:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 3:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 3:4 Verboden incidentele activiteiten Artikel 3:5 Voorschriften collectieve en incidentele festiviteiten in inrichtingen Artikel 3:6 Buitenterreinen Artikel 3:7 Geluidhinder in de openlucht Artikel 3:8 (Geluid)hinder door dieren Artikel 3:9 (Geluid)hinder door motorvoertuigen en bromfietsen Artikel 3:10 Geluid)hinder door vrachtwagens Afdeling 2 Het bewaren van houtopstanden Artikel 3:11 Definities Artikel 3:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Artikel 3:12a Lijst van monumentale bomen Artikel 3:13 Aanvraag vergunning Artikel 3:14 Weigeringsgronden Artikel 3:15 Bijzondere vergunningvoorschriften Artikel 3:16 Herplant-/instandhoudingsplicht Artikel 3:17 Afstand van de erfgrenslijn Artikel 3:18 Bestrijding van boomziekten Artikel 3:19 Bescherming publieke houtopstand Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 3:20 Artikel 3:20a Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Handelsreclame Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterrein Artikel 3:21 Definities Artikel 3:22 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 3:23 Aanwijzing kampeerplaatsen HOOFDSTUK 4 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 4:
Artikel 4:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 4:4 Defecte voertuigen Artikel 4:5 Voertuigwrakken Artikel 4:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens, keetwagens e.a. Artikel 4:7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 4:8 Parkeren van grote voertuigen Artikel 4:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 4:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 4:11 Overlast van fiets of bromfiets Afdeling 2 Artikel 4:12 Collecteren Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving Afdeling 3 Venten Artikel 4:13 Definities Artikel 4:14 Artikel 4:14a Ventverbod Regels aan het venten Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 4:15 Definities Artikel 4:16 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 4:17 Toestemming rechthebbende Artikel 4:18 Afbakeningsbepalingen Afdeling 5 Openbaar water Artikel 4:19 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 4:20 Beschadigen van waterstaatswerken Artikel 4:21 Reddingsmiddelen Afdeling 6 Crossterreinen en gemotoriseerd ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 4:22 Definities Artikel 4:23 Crossterreinen Artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden Afdeling 7 Verbod vuur te stoken Artikel 4:25 Verbod afvalstoffen te verbanden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Afdeling 8 Verstrooiing van as Artikel 4:26 Definities Artikel 4:27 Verboden plaatsen Artikel 4:28 Hinder of overlast Artikel 4:29 Verbod vuur te stoken HOOFDSTUK 5 INZAMELING AFVALSTOFFEN Afdeling 1 Algemeen Artikel 5:1 Begrippen Artikel 5:2 Doelstelling Afdeling 2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5:3 Aanwijzing van de inzameldienst Artikel 5:4 Regulering van andere inzamelaars Artikel 5:5 Aanwijzing van inzamelplaats Artikel 5:6 Algemene verboden Artikel 5:7 Afvalscheiding Artikel 5:8 Gescheiden aanbieding Artikel 5:9 Tijdstip van aanbieding Artikel 5:10 Wijze en plaats van aanbieding Afdeling 3 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 5:11 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door afvalstoffendienst Artikel 5:12 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Artikel 5:13 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen Afdeling 4 Zwerfafval en overige Artikel 5:14 Dumpingsverbod Artikel 5:15 Zwerfafval in de openbare ruimte Artikel 5:15a Ongeadresseerd reclamedrukwerk Artikel 5:16 Zwerfafval rondom inrichtingen Artikel 5:17 Afval en verontreiniging op de weg Artikel 5:18 Geen opslag van afval in de openlucht Artikel 5:19 Ontdoen van autowrakken Afdeling 4a Kadavers van gezelschapsdieren Artikel 5:19a Kadavers van gezelschapsdieren HOOFDSTUK 6 CULTUREEL ERFGOED Afdeling 1 Algemeen Artikel 6:
:2 Gemeentelijk erfgoedregister Afdeling 2 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 6:3 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 6:4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Afdeling 3 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 6:5 Aanwijzing als gemeentelijk monument Artikel 6:6 Voornemen tot aanwijzing Artikel 6:7 Voorbescherming Artikel 6:8 Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 6:9 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Artikel 6:10 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Artikel 6:11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Artikel 6:12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Afdeling 4 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 6:13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Artikel 6:14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Artikel 6:15 Weigeringsgronden Afdeling 5 Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 6:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 6:17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Artikel 6:18 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning Afdeling 6 Handhaving en toezicht Artikel 6:19 Strafbepaling Artikel 6:20 Toezichthouders Afdeling 7 Vangnet archeologie Artikel 6:21 Vangnet archeologie HOOFDSTUK 7 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR Afdeling 1 Inleidende bepalingen Artikel 7:1 Begripsbepalingen Artikel 7:2 Toepasselijkheid Artikel 7:3 Nadere regels Afdeling 2 Aanvragen en melden van graafwerkzaamheden Artikel 7:4 Instemmingsvereiste Artikel 7:5 Aanvragen en melden Artikel 7:6 Gegevensverstrekking Artikel 7:7 Termijnen Artikel 7:8 Voorschriften en beperkingen Artikel 7:9 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg Afdeling 3 Overige bepalingen Artikel 7:10 Verleggingen Artikel 7:11 Breekverbod Artikel 7:12 Eigendom Artikel 7:13 Niet-openbare kabels en leidingen Artikel 7:14 Digitale gegevens Artikel 7:15 Overleg Afdeling 4 Handhavings- en toezichtbepalingen Artikel 7:16 Toezicht en handhaving door ambtenaren Artikel 7:17 Naleving voorschriften Artikel 7:18 Handhaving en sancties HOOFDSTUK 8 STRAF- OVERGANGS EN SLOTBEPALINGEN Artikel 8:1 Intrekken oude verordening Artikel 8:2 Strafbepaling Artikel 8:3 Overgangsbepaling Artikel 8:4 Inwerkingtreding Artikel 8:5 Citeertitel HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; Weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet; Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage onder A, bij de Omgevingswet; Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Bouwwerk: hetgeen in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet daaronder wordt verstaan; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de omgevingswet. College: het college van burgemeester en wethouders; Gebouw: hetgeen in bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving daaronder wordt verstaan; Makelaarsbord: ieder bord, particulier dan wel commercieel, dat tot doel heeft de verkoop/verhuur van een pand kenbaar te maken dan wel te bevorderen. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; Vfl: Verordening fysieke leefomgeving Gulpen-Wittem 2024. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag; 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel1:3Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning is zaaksgebonden, een ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:5Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of indien de houder dit verzoekt. Indien de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verstrekt, is komen te vervallen/is beëindigd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel1:6Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:7Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel1:8Samenloop 1.Het bevoegde bestuursorgaan kan een aanvraag voor een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening weigeren of een melding niet accepteren indien: voor dezelfde plaats reeds een vergunning of ontheffing is verleend of melding is geaccepteerd of daarvoor reeds een volledige aanvraag of melding was ingediend en de verschillende activiteiten of handelingen waarvoor een vergunning of ontheffing is gevraagd of verleend of melding is geaccepteerd redelijkerwijs niet gelijktijdig op dezelfde plaats kunnen worden gehouden of uitgevoerd. 2.de burgemeester kan een vergunning voor een evenement weigeren indien reeds een vergunning is verleend of aangevraagd voor een vergelijkbaar evenement binnen dezelfde kern dat gelijktijdig wordt gehouden of binnen een periode van drie weken voor of na het andere evenement. HOOFDSTUK2.WEGEN EN OMGEVING Afdeling1 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG Artikel2:1Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 m strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer, dan wel zo breed mogelijk indien van oudsher een smallere doorgang bestaat. 3.Het college kan in aanvulling op lid 1 in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor het afwijkend gebruik van de weg. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; standplaatsen als bedoeld in artikel 4:12; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:2Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: in het belang van de bruikbaarheid van de weg; in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen van de gemeente; in het belang van de bruikbaarheid van een openbare parkeergelegenheid; als er sprake is van strijdigheid met andere wet- en regelgeving. 3.De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 4.Het college kan beleidsregels opstellen ter uitleg van de verbodsgronden genoemd in het tweede lid. 5.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Afdeling2 VEILIGHEID OP DE WEG Artikel2:3Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel2:4Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:5Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, of heide of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode en in ieder geval in de maanden mei tot en met november; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3.De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. 4.Het is verboden hooi of stro of andere brandgevaarlijke stoffen op te slaan in bossen of heide of binnen een afstand van dertig meter daarvan. Artikel2:6Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel2:6a(slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen 1.Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de afdeling 4 van hoofdstuk 3. HOOFDSTUK3.BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON Afdeling1. GELUIDHINDER EN VERLICHTING Artikel3:1Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 3:2 tot en met 3:6 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Horeca-inrichting: een inrichting waarbij sprake is van: Hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek of een daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereik of verstrekt. Dansscholen en andere inrichtingen waar één of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het dansen; Muziekscholen, muziekoefenlokalen en andere inrichtingen waar één of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het beoefenen van muziek. Artikel3:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente. 3.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 4.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Artikel3:3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is toegestaan in een horeca -inrichting om maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voorafgaand aan de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Het is toegestaan in een inrichting, niet zijnde horeca-inrichting, toegestaan om maximaal 2 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voorafgaand aan de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. Dit formulier wordt ook digitaal ter beschikking gesteld en kan digitaal worden ingediend via de gemeentelijke website. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ontvangen op de plaats op dat formulier vermeld of op de wijze waarop de gemeentelijke website aangeeft hoe een (digitale) kennisgeving ingediend moet worden. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Minimaal acht dagen voorafgaand aan een incidentele festiviteit dienen omwonenden in de directe omgeving van de inrichting schriftelijk in kennis gesteld te worden van aard, datum, contactpersoon, aanvangstijd en de duur van die festiviteit. Artikel3:4Verboden incidentele festiviteiten 1.Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten dan wel feitelijk te leiden indien: de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:3 is gedaan; gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 3.3 zijn verstrekt; de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige (onduldbare) hinder te voorkomen; het maximaal toegestane aantal festiviteiten als vervat in artikel 3:3, lid 1 dan wel lid 2 van deze verordening is overschreden; er sprake is van overmatige (onduldbare) hinder naar de omgeving toe. 2.Van overmatige hinder als bedoeld in het eerste lid, sub c is sprake indien ten tijde van een incidentele festiviteit het algemeen geldende maximaal toelaatbare geluidsniveau met meer dan 15 dB(A) LAr,LT wordt overschreden. 3.In aanvulling op het gestelde in het tweede lid is eveneens sprake van overmatige (onduldbare) hinder, als bedoeld in het eerste lid, sub c, indien: in de lokaliteit het gemeten geluidniveauverschil tussen het LCeq en het LAeq het geluidniveau van 15 dB overschrijdt; het gemeten geluidniveau ter plaatse van een gevel of inpandig bij een gevoelig object het verschil tussen het LCeq-niveau en het LAeq-niveau van 15 dB overschrijdt. Artikel3:5Voorschriften collectieve en incidentele festiviteiten in inrichtingen Het is verboden een incidentele of collectieve festiviteit binnen een inrichting te organiseren, toe te laten dan wel feitelijk te leiden indien de houder van de inrichting verzuimt de hiernavolgende voorschriften na te leven: Ten tijde van een incidentele of collectieve festiviteit dient het ten gehore brengen van extra muziekgeluid/geluid – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer - uiterlijk om 23:00 uur en op vrij-, zaterdagen en erkende feestdagen om 01:00 uur te zijn beëindigd. Bij horeca-inrichtingen mag maximaal eenmaal per kalenderjaar twee dagen, die elk afzonderlijk als een incidentele activiteit gelden, achter elkaar worden opgenomen als incidentele festiviteit, mits dit toelaatbaar is ten aanzien van de omgevingsdruk. Ten tijde van een incidentele dan wel collectieve festiviteit mag geen sprake zijn van overmatige (onduldbare) hinder en mag het geluidniveau in een inrichting nooit meer dan 102 dB(A) LAeq bedragen waar ook gemeten in de lokaliteit; Geluidmetingen vinden plaats conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (kortweg HMRI’99), De geluidsniveaus worden bepaald zonder toeslagen en correcties zoals deze zijn genoemd in de kortweg HMRI’99, uitgezonderd de correctie van de gevelcorrectie voor zover een meting met enkel invallend geluid noodzakelijkerwijs uit praktische overwegingen niet mogelijk is bij de uitvoering van de meting. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen; de toegangsdeuren mogen niet in geopende stand worden vastgezet, moeten zelfsluitend zijn uitgevoerd en dienen zacht te sluiten. De glasbezetting mag ten tijde van een incidentele dan wel collectieve festiviteit en tijdens het ten gehore brengen van muziek en/of spraak via een geluidsinstallatie niet geheel of gedeeltelijk gebroken of beschadigd zijn. Zowel ten tijde van een incidentele als van een collectieve festiviteit is het gebruik van geluidsboxen op het terras, aan de gevels en/of in raam- c.q deuropeningen van inrichtingen, niet toegestaan. Artikel3:6Buitenterreinen (Voorheen artikel 4:4a APV) De aanwijzing van een collectieve festiviteit als bedoeld in artikel 3:2, dan wel de kennisgeving van een incidentele festiviteit, als bedoeld in artikel 3:3 is niet van toepassing op een buitenterrein of terras, behorende bij een inrichting. Artikel3:7Geluidhinder in de openlucht (Voorheen artikel 4:6 APV) 1.Het is verboden (buiten een inrichting) in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het college kan terreinen aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:8(Geluid)hinder door dieren (Voorheen artikel 4:6a APV) Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit voor omwonenden of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel3:9(Geluid)hinder door motorvoertuigen en bromfietsen (Voorheen artikel 4:6b APV) Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel3:10(Geluid)hinder door vrachtwagens (Voorheen artikel 4:6c APV) 1.Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1994 op zodanige wijze te laden of te lossen dat hierdoor voor omwonende of overigens (geluid)hinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Afdeling2 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN Artikel3:11Definities (Voorheen artikel 4:10 APV) 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, opgaand gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg, met een lengte van minimaal 25 meter. hakhout: een of meer bomen, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving. kandelaberen: (een boom) snoeien tot op de hoofdtakken. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting. 2.In deze afdeling wordt onder vellen verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel3:12Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (Voorheen artikel 4:11 APV) 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand in privaat eigendom op percelen van minder dan 120m2, tenzij het een monumentale boom betreft. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. het vellen van naaldbomen en coniferen. bomen met een stamdiameter kleiner dan 25 centimeter, gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld. 4.Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel3:12aLijst van monumentale bomen Het college stelt een lijst op van monumentale bomen en beschermingswaardige bomen en houtopstanden binnen het grondgebied van de gemeente. Artikel3:13Aanvraag vergunning De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Artikel3:14Weigeringsgronden 1.Een vergunning wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: natuur en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid; beeldbepalende waarde van de houtopstand. 2.Een vergunning voor het vellen van een monumentale en beschermingswaardige boom of houtopstand wordt slechts bij uitzondering verleend, indien: een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale of beschermingswaardige boom of houtopstand; geen alternatieven aanwezig zijn; naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. Artikel3:15Bijzondere vergunningsvoorschriften 1.Aan een vergunning kunnen tevens de navolgende voorwaarden worden verbonden: een herplantverplichting; indien herplant niet mogelijk is de verplichting tot storting van een geldelijke bijdrage in het gemeentelijk herplantfonds; 2.Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel3:16Herplant-/instandhoudingsplicht 1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2.Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage gestort in het gemeentelijk herplantfonds. 3.De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 3:11 van deze verordening genoemde minimummaat. 4.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 5.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het college. degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel3:17Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Artikel3:18Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid van dit artikel gestelde verbod. Artikel3:19Bescherming publieke houtopstand 1.Het is verboden om houtopstanden en groenvoorzieningen, die publiek eigendom zijn: te beschadigen, te bekladden of te beplakken. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken. 2.Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college. Afdeling 3. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel3:20Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 3:21 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. Artikel3:20aHandelsreclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook die vanaf de weg zichtbaar is, indien de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht; ernstige hinder, overlast of gevaar voor de omgeving wordt veroorzaakt; de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving ontsierend is; overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak ontstaat. 2.Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de het bevoegde bestuursorgaan; opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking hebben op: openbare verkoping of aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd. 3.Opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben. 4.Opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 5.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken en dezen opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 6.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Afdeling4. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREIN Artikel3:21Definities In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel3:22Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein, tenzij dat gebruik in strijd is met het omgevingsplan. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Naast de weigeringsgronden in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:23Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 3:22, eerste lid niet van toepassing is. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 3:22, vierde lid, onder a en b. HOOFDSTUK4.ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling1. PARKEEREXCESSEN Artikel4:1Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel4:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4.4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel4.5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel4.6Kampeermiddelen, aanhangwagens, keetwagens e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom van de gemeente Gulpen-Wittem of op andere door het college aangewezen plaatsen, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel4:7Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel4:8Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op of aan de openbare weg, met uitzondering van plaatsen door het college aangewezen. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 3.Het college kan van het in eerste lid genoemde verbod een ontheffing verlenen. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel4:9Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel4:10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:11Overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. Afdeling2. COLLECTEREN Artikel4:12Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.Het is verboden zonder toestemming van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; of door een instelling die is ingedeeld op het landelijk collecte- en wervingsrooster voor het betreffende kalenderjaar, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster plaatsvindt; of door een andere, door het college aangewezen instelling. Afdeling3. VENTEN Artikel4:13Definities 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 4:15. Artikel4:14Ventverbod 1.Het is verboden te venten: indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt, of tussen 22.00 en 10.00 uur op door de weekse- of zondagen. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 3.Het verbod bedoeld in het eerst lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Artikel4:14aRegels aan het venten 1.Voor het venten dient aan de volgende regels te worden voldaan: Er moet uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het venten melding zijn gedaan aan het college; De venter moet minstens 18 jaar zijn en voorzien zijn van een legitimatiebewijs; De venter mag geen overlast veroorzaken voor winkelend publiek en overige voetgangers en gebruikers van de openbare ruimte; De venter mag zich niet ophouden op of nabij hoeken van wegen; De venter mag zich niet ophouden binnen een afstand van 50 meter, gemeten langs de straat, van een winkel of een standplaats die dezelfde of soortgelijke waren, goederen of diensten aanbiedt als waarmee wordt gevent; Er mag geen gebruik worden gemaakt van een geluidsinstallatie of megafoon; De venter is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden; Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 2.Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Afdeling 4. STANDPLAATSEN Artikel4:15Definities 1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV. Artikel4:16Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Een standplaats mag worden ingenomen iedere dag van 10.00 uur tot en met 22.00 uur en overeenkomstig het bepaalde in de Winkeltijdenverordening 2. 3.Naast de weigeringsgronden in artikel 1:7 weigert het college de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 4.Naast de weigeringsgronden in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:17Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel4:18Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 4.13, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2.De weigeringsgrond van artikel 4.13, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Afdeling5. OPENBAAR WATER Artikel4:19Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel4:20Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening. Artikel4:21Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Afdeling 6. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN Artikel4:22Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel4:23Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel4:24Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, quad, bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 7. VERBOD VUUR TE STOKEN Artikel4:25Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. 6.Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 8. VERSTROOIING VAN AS Artikel4:26Definities In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.