt ook voor een afstand woon – werkverkeer dat minder dan tien kilometer bedraagt een vergoeding verstrekt; in de situatie waarin openbaar vervoer wel mogelijk is en de belanghebbende zelf voor de auto kiest, wordt een vergoeding op basis van het openbaar vervoer verstrekt, tenzij vergoeding op basis van eigen vervoer goedkoper blijkt te zijn. De vergoeding wordt verstrekt op declaratiebasis en vastgesteld op basis van de gemaakte kosten. KILOMETERVERGOEDING Er wordt een kilometervergoeding verstrekt in het kader van een re-integratietraject, wanneer voldaan wordt aan de volgende criteria: het is niet mogelijk om met het openbaar vervoer te reizen. Hiervan is sprake in een van de volgende situaties: De locatie is niet bereikbaar met openbaar vervoer. Dit wordt vastgesteld met behulp van de site www.9292ov.nl; de loopafstand tussen halte en bestemming bedraagt meer dan één kilometer. er is sprake van lichamelijk of psychische problemen die het gebruik van het openbaar vervoer uitsluiten. De medische noodzakelijkheid moet worden aangetoond middels een extern advies. de enkele reistijd woon – werkverkeer bedraagt meer dan anderhalf uur. de enkele reisafstand woon – werkverkeer bedraagt meer dan tien kilometer en wordt vastgesteld aan de hand van de site www.anwb.nl op basis van de kortste afstand; wanneer de belanghebbende op grond van medische beperkingen niet kan fietsen, wordt ook een kilometervergoeding verstrekt voor de afstand woon – werkverkeer die minder dan tien kilometer bedraagt. De vergoeding bedraagt de brandstofkostenvergoeding volgens de site van de ANWB. Wanneer het re-integratietraject bestaat uit een inburgeringscursus, dan wordt uitgegaan van de werkelijke reiskosten met een maximum vergoeding van € 10,00 per dag. TWEEDEHANDS FIETS Als de belanghebbende niet over een fiets beschikt, kan er een vergoeding voor een tweedehands fiets verstrekt worden wanneer de fiets noodzakelijk is in het kader van een re-integratie traject of een baan. De kosten voor onderhoud van de fiets komen voor rekening van de belanghebbende, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij diefstal moet het aangiftebewijs en twee fietssleutels worden ingeleverd. Wanneer er aan deze voorwaarden is voldaan kan er een andere fiets worden vergoed. De vergoeding op basis van de goedkoopste passende voorziening bedraagt maximaal € 200,00 voor een fiets. Er wordt een vergoeding voor een fietsstoeltje verstrekt wanneer de noodzakelijkheid is aangetoond. De vergoeding voor een fietsstoeltje bedraagt maximaal € 50,00. De vergoeding van regenkleding bedraagt maximaal € 25,00. TWEEDEHANDS SCOOTER/ ELEKTRISCHE FIETS (E-BIKE) Als de belanghebbende niet over een auto beschikt, kan er een vergoeding voor een tweedehands scooter/e-bike verstrekt worden wanneer de scooter/e-bike noodzakelijk is in het kader van een re-integratietraject of een baan. De vergoeding voor een tweedehands scooter/e-bike wordt verstrekt als het reizen met het openbaar vervoer of de fiets niet passend is. De onderhoudskosten van de scooter/e-bike komen voor rekening van de belanghebbende, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De vergoeding voor een scooter/e-bike bedraagt maximaal € 750,00 en wordt rechtstreeks betaald aan de leverancier. Bij de scooter/e-bike wordt standaard een slot geleverd van maximaal € 40,00. De vergoeding van regenkleding bedraagt maximaal € 25,00. De vergoeding van een helm bedraagt maximaal € 100,00. De maandelijkse verzekeringspremie van de scooter wordt voor de duur van een jaar vergoed, gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening. COMPUTER Als de belanghebbende niet in het bezit is van een computer + toebehoren kan hiervoor een vergoeding verstrekt worden wanneer de computer inclusief toebehoren noodzakelijk is in het kader van een re-integratietraject. Er wordt maximaal € 350,00 verstrekt voor de computer inclusief toebehoren. WERKKLEDING/SCHOENEN De kosten van werkschoenen en werkkleding worden door de gemeente vergoedt, tenzij deze op een andere wijze worden vergoedt (b.v. door de werkgever). De vergoeding voor werkschoenen bedraagt maximaal € 75,00. De vergoeding voor werkkleding (overall) bedraagt maximaal € 50,00. REPRESENTATIEVE KLEDING De kosten van representatieve kleding worden door de gemeente vergoed wanneer de belanghebbende representatieve kleding nodig heeft voor een baan of in het kader van een re-integratie traject die ten dienste van arbeidsinschakeling staat. De vergoeding van representatieve kleding bedraagt maximaal € 150,00. AUTO Er kan alleen een vergoeding voor een auto verstrekt worden als: de belanghebbende aan het werk kan (moet blijken uit een arbeidsovereenkomst); de belanghebbende niet over een auto beschikt; vervoer op een andere manier niet mogelijk is. De vergoeding voor een auto gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening en bedraagt maximaal € 1.000,00. De maandelijkse verzekeringspremie en de motorrijtuigenbelasting worden op basis van de goedkoopst passende voorziening gedurende maximaal een jaar vergoed. RIJBEWIJS Er wordt alleen een vergoeding voor de kosten van een rijbewijs verstrekt, wanneer er wordt voldaan aan de volgende criteria: Het rijbewijs is nodig in kader van een re-integratietraject dat ten dienste van arbeidsinschakeling staat en er is sprake van een baangarantie; Er is sprake van een uitzonderingssituatie, waardoor de belanghebbende het rijbewijs niet zelf kan bekostigen of hiervoor heeft kunnen reserveren. De vergoeding voor de kosten van een rijbewijs wordt verstrekt op basis van de goedkoopst passende voorziening tot maximaal € 1.500,00. VERHUIZING Er wordt een verhuiskostenvergoeding voor de huur van een busje inclusief kilometervergoeding verstrekt, wanneer er wordt voldaan aan de volgende criteria: Er is sprake van een baan in loondienst in een andere regio; De afstand woon-werk bedraagt drie uur heen en terug, waardoor het voor de baan noodzakelijk is om te verhuizen; De belanghebbende heeft niet voor de kosten kunnen reserveren. Er wordt een vergoeding verstrekt op basis van de goedkoopst passende voorziening tot maximaal € 250,00. RE-INTEGRATIEVERGOEDING Kinderopvang Als een belanghebbende alleenstaande ouder is en kinderopvang nodig heeft gedurende een kortdurend diagnosetraject bij het TDC (maximaal twee weken en zestien dagdelen), dan kan hij eerst gebruik maken van een kinderopvanginstelling voor de opvang van de kinderen, zonder toeslagaanvraag bij de Belastingdienst. Gaat de alleenstaande ouder na de diagnosefase aansluitend een vervolgtraject volgen, aan het werk of een tegenprestatie leveren en blijven de kinderen bij dezelfde kinderopvang? Dan kan met terugwerkende kracht door de ouder een reguliere toeslagaanvraag worden gedaan bij de Belastingdienst en een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage bij de gemeente worden ingediend (dit is afhankelijk van het feit of de betreffende ouder tot de doelgroep van de gemeente behoort). Komt er geen vervolgtraject? Dan kan de kinderopvanginstelling de factuur over de periode van maximaal twee weken volledig in rekening brengen bij de gemeente Emmen. Een toeslagaanvraag bij de Belastingdienst blijft dan achterwege. Overige kosten In individuele gevallen blijft de mogelijkheid bestaan om bepaalde kosten te vergoeden, zodat eventuele belemmeringen richting de arbeidsmarkt kunnen worden weggenomen. REGELING ONTPLOOIING EN ONTWIKKELING Doel van de regeling De gemeente Emmen vindt het belangrijk dat de belanghebbende de mogelijkheid krijgt om zich te ontwikkelen. Daarom kan de belanghebbende een beroep doen op de regeling ontplooiing en ontwikkeling. De belanghebbende heeft de mogelijkheid om via deze regeling om een cursus of training te volgen. De regeling is ook voor belanghebbenden die als zelfstandig ondernemer aan de slag willen. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 1.000,00. Het al dan niet voortzetten van de regeling na 1 januari 2019 wordt meegenomen in de doorontwikkeling van het armoedebeleid. De doelgroep Belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, Ioaw of Ioaz. Het gaat hierbij om uitkeringsgerechtigden die zijn ingedeeld in doelgroep vier en die ouder zijn dan 27 jaar. Daarnaast kan een beroep worden gedaan op deze regeling door belanghebbenden die een tegenprestatie uitvoeren. De voorwaarden Er moet enig perspectief zijn op werk in de toekomst. De wens om een cursus of training te volgen ligt bij de belanghebbende. Het initiatief voor het volgen van de cursus of training kan bij de belanghebbende of bij de medewerker Tegenprestatie liggen. De belanghebbende moet zelf of samen met de medewerker Tegenprestatie aan kunnen geven waarom hij deze cursus of training wil volgen en wat deze cursus of training bijdraagt aan zijn persoonlijke ontwikkeling en zijn kansen op de arbeidsmarkt. De belanghebbende kan voor de cursus of training geen aanspraak maken op een vergoeding uit het W-deel of uit een andere voorziening. De cursus of training mag niet langer duren dan een jaar. Er kan maximaal eenmaal per jaar aanspraak worden gemaakt op een tegemoetkoming uit deze regeling. Terugvordering De tegemoetkoming wordt teruggevorderd: wanneer blijkt dat de tegemoetkoming niet wordt besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt; als blijkt dat de tegemoetkoming op grond van onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt. PLAATSINGSSUBSIDIE In de Re-integratieverordening gemeente Emmen 2015 is opgenomen dat werkgever een plaatsingssubsidie kan aanvragen wanneer hij een belanghebbende vanuit de doelgroep als genoemd in artikel 1 van de re-integratieverordening in dienst neemt. Benodigde gegevens De werkgever dient de plaatsingssubsidie binnen drie maanden na ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst aan te vragen. De werkgever verstrekt bij de aanvraag de volgende gegevens: naam, adres en woonplaats en BSN van de werknemer; kopie van de arbeidsovereenkomst waaruit aard, de duur en de omvang van het dienstverband blijken; desgevraagd overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten op de subsidieaanvraag. Voorwaarden De persoon voor wie de werkgever een plaatsingssubsidie aanvraagt moet aan minimaal één van de onderstaande voorwaarden voldoen: heeft minimaal een jaar aaneengesloten een werkloosheidsuitkering (WW, Participatiewet, Ioaw of Ioaz) gehad direct voorafgaand aan de indiensttreding bij de werkgever die de subsidie aanvraagt; is alleenstaande ouder met minimaal één kind jonger dan twaalf jaar; is 50 jaar of ouder; beschikt niet over een startkwalificatie. Hoogte plaatsingssubsidie De plaatsingssubsidie bedraagt: Eenmalig maximaal € 5.000,00 bij een contract voor minimaal een jaar waardoor de werknemer een inkomen boven bijstandsniveau heeft. Eenmalig maximaal € 2.000,00 bij een contract voor minimaal een half jaar, maar korter dan een jaar waardoor de werknemer een inkomen boven de bijstandsnorm heeft. Eenmalig maximaal € 2.500,00 per werknemer die voldoet aan de beschrijvingen artikel 3 lid 1b, bij een contract van minimaal een jaar voor achttien uur of meer per week. Eenmalig maximaal € 1.000,00 per werknemer die voldoet aan de beschrijving in artikel 3 lid 1b bij een contract van minimaal een halfjaar voor achttien uur of meer per week. Weigeringsgronden De subsidie wordt geweigerd als de werkgever niet de gevraagde gegevens inlevert of wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Terugvordering De subsidie wordt geheel of gedeeltelijk teruggevorderd als: De subsidie is verleend op grond van door de werkgever verstrekte onvolledige of onjuiste informatie. Het arbeidscontract achteraf minder dan respectievelijk twaalf of zes maanden blijkt te duren en dat geheel of gedeeltelijk aan de werkgever toe te rekenen is. De subsidie aan een werknemer die voldoet aan de beschrijving in artikel 3 lid 1b en het contract achteraf minder dan achttien uur per week blijkt te zijn en dat geheel of gedeeltelijk aan de werkgever toe te rekenen is. In dringende gevallen kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien van terugvordering. AANVULLING PLAATSINGSSUBSIDIE INZAKE UITZENDARBEID Inleiding Het komt vaak voor dat een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt via een uitzendconstructie wordt aangenomen. Ook kunnen veel belanghebbende uit de doelgroep van deze beleidsregel met een zekere regelmaat (maar niet altijd aaneengesloten) kortdurend worden ingezet door uitzendbureaus. Met dit artikel wordt bevorderd dat belanghebbenden die vooralsnog zijn aangewezen op uitzendwerk gedurende een langere periode (van tenminste 6 maanden) continue werk hebben. Dat is goed voor hun positie op de arbeidsmarkt. Het belang van de gemeente is dat deze belanghebbenden in dat geval geen beroep meer hoeven te doen op de gemeentelijke uitkering. Voorwaarden De plaatsingssubsidie kan worden toegekend voor uitzendkrachten onder de volgende voorwaarden: De subsidieaanvraag wordt ingediend voordat de uitzendarbeid is begonnen. De aanvraag wordt gedaan door middel van het daarvoor bestemde aanvraagformulier. Er is sprake van een aaneengesloten periode van zes maanden. In die periode maakt de werknemer waarvoor de subsidie wordt gevraagd geen gebruik van een door de gemeente verstrekte uitkering. De onder artikel 3 genoemde voorwaarden zijn ook van kracht. De subsidie bedraagt € 1,00 per gewerkt uur met een maximum van € 2.000,00. Deze bedragen zijn inclusief BTW. De subsidie kan één keer worden verlengd onder de volgende voorwaarden: Deze tweede periode sluit naadloos aan op de eerste periode waarover de subsidie is verleend; De aanvraag voor verlenging wordt ingediend voor dat de tweede periode ingaat; Er is sprake van een aaneengesloten periode van zes maanden. In die periode maakt de werknemer waarvoor de subsidie wordt gevraagd geen gebruik van een door de gemeente verstrekte uitkering. De onder artikel 3 genoemde voorwaarden zijn ook van kracht. Binnen 4 weken na het verstrijken van elke periode verstrekt het uitzendbureau aan de gemeente een overzicht van de gewerkte uren. TEGENPRESTATIE Duur en omvang Het college stelt de aard, omvang en duur van de tegenprestatie vast, op basis van maatwerk waarbij de individuele mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende in acht worden genomen. Daarnaast wordt de tijdsduur van de verrichte onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten, in de vorm van vrijwilligerswerk en mantelzorg, in de beoordeling door het college meegewogen. Uitgangspunt is dat de tegenprestatie wordt opgelegd voor de duur van maximaal 10 maanden per kalenderjaar en voor maximaal 24 uur per week. Als de belanghebbende alleen in beperkte mate activiteiten kan verrichten, worden specifieke afspraken gemaakt met betrekking tot de aard en mogelijkheden van de tegenprestatie. Is elke activiteit onmogelijk, dan ontheft het college de belanghebbende van de verplichting tot het verrichten van de tegenprestatie naar vermogen. Geen tegenprestatie Geen tegenprestatie worden opgelegd aan belanghebbenden: die alleen bijzondere bijstand ontvangen; die alleenstaande ouder zijn op grond van artikel 9a Participatiewet en op eigen verzoek een ontheffing van de arbeidsverplichting hebben, omdat zij de volledige zorg hebben voor een kind tot vijf jaar; die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en op grond daarvan volledig zijn vrijgesteld van de arbeids- en re-integratieverplichting; die parttime werk verrichten; die deelnemen aan het traject sluitende aanpak; die deelnemen aan een re-integratietraject of inburgeringstraject; die vrijwilligerswerk verrichten dat voldoet aan vergelijkbare criteria als die voor de tegenprestatie gelden; die mantelzorger zijn en de verleende mantelzorg dusdanig van aard en omvang is dat het niet mogelijk is daarnaast ook nog een tegenprestatie te verrichten. Verzekering en aansprakelijkheid Het college zorgt dat de belanghebbende bij het uitvoeren van activiteiten in het kader van de tegenprestatie is verzekerd. Het gaat daarbij met name om het afdekken van de risico's van arbeidsongeschiktheid en aansprakelijkheid. Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) Het kan zijn dat een belanghebbende voor het uitvoeren van de tegenprestatie een VOG moet overleggen. Als de kosten daarvan niet worden vergoed door de organisatie/instelling waar de belanghebbende de tegenprestatie gaat leveren, worden de kosten door de gemeente Emmen betaald. HOOFDSTUK3:VAN AANMELDING TOT EN MET BESLUIT DOMICILIEBEGINSEL De gemeente waar de belanghebbende zijn “woonstede” heeft moet de bijstand verlenen. In het algemeen geldt de voorwaarde dat de klant in de gemeente staat ingeschreven. Een postbusnummer als 'verblijfadres' wordt niet geaccepteerd. VERKORTE AANVRAAG Als de belanghebbende binnen 6 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering wil aanvragen in verband met einde werk of detentie kan dit door middel van een verkorte aanvraag. Ook bij een verhuizing binnen de gemeenten Borger-Odoorn/Coevorden/Emmen (BOCE) kan met een verkorte aanvraag een uitkering worden aangevraagd. Voorwaarden Als de belanghebbende binnen 6 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering wil aanvragen in verband met einde werk of detentie kan dit door middel van een verkorte aanvraag. Ook bij een verhuizing binnen de gemeenten Borger-Odoorn/Coevorden/Emmen (BOCE) kan met een verkorte aanvraag een uitkering worden aangevraagd. De persoonlijke situatie van de belanghebbende mag niet gewijzigd zijn. Ook de financiële situatie mag niet gewijzigd zijn, dat wil zeggen geen toename van het vermogen door giften, e.d. of inkomsten uit andere bronnen die er voorheen nog niet waren. Bijzonderheden Bij een verkorte aanvraag wordt het vermogen niet opnieuw vastgesteld, maar wordt uitgegaan van het vermogen dat is vastgesteld bij de aanvraag waar de verkorte aanvraag betrekking op heeft. TIJDSTIP VAN MELDEN/AANVRAGEN Wanneer bij de melding een afspraak wordt gemaakt voor het inleveren van de papieren aanvraag en de belanghebbende verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak en de aanvraag wordt daardoor pas later ingediend, wordt de bijstand pas toegekend vanaf de datum dat de aanvraag is ingediend. Wanneer de belanghebbende zich wel digitaal meldt om een bijstandsuitkering aan te vragen, maar de digitale aanvraag pas na 5 werkdagen indient, wordt de bijstand pas toegekend vanaf de dag dat de digitale aanvraag is ingediend. JONGER DAN 27 JAAR Wanneer een belanghebbende jonger dan 27 jaar de aanvraag niet indient binnen 5 werkdagen na de wachttijd van 28 dagen is de ingangsdatum de dag waarop de aanvraag is ingediend. Wanneer een belanghebbende jonger dan 27 jaar de aanvraag in de wachttijd van 28 dagen indient, wordt de aanvraag pas in behandeling genomen nadat de wachttijd is verstreken. De belanghebbende krijgt dan een hersteltermijn voor de resterende tijd van de wachttijd. Hij moet aantonen wat hij in de resterende tijd gedaan heeft om scholing of werk te vinden. INGANGSDATUM De datum van de melding geldt in het algemeen als de ingangsdatum van de uitkering. Ingangsdatum na verwijzing/afwijzing van een sociale verzekeringsinstantie In het geval van een verwijzing/afwijzende beschikking, afkomstig van een sociale verzekeringsinstantie, geldt de meldings-/aanvraagdatum bij die instantie als ingangsdatum voor de bijstandsuitkering. Wanneer de belanghebbende na verwijzing/afwijzing vanuit een voorliggende voorziening zich niet binnen 5 werkdagen nadat de verwijzing dan wel afwijzing is ontvangen meldt om een uitkering aan te vragen, is er sprake van een te late melding. De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt dan de datum van de melding. Als de belanghebbende zich later dan 5 dagen vanaf het moment dat hij geen of onvoldoende inkomen heeft meldt, dan gaat de bijstand pas in op de datum van de melding. WIJZIGINGEN WOON-/ LEEFSITUATIE Wijzigingen in de woon-/ leefsituatie moeten doorgegeven worden. Voorbeelden van wijzigingen in de woon-/leefsituatie zijn onder andere: verhuizing; verandering van het aantal medebewoners/kinderen; tijdelijk verblijf elders; wijziging verblijfsrecht; start/einde studie medebewoners/inwonende kinderen ouder dan 21 jaar. Wijzigingen dienen binnen 5 werkdagen via het wijzigingsformulier te worden doorgegeven. INLICHTINGENBUREAU De gemeente Emmen maakt gebruik van Stichting Inlichtingenbureau Gemeenten (IB). De Stichting Inlichtingenbureau Gemeenten (IB) verzorgt het gegevensverkeer van team Uitkeringsverwerking Sociaal Domein (UVS) van de gemeente met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de Belastingdienst (BD) en de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) in het kader van de bestrijding van witte fraude. HOOFDSTUK4.BIJZONDERE GROEPEN GEDETINEERDEN Iemand die gedetineerd wordt heeft geen recht meer op een uitkering. Wanneer een bijstandsgerechtigde in detentie gaat wordt de uitkering beëindigd als de detentie langer dan 30 dagen duurt en er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Bij een gezamenlijke huishouding wordt de gezamenlijke uitkering beëindigd per datum detentie. Voor de achterblijvende partner wordt een uitkering naar de norm voor een alleenstaande of kostendeler toegekend. Na detentie kan de ex-gedetineerde (eventueel samen met partner) opnieuw aanvragen met een verkorte aanvraag als de detentie korter dan 6 maanden heeft geduurd. Hierbij moet de ex-gedetineerde een ontslagbewijs van detentie aanleveren. DAK- EN THUISLOZEN De gemeente Emmen is aangewezen als centrumgemeente voor de bijstandsverlening aan daklozen zonder adres. Domicilie Wanneer zich bij de gemeente een dakloze meldt zonder adres wordt er doorgevraagd op het domicilie-vraagstuk. Uit welke gemeente de dakloze afkomstig is en of er sprake is van een inschrijving in de bevolkingsadministratie in die gemeente zijn vragen die in dit verband worden gesteld. Is er sprake van een inschrijving in een andere gemeente dan wordt de dakloze verwezen naar die gemeente of wordt de aanvraag doorgestuurd naar die gemeente. Immers, er is in dit geval geen sprake van een dakloze zonder adres. Het doel van de daklozenregeling in de Participatiewet is het voorkomen van zinloze verwijzingen van daklozen zonder adres naar andere gemeenten. Bij elke aanvraag voor een uitkering van een dakloze zonder adres wordt het doel van de daklozenregeling in het oog gehouden. Of de aanvraag hoort bij de gemeente Emmen, of de aanvraag hoort bij een andere bepaalde gemeente thuis. Als niet duidelijk is welke andere gemeente de aanvraag dient af te handelen dan is de gemeente Emmen als centrumgemeente de aangewezen instantie om de aanvraag in behandeling te nemen. Er mag geen sprake zijn van een verwijzing met onbekende bestemming. Voorwaarden De dak- en thuisloze is verplicht zich in te schrijven op een door het college ter beschikking gesteld adres. Hiervoor wordt een instemmingsverklaring ondertekend door een daartoe gemachtigde ambtenaar. Deze ambtenaar heeft de verplichting om de binnengekomen post op dit adres te overhandigen aan de dak- en thuisloze. De dak- en thuisloze heeft de verplichting om wekelijks zijn post te komen ophalen. Hij moet zich voldoende inspannen om huisvesting te vinden. Verder moet hij wekelijks een overzicht inleveren van de adressen/locaties waar hij die week heeft verbleven. Hoogte uitkering Een dak- en thuisloze heeft geen woonlasten (huur, hypotheek, energie- en water) De dak- en thuislozennorm wordt daarom als volgt vastgesteld door de geldende bijstandsnorm te verlagen met: bedrag van de normhuur zoals opgenomen in de Wet op de huurtoeslag; bedrag voor gas en elektra voor een flat respectievelijk voor één persoon, zoals vastgesteld door het NIBUD; bedrag voor waterverbruik gebaseerd op één douchebeurt per dag en 3 wasmachinebeurten per 2 weken (1 van 90 graden en 2 van 40 graden) zoals vastgesteld door het NIBUD; De bedragen worden éénmaal per jaar vastgesteld en wel op 1 januari. HOOFDSTUK5:LEEFVORMEN EN HOOGTE UITKERING COMMERCIËLE RELATIES Er is geen sprake van kostendelers wanneer er een commerciële relatie is tussen de kamer(ver)huurder en de kostganger/gever. Bij kamerverhuur is sprake van een commerciële relatie wanneer: er een schriftelijke huurovereenkomst is; er een commerciële huurprijs wordt betaald; de huur via de bank wordt overgemaakt; de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd. Er is sprake van een commerciële huurprijs wanneer de huurprijs per maand minimaal gelijk is aan 20% van de echtparennorm per 1 januari van het betreffende jaar. Bij kostgangers is sprake van een commerciële relatie wanneer: er een schriftelijke kostgangersovereenkomst is; er een commerciële kostgangersprijs wordt betaald; de vergoeding via de bank wordt overgemaakt; de prijs jaarlijks wordt geïndexeerd. Er is in ieder geval sprake van een commerciële prijs wanneer deze per maand minimaal gelijk is aan 20% van de echtparennorm per 1 januari van het betreffende jaar en de kosten van maaltijden per maand voor een alleenstaande volgens de Nibudnormen. Bij lagere bedragen moet er een individuele afweging worden gemaakt waarbij onder andere rekening wordt gehouden met: de grote van de kamer; is er gebruik gemaakt van het puntensysteem van de huurcommissie; of het een officieel kamerverhuuradres is. GEEN/ WEINIG WOONKOSTEN OF WOONLASTEN Er kan sprake zijn van geen woonkosten of – lasten als iemand bijvoorbeeld in een (anti)kraakpand woont of als een derde deze voor belanghebbende betaalt. Als een belanghebbende geen huur- of hypotheeklasten heeft wordt de uitkering verlaagd met het bedrag van de normhuur zoals opgenomen in de Wet op de huurtoeslag. Als belanghebbende geen energielasten en/of andere vaste lasten heeft wordt de uitkering verlaagd met de bedragen die door het NIBUD hiervoor zijn vastgesteld. De bedragen worden eenmaal per jaar vastgesteld en wel op 1 januari. Daarbij wordt uitgegaan van: het bedrag van de normhuur zoals opgenomen in de Wet op de huurtoeslag; het bedrag voor gas en elektra voor een flat respectievelijk voor één persoon; het bedrag voor waterverbruik gebaseerd op één douchebeurt per persoon dag en een reëel aantal wasmachinebeurten per week (afhankelijk van de gezinsgrootte); Bij woonkosten boven de maximum huur voor huurtoeslag wordt, ondanks de betaling van de derde, aan de bijstandsverlening de voorwaarde verbonden om om te zien naar goedkopere huisvesting. TIJDELIJKE OPVANG IN CRISISSITUATIE Wanneer een persoon in een crisissituatie voor een korte periode opvang vindt bij familie of vrienden, wordt de bijstandsuitkering van degene die opvangt niet meteen aangepast. Gedurende de lopende maand en de volgende twee maanden wordt de uitkering van degenen die onderdak verleend, voorgezet volgens de “oude norm”. Dit betekent dat de uitkering uiterlijk na drie maanden wordt aangepast. Voor degene die gaat inwonen, wordt de norm direct vastgesteld naar de nieuwe situatie. ALLEENSTAANDE OUDERS Als een alleenstaande ouder geen recht heeft op de ALO-kop kan bij bijzondere individuele omstandigheden de algemene bijstand, op grond van artikel 18 PW, worden verhoogd met hetzelfde bedrag als de verhoging van het Kindgebondenbudget van de Belastingdienst. Het bedrag wordt door de Belastingdienst jaarlijks geïndexeerd. HOOFDSTUK6.OPNAME IN EEN INRICHTING ALGEMEEN Belanghebbenden die ter verpleging of verzorging in een inrichting zijn opgenomen, worden niet geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten. Daarom is de voor hen geldende bijstandsnorm lager (de zogenaamde zak- en kleedgeld norm). Voor wat betreft ziekenhuizen en verpleeg- en verzorgingshuizen etc. is het duidelijk dat het gaat om inrichtingen in de zin van de wet. Omdat deze zich richten op het bieden van verpleging of verzorging van de daar verblijvende hulpbehoevenden. Lastiger wordt het om vast te stellen of er sprake is van een instelling die zich richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan twaalf uur van ieder etmaal aanwezig is. In het algemeen is bijvoorbeeld een serviceflat of slaaphuis geen inrichting ter verpleging en verzorging. GEEN WLZ-INRICHTING, MAAR VOLDOET WEL AAN CRITERIA DIE DE PW DAAR AAN STELT Het komt steeds vaker voor dat belanghebbenden verblijven in een instelling die voldoet aan de criteria die de Participatiewet daar aan stelt, maar die geen WLZ-inrichting is. Denk hierbij aan zorgboerderijen. Wanneer deze belanghebbenden een uitkering aanvragen, wordt de norm vastgesteld op de zak- en kleedgeldnorm verhoogd met de toeslag premie Zorgverzekeringswet. Moeten belanghebbenden daarnaast nog woon- en/of leefgeld betalen aan de instelling dan kan deze norm plus toeslag verhoogd worden met datzelfde bedrag aan bijstand. De norm plus verhoging mag niet hoger zijn dan de norm, waar belanghebbenden recht op zouden hebben als ze niet in de instelling hadden verbleven. Is deze verhoging niet toereikend voor alle lasten die belanghebbenden moeten betalen, dan moeten ze omzien naar goedkopere woonruimte. In principe wordt voor deze kosten geen bijstand verleend, maar elke aanvraag wordt individueel beoordeeld. GEEN WLZ-INRICHTING EN VOLDOET OOK NIET AAN CRITERIA DIE DE PW DAAR AAN STELT Belanghebbenden kunnen ook verblijven in een instelling die niet voldoet aan de criteria die de Participatiewet daar aan stelt. In dat geval moet de feitelijke woonsituatie beoordeeld worden en is de (individuele) bijstandsnorm van toepassing die past bij de leeftijd en de woonsituatie. VOLLEDIG PAKKET THUIS (VPT) Instellingen werken soms ook met een VPT. Dit betekent dat de zorgbehoevende in principe zelfstandig woont, maar wel de zorg krijgt zoals de zorgbehoevende die ook had gehad wanneer hij of zij in de instelling zou verblijven. Zij hebben dus wel woonlasten, maar betalen een eigen bijdrage aan het CAK voor de zorg die zij afnemen. Zij krijgen de bijstandsnorm die geldt voor hun leeftijd en woonsituatie. Bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage CAK is in die situatie niet mogelijk. (LET OP: Volledig Pakket Thuis is vaak inclusief maaltijden) DOMICILIE In principe is de gemeente waar een belanghebbende zijn woonplaats heeft verantwoordelijk voor de bijstandsverlening. Als een belanghebbende in een andere gemeente wordt opgenomen in een inrichting, is het niet per definitie zo dat die gemeente bijstand gaat verlenen. Uit het feitelijk handelen van de belanghebbende moet blijken dat zijn woonstede wijzigt (opzeggen van de huur, uitschrijving uit het bevolkingsregister etc.). Als hier geen sprake van is, wordt de bijstandsverlening voortgezet. Als op voorhand duidelijk is, dat de opname (vanaf dag één) langer gaat duren dan zes maanden, wordt aangenomen dat de belanghebbende praktisch gezien in die andere gemeente zijn domicilie heeft en wordt de bijstandsverlening beëindigd. De belanghebbende moet dan in de gemeente van feitelijk verblijf een aanvraag indienen. Was de opnameduur niet vooraf bekend, dan wordt de bijstand na zes maanden verblijf in de andere gemeente beëindigd. Als bij opname al duidelijk is dat de belanghebbende terug gaat naar de gemeente Emmen, wijzigt het domicilie niet. Ook niet als de opname langer dan zes maanden duurt. GEDWONGEN OPNAME WET BIJZONDERE OPNEMING IN PSYCHIATRISCHE ZIEKENHUIZEN (BOPZ) Bij gedwongen opname bestaat geen recht op algemene bijstand. In deze situaties kan de norm zak- en kleedgeld worden verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand inclusief de verhoging voor de zorgverzekering. JONGEREN BENEDEN DE 21 JAAR IN EEN INRICHTING Belanghebbenden die jonger zijn dan 21 jaar en in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand omdat hun ouders onderhoudsplichtig zijn. Als er in verband met bijzondere omstandigheden toch kosten moeten worden gemaakt, die niet te verhalen zijn op de ouders, dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de eventueel te verstrekken zak- en kleedgeldnorm, als voor de overige te verstrekken bijzondere bijstand. De mogelijkheden tot onderhoudsplicht worden voorafgaand aan de bijstandverlening onderzocht. De hoogte van de eventueel te verstrekken zak- en kleedgeldnorm (bijzondere bijstand) voor een 18- tot 21-jarige is in bovenstaande gevallen gelijk aan de hoogte van de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar ex artikel 20 lid 1 onder a Participatiewet. INGANGSDATUM ZAK- EN KLEEDGELD-UITKERING De ingangsdatum van de zak- en kleedgelduitkering is afhankelijk van de omstandigheid of belanghebbende voor de opname al dan niet een bijstandsuitkering ontving. Beschikte belanghebbende direct voorafgaande aan de opname niet over een bijstandsuitkering, dan wordt de uitkering vanaf de datum opname berekend naar de zak- en kleedgeld norm. Genoot de belanghebbende wel een bijstandsuitkering, dan blijft de geldende norm nog van toepassing gedurende de maand van opname en de daarop volgende twee maanden. Daarna wordt de uitkering gewijzigd in de zak- en kleedgeldnorm. N.B. Dit geldt alleen voor belanghebbenden die alleenstaand en geen kostendeler zijn en die gedurende de opname woonlasten moeten blijven doorbetalen. In alle andere situaties wordt de uitkering per datum opname gewijzigd in de zak- en kleedgeldnorm. AANHOUDEN WONING Beoordeeld moet worden in hoeverre het aanhouden van de woonruimte noodzakelijk is. Wanneer de opname (vanaf dag één) langer dan zes maanden gaat duren, wordt de noodzaak voor het aanhouden van de woonruimte in principe niet aanwezig geacht. De domicilie wijzigt dan in die van de gemeente van verblijf. Staat de noodzaak voor het aanhouden van de woonruimte vast? Dan kan naast de zak- en kleedgeld uitkering aan een alleenstaande, die geen kostendeler is, bijzondere bijstand worden verstrekt voor de doorlopende verschuldigde woonlasten. Hieronder wordt verstaan: de huur minus huurtoeslag; de kosten van het gas, water en elektriciteit. De bijstand wordt verstrekt als bijzondere bijstand. Dat wil zeggen dat rekening dient te worden gehouden met eventuele draagkracht. OPSLAG INBOEDEL Wordt er geen woning aangehouden maar heeft een belanghebbende wel zijn inboedel opgeslagen? Dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt, als de noodzaak hiervoor is vastgesteld. De hoogte en duur van deze bijstand wordt individueel bepaald. GEDEELTELIJK IN INRICHTING EN GEDEELTELIJK VERBLIJF THUIS Indien een belanghebbende per week gedeeltelijk thuis verblijft, wordt de norm naar evenredigheid vastgesteld. Dus het werkelijk aantal dagen per week verblijf in de instelling keer de zak- en kleedgeldnorm plus toeslag en het werkelijk aantal dagen per week verblijf buiten de inrichting keer de toepasselijke bijstandsnorm gedeeld door zeven. In deze gevallen wordt de apart verstrekte bijzondere bijstand voor de woonlasten eveneens naar evenredigheid gecontinueerd. Als richtlijn voor het aantal 'weekenddagen' thuis geldt de volgende regeling. Vrijdag voor 12.00 uur vertrek uit de inrichting en zondag na 12.00 uur terug geldt als drie weekenddagen. HOOFDSTUK7.INKOMSTEN EN BIJSTAND INKOMSTEN UIT (ONDER-) VERHUUR OF HET HEBBEN VAN KOSTGANGERS Inkomsten uit commerciële verhuur/kostgangers worden in mindering gebracht op de uitkering. Inkomsten uit verhuur van een woning waar de belanghebbende zelf niet woont, worden volledig aangemerkt als inkomsten. VERMINDERING INKOMSTEN UIT ONDERHUUR Er mag rekening gehouden worden met meerkosten vanwege verhoogd energieverbruik vanwege douchen, wassen en elektra door de onderhuurder. Deze kosten worden in mindering gebracht op de inkomsten uit onderhuur. Voor het berekenen van het verhoogd energieverbruik wordt het NIBUD geraadpleegd. kosten douchebeurt op basis van een gasboiler: één x per dag kosten wassen drie wasmachinebeurten per twee weken: één van 90 graden en twee van 40 graden meerkosten elektra wordt berekend op basis van het verschil in aantal personen in het huishouden (met of zonder onderhuurder). Bijvoorbeeld een gezin bestaat uit drie personen en met de onderhuurder uit vier personen. Dan mag het verschil in elektra tussen een drie en een vier persoonshuishouden in mindering worden gebracht op de inkomsten uit onderhuur. Het college hoeft geen rekening te houden met gemis aan huurtoeslag. Als de verhuurder bij de Belastingdienst aantoont dat het gaat om onderhuur, zal er voor de huurtoeslag geen rekening gehouden worden met de inkomsten van de onderhuurder. Er is dus geen gemis in huurtoeslag. INKOMSTEN UIT GASTOUDEROPVANG Inkomsten uit gastouderopvang worden bruto gekort, tenzij de gastouder al een maandelijkse aanslag hiervoor betaalt. Bij het bruto korten wordt door de gemeente de loonheffing volledig afgedragen, zodat de belanghebbende in principe achteraf geen aanslag meer van de Belastingdienst krijgen. Mocht de belanghebbende toch een aanslag krijgen, dan moet de gemeente hiervoor bijstand verlenen. De inkomsten worden volledig gekort zonder rekening te houden met onkosten. Als er een teruggaaf van de Belastingdienst voor deze onkosten uit gastouderopvang volgt, wordt deze buiten beschouwing gelaten. HOOFDSTUK8.VERMOGEN EN BIJSTAND ALGEMEEN GEBRUIKELIJKE BEZITTINGEN Bij het vaststellen van het vermogen wordt geen rekening gehouden met algemeen gebruikelijke bezittingen. Onder algemeen gebruikelijke bezittingen wordt verstaan: gebruikelijke huisraad en inboedel; de waarde van de auto’s (ook 45-kilometerwagen),motoren, brommers, scooters en elektrische fietsen (onder aftrek van € 500,00 zijnde de gemiddelde waarde van een gewone fiets) tot een bedrag van in totaal € 5.000,00 die bij de aanvang van de uitkering in het bezit zijn. De meerwaarde wordt in deze gevallen meegenomen in de vermogensvaststelling. Voor de waarde vaststelling van de auto wordt aangesloten bij de ANWB-lijst. Als een auto niet meer voorkomt op de ANWB-lijst wordt uitgegaan van de gemiddelde prijs op www.autotrack.nl Wanneer echter voorzienbaar was dat een belanghebbende een beroep op bijstand zou moeten doen en hij voor die tijd nog een auto, motor, brommer, scooter of elektrische fiets aanschaft, wordt de waarde van de auto wel volledig tot het vermogen gerekend. Onder algemeen gebruikelijke bezittingen wordt niet verstaan: vrachtauto aanhangwagen caravan en/of boot INTEREN VERMOGEN Wanneer vaststaat dat een belanghebbende voor de aanvraag om bijstand over vermogen beschikte boven de vrijlatingsgrens en hij er redelijkerwijs vanuit kon gaan dat hij een beroep zou moeten doen op een bijstandsuitkering wanneer dit vermogen op was, wordt nagegaan of hij zijn vermogen op een verantwoorde wijze heeft ingeteerd. Wanneer hij maandelijks niet meer heeft uitgegeven dan anderhalf keer de voor hem geldende bijstandsnorm, wordt aangenomen dat het vermogen op een verantwoorde wijze is ingeteerd. KREDIETHYPOTHEEK Inleiding Bij de beoordeling of een belanghebbende aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering moet de vraag gesteld worden of belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ook bij een zelf bewoonde eigen woning kunnen dergelijke omstandigheden zich voordoen. Een eigen woning vertegenwoordigt echter, na aftrek van de daarop rustende schulden, een bepaald vermogen. De belanghebbende beschikt dan over middelen die in aanmerking moeten worden genomen. Eigenlijk is er geen aanleiding om bijstand te verlenen. De belanghebbende heeft immers de mogelijkheid om of zijn huis verder te bezwaren of zijn huis te verkopen. Het eerste is niet altijd realiseerbaar omdat de bank ook naar het inkomen kijkt en bij het verkopen van het huis dient vervangende woonruimte aanwezig te zijn. Bovendien is het in een aantal gevallen niet redelijk dat de zelf bewoonde woning wordt verkocht of verder te gelde wordt gemaakt. Voor deze situatie is de mogelijkheid ingevoerd om, als verkoop, bezwaring of verdere bezwaring niet in redelijkheid kan worden verlangd, de bijstandsverlening in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, de zogenaamde krediethypotheek, te verstrekken. Er kan ook voor worden gekozen de bijstand in de vorm van een gewone geldlening te verstrekken, maar een krediethypotheek biedt extra zekerheid. Als binnen twee jaar na beëindiging van bijstand onder verband van krediethypotheek opnieuw recht bestaat op bijstand, wordt deze verstrekt met toepassing van de "oude" krediethypotheek. Daarop voortbordurend kan ook worden afgezien van het opnieuw taxeren van een woning, wanneer de woning in de vorige bijstandsperiode al onderdeel is geweest van de vermogensbepaling. Ook in dit geval mag de periode tussen de beëindigingsdatum en de nieuwe aanvangsdatum niet meer dan twee jaar bedragen. Vaststellen van de krediethypotheek Uitgegaan wordt van de taxatiewaarde die geldt voor de WOZ. In bijzondere situaties kan alsnog een beëdigd taxateur worden ingeschakeld. Bijvoorbeeld wanneer de woning net ingrijpend is verbouwd en hier bij de bepaling van de WOZ geen rekening is gehouden. Op de waarde van het huis moeten in mindering worden gebracht de hypotheekschuld en/of de overige reële schulden die verband houden met het huis en eventueel de contante waarde van de zakelijke rechten, zoals het recht van gebruik en bewoning. Aflossing, looptijd en beëindiging Na afloop van de bijstandsverlening moet de geldlening maandelijks worden terugbetaald. Uitgangspunt is dat de geldlening in tien jaar wordt afgelost. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld. Als het inkomen de van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overschrijdt, hoeft er niet te worden afgelost. Als het inkomen hoger is dan de geldende bijstandsnorm, wordt de aflossing vastgesteld op 50% van het verschil tussen de bijstandsnorm en het inkomen. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt de gemeente, zo nodig tussentijds, de aflossing hoger of lager vast. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de eventuele bijzondere kosten van de belanghebbende. Als de belanghebbende gedurende de aflossing nalatig is in het maandelijks betalen van de aflossing, wordt het nog niet afgeloste deel van de lening direct opeisbaar en is daarover ook de wettelijke rente verschuldigd. De geldlening is niet rentedragend over de periode waarin bijstand werd genoten. Als na afloop van een tienjarige aflossingsperiode een deel van de geldlening nog niet is afgelost, moet helft van de wettelijke rente worden betaald over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Verkoop van de woning Bij verkoop of vererving van de woning wordt het nog niet afgeloste gedeelte van de geldlening en de bijgeschreven rente direct afgelost. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden van sociale of medische aard of werkaanvaarding elders, kan de gemeente toestemming geven om een andere woning te kopen. Als de woning wordt verkocht tegen een prijs die normaal is in het economisch verkeer en de opbrengst lager is dan het restant bedrag van de geldlening en rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. Opgave stand krediethypotheek aan belanghebbende Na afloop van het kalenderjaar wordt aan de belanghebbende opgave gedaan van de stand van de geldlening en de rentevordering. Ook bij de beëindiging van de bijstand wordt een dergelijke opgave verstrekt. WOONWAGENS EN WOONSCHEPEN Bij overwaarde wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt. VRIJLATING GIFTEN Artikel 1 Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Een gift wordt vrijgelaten als deze is bedoeld voor kosten waarvoor de cliënt, zonder de gift, een vergoeding bijzondere bijstand of WMO-voorziening voor zou krijgen. Dit kunnen eenmalige en periodieke giften zijn. Artikel 3 Andere eenmalige en periodieke giften anders dan genoemd in artikel 2 van dit onderdeel, wordt vrijgelaten tot € 1.200,- per uitkering per kalenderjaar. Artikel 4 Meldingsplicht geldt in dezen niet tot de hoogte van de vrijlating. (valt buiten de werkingssfeer van artikel 17 Pw). Artikel 5 Indien er een gift ontvangen wordt die het genoemde bedrag onder artikel 3 overstijgt, dan dient het meerdere tot middelen gerekend te worden. Tenzij het een gift betreft voor noodzakelijke kosten dan wel uit medisch oogpunt wenselijke kosten, voor zover de levensstandaard hierdoor niet wordt verhoogd. Artikel 6 Bij een gift in natura bepaalt het college wat de gift waard is in geld en of dit tot de middelen gerekend wordt (zie toelichting). Artikel 7 Uitzondering Inkomsten uit arbeid; Inkomsten uit vermogen; Giften in natura die verstrekt worden vanuit charitatieve instellingen (wordt reeds ten alle tijden vrijgelaten); Zie artikel 5. Artikel 8 Verplichtingen Voor bedragen boven het grensbedrag van € 1.200,-, geldt de inlichtingenplicht als genoemd in artikel 17 van de wet. Artikel 9 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze regeling, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college. Artikel 10 Inkomsten/vermogen Giften met een periodiek karakter worden voor het meerdere boven de maximum vrijlating in aanmerking genomen als inkomen. Giften met een eenmalige karakter worden voor het meerdere boven de maximum vrijlating in aanmerking genomen als vermogen. Toelichting Algemeen De definitie van een gift kan worden omschreven als ‘een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling, waarvoor niets wordt terugverlangd’. Deze beleidsregel geeft aan hoe er met het ontvangen van giften moet worden omgegaan. Door giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Het uitgangspunt hierbij is dat particuliere en maatschappelijke initiatieven zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Wanneer deze giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Dit mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand kan de vrijlating daarom niet onbeperkt zijn. Bij het vaststellen van deze beleidsregels is geen onderscheid gemaakt tussen uitkeringsgerechtigden van 18 tot 21 jaar die in vergelijking met personen van 21 jaar en ouder een lagere bijstandsnorm ontvangen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de landelijke zienswijze met betrekking tot kwetsbare jongeren. Kwetsbare jongeren vallen vaak tussen wal en schip wat betreft (schuld)hulpverlenende instanties. Het is wenselijk om (verdere) schuldproblematiek te voorkomen bij deze groep. Er is daarom gekozen om geen aparte (beleids-)regel op te nemen voor jongeren van 18 tot 21 jaar. De genoemde criteria in deze beleidsregels zijn slechts handvatten om tot een redelijke afweging te komen wat wel en wat niet verantwoord is in het kader van (verdere) bijstandsverlening: in bijzondere gevallen kan het individualiseringsprincipe worden toegepast. Omdat geen enkele situatie hetzelfde is, blijft het kunnen bieden van maatwerk een belangrijk uitgangspunt voor deze beleidsregels. Artikelsgewijs toelichting Artikel 2 van het beleid Giften kunnen in verschillende vormen aan de belanghebbende worden geschonken: per bankoverschrijving, contant of in natura. Voor het vaststellen van de economische waarde van giften in natura wordt gebruik gemaakt van de NIBUD-prijzengids. Het krijgen van een gift heeft niet altijd gevolgen voor een uitkering. Wij laten giften voor een bepaald doel vrij als de cliënt - wanneer diegene de gift niet had gekregen – speciaal daarvoor een vergoeding uit een voorziening als de bijzondere bijstand of de Wet maatschappelijke ondersteuning had kunnen krijgen. Het wordt onredelijk geacht om de besparing van een beroep op een van deze overheidsvoorzieningen te niet te doen door deze mee te wegen bij de verlening van algemene bijstand. Daarom wordt dit soort giften vrijgelaten. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om periodieke of eenmalige giften. Artikel 3 van het beleid Ook andere giften dan genoemd in het tweede artikel van het beleid laten wij voor een deel vrij. Bij het vaststellen van de hoogte van de vrijlating is aansluiting gezocht bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: 25-1-2012, nr. 09/5310 WWB, ECLI:NL: CRVB:2012. In deze uitspraak heeft de Raad besloten dat giften verantwoord zijn om vrij te laten, voor zover deze per kalenderjaar beneden de voor die persoon geldende bijstandsnorm per maand blijft. Vanuit een praktisch en systeemtechnisch oogpunt, is gekozen voor een vast drempelbedrag van € 1200,- per kalenderjaar. Daarnaast zorgt een vast bedrag voor gelijkheid onder alle belanghebbenden, ook wanneer men gedurende het jaar meerdere uitkeringsnormen ontvangt. Voor de uitvoering van deze beleidsregels gelden de vrijlatingen per uitkering, niet per persoon. Dit houdt in dat voor een alleenstaande ouder en gehuwden (en daarmee gelijkgestelden) dezelfde vrijlating van toepassing is als voor een alleenstaande. Het drempelbedrag ad € 1200,- wordt toegerekend aan een kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december). Wanneer iemand minder dan het drempelbedrag aan giften heeft ontvangen, mag het restant niet mee worden genomen naar het volgend jaar. Voor mensen die gedurende het jaar een uitkering toegekend hebben gekregen, geldt dat de drempel van € 1200,- geldt voor de periode van de aanvraag van de bijstandsuitkering tot en met 31 december van dat jaar. Artikel 4 van het beleid Er geldt geen meldingsplicht voor het ontvangen van giften wanneer deze onder €1200,00 per jaar bedragen. Wel wordt van de bijstandsgerechtigde gevraagd en verwacht dat zij dit zelf bijhouden en daardoor kunnen melden wanneer dit bedrag overschreden wordt. Artikel 5 van het beleid Voorbeelden van giften zijn: verjaardagsgeld, cadeaus, boodschappengeld van een familielid, financiële ondersteuning van bijvoorbeeld familie of naasten, onderhandse leningen, et cetera. Wanneer de gift het drempelbedrag van € 1200,- overstijgt, dient het meerdere als middel in aanmerking genomen te worden. Bij de beoordeling of een bijdrage als een gift kan worden beschouwd is het niet van belang of deze eenmalig is verstrekt of een zekere periodiciteit kent. Boodschappen Ter verduidelijking worden boodschappen wél aangemerkt als een gift. Daarom wordt een uitkering niet nader afgestemd (buitenwettelijk begunstigd beleid). Artikel 6 van het beleid Een gift hoeft niet enkel verstrekt te worden in de vorm van geld. Dit kan ook in de vorm van natura zijn. Hierbij is eveneens sprake van een vrijlating ter hoogte van € 1200,- per kalenderjaar. Voor het vaststellen van de economische waarde van giften in natura wordt gebruik gemaakt van de NIBUD-prijzengids. Artikel 8 van het beleid Over alle ontvangsten die het grensbedrag van €1200,- overschrijden, dient de cliënt onverwijld mededeling te doen conform de inlichtingenverplichting van artikel 17 eerste lid Participatiewet. Wanneer deze inlichtingenplicht geschonden wordt, dient het college per individuele casus te achterhalen of dit (on)bewust geschonden is. HOOFDSTUK9:BIJZONDERE BIJSTAND DRAAGKRACHT IN INKOMEN Al het inkomen dat boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) wordt als draagkracht aangemerkt. Wanneer een belanghebbende inkomsten heeft inclusief vakantietoeslag wordt bij de draagkrachtberekening ook uitgegaan van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Inkomsten uit een vrijwilligersvergoeding tot de in de wet genoemde bedragen worden niet meegenomen bij het vaststellen van de draagkracht. Ook de vrijlating inkomsten wordt niet meegenomen in de draagkrachtberekening. Bij wisselende inkomsten wordt de draagkracht vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van de inkomsten van de zes maanden voorafgaand aan de aanvraag. Als de kosten hoger zijn dan de draagkracht dan komt het meerdere voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dus als bijvoorbeeld de draagkracht per maand € 20,00 is en de kosten bedragen per maand € 30,00 dan bestaat er recht op € 10,00 per maand bijzondere bijstand voor periodieke kosten. Als het om incidentele kosten gaat dan wordt de draagkracht per jaar bepaald en als de kosten hoger zijn dan wordt voor het verschil bijzondere bijstand toegekend. Periodieke bijstand wordt voor maximaal drie jaar toegekend voor bijstandsgerechtigden, pensioengerechtigden, WAO- en Wajongers. Indien de aanvrager buiten deze doelgroepen valt dan wordt de draagkracht jaarlijks vastgesteld. Op de algemene regel van 110% bestaan enkele uitzonderingen voor bepaalde kostensoorten. Dit wordt per kostensoort aangegeven en betreft bijvoorbeeld: Beschermingsbewind (inclusief griffiekosten en opstart-kosten); Woonkostentoeslag; Bijzondere bijstand voor levensonderhoud. DRAAGKRACHT IN INKOMEN EN VERBLIJF IN EEN INSTELLING Voor belanghebbenden die verblijven in een instelling (zie hoofdstuk 6) en een ander inkomen hebben wordt voor de draagkracht uitgegaan van de zak- en kleedgeldnorm plus toeslag plus de daadwerkelijke eigen bijdrage voor wonen en leven. Dit inkomen is immers niet beschikbaar voor de bijzondere kosten. De norm zak- en kleedgeld plus de eventuele verhoging is maximaal de reguliere bijstandsnorm voor de berekening van de draagkracht. De bijzondere bijstand wordt in deze gevallen voor maximaal een jaar toegekend. GEEN SPRAKE VAN DRAAGKRACHT In de volgende gevallen is er geen sprake van draagkracht: als de belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp); als er maximaal beslag op het inkomen van de belanghebbende ligt; als voor belanghebbende een minnelijke schuldregeling is opgestart door een instelling genoemd in art. 48 van de Wet op het consumentenkrediet. GEMIS HUURTOESLAG Het gemis aan huurtoeslag wordt alleen meegenomen in de draagkrachtberekening als er sprake is van kosten waarbij er draagkracht is boven 100% van de geldende bijstandsnorm. Het gemis huurtoeslag moet daarbij niet veroorzaakt worden door medebewoners of als de belanghebbende deze niet heeft aangevraagd. DRAAGKRACHT IN VERMOGEN Het vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet wordt buiten beschouwing gelaten net zoals dat geldt voor algemene bijstand. INKOMEN MINDERJARIG KIND Wordt er voor een minderjarig kind bijzondere bijstand aangevraagd? En heeft dit minderjarig kind inkomsten uit arbeid? Dan wordt geen rekening gehouden met dit inkomen voor het recht of hoogte van de bijzondere bijstand. INGANGSDATUM Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB vloeit uit artikel 44 lid 1 Participatiewet voort dat in beginsel geen bijstand wordt verstrekt voor kosten die zijn gemaakt voor de meldingsdatum. De meldingsdatum is de datum waarop een belanghebbende zich bij de gemeente heeft gemeld en heeft aangegeven dat hij bijzondere bijstand wil aanvragen. Incidentele kosten Er kan nog bijstand worden verleend voor incidentele kosten die zijn gemaakt tot drie maanden voor de datum melding. Periodieke kosten Voor periodieke kosten geldt niet dat zij met terugwerkende kracht vergoed kunnen worden. De eerste vergoeding vindt plaats vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand is gedaan. Uitzondering hierop is de bijstand voor de kosten van het salaris van een bewindvoerder, curator of mentor. Bijstand voor deze kosten kan tot drie maanden na de beschikking van de rechtbank worden aangevraagd. Belanghebbende heeft een aantoonplicht en zal bewijsstukken van de gemaakte kosten moeten inleveren. Dit kan bijvoorbeeld door middel van kopieën van nota’s. Bij elke kostensoort zal apart worden aangegeven welke bewijsstukken ingediend moeten worden als dit afwijkt van de algemene regeling. BABYUITZET Alle benodigdheden die noodzakelijk zijn voor de komst van een baby. Hieronder vallen niet de inrichting van de babykamer, zoals het bed, matras en commode. Vergoeding bijzondere bijstand Vergoeding via bijzondere bijstand is in beginsel niet mogelijk. De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand, door middel van reservering, dan wel gespreide betaling achteraf. In uitzonderingssituatie kan er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. In dat geval kan bijzondere bijstand om niet verstrekt worden voor de kosten van kleding en verzorging. Wanneer een alleenstaande (ouder) de vergoeding aanvraagt moet ook worden bekeken of de vader van het kind kan bijdragen in de kosten. Bijzonderheden Indien er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor er toch bijzondere bijstand verleend wordt, dan wordt de hoogte van de bijzondere bijstand jaarlijks op 1 januari vastgesteld. BELASTINGAANSLAG Er kan bijstand voor een belastingaanslag worden verleend wanneer: een belanghebbende bruto inkomsten heeft die zijn gekort op de uitkering; en zijn inkomen door die belastingaanslag in dat jaar onder de bijstandsnorm komt; een voorlopige of definitieve aanslag kan overleggen. ALLEENVERDIENENDE HUISHOUDENSPROBLEMATIEK Inwoners van de gemeente Emmen die in het jaar 2022 e.v. zorg- en huurtoeslag zijn misgelopen door een ongewenst effect van verschillende wet- en regelgevingen, kunnen beroep doen op de individuele bijzondere bijstand. Artikel 1: Vergoeding 2022 De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen de definitieve beschikking en in het individuele geval mogelijke maximale huur- en zorgtoeslag. Artikel 2: Vergoeding 2023 e.v. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen de voorlopige beschikking en in het individuele geval mogelijke maximale mogelijke huur- en zorgtoeslag. Artikel 3: Voorwaarden Zij zijn toeslagenpartners en voeren een gezamenlijk huishouden (art. 3 Participatiewet); Alleenverdiener ontvangt een loongerelateerde uitkering; De uitkering wordt aangevuld middels (de Toeslagenwet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.