Uitvoerings- en handhavingsstrategie Fryslân 2024Uniform beleid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving van de provinciale en gemeentelijke basistaken Colofon Datum 20 oktober 2023 Versie 0.5 Status Definitief Proloog Voor u ligt de gezamenlijke uitvoerings- en handhavingsstrategie voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van de Fryske gemeenten en provincie. Deze uitvoerings- en handhavingsstrategie gaat over de basistaken die de FUMO voor haar deelnemers uitvoert. Een gezamenlijke uitvoerings- en handhavingsstrategie voor het gehele werkgebied van de FUMO is wettelijk vereist, zoals blijkt uit Omgevingsbesluit artikel 13.5, tweede lid. Deze uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de basistaken is onderdeel van het gemeentelijke en provinciale VTH-beleid. De Fryske gemeente en provincie hebben naast deze basistaken ook andere VTH-taken onder de Omgevingswet die zij zelf uitvoeren, laten uitvoeren, of (gedeeltelijk) laten uitvoeren door de FUMO. Voor deze niet-basistaken geldt de voorliggende strategie niet. Ook geldt de voorliggende strategie niet voor de basistaken die de Omgevingsdienst Groningen (ODG) namens de provincie uitvoert. De voorliggende uitvoerings- en handhavingsstrategie is een actualisatie, en is qua vorm en inhoud gebaseerd op het VTH-beleid Fryslân, zoals in 2020 vastgesteld door de deelnemers aan de Gemeenschappelijke Regeling van de FUMO. De uitvoerings- en handhavingsstrategie is geactualiseerd omdat: per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treedt, en het VTH-beleid hierop afgestemd dient te zijn, en, er inhoudelijk draagvlak is voor de prioriteiten, doelen en strategie. Sommige onderdelen uit deze uitvoerings- en handhavingsstrategie behoeven echter nadere herziening waarvoor meer ontwikkeltijd nodig is. Wanneer deze onderdelen voldoende zijn uitgewerkt wordt een geüpdatete versie van de uitvoerings- en handhavingsstrategie opnieuw vastgesteld. Dit gebeurt naar verwachting medio
- De uitvoerings- en handhavingsstrategie gaat uit van het principe van risicogericht werken. Op basis van een ontwikkeld informatie gestuurd risicomodel zijn de risico’s in kaart gebracht en vervolgens prioriteiten gesteld om de meest doeltreffende aanpak te kunnen kiezen. De uitvoerings- en handhavingsstrategie is niet in beton gegoten en gedurende de uitvoering zijn veranderingen en afwijkingen mogelijk. In de uitvoerings- en handhavingsstrategie is rekening gehouden met en uitgegaan van de huidige financiële kaders, dus budgettair neutraal voor opdrachtgevers en de FUMO. Met de uitvoerings- en handhavingsstrategie spreken de gemeenten en de provincie een uniform uitvoeringsniveau af. Het uniforme uitvoeringsniveau is de ondergrens; meer kan, minder niet. Meer kan voor de FUMO op twee manieren. Ten eerste kan een gemeente of de provincie aangeven dat zij meer wil. Dit is dan maatwerk en leidt tot een aanvullende opdracht aan de FUMO met bijbehorende financiële middelen. Ten tweede kan tijdens de uitvoering blijken dat meer dienstverlening/productie – binnen de huidige financiële kaders – mogelijk is. Door een verandering van het basistakenpakket vanaf 1 januari 2024, onder de Omgevingswet, zijn voor de nieuwe taken (waaronder milieubelastende activiteiten, bodemactiviteiten en zuivelbedrijven). Voor deze taken zijn kengetallen opgesteld door Project
- Deze kengetallen zijn gebaseerd op aannames (zie bijlage 11) die door Project24 zijn opgesteld, en die vanaf 1 januari 2024 worden gehanteerd en getoetst aan de uitvoeringspraktijk. De uitvoerings- en handhavingsstrategie is flexibel. De uitvoerings- en handhavingsstrategie wordt vertaald in het (jaarlijkse) uitvoeringsprogramma basistaken. Daardoor wordt voorafgaand aan het uitvoeringsjaar bijvoorbeeld precies duidelijk hoeveel controles en type controles worden gepland . Zijn er wijzigingen, bijvoorbeeld nieuwe kengetallen, dan wordt het uitvoeringsprogramma aangepast met inachtneming van de gemaakte afspraken. De FUMO maakt in het uitvoeringsprogramma inzichtelijk waar men anders omgaat met bijvoorbeeld de controlefrequenties of verhouding aspect- versus integrale controles. Ook kleine beleidswijzigingen als gevolg van ontwikkelingen kunnen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma met elkaar worden afgesproken. Grote veranderingen vereisen aanpassing van de uitvoerings- en handhavingsstrategie. Maar ook dat kan. De uitvoerings- en handhavingsstrategie heeft geen vaste looptijd en kan worden aangepast als de deelnemers van de FUMO hier gezamenlijk aanleiding toe zien. De uitvoerings- en handhavingsstrategie moet als groeimodel worden gezien. Hierbij gaat het om alle facetten van het optimaliseren van de beleidscyclus en het verbeteren van de informatiehuishouding. Dat wil zeggen: De doorvertaling en het werken met het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, goede beheersing hierop organiseren en adequate bijstelling en verantwoording verzorgen. De voortgang van gestelde doelen kunnen monitoren op basis van kwalitatief goede gegevens. Er zijn goede stappen gezet bij het verbeteren van de gegevenskwaliteit, maar dit moet verder gaan. Het verbeteren en uitbouwen van het informatie gestuurde risicomodel. Nog niet voor alle risico-variabelen is de informatie beschikbaar en nog niet alle risico’s zijn in beeld. Hierin moeten nog stappen worden gezet. Samenvatting In voorliggend document is het beleid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van de basistaken in Fryslân uitgewerkt. De basistaken zijn de VTH-taken die de gemeenten en provincie wettelijk gezien verplicht bij een Omgevingsdienst moeten beleggen. De colleges van Burgemeester & Wethouders en Gedeputeerde Staten in Fryslân zijn bevoegd gezag voor het uitvoeren van deze taken. In de uitvoerings- en handhavingsstrategie maken we onderscheid in de volgende clusters van taken: Milieubelastende activiteiten bij inrichtingen Niet-inrichtinggebonden milieubelastende activiteiten (waaronder bodem en asbest) De voorliggende strategie is uitvoeringsgericht. Het beschrijft op welke wijze de gemeenten en de provincie uitvoering willen geven aan de meer strategische ambities die zij in hun strategisch beleid hebben verwoord, bijvoorbeeld ten aanzien van de kwaliteit van de leefomgeving, milieu, ondermijning, externe veiligheid, energiebesparing, duurzaamheid en klimaatadaptatie. Diverse ontwikkelingen hebben gevolgen voor de VTH-taken. Denk daarbij met name aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, de ontwikkelingen in het kader van het Interbestuurlijk programma ter versterking van het VTH-stelsel (IBP VTH), de toenemende aandacht voor nieuwe milieuthema’s zoals Zeer Zorgwekkende Stoffen, klimaatadaptatie en circulaire economie én diverse interne ontwikkelingen binnen de gemeenten, provincie en FUMO. Waar mogelijk zijn deze ontwikkelingen verwerkt in de voorliggende strategie; indien deze of andere ontwikkelingen in de nabije toekomst leiden tot wijzigingen van beleidsmatige keuzen, vindt bijstelling van de strategie plaats. Uitgangspunten De algemene uitgangspunten de uitvoering van de basistaken zijn: Aansluiting bij strategische doelen van de gemeenten en de provincie. De inzet van VTH-instrumenten voor de basistaken levert een bijdrage aan het gemeentelijk en provinciaal beleid voor onder meer een veilige, duurzame en schone omgeving. Risicogericht werken. VTH zetten we in op de activiteiten met de grootste risico’s. Op basis van risico’s bepalen we hoe diepgaand de toetsing van meldingen en vergunningen dient plaats te vinden, bij welke locaties en wanneer een controle het meest effectief is én welke toezichtsvorm hier het beste bij past. Impuls voor ketentoezicht. De grootste risico’s zien we bij de ketens voor grond- en afvalstromen. Om te verdiepen in ketens als geheel bundelen we de kennis en expertise voor het ketentoezicht. Intensieve samenwerking tussen ketenpartners. De samenwerking met verschillende partners gebeurt thema- of procesgericht. Met sommigen structureel, met anderen op incidentele basis. Kwaliteitsborging. Door kwaliteit te borgen trachten we onze doelstellingen te realiseren én te voldoen aan de wettelijke eisen. Beschikbaarheid van vakmanschap en expertise is daarbij cruciaal. Deze uitgangspunten worden bij het opstellen van de volgende uitvoerings- en handhavingsstrategie geëvalueerd en zo nodig herzien. Doelstellingen Door een evaluatie van het bestaande beleid, een inventarisatie van gemeentelijke en provinciale ambities én een analyse van problemen en risico’s bij ieder van de clusters van basistaken zijn we gekomen tot 13 doelstellingen voor de uitvoering van de basistaken. Om verbetering te bepalen wordt 2020 als referentiejaar genomen, omdat de jaargegeven van dit jaar het meest compleet zijn. Bedrijven hebben inzicht in hun bijdrage aan en verantwoordelijkheid voor een klimaatbestendig, circulair en energieneutraal Fryslân. Emissies naar water en lucht door industrie en landbouw worden gereduceerd door een branchegerichte aanpak. Verbetering van de gegevenskwaliteit van de voornaamste risicovariabelen, zodat het informatie gestuurd risicomodel voor de clusters van basistaken optimaal kan functioneren. De meest risicovolle grond- en afvalstromenketens zijn in beeld door een gerichte inzet van het ketentoezicht. De FUMO voldoet voor de basistaken aan de kwaliteitscriteria zoals beschreven in het vigerende Frysk Peil. Locaties met één of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteit(en) beschikken over een actuele melding / vergunning. De branches in de hoogste risicocategorie vertonen een verbeterd naleefgedrag ten opzichte van
- De voorschriften die gelden voor de activiteiten met de grootste milieurisico’s worden beter nageleefd dan in
- Bij overige branches en activiteiten is het geconstateerde naleefgedrag minimaal gelijk aan het naleefgedrag in
- Verbetering van het naleefgedrag bij bodemsaneringen ten opzichte van
- Verbetering van het gedrag van de uitvoerder van bodem-werken ten opzichte van
- Inzicht in illegale activiteiten en het risico van niet gemelde bodemwerken en bepalen van de structureel benodigde inzet voor toezicht op niet gemelde bodemwerken in
- Verbetering van het geconstateerde gedrag van de uitvoerder van asbestsaneringen ten opzichte van
- Doorwerking van het beleid Bovengenoemde doelstellingen zijn een onderdeel van een sluitende beleidscyclus. Zij zijn in bijlage 1 geconcretiseerd in indicatoren en normen. In het jaarverslag van de FUMO wordt jaarlijks verantwoording over de realisatie afgelegd. Daarnaast zijn deze doelstellingen (wat we willen bereiken?) in de bijlagen uitgewerkt in een strategie (hoe we dit willen bereiken?). Deze strategie bestaat uit een aantal componenten: preventie, vergunningverlening, toezicht, sanctioneren en gedogen. Zij vormen de uitwerking op hoofdlijnen van de werkwijze en intensiteit van de werkzaamheden door de FUMO. Jaarlijkse vindt een uitwerking van deze uitvoerings- en handhavingsstrategie in een uitvoeringsprogramma plaats. In dit programma wordt benoemd welke VTH-instrumenten de FUMO concreet gaat inzetten en wat de formatieve en financiële gevolgen zijn. Eventuele aanscherping van ambities kan ook in dit uitvoeringsprogramma plaatsvinden. 1Inleiding Voor u ligt deze uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de uitvoering van vergunningen, toezicht en handhaving (hierna: VTH) van de basistaken die de FUMO voor alle gemeenten in Fryslân en de provincie Fryslân uitvoert . De uitvoerings- en handhavingsstrategie is onderdeel van de beleidscyclus en vormt voor de basistaken het raamwerk voor het uitvoeringsprogramma van de gemeenten en de provincie. In deze uitvoerings- en handhavingsstrategie zijn de prioriteiten, doelstellingen en werkwijzen opgenomen voor VTH en de samenwerking met externe partners. Het bevat dus zowel strategische, tactische als operationele elementen. De gemeenten, de provincie en FUMO hebben een gemeenschappelijk belang en een gezamenlijke ambitie in het behouden van een duurzame, veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Door prioriteiten en beleidsdoelen met elkaar af te spreken, bevorderen we een duurzame naleving van wet- en regelgeving en kunnen we risico’s voor de leefomgeving beter beheersen. We bevorderen een gelijk speelveld door een uniforme manier van taakuitvoering en een gelijke behandeling van inwoners en bedrijven bij de uitvoering van de basistaken te bevorderen. 1.1Achtergrond Gemeenten en provincies zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht regelt de fysieke omgeving waarin wij leven. Daartoe behoren milieu, water, natuur en ruimtelijke ordening. Het omgevingsrecht is vaak aan veranderingen onderhevig en complex. Ondanks dat er veel wetgeving wordt vereenvoudigd, blijft er altijd regelgeving nodig voor de bescherming van het milieu en meer specifiek voor geluid, geur, lucht, licht, water, bodem, trilling, natuur, afval en externe veiligheid. Ter bevordering van de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht zijn landelijk 29 omgevingsdiensten opgericht. Binnen de provincie Fryslân verzorgt de FUMO voor alle gemeenten en de provincie de basistaken. Daarnaast zijn er landelijk 6 Brzo-omgevingsdiensten die de Brzo-taken uitvoeren. Omdat FUMO geen Brzo-omgevingsdienst is, voert de ODG deze Brzo-taken uit voor de provincie. Voor enkele van deze deelnemers en het Wetterskip verzorgt de FUMO ook aanvullende taken (zogenaamde plustaken). In het Omgevingsbesluit, artikel 13.5, tweede lid, wordt gesteld dat de bestuursorganen die deelnemen aan een omgevingsdienst gezamenlijk een uitvoerings- en handhavingsstrategie opstellen voor de basistaken. Deze uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de basistaken is tot stand gekomen met inbreng van deelnemers aan de Gemeenschappelijke Regeling van de FUMO, de FUMO, de veiligheidsregio en het Wetterskip. In fase twee (zie paragraaf 1.4) wordt de uitvoerings- en handhavingsstrategie ter consultatie voorgelegd aan de omliggende omgevingsdiensten, veiligheidsregio (brandweer en GGD), Wetterskip en het Openbaar Ministerie. 1.2VTH-beleid in de beleidscyclus Het voorliggend beleidsplan is uitvoeringsgericht beleid. Het beschrijft op welke wijze de gemeenten en provincie uitvoering willen geven aan de meer strategische ambities die zij in hun Omgevingsvisies hebben verwoord, bijvoorbeeld ten aanzien van de kwaliteit van de leefomgeving, milieu, ondermijning, externe veiligheid, energiebesparing en klimaatadaptatie. In de Omgevingswet worden regels gesteld waar het bevoegd gezag zich aan moet houden bij het uitvoeren van de VTH-taken. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie zijn de zogenaamde procescriteria leidend voor de uitvoerings- en handhavingsstrategie. In het Omgevingsbesluit, artikelen 13.5 t/m 13.7, staat weergeven waaraan dit moet voldoen. De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de sluitende beleidscyclus, de BIG-8 cyclus. Voorliggende uitvoerings- en handhavingsstrategie heeft betrekking op de bovenste drie stappen en is richtinggevend voor de operationele beleidscyclus. In het figuur hiernaast zijn deze groen weergegeven. Deze strategische beleidscyclus wordt over het algemeen iedere 4 jaar doorlopen, maar kan op basis van veranderende omgevingsfactoren, wetten of beleidsambities een andere frequentie hebben. 1.3Basistaken Zoals aangegeven geldt dit beleidsplan voor de basistaken die door de FUMO voor haar deelnemers worden uitgevoerd. De basistaakactiviteiten zijn met de Omgevingswet gewijzigd; aanvullingen betreffen onder meer de basistaken die van bevoegd gezag wisselen, activiteiten in het kader van energiebesparing en ketentoezicht. De basistaken zijn in dit beleidsplan ondergebracht in de clusters: Milieubelastende activiteiten bij inrichtingen Niet-inrichtinggebonden mileubelastende activiteiten (waaronder bodem en asbest) Dit betekent dat de volgende clusters van basistaken buiten dit beleidsplan zijn gehouden omdat de FUMO deze taken niet, of alleen voor de provincie, uitvoert: Majeure risicobedrijven (BRZO- en RIE-4). Vuurwerkevenementen. Bouw-, reclame-, inrit-, kap- en sloopactiviteiten (BRIKS). Voor ieder van bovengenoemde taken is door de provincie Fryslân specifiek provinciaal VTH-beleid uitgewerkt. Voor de majeure risicobedrijven geldt dit beleid tezamen met het beleid dat door de provincies Groningen en Drenthe is gemaakt in de Noordelijke maat en het Brzo Jaarwerkprogramma. 1.4Doorontwikkeling uitvoerings- en handhavingsstrategie De voorliggende uitvoerings- en handhavingsstrategie is een actualisatie van de vorige strategie (fase 1). Deze uitvoerings- en handhavingsstrategie is qua vorm en inhoud gebaseerd op het VTH-beleid Fryslân, zoals in 2020 vastgesteld door de deelnemers aan de Gemeenschappelijke Regeling van de FUMO. Sommige onderdelen uit deze uitvoerings- en handhavingsstrategie behoeven echter nadere herziening waarvoor meer ontwikkeltijd nodig is (fase 2). Deze onderdelen zijn benoemd in bijlage
- Deze onderdelen worden door een werkgroep van de Fryske gemeenten en de provincie verder uitgewerkt. Wanneer deze onderdelen voldoende zijn uitgewerkt op basis van ervaringsgegevens wordt de uitvoerings- en handhavingsstrategie een geüpdatete versie opnieuw vastgesteld. Dit gebeurt naar verwachting medio
- 1.5Ontwikkelingen Diverse ontwikkelingen hebben gevolgen voor de VTH-taken. Waar mogelijk zijn deze ontwikkelingen verwerkt in voorliggend beleid; indien deze of andere ontwikkelingen leiden tot wijzigingen van beleidsmatige keuzen, vindt bijstelling van het beleid plaats. 1.5.1Omgevingswet Het doel van deze wet is om de geldende regels voor inwoners, bedrijven en overheden inzichtelijker te maken en de ontwikkeling en het beheer van de fysieke leefomgeving beter beheersbaar te maken. Deze wet gaat ook uit van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en bedrijven. De uitgangspunten van de Omgevingswet zijn minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven, lokaal maatwerk en vertrouwen. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 1 januari
- De Omgevingswet heeft voor de basistaken, op basis van de huidige juridische uitwerkingen van de Omgevingswet, met name de volgende impact: alle vergunningprocedures, in principe, in acht weken, uitgezonderd de procedures van complexe provinciale bedrijven; het omgevingsplan vraagt om participatie en afweging bij de planvorming; door duidelijke plannen is inzichtelijker wat wel en niet kan en zijn mogelijk minder vergunningen nodig en verschuift de focus naar toezicht en handhaving; meer maatwerk, immers bij minder regels vergen de besluiten een goede afweging en onderbouwing; taakvelden worden integraal samengevoegd: meer (keten)samenwerking; processen worden straks nog meer dan nu geïnitieerd door inwoners en bedrijven en vragen om integrale afhandeling; financiering kan wijzigen, doordat voor de milieuactiviteiten ook leges mogen worden geheven; gedrag en cultuurverandering: competenties als oplossingsgericht denken, helicopterview en samenwerken worden belangrijker; mogelijkheid voor financiële zekerheidsstelling bij afvalbedrijven; overdracht van bevoegdheid van bodemtaken van provincie naar gemeenten; daarnaast gaat de bevoegdheid van enkele locaties met IPPC-installaties van provincie naar gemeenten (onder meer zuivelbedrijven); uitbreiding van het basistakenpakket, waardoor onder meer meerdere milieubelastende activiteiten onder de (wettelijk verplichte) uitvoering door de FUMO plaatsvinden; een informatieplicht voor sommige activiteiten, en een gewijzigde invulling van de meldingsplicht; het begrip ‘inrichting’ vervalt; milieubelastende activiteiten staan centraler in de wetgeving en vragen een meer specifieke (op activiteiten gerichte) registratie; transparantie van informatievoorziening. Alle digitale informatie is straks op één plek te vinden, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Via het DSO kunnen initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel zien wat mag in de fysieke leefomgeving. De inwoner of het bedrijf beschikt daarmee over dezelfde informatie als de overheid. 1.5.2Aandacht voor nieuwe milieuthema’s Een aantal milieuthema’s krijgt landelijk, provinciaal en lokaal steeds meer aandacht. Deze kunnen in de toekomst leiden tot actualisatie van voorliggend beleidskader of aanscherping middels het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. In het Klimaatakkoord worden verschillende afspraken gemaakt die de bevoegdheden van de provincie en gemeenten raken. In Fryslân wordt stevig ingezet op energiebesparing (25% ten opzichte van 2010) en duurzaam opgewekte energie (33% in 2030). Intensivering van energiebesparing en het vergroten van het aandeel duurzaam opgewekte energie (duurzaamheidsmaatregelen) zijn belangrijke speerpunten van overheden. In het Energieakkoord 2013 is vastgelegd dat gemeenten en provincies prioriteit moeten geven aan handhaving van de energiebesparings-verplichtingen in de Wet milieubeheer . Dit energietoezicht is vanaf 1 januari 2024 een basistaak. In een circulaire economie worden afvalstoffen maximaal hergebruikt. Vaak gebeurt dit nu nog niet: veel bedrijfsafval wordt verbrand in plaats van het te gebruiken. De FUMO is één van de spelers die voor de uitdagende taak staan om bedrijven via vergunningen en toezicht aan te moedigen meer circulair te worden. Het rapport ‘Industrie en omwonenden’ van de Onderzoeksraad voor Veiligheid maakt het belang en de urgentie duidelijk van regulering (vergunningverlening) en toezicht op zware industrie. Er ontstaat steeds meer zicht op de impact van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) voor mens en natuur. Denk daarbij aan onder meer PFAS, microplastics, medicijnresten, bestrijdingsmiddelen en nanodeeltjes. Bovendien geldt in de provincie het Schone lucht akkoord. Om aantasting van gezondheid en omgeving te voorkomen zal bij vergunningverlening en toezicht hieraan steeds meer aandacht worden gegeven. Een goede registratie van bedrijven en toegepaste stoffen is noodzakelijk. In de loop van de tijd kan zo ook worden gevolgd of toepassing ervan wordt beperkt. ZZS herkennen en beoordeling ervan maken deel uit van de reguliere VTH-werkprocessen. Ten slotte is er meer aandacht voor ondermijning in de fysieke leefomgeving. Het betreft hier gedragingen die zich op het grensvlak van overtreden vallen en al dan niet bewust deze grens opzoeken, met nadrukkelijk nadelige gevolgen voor de leefbaarheid in de fysieke leefomgeving. 1.5.3Interne ontwikkelingen Er zijn diverse ontwikkelingen bij en tussen de gemeenten, provincie en FUMO die gevolgen (kunnen) hebben voor de uitvoering van de basistaken. De gevolgen van deze ontwikkelingen nemen we mee bij de operationalisering van het beleid in het uitvoeringsprogramma en actualisaties van beleid. Enkele van deze ontwikkelingen zijn: De doorontwikkeling van de onderdelen van de uitvoerings- en handhavingsstrategie die meer ontwikkeltijd behoeven. Een evaluatie van de aannames en kengetallen voor de nieuwe basistaken (waaronder milieubelastende activiteiten, bodemactiviteiten en zuivelbedrijven). Deze wordt beoogd in
- In het kader van het Interbestuurlijk programma ter versteking van het VTH-stelsel (IBP VTH) spelen er een aantal ontwikkelingen die in de komende jaren mogelijk invloed hebben op de uitvoerings- en handhavingsstrategie. In het kader van pijler 1 wordt de robuustheid van omgevingsdiensten onderzocht, ook bij de FUMO. Een andere ontwikkeling is de landelijke vergunningenstrategie (LVS), die een eigen prioriteringsmethodiek kent. Bovendien wordt door het IBP VTH een landelijk risicomodel opgesteld. Ook geldt de toenemende aandacht voor de adviserende rol van omgevingsdiensten (onder meer benadrukt door de commissie Van Aartsen in het rapport ‘Voor de leefomgeving’). 1.6Leeswijzer In het volgende hoofdstuk benoemen we de algemene uitgangspunten voor de uitvoering van de basistaken. De uitgangspunten die specifiek gelden voor de clusters van basistaken zijn uitgewerkt in hoofdstuk
- In hoofdstuk 4 is uitgewerkt op welke wijze doorwerking van voorliggend beleid plaatsvindt in strategieën en het jaarlijks uitvoeringsprogramma. 2Uitgangspunten Voor de uitvoering van de basistaken hebben de gemeenten in Fryslân en de provincie Fryslân een aantal uitgangspunten bepaald. Een deel van de uitgangspunten leidt ook tot specifieke doelstellingen (verwoord in kaders met grijze arcering), waarmee de bevoegde gezagen de voortgang van doelrealisatie de komende jaren willen blijven volgen. Over de mate van realisatie van deze doelstellingen legt de FUMO jaarlijks in haar jaarverslag verantwoording af. Dit hoofdstuk bevat de algemene uitgangspunten. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten per cluster van basistaken (milieubelastende activiteiten, bodem en asbest) benoemd. De uitgangspunten die specifiek gelden voor preventie, vergunningverlening, toezicht, sanctioneren en gedogen zijn uitgewerkt in de bijlagen 6 tot en met
- 2.1Aansluiting bij strategische doelen van de deelnemers Deze uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de basistaken sluit aan bij de uitvoerings- en handhavingsstrategieën die gemeentelijke en provinciale hebben voor de niet-basistaken (voor de gemeenten o.a. bouwen, ruimtelijke ordening, APV en bijzondere wetten; voor de provincie (o.a. natuur en zwemwater). Gezamenlijk sluiten deze strategieën aan bij de omgevingsanalyse Fryslân zoals deze in 2019 is opgesteld. De inzet van het VTH-instrumentarium voor de basistaken levert een bijdrage aan onder meer de volgende strategische doelen in het gemeentelijke en het provinciale VTH-beleid. Fryslân wordt klimaatbestendig ingericht en is energieneutraal in 2050; Bedrijven opereren veilig, duurzaam en schoon; Luchtkwaliteit in Fryslân (gezondheid) blijft minimaal op het huidig niveau; Uitstoot van stikstof, fosfaat en overige stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden neemt af; Ernstige verontreinigingen in de bodem worden beperkt en worden zoveel mogelijk ongedaan gemaakt; we zorgen dat kwaliteit van bodem en water niet verslechtert; Kernen en het platteland blijven vitaal, leefbaar en bereikbaar; Fryske economie wordt vergroend en meer circulair gemaakt, met extra aandacht voor hergebruik van grondstoffen; Stortplaatsen worden goed beheerd, zodat geen nadelige gevolgen voor de omgeving ontstaan; Een veilige fysieke leefomgeving waarin de risico’s en mate van hinder op een aanvaardbaar niveau liggen; Ondermijnende activiteiten die tijdens toezicht worden gesignaleerd, worden zoveel mogelijk gesignaleerd en gemeld aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage aan de nationale, provinciale en gemeentelijke doelstellingen richt zich voor de basistaken met name op de thema’s ‘klimaat’, ‘luchtkwaliteit’, ‘energietransitie’, ‘veiligheid en hinder’, ‘bodem’ en ‘ondermijning’. Voor de bijdrage van VTH aan deze thema’s zijn de volgende doelstellingen geformuleerd. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) Bedrijven hebben inzicht in hun bijdrage aan en verantwoordelijkheid voor een klimaatbestendig, circulair en energieneutraal Fryslân. Emissies naar water en lucht door industrie en landbouw worden gereduceerd door een branchegerichte aanpak. 2.2Risicogericht werken Onze inzet voor VTH bij de basistaken richt zich op de grootste risico’s. De activiteiten met de grootste kans op overtreding én de grootste effecten als het mis gaat, krijgen de meeste aandacht. Het risico is afhankelijk van een aantal variabelen. Zo is het milieurisico bij locaties met een grote stookinstallatie veel groter dan bij locaties waar een acculader in werking is. Iedere basistaak kent een aantal variabelen die het risico bepalen. Door een goed inzicht in deze variabelen en daarmee samenhangende risico’s kunnen we onze werkzaamheden gericht inzetten. Om prioriteiten te kunnen stellen is een informatie gestuurd risicomodel uitgewerkt voor ieder van de clusters van basistaken. De effectiviteit van dit model wordt groter naarmate meer en betere informatie beschikbaar is. Deels is dit informatie waarvan de FUMO zelf bronhouder is (zoals controleresultaten, laatste controledatum en relevante activiteiten) en deels is dit informatie afkomstig van derden (zoals controleresultaten van andere inspectieorganen). De basis voor het model staat (zie bijlage 2); de komende jaren wordt gewerkt aan de gegevenskwaliteit om het model ook optimaal te kunnen inzetten. Op basis van risico’s bepalen we hoe diepgaand de toetsing van meldingen en vergunningen dient plaats te vinden, bij welke locaties en wanneer een controle het meest effectief is én welke toezichtsvorm hier het beste bij past. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) Verbetering van de gegevenskwaliteit van de voornaamste risicovariabelen, zodat het informatie gestuurd risicomodel voor de clusters van basistaken optimaal kan functioneren. 2.3Impuls voor het ketentoezicht Een van de voornaamste redenen om landelijk te komen tot een stelsel van omgevingsdiensten is het verkrijgen zicht en inzicht in complexe ketens van (milieu-gerelateerde) activiteiten. Het ketentoezicht is als instrument één van de basistaken die door de gemeenten en de provincie bij de FUMO is belegd. Ieder jaar wordt een apart programma voor het ketentoezicht opgesteld. Uren voor het ketentoezicht zijn door de FUMO verdeeld over toezichthouders, juristen en BOA’s die ieder voor een klein deel van hun beschikbare uren ketentoezicht uitvoeren. De inzet van de BOA-capaciteit voor ketentoezicht wordt vastgelegd in het jaarplan dat via het VTH-overleg Fryslân wordt vastgesteld. De FUMO geeft op twee wijzen invulling aan het ketengericht (milieu)toezicht: Verbreding van het locatiedossier: Dit vindt plaats na signalen uit het reguliere (plaatsgebonden) toezicht dat eerder of later overtredingen (kunnen) zijn begaan. Dit kan zijn op een eerder moment in de keten (bij toeleveranciers) of op een later moment in de keten (bij afnemers). De aanleiding is daarbij altijd een reguliere inspectie op een locatie bij een activiteit en het signaal is een min of meer toevallige bijvangst. Het ketentoezicht op deze wijze is reactief en beperkt zich tot de schakels rond de betreffende locatie. Het resultaat van ketentoezicht op deze wijze is dat overtredingen kunnen worden gevonden bij bedrijven die ervoor of erna in de specifieke keten werkzaamheden uitvoeren. Verdieping in de keten als geheel: Dit vindt plaats als er meerdere (gelijke of samenhangende) signalen uit het reguliere (plaatsgebonden) toezicht worden ontvangen, signalen van andere inspectie-organen worden ontvangen of landelijke prioriteiten worden benoemd. Na dergelijke signalen wordt op basis van specifieke risicovariabelen met een strategische en tactische analyse een keten of deel van de keten in beeld gebracht. Deze beperkt zich dan niet tot de betreffende locatie; ook locaties en activiteiten van branchegenoten worden onderzocht. Het resultaat van ketentoezicht op deze wijze is een rangorde (bijv. Top 50) van te inspecteren plaatsgebonden of mobiele activiteiten: deze patronen, incentives en rangorde waren met alleen reguliere (locatie-gebonden) inspecties niet boven water gekomen. Na een signaal bij een specifieke activiteit of transport dat in de keten ervóór of erna mogelijke overtredingen zijn begaan, wordt samenwerking gezocht met strafrechtelijke en andere bestuursrechtelijke partners. Samen met hen wordt dit deel van de keten verdiept en waar nodig handhavend opgetreden. Behoud van het ketentoezicht om locatiedossiers te verbreden bij signalen uit het reguliere (plaatsgebonden) toezicht is essentieel; daarmee komen zaken boven water die buiten de directe scope van de specifieke activiteit plaatsvinden. De grootste risico’s in ketens worden gezien: bij bedrijven die meerdere schakels (activiteiten) in de keten in huis hebben, al dan niet verspreid over meerdere locaties (beperking administratie door intern transport), met stoffen die relatief gemakkelijk in een andere categorie zijn te brengen; bij activiteiten met veel financieel gewin / bedrijven die een buitensporige groei doormaken; waar met veel verschillende grond- en afvalstoffen wordt gewerkt; waar activiteiten plaatsvinden in afgelegen gebieden, met daardoor een lage pakkans; waar veel maatschappelijke kosten gemaakt worden als bedrijven regels niet naleven; waar activiteiten buiten kantooruren plaatsvinden. Inzet van het team ketentoezicht is het meest noodzakelijk in de ketens grond- en afvalstromen. Beide ketens
(1)worden door toezichthouders het meest risicovol gevonden,
(2)hebben veel aandacht in de provinciale en landelijke media
(43)zijn landelijke prioriteiten en daardoor zijn landelijke werkgroepen actief
(4)worden door vrijwel alle gemeenten en provincie in hun VTH-beleidsplannen hoog geprioriteerd,
(5)zijn door de FUMO afgelopen jaren ook de meeste ketenonderzoeken als verbreding van het locatiedossier uitgevoerd en
(6)zijn verdiept in ketenonderzoeken van andere omgevingsdiensten. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) De meest risicovolle grond- en afvalstromenketens zijn in beeld door een gerichte inzet van het ketentoezicht. 2.4Intensieve samenwerking tussen ketenpartners In de uitvoering van onze taken werkt de FUMO samen met betrokken collega’s van provincies en gemeenten, andere omgevingsdiensten en instanties als de politie, Rijkswaterstaat, veiligheidsregio (brandweer en GGD), Wetterskip, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, douane, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Openbaar Ministerie. Door bundeling van kennis, taken en ervaring zorgen we voor een kwalitatieve en betrouwbare dienstverlening. Ook inwoners en bedrijven profiteren hiervan. De kwaliteit van de leefomgeving verbetert, de administratieve lasten voor inwoners en bedrijven verminderen, procedures verkorten en voorschriften zijn op elkaar afgestemd. De samenwerking met verschillende gebeurt met sommige partners structureel, met anderen op incidentele basis. Samenwerking vindt op drie niveaus plaats: Strategisch niveau: afstemming over VTH-beleid en uitvoering, handhavingsprojecten, zoals een handhavingsestafette of een regionaal samenwerkingsprogramma. Tactisch niveau: doelgroep- en ketengericht, analyses, trend, inzet van handhavingsinstrumenten, aanpak probleem, informatie en kennisdeling; Operationeel niveau: afstemming over concrete situatie, lokaal karakter, acties, projecten, integrale aanpak. Voor regulering (vergunningverlening) geldt dat over de wijze waarop wordt samengewerkt bij een meervoudige aanvraag zijn ketenafspraken gemaakt over de wijze waarop bevoegd gezag, ketenpartners en FUMO in dat geval samenwerken. Bij meervoudige aanvragen is vaak wettelijk advies nodig van een ketenpartner. Voor toezicht en handhaving geldt dat er (beperkte) ketenafspraken zijn gemaakt voor de situaties waarbij er sprake is van een dubbele handhavingsbevoegdheid. In dat geval is zowel het bevoegd gezag als de ketenpartner die voor een bepaalde activiteit instemmingsrecht heeft bevoegd om ten aanzien van die activiteit handhavend op te treden. 2.5Kwaliteitsborging Cruciaal voor het leveren van kwaliteitsproducten is de beschikbaarheid van vakmanschap en expertise en de borging van de kwaliteit. Als kwaliteitsafspraken niet worden vastgelegd, gemonitord en gerapporteerd is er een sterke mate van afhankelijkheid van de individuele medewerker. Kwaliteit is voor ons
(1)het realiseren van de doelstellingen die we met elkaar hebben afgesproken en
(2)het voldoen aan de wettelijke eisen. Deze doelstellingen zijn door B&W en GS vastgesteld en geven in de kern aan wat we vanuit VTH bijdragen aan de maatschappelijke opgaven. Elk van de gemeenten en de provincie Fryslân heeft een Verordening kwaliteit VTH vastgesteld. In de verordening is een verplichting opgenomen om te voldoen aan de kwaliteitscriteria die in het Frysk bestuurlijk VTH-overleg zijn afgesproken en door raden en PS zijn vastgesteld. Deze criteria zijn gebaseerd op de landelijke criteria en naar de Fryske dimensie vertaald. De kwaliteitscriteria hebben zowel betrekking op de kwaliteit van de organisatie als de kwaliteit van de medewerkers. Tevens is in de verordening een verplichting opgenomen om doelen uit te werken op de volgende onderwerpen: Uitvoeringskwaliteit Dienstverlening Financiën Voor de uitwerking van doelen voor ‘dienstverlening’ wordt verwezen naar de Producten- en Dienstencatalogus van de FUMO . Hierin staan servicetermijnen genoemd. Dit is primair een servicetermijn voor de gemeente en de provincie, maar werkt door naar inwoners en bedrijven. Verder is onderstaande doelstelling 5 inzake de kwaliteitscriteria ook te linken aan dienstverlening. In bijlage 1 is de nadere uitwerking van deze doelstelling opgenomen en zijn ook dienstverleningsdoelstellingen verwoord. De ambities ten aanzien van uitvoeringskwaliteit van de basistaken zijn in voorliggend VTH-beleid beschreven. Om de kwaliteit te borgen zorgt de FUMO voor: Functiescheiding tussen: vergunningverlener en toezichthouder, en specialismen. Roulatie van toezichthouders vindt plaats om een vaste handhavingsrelatie te voorkomen en kennisniveau te verdiepen. Anderzijds is voor sommige doelgroepen meer bestendigheid gewenst; frequentie van roulatie is afhankelijk van de branche. Functiebeschrijvingen worden bijgehouden waarin minimaal de eisen (aan de functie) zijn opgenomen die in de wet zijn bepaald en bevoegdheden zijn vastgelegd. Volgen en bijhouden van actuele vakkennis en permanente scholing. Registreren en stimuleren van medewerkers om te voldoen aan de kwaliteitscriteria. Goed functionerende en voldoende automatisering, materiaal en materieel om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Registreren van zaak- en procesgegevens, gebaseerd op de strategieën en werkprocessen die we met elkaar hebben afgesproken. Registreren van gegevens van locaties met gebruik van authentieke gegevens uit basisregistraties. Bijhouden van uitgewerkte procesbeschrijvingen, protocollen en werkinstructies die zijn gebaseerd op de vastgestelde strategieën. Gebruik van projectdossiers die zijn opgebouwd volgens de wettelijke archiefeisen. Vastleggen van regelingen voor aanbesteding en uitbesteding. Vastleggen van bereikbaarheids- en beschikbaarheidsregeling buiten kantoortijden. Inbedding in werkprocessen van vier ogen principe: toets door collega van alle besluiten en niet gestandaardiseerde brieven. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) De FUMO voldoet voor de basistaken aan de kwaliteitscriteria zoals beschreven in het Frysk Peil. 3Beleid per basistaak Van de categorieën van basistaken, zoals toegelicht onder paragraaf 1.3, zijn in dit hoofdstuk de beleidsuitgangspunten beschreven. Deze zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de risico’s van de basistaak. In onderstaande paragrafen zijn eerst de risico’s beschreven en op basis van deze risico’s de beleidsmatige uitgangspunten benoemd. De uitgangspunten zijn dus afgeleid van risico’s. Er is nog maar beperkt informatie opgebouwd over de resultaten van de controles (naleefgedrag). Het bepalen van de risico’s is daardoor vooral nog gebeurd op basis van de expertise van vergunningverleners, toezichthouders, handhavers/boa’s en juristen en een adviesbureau. Door te investeren in risicogericht werken (zie paragraaf 2.2) bouwen we een betere informatiepositie op. Dit zal er ook toe leiden dat periodiek geëvalueerd kan worden of de inzet op de juiste activiteiten wordt ingezet; in het jaarverslag van FUMO blikken we jaarlijks terug en in het FUMO uitvoeringsprogramma actualiseren we doelstellingen en aanpak. 3.1Milieubelastende activiteiten bij inrichtingen In de provincie Fryslân zijn anno 2024 zo’n 6.329 inrichtingen (locaties) waarvoor de FUMO de beoordeling van meldingen uitvoert en vergunningaanvragen in behandeling neemt voor één of meerdere milieubelastende activiteiten en het toezicht en de handhaving op deze milieubelastende activiteiten uitvoert. Dit zijn basistaken voor in ieder geval de locaties met een vergunning voor milieubelastende activiteiten en voor een deel van de locaties met meldingsplichtige activiteiten. 3.1.1Risico’s De intensiteit van het beoordelen van meldingen en besluiten op aanvragen vergunningen, evenals het toezicht op milieubelastende activiteiten is beperkt bij wet vastgelegd. Zo geldt een plicht om regelmatig te bepalen of milieuvoorschriften in de vergunning nog toereikend zijn (actualiseringsplicht). In het Omgevingsbesluit is verder vastgelegd dat elke locatie met een IPPC-installatie met grote milieurisico’s minimaal 1x per jaar een controlebezoek krijgt én elke locatie met een IPPC-installatie met beperkte milieurisico’s minimaal 1x per 3 jaar een controlebezoek krijgt. Een gevolg van een dergelijk minimaal uitvoeringsniveau is dat veel locaties dan niet bezocht worden en daardoor na verloop van tijd niet over de juiste melding/vergunning voor uitvoering van hun activiteiten beschikken. Controles zijn immers belangrijke momenten om te constateren dat de melding/vergunning niet meer actueel is. Daarnaast is (de dreiging van) een controle en eventueel daaropvolgende sanctie een belangrijke drijfveer om de melding/vergunningsituatie op orde te hebben. Een actueel bedrijvenbestand draagt bij aan het verlagen van de milieudruk en verbeteren van naleefgedrag. Een actuele melding/vergunning is ook beter toetsbaar en handhaafbaar. En met een actuele melding/vergunning kunnen onze beleidsambities (bijv. energiebesparing en reductie van afvalstoffen) beter worden gerealiseerd. Met beperking van het toezicht op alle locaties waar milieubelastende activiteiten plaatsvinden, wordt de kans op en het effect van onomkeerbare situaties groter: hinder voor de omgeving, onveilige situaties voor omwonenden, verontreiniging van lucht, water en bodem met gevolgen voor gezondheid, aantasting van natuurwaarden, geen gelijk speelveld tussen bedrijven, ongewenste verschuiving van ondersteuning vooraf naar toezicht en handhaving, meer bezwaar- en beroepsprocedures, bouwwerken die later aangepast moeten worden en het niet realiseren van beleidsambities ten aanzien van bijvoorbeeld energiebesparing, inzet van duurzame energie en reductie van afvalstoffen. 3.1.2Beleidsuitgangspunten In aanvulling op de algemene uitgangspunten (zie hoofdstuk 2) gelden, op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s, voor de milieubelastende activiteiten bij locaties de volgende beleidsuitgangspunten: Locaties met een of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteiten beschikken over een actuele melding of vergunning. Bij iedere controle wordt beoordeeld of de vigerende melding of vergunning nog actueel is (actualiteitstoets). Alle meldingen en aanvragen voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Alle relevante milieuaspecten uit iedere melding en (vergunning)aanvraag voor milieubelastende activiteiten worden globaal beoordeeld. Op basis van de impact van de aangevraagde activiteiten (zie bijlage 3 voor de risicoanalyse van activiteiten), de politiek-bestuurlijke gevoeligheid van de activiteiten op deze locatie én de verwachte emissies / hinder voor de omgeving vindt intensievere inhoudelijke beoordeling plaats. Het prioriteren van risicovolle locaties met een of meerdere milieubelastende activiteiten gebeurt informatie gestuurd. Op basis van risicovariabelen en input van deelnemers doet de FUMO jaarlijks een voorstel aan de bevoegde gezagen welke locaties integraal én welke locaties op specifieke aspecten een controlebezoek ontvangen. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de volledigheid van het overzicht van locaties met milieubelastende activiteiten. De deelnemer levert dit overzicht jaarlijks aan de FUMO, zodat de FUMO het voorstel voor te controleren locaties kan uitwerken. Het bevoegd gezag kan het beheer van het overzicht van locaties met milieubelastende activiteiten ook bij de FUMO beleggen. De FUMO is verantwoordelijk voor de volledigheid van benodigde gegevens van ieder van de locaties onder het basistakenpakket (benodigde gegevens van locatiesin beeld). Bij het uitvoeren van controles actualiseert de FUMO de gegevens; de gegevens van locaties die langere tijd niet gecontroleerd zijn, zijn daardoor minder actueel dan gegevens van recent gecontroleerde locaties. Mutaties van gegevens geeft FUMO aan het bevoegd gezag door, zodat het bevoegd gezag daarmee de volledigheid van het overzicht met locaties actueel kan houden. De volgende risicovariabelen worden in ieder geval in het risicomodel meegenomen: Het risico van de milieubelastende activiteit(
- en)van de locatie. Zie bijlage 3 voor een uitwerking van de risico’s per activiteit. Het milieurisico van de branche waarin het bedrijf actief is. Om het risico van de branche te bepalen, wordt het naleefgedrag van de branche als geheel meegenomen én worden milieuaspecten ten opzichte van elkaar gewogen. Deze weging, op basis van een risico-inschatting van deelnemers en FUMO, is: Externe veiligheid: zwaarte 5 van 5 Bodemkwaliteit: zwaarte 3 van 5 Geluid: zwaarte 3 van 5 Luchtkwaliteit en geur: zwaarte 3 van 5 Waterkwaliteit: zwaarte 2 van 5 Gezondheid: zwaarte 4 van 5 Zie bijlage 4 voor een uitwerking van de risico’s per branche. De politiek-bestuurlijke gevoeligheid. De lengte van de periode dat geen milieucontrole heeft plaatsgevonden. Het gedrag van de drijver/eigenaar. De 10% locaties met de grootste risico’s vallen onder de categorie hoog risico. De 25% locaties die hierna het grootste risico hebben, vallen onder de categorie matig risico. De overige 65% locaties is categorie laag risico. Let wel: deze categorieën gelden voor de locaties niet betreffende de nieuw overgekomen basistaken per 1 januari 2024. Voor de nieuwe basistaken geldt de risico-beoordeling zoals beschreven in bijlage 11, inclusief een categorie ‘extra laag’. Voor de locaties met een IPPC-installatie geldt: de locaties in de categorie hoog risico worden 1,5x per jaar gecontroleerd, met een matig risico 1x per jaar en met een laag risico 1x 3 per jaar. In een toezichtplan per locatie met een IPPC-installatie wordt benoemd wanneer integraal en wanneer op een of enkele aspecten wordt gecontroleerd. Voor de locaties zonder IPPC-installatie geldt: de locaties in de categorie hoog risico worden 1x per 2 jaar gecontroleerd, met een matig risico 1x per 4 jaar en met een laag risico minimaal 1x per 10 jaar. Van de controles bij locaties zonder IPPC-installatie is 50 tot 75% een aspectcontrole. In het uitvoeringsprogramma wordt door een efficiënte aanpak getracht de locaties met een laag risico frequenter te bezoeken dan 1x per 10 jaar. Let wel: deze categorieën gelden voor de locaties niet betreffende de nieuw overgekomen basistaken per 1 januari 2024. Voor de nieuwe basistaken geldt de risico-beoordeling zoals beschreven in bijlage 11, inclusief een categorie ‘extra laag’. Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie hoofdstuk 2.3). Een onderbouwing en uitwerking van het ketentoezicht is opgenomen in bijlage 8.7. Deze beleidsuitgangspunten zijn uitgewerkt in de vergunning- en toezichtstrategie in respectievelijk bijlage 7.4 en 8.4. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) Locaties met één of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteit(
- en)beschikken over een actuele melding / vergunning. De branches in de hoogste risicocategorie vertonen een verbeterd naleefgedrag ten opzichte van 2020. De voorschriften die gelden voor de activiteiten met de grootste milieurisico’s worden beter nageleefd dan in 2020. Bij overige branches en activiteiten is het geconstateerde naleefgedrag minimaal gelijk aan het naleefgedrag in 2020. 3.2Bodem Bij de uitvoering van de bodemtaken ontvangen de bevoegde gezagen meldingen in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) of aanvragen voor saneringsbeschikkingen . Het toezicht tijdens het werk en de advisering over de sanctionering bij geconstateerde overtredingen aan het bevoegd gezag zijn basistaken. Dit geldt ook voor de beoordeling van het evaluatierapport en/of nazorgplan na afloop. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bodemkwaliteit (Bbk) wordt het toepassen van schone en licht verontreinigde grond en baggerspecie geregeld. Het doel daarvan is voldoen aan het ‘stand still principe’: voorkomen van verdere achteruitgang van de bodemkwaliteit. De gemeenten zijn bevoegd gezag. Zowel de behandeling van meldingen Bal/Bbk als het toezicht op de uitvoering van het Bal/Bbk conform de melding en de landelijk geldende regels zijn basistaken. 3.2.1Risico’s De Omgevingswet verplicht niet hoe intensief het toezicht gericht op bodem dient plaats te vinden. Wettelijk gezien is het dus mogelijk dat het toezicht beperkt blijft tot het administratief beoordelen van en beschikken over het evaluatierapport en/of nazorgplan na afloop van het werk. Dit minimaal uitvoeringsniveau leidt tot een groot aantal risico’s, waarvan in bijlage 5 een selectie is opgenomen. Bij ontvangst van een aanvraag, op basis van ontvangen gegevens, geen goed beeld van de verwachte naleving, waardoor niet bepaald kan worden op welke locatie een controle meer nodig is dan elders. Het is niet mogelijk gebleken om vooraf in te schatten waar het mis gaat; dit noodzaakt om ieder werk met een saneringsbeschikking of melding bodem minimaal één keer te bezoeken. We ambiëren hier een meer risicogericht toezicht (zie doelstelling in paragraaf 2.2). We verwachten op basis van intensivering van het toezicht Bal/Bbk dat veel werken onterecht niet wordt gemeld. Risico’s zijn door het (mogelijk bewust) niet melden hoger dan bij gemelde werken. Ook voor het Bal/Bbk is de intensiteit van het beoordelen van meldingen en het toezicht niet bij wet vastgelegd. Indien de uitvoering plaatsvindt op dit wettelijk niveau, worden de grootste risico’s gelopen bij werken met sterke twijfels bij de beoordeling van de melding Bal/Bbk, IBC- bouwstoffen, meldingen achteraf en toepassing immobilisatie (zie bijlage 5). Matige risico’s zijn er bij tijdelijke en kortdurende opslag, partijen met meer dan 5% bodemvreemd materiaal, samengevoegde partijen en meldingen met herkomst buiten Fryslân. Als gevolg van de Omgevingswet verschuiven diverse bodemwerkzaamheden van een meldingsplicht naar een informatieplicht. Hierdoor is een beperktere beoordeling mogelijk. 3.2.2Beleidsuitgangspunten In aanvulling op de algemene uitgangspunten (zie hoofdstuk 2) gelden, op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s, voor bodem de volgende beleidsuitgangspunten: Alle meldingen worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Alle relevante aspecten uit iedere melding worden globaal beoordeeld. Op basis van de risicocategorie, lengte van de opslagperiode, samenstelling en omvang van de grondstroom vindt intensievere inhoudelijke beoordeling plaats. Iedere activiteit met een saneringsbeschikking of melding wordt op locatie op alle aspecten uit de beschikking en melding gecontroleerd. De meldingen worden ingedeeld in drie risicocategorieën op basis van een beoordeling van de milieutechnische risico’s én het gedrag van de uitvoerder. 10% van de meldingen wordt ingedeeld in de hoge risicocategorie, 25% in de matige risicocategorie en 65% in de lage risicocategorie. De meldingen in de hoge risicocategorie worden allen gecontroleerd. De werken in de matige risicocategorie worden in 50% van de gevallen gecontroleerd en in de lage risicocategorie in 10% van de gevallen. Bij deze controles worden alle aspecten uit de melding gecontroleerd. Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie hoofdstuk 2.3). Een onderbouwing en uitwerking van het ketentoezicht is opgenomen in bijlage 8.7. Deze beleidsuitgangspunten zijn uitgewerkt in de vergunning- en toezichtstrategie in respectievelijk bijlage 7.5 en 8.5. Een specifieke uitwerking van het ketentoezicht is opgenomen in bijlage 8.7. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) Verbetering van het naleefgedrag bij bodemsaneringen ten opzichte van 2020. Verbetering van het gedrag van de uitvoerder van Bbk-werken ten opzichte van 2020. Inzicht in illegale activiteiten en het risico van niet gemelde bodemwerken en bepalen van de structureel benodigde inzet voor toezicht op niet gemelde bodemwerken in 2021. 3.3Asbest Voor sloopwerken waarbij een bepaalde hoeveelheid asbest vrijkomt, geldt een landelijke meldingsplicht. Zowel de behandeling van bedrijfsmatige sloopmeldingen met asbest als het toezicht op de uitvoering van bedrijfsmatige sloopwerken met asbest, zijn basistaken. 3.3.1Risico’s De intensiteit van het beoordelen van bedrijfsmatige sloopmeldingen met asbest en het toezicht op de uitvoering van bedrijfsmatige sloopwerken met asbest is niet bij wet vastgelegd. Door het benoemen van de risico’s en onderbouwing waarom het bevoegd gezag deze accepteert, is het mogelijk om op onderdelen de meldingen niet of minder diepgaand en vergunningen minder diepgaand te toetsen en/of toezicht hierop te houden. Dit minimaal uitvoeringsniveau leidt tot een grote kans op primaire en secundaire blootstelling met gevolgen voor de volksgezondheid. Het risico op vezelemissie op het moment dat niet wordt voldaan aan de wet- en regelgeving is dusdanig groot dat in verhouding een groot risico voor mens en milieu bestaat. Een adequaat toezichtniveau is dus heel belangrijk in de saneringsfase. Daarnaast is het een bekend fenomeen dat het lucratief is om zich te onttrekken aan toezicht en illegale handelingen te verrichten. Financieel gewin speelt hierin een belangrijke rol. Door ook niet-gemelde saneringen op te sporen wordt deze vorm van illegaliteit aangepakt. In alle gevallen geldt dat de maatschappelijke onrust groot kan zijn; asbest is een beladen onderwerp. Uit de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de asbestinventarisatierapporten, ondanks het systeem van certificering, te wensen over laat. Het is daarom goed om te toetsen of het asbest- inventarisatierapport volledig is en aansluit bij de uit te voeren werkzaamheden. 3.3.2Beleidsuitgangspunten In aanvulling op de algemene uitgangspunten (zie hoofdstuk 2) gelden, op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s, voor asbest de volgende beleidsuitgangspunten: Alle bedrijfsmatige sloopmeldingen met asbest worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Het asbestinventarisatierapport wordt in samenhang met de ingediende sloopmelding beoordeeld op basis van de landelijke checklist. De sloopmeldingen worden ingedeeld in drie risicocategorieën op basis van de locatie, het gebruik van, de risicoklasse, de soort saneerder en het toezicht door derden. 10% van de meldingen wordt ingedeeld in de hoge risicocategorie, 25% in de matige risicocategorie en 65% in de lage risicocategorie. De sloopmeldingen in de hoge risicocategorie worden allen gecontroleerd. De werken in de matige risicocategorie worden in 40% van de gevallen gecontroleerd en in de lage risicocategorie in 7,5% van de gevallen. Bij deze controles worden de meest risicovolle aspecten uit het Landelijk Protocol – Locatiebezoek Asbestverwijderingswerkzaamheden gecontroleerd. Bij het toezicht tijdens de bouw en sloop hebben ketenpartners (waaronder gemeenten) bijzondere aandacht voor illegale (niet gemelde) saneringen van asbest. Ketenpartners zorgen ook voor bewustwording van het (tijdig) melden. Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie hoofdstuk 2.3). Een van de thema’s binnen de keten afvalstromen is asbest. Een onderbouwing en uitwerking van het ketentoezicht is opgenomen in bijlage 8.7. Deze beleidsuitgangspunten zijn uitgewerkt in de vergunning- en toezichtstrategie in respectievelijk bijlage 7.3 en 8.3. Doelstelling (zie bijlage 1 voor nadere uitwerking) Verbetering van het gedrag van de uitvoerder van asbestsaneringen ten opzichte van 2020. 4Doorwerking van het VTH-beleid Voorliggend VTH-beleid is onderdeel van een sluitende beleidscyclus, de BIG-8 cyclus (zie paragraaf 1.2). Dit betekent dat het strategisch beleid (wat we willen bereiken?) uit voorgaande drie hoofdstukken doorwerkt in operationeel beleid (hoe we dit willen bereiken?), ofwel de VTH-strategieën. 4.1VTH-strategieën De VTH-strategieën bestaan uit vijf componenten: preventiestrategie, vergunningstrategie, toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. In onderstaand figuur is de onderlinge verhouding tussen de VTH-strategieën gevisualiseerd. In de preventiestrategie beschrijven we hoe we bij de uitvoering van de basistaken trachten te bereiken dat inwoners en bedrijven van nature regels over leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid nakomen. Daarbij zetten we bijvoorbeeld in op heldere communicatie, voorlichting en het uitleggen van het doel van regels. De meeste inwoners en bedrijven blijken dan bereid de voor hen geldende regels na te leven. De preventiestrategie is uitgewerkt in bijlage 6. De vergunningstrategie beschrijft de basiswerkwijze, het beoordelingskader en toets niveaus voor het behandelen en beoordelen van aanvragen en meldingen sloop, milieu en bodem. Op basis van de beleidsuitgangspunten in voorgaande hoofdstukken wordt de intensiteit en diepgang van toetsing van aanvragen en meldingen uitgewerkt in bijlage 7. Net als bij de toetsing onderscheiden we ook bij het toezicht uitvoeringsniveaus. Ook hier geldt dat het toezicht niet 100% kan zijn. Immers, in dit geval zou de toezichthouder bij iedere activiteit continu aanwezig moeten zijn en alle aspecten moeten controleren. Deze toezichtniveaus zijn vastgelegd in de toezichtstrategie in bijlage 8. We sanctioneren bij overtredingen conform de landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO). Deze strategie is overgenomen en nader uitgewerkt in bijlage 9. Ditzelfde geldt voor de landelijke gedoogstrategie in bijlage 10. 4.2Jaarlijks uitvoeringsprogramma Met de vaststelling van dit beleid behouden de bevoegde gezagen bestuurlijke afwegingsruimte. In het jaarlijks uitvoeringsprogramma VTH Fryslân basistaken, voor de taken die bij de FUMO zijn ondergebracht, vindt jaarlijks een specifiekere uitwerking en indien benodigd actualisering plaats van het strategisch en operationeel beleidskader. Daar is ook ruimte, binnen de kaders die in voorliggend beleid zijn uitgewerkt, voor inbreng van provinciale, regionale en lokale (politieke) inzichten, nieuwe (beleids)ontwikkelingen en voorkeuren. Het is mogelijk dat individuele deelnemers een hoger ambitieniveau ambiëren dan in voorliggend beleidsplan is uitgewerkt; met het uitvoeringsprogramma kan deze aanvullende opdracht aan de FUMO wordt vastgesteld. Uitgangspunt bij het uitwerken van dit VTH-beleid is, dat de toekomstige uitvoering dient te passen binnen de actuele budgettaire kaders van de deelnemers. In het uitvoeringsprogramma en begroting wordt de financiële vertaling concreet gemaakt. 4.3Verslaglegging De uitvoering leidt tot resultaten. In hoeverre deze resultaten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen is object voor monitoring, evaluatie en verantwoording. De 13 doelstellingen in dit document zijn in bijlage 1 vertaald in SMART- indicatoren en normen. Door het meten van deze indicatoren krijgen we periodiek inzicht in de mate waarin we onze doelstellingen realiseren en kunnen we tijdig bijsturen. De resultaten van de monitoring nemen we op in ons jaarverslag. Met dit jaarverslag voldoen we aan de wettelijke plicht om een jaarverslag op te stellen en om colleges, gemeenteraden en Provinciale Staten jaarlijks te informeren over de realisatie. Dit is een jaarverslag over de basistaken, en staat dus los van de verplichting van de deelnemers om verantwoording af te leggen over de uitvoering van de niet-basistaken. Bijlage 1. – Operationalisering doelstellingen Paragraaf Nr. Voorgestelde doelstelling Indicator Norm (bron) 2.1 Aansluiting bij strategische doelen deelnemers 1 Bedrijven hebben inzicht in hun bijdrage aan en verantwoordelijkheid voor een klimaatbestendig, circulair en energieneutraal Fryslân. Percentage van de integrale milieucontroles waarbij het voldoen aan energiebesparende maatregelen wordt meegenomen. Aantal projecten in het uitvoeringsprogramma van de FUMO waaraan alle gemeenten en provincie deelnemen, die dienen ter bevordering van energiebesparing, duurzame energie, afvalreductie of circulariteit. Percentage bedrijven dat voldoet aan de Informatieplicht Wet milieubeheer (IPWM) energiebesparing door het indienen van een melding bij het eLoket van RVO van het totaal aantal bedrijven onder het basistakenpakket waarvan bekend is dat ze zich zouden moeten melden. Percentage van bedrijven die voor 1-1-2024 een melding voor de informatieplicht hebben ingediend, dat alle besparende maatregelen met een zelfstandig vervangingsmoment heeft toegepast. Bovenstaande indicatoren hebben met name betrekking op energieneutraal Fryslân. Zodra strategische ambities voor een klimaatbestendig en circulair Fryslân door deelnemers zijn vastgesteld kunnen deze indicatoren worden aangevuld. 100% per jaar (LEEF) Minimaal 1 per jaar (uitvoeringsprogramma) 80% op 1-1-2028 (eLoket RVO voor meldingen / lijst EP/RVO/eigen analyse voor te melden bedrijven) 100% op 1-1-2026 (LEEF) 2.1 Aansluiting bij strategische doelen deelnemers 2 Emissies naar water en lucht door industrie en landbouw worden gereduceerd door een branchegerichte aanpak. Percentage van de controles op indirecte lozingen, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Percentage van de controles op lucht-emissies bij industrie en landbouw, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Verbetering ten opzichte van 2020. 2.2 Risicogericht werken 3 Verbetering van de gegevenskwaliteit van de voornaamste risicovariabelen, zodat het informatie gestuurd risicomodel voor de clusters van basistaken optimaal kan functioneren. Percentage inrichtingen onder het basistakenpakket waarvan de branche conform het risicomodel bekend is (exclusief de taken in bijlage 11). Percentage inrichtingen onder het basistakenpakket waarvan de hoofdactiviteit conform het risicomodel bekend is (exclusief de taken in de bijlage 11). Onderbouwing met één of enkele risicovariabelen om vóór een controle te kunnen bepalen welke werken met een saneringsbeschikking of melding bodem een laag, matig of hoog risico hebben. 100% 100% Wordt verwerkt in uitvoeringsprogramma 2.3 Impuls ketentoezicht 4 De meest risicovolle grond- en afvalstromenketens zijn in beeld door een gerichte inzet van het ketentoezicht. Inrichting van een team ketentoezicht dat voldoet aan kwaliteitscriteria. Jaarlijkse tactische analyse (van de keten als geheel) op minimaal één thema binnen de keten afvalstromen. Jaarlijkse tactische analyse (van de keten als geheel) op minimaal één thema binnen de keten grondstromen. Team ketentoezicht is ingericht en voldoet aan de kwaliteitscriteria. In jaarverslag rapportage over ketenanalyses afval- en grondstromen. Jaarlijkse verwerking resultaten van de analyses afval- en grondstromen in het uitvoeringsprogramma van het jaar erna. 2.5 Kwaliteitsborging 5a De FUMO voldoet voor de basistaken aan de kwaliteitscriteria zoals beschreven in het Frysk Peil. Mate waarin de medewerkers van de FUMO voldoen aan de vastgestelde kwaliteitscriteria (Frysk Peil) voor de activiteiten binnen de deskundigheidsgebieden die de medewerker voor de basistaken uitvoert. Mate waarin door de FUMO ingehuurde medewerkers een verklaring hebben overlegd waarin ze aangeven dat ze voldoen aan de vastgestelde kwaliteitscriteria (Frysk Peil) voor de activiteiten binnen de deskundigheidsgebieden die de ingehuurde medewerker voor de basistaken uitvoert. Mate waarin de FUMO als organisatie voldoet aan de vastgestelde kwaliteitscriteria (Frysk Peil): percentage van de deskundigheidsgebieden voor de basistaken waarvoor de FUMO voldoet aan de kwaliteitscriteria. Registratie per medewerker in MyForms 100% of indien minder onderbouwd (rapportage in jaarverslag FUMO) 100% of indien minder onderbouwd (rapportage in jaarverslag FUMO) 5b Goed opgeleid personeel die voldoen aan de kwaliteitscriteria VTH en beschikken over de benodigde competenties voortvloeiend uit de Omgevingswet. Optimaliseren van klachtenafhandeling en reactie op vragen van inwoners. Goede bereikbaarheid. Toetsen aan de deskundigheidstabellen kwaliteitscriteria VTH (kritieke massa) Terugkoppeling binnen 48 uur 24 uursbereikbaarheid bij calamiteiten 100% voldoen aan de gestelde kwaliteitscriteria VTH zoals beschreven in het Frysk Peil 100% binnen reactietermijn 100% bereikbaar 3.1 Milieubelastende activiteiten 6 Locaties met één of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteit(
- en)beschikken over een actuele melding / vergunning. Percentage van controles van vergunningplichtige en meldingsplichtige milieuactiviteiten waarbij een actualiteitstoets is uitgevoerd van de aspecten die in de controle worden meegenomen. Jaarlijkse analyse van de actualiseringsnoodzaak van in ieder geval de vergunningen voor milieubelastende activiteiten die ouder zijn dan 10 jaar. 100% Jaarlijks uitwerking in uitvoeringsprogramma van actualisering 3.1 Milieubelastende activiteiten 7 De branches in de hoogste risicocategorie vertonen een verbeterd naleefgedrag ten opzichte van 2020. Percentage van de integrale controles bij bedrijven onder het basistakenpakket binnen de branche in de hoogste risicocategorie1In risicocategorie 5 vallen, conform bijlage 4, de branches IPPC-C-4. Chemische industrie, IPPC-C-5. Afvalbeheer, C-2. Afval industrie (opslag en be- en verwerking, inclusief autodemontage, incl. grondopslag) en C-24. Spoorwegemplacement, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Percentage van de aspectcontroles bij bedrijven onder het basistakenpakket binnen de branche in de hoogste risicocategorie2Zie vorige voetnoot., waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Verbetering ten opzichte van 2020. 3.1 Milieubelastende activiteiten 8 De voorschriften die gelden voor de activiteiten met de grootste milieurisico’s worden beter nageleefd dan in 2020. Percentage van de integrale controles bij bedrijven onder het basistakenpakket die activiteiten uitvoeren met de grootste milieurisico’s, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Percentage van de aspectcontroles bij bedrijven onder het basistakenpakket die activiteiten uitvoeren met de grootste milieurisico’s3Zie vorige voetnoot., waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Verbetering ten opzichte van 2020. 3.1 Milieubelastende activiteiten 9 Bij overige branches en activiteiten is het naleefgedrag minimaal gelijk aan het naleefgedrag in 2020. Percentage van de integrale controles bij bedrijven onder het basistakenpakket die overige activiteiten uitvoeren, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Percentage van de aspectcontroles bij bedrijven onder het basistakenpakket die overige activiteiten uitvoeren, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHSO categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Verbetering ten opzichte van 2020. 3.2 Bodem 10 Verbetering van het naleefgedrag bij bodemsaneringen ten opzichte van 2020. Percentage van de 1e controles bij bodemsaneringen, waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd in LHS) categorie 3 (van belang) of 4 (aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar). Verbetering ten opzichte van 2020. 3.2 Bodem 11 Verbetering van het gedrag van de uitvoerder van Bal/Bbk-werken ten opzichte van 2020. Mate van verbetering van het gemiddeld gedrag volgens LHSO van uitvoerders van Bal/Bbk werken met overtredingen. Verlaging van het gemiddeld gedrag. Verbetering ten opzichte van 2020. 3.2 Bodem 12 Inzicht in illegale activiteiten en het risico van niet gemelde bodemwerken en bepalen van de structureel benodigde inzet voor toezicht op niet gemelde bodemwerken. Uitwerking (beschrijving) van het risico en de risicovariabelen van niet gemelde bodemwerken. Voorstel voor structureel benodigde inzet voor toezicht op niet gemelde bodemwerken. Verbetering ten opzichte van 2023. 3.3 Asbest 13 Verbetering van het gedrag van de uitvoerder van asbestsaneringen ten opzichte van 2020. Mate van verbetering van het gemiddeld gedrag volgens LHSO van uitvoerders van asbestsaneringen met overtredingen. Verlaging van het gemiddeld gedrag. Let op: de activiteiten die sinds 1 januari 2024 door FUMO worden uitgevoerd door wijziging van het basistakenpakket zijn niet betrokken in de risico-analyse. Hiervoor gelden de uitgangspunten zoals bepaald in de eindrapportage van de werkgroep Financiën van Project24, d.d. 23 juni 2023. Bijlage 2. – Informatie gestuurd risicomodel Om prioriteiten te kunnen stellen is een informatie gestuurd risicomodel uitgewerkt voor ieder van de clusters van basistaken. In het model wordt onderscheid gemaakt in twee vormen van risicogericht werken: Op basis van gegevens uit aanvragen en meldingen. Op basis van gegevens van locaties. Ad 1. Risicogericht werken op basis van gegevens uit aanvragen en meldingen We werken risicogericht op basis van gegevens uit de aanvraag of melding bij: toezicht op asbestsaneringen. Daarbij wordt de toezichtintensiteit bepaald op basis van de volgende kenmerken: de locatie, het gebruik van, de risicoklasse, de soort saneerder en het toezicht door derden. Zie 3.3 uit de uitvoerings- en handhavingsstrategie. beoordeling van meldingen Bal/Bbk. Alle relevante aspecten uit iedere melding Bal/Bbk worden globaal beoordeeld. Op basis van de risicocategorie, lengte van de opslagperiode en samenstelling en omvang van de grondstroom vindt intensievere inhoudelijke beoordeling plaats. Zie 3.2 uit de uitvoerings- en handhavingsstrategie. toezicht op Bal/Bbk-werken. Op basis van het milieutechnische risico’s én het gedrag van de uitvoerder vindt intensiever toezicht plaats. Zie 3.2 uit uitvoerings- en handhavingsstrategie. beoordeling van aanvragen en meldingen milieubelastende activiteiten. Alle relevante milieuaspecten uit iedere melding en (vergunning)aanvraag voor milieubelastende activiteiten worden globaal beoordeeld. Op basis van de impact van de aangevraagde activiteiten (conform bijlage 4 uit het VTH-beleid), de politiek-bestuurlijke gevoeligheid van de activiteiten op deze locatie/ligging van de locatie én de verwachte emissies / hinder voor de omgeving vindt intensievere inhoudelijke beoordeling plaats. Zie 3.1.2 uit uitvoerings- en handhavingsstrategie. Bij iedere melding en aanvraag wordt daarbij, al dan niet met gebruik van een checklist, bepaald hoe intensief de beoordeling en het toezicht bij deze zaak dient plaats te vinden. Ad 2. Risicogericht werken op basis van gegevens van locaties Voor het toezicht op milieubelastende activiteiten werken we risicogericht door gebruik te maken van gegevens van locaties. Bij de totstandkoming van het VTH-beleid voor de basistaken is door Arena Consulting tevens een betaversie van het risicomodel voor de ‘milieubelastende activiteiten bij inrichtingen’ uitgewerkt. Hiervoor is in het VTH-beleid opgenomen dat de 10% locaties met de grootste risico’s 1,5x per jaar gecontroleerd worden indien ze een IPPC-installatie hebben en anders 1x per 2 jaar. Ook voor de 25% locaties met een matig risico en de 65% locaties met een laag risico gelden controlefrequenties. Daarmee zorgen we ervoor dat we ons toezicht inzetten op de locaties die ertoe doen én realiseren we met ons toezicht een toezichtniveau dat past bij de budgetten die de bevoegde gezagen beschikbaar stellen. In overleggen met medewerkers van de FUMO zijn risicovariabelen I t/m X benoemd. Op basis van een score van deze variabelen ontstaat per locatie een beeld van het risico. De gemeenten en de provincie verwachten, conform paragraaf 3.1.2, dat de FUMO de I t/m V minimaal meeneemt in het bepalen van het risico per locatie. Op basis van deze variabelen krijgt iedere locatie ‘risicopunten’. Locaties met de meeste risicopunten hebben het grootste risico en krijgen de hoogste prioriteit. We zien het risicomodel als een groeimodel. Groei vindt plaats langs twee lijnen: Voor het bepalen welke bedrijven een reguliere controle dienen te ontvangen maken we gebruik van de risicovariabelen I tot en met V. Het risicomodel wordt in de komende jaren zo nodig uitgebreid met overige risicovariabelen, zodat het uitvoeringsprogramma gebaseerd wordt op een risicoanalyse met meerdere risicovariabelen. De gegevens voor de risicovariabele I tot en met V zijn nog niet volledig. We bouwen deze gegevens op. De gegevens voor de risicovariabelen III., IV. en V. zijn bij de FUMO bekend. De branche (risicovariabele II) bij 73%. De betaversie is functioneel bruikbaar. Deze kan meerjarig gebruikt worden. Door jaarlijks actuele gegevens in te lezen vindt een berekening van de risicopunten en daarmee een prioritering van de locaties plaats met actuele data. Het exporteren van gegevens uit de huidige FUMO registraties, transformeren en daarna inlezen in de betaversie vereist enige tijd en expertise. Zolang de analyse eenmaal per jaar plaatsvindt (bij de samenstelling van de controlelijst voor het volgend jaar), lijkt dit nog acceptabel. Indien ook tussendoor aangepaste prioriteitstelling plaatsvindt en dus meerdere keren per jaar het risicomodel gevuld dient te worden, is een meer duurzame oplossing gewenst. Bijlage 3. – Risicoanalyse activiteiten Ieder van de activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is op basis van vijf risicofactoren ingedeeld in een risicocategorie. Voor de vulling is gebruik gemaakt van een model en uitwerking van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. Deze is door toezichthouders van de FUMO op maat gemaakt door het aanpassen van enkele waarden én het toevoegen van twee activiteiten die niet specifiek in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) benoemd zijn. Toelichting van de risicofactoren: Financieel: de mate waarin de activiteit kan leiden tot financiële risico’s voor de overheid Fysiek: de mate waarin de activiteit kan leiden tot risico’s voor de fysieke bebouwing (explosie, brand, instorten). Kwaliteit van de leefomgeving: de mate waarin de activiteit kan leiden tot overlast in de leefomgeving (geur, geluid, trilling, luchtkwaliteit). Natuur: de mate waarin de activiteit kan leiden tot korte en lange termijn schade aan flora en fauna. Gezondheid: de mate waarin de activiteit op korte en lange termijn kan leiden tot gezondheidsklachten. Het risico per activiteit is voor ieder van deze vijf risicofactoren door toezichthouders van de FUMO ingeschat. Daarbij is een schaal gehanteerd van 1 (geen risico) tot 10 (zeer groot risico). Het totaal van de risicofactoren leidt tot een risicoscore, waarbij een indeling is gemaakt in: 0-10: score 2 10-20: score 4 20-30: score 6 30-40: score 8 40-50: score 10 Let op: de activiteiten die sinds 1 januari 2024 door FUMO worden uitgevoerd door wijziging van het basistakenpakket zijn niet betrokken in de risico-analyse. Hiervoor gelden de uitgangspunten zoals bepaald in de eindrapportage van de werkgroep Financiën van Project24, d.d. 23 juni 2023. Bijlage 4. – Risicoanalyse branches De bedrijven zijn ingedeeld in drie groepen: bedrijven met een IPPC-installatie bedrijven met vergunningplichtige milieubelastende activiteiten bedrijven met meldingsplichtige milieubelastende activiteiten De bedrijven zijn per groep gerubriceerd naar branches. Daarvoor is gebruik gemaakt van de indeling, risicomodel en uitwerking van de RUD Limburg-Noord. Deze is door toezichthouders van de FUMO op maat gemaakt door het aanpassen van enkele waarden én het toevoegen van twee branches (Vuurwerkopslag en -verkoop en Grasdrogerijen). Ieder van de branches is gescoord (van waarde 1 zeer laag risico tot waarde 5 zeer hoog risico) op de zes voornaamste milieu-aspecten. Deze aspecten leiden met een weging (zie paragraaf 3.1.2) tot een risicocategorie per branche. Het totaal van de risicofactoren leidt tot een risicoscore, waarbij een indeling is gemaakt in: <100: score 2 100-150: score 4 150-200: score 6 200-250: score 8 >250: score 10 Bijlage 5. – Constateringen bodem en risico’s Selectie van constateringen binnen reikwijdte bodem met risico’s Constatering Risico Onvoldoende (bodem)onderzoek vooraf De verontreiniging kan zijn veranderd of verplaatst. De sanering kan verkeerd of onvoldoende worden uitgevoerd, waardoor verontreiniging zich verder kan verspreiden. De kwaliteit van de vrijkomende grond of het vrijkomende grondwater is onvoldoende bekend. Vervalsen van analyserapporten of laboratoriumcertificaten bij bodemonderzoek. Uit de rapporten of certificaten kunnen onjuiste conclusies worden getrokken, waardoor noodzakelijke toetsingen en beoordelingen niet kunnen worden uitgevoerd en illegale handelingen worden verdoezeld. Niet tijdig gestart met de spoedeisende sanering Ongewenste effecten kunnen optreden. De verontreiniging kan veranderen of zich verplaatsen. De start van de uitvoering of de afronding van de sanering is niet (tijdig) gemeld, of het evaluatieverslag is niet (tijdig) ingediend Het bevoegd gezag is niet in de gelegenheid om toezicht uit te oefenen. Kritische werkzaamheden zijn niet voor aanvang van de sanering vastgelegd Het toezicht wordt bemoeilijkt. Niet juist uitvoeren van het saneringsplan of eisen uit beschikking. Onvolledige sanering. Mogelijkheid tot frauderen. Saneerder is niet erkend of processturing vindt plaats door een niet erkende aannemer Er bestaat een grote kans dat werkzaamheden niet juist/deskundig worden uitgevoerd. Er kan later geen gebruik worden gemaakt van de gegevens m.b.t. de resultaten van de werkzaamheden. Tevens risico op fraude door te veel of te weinig saneren. Depots worden niet gescheiden gehouden. Partijen kunnen op een ongewenste manier worden vermengd. Verontreiniging kan verspreid worden (wegmengen verontreinigde grond). Grond afgeven aan een niet erkende verwerker. Er is geen toezicht op juiste verwerking mogelijk, materiaal verdwijnt uit beeld. Grond wordt naar ongecontroleerde locaties gebracht, waardoor er nieuwe milieurisico's ontstaan. Na afronding van een sanering niet de noodzakelijke maatregelen treffen m.b.t. de instandhouding van de isolatielaag of niet de noodzakelijke beperkingen in acht nemen. Onvolledige nazorg. Continuïteit van de nazorg komt in gevaar. Verspreiding verontreiniging, herverontreiniging. Constateringen binnen reikwijdte Bal/Bbk met grootste risico’s Constatering Risico Illegale activiteiten, niet gemeld Ontdoen van verontreinigde grond vaak op terreinen van gemeente. Kosten voor gemeente soms fors. Niet melden is bedreiging voor het ‘stand still’ principe zoals landelijk is vastgesteld, dus verslechtering van kwaliteit van de bodem. Niet melden geeft oneerlijke concurrentie. Melding IBC-bouwstoffen niet 4 weken voor aanvang werkzaamheden ingediend Volledige beoordeling van de melding niet mogelijk voor aanvang werkzaamheden. Werk wordt niet volgens IBC-voorschriften aangelegd waardoor langdurig uitlogen van verontreinigende stoffen plaatsvindt Samenvoegen van verschillende partijen zonder BRL 9335 Wegmengen van (verontreinigde) partijen. Kans op verontreiniging onderliggende bodem (hiervoor is een vloeistofdichte voorziening nodig). Oneerlijke concurrentie. Wanneer ‘per ongeluk’ partijen met elkaar vermengd zijn, dan is de slechtst ingaande partij bepalend voor de kwaliteit van gehele partij. Gevolg onnodige milieubelasting. Bij bestuursdwang is de personele inspanning voor de gemeente soms fors, dit brengt kosten met zich mee. Risico’s gezondheid directbetrokkenen en milieu Transport op openbare weg (of water) zonder begeleidingsformulier Illegaal werk uitvoeren, reële kans op niet voldoen aan ‘stand still’ principe. Oneerlijke concurrentie Kortdurende opslag (max zes maanden) niet volgens Bal/Bbk Opslag langer dan gemeld, hierdoor kans op uitlogen naar ondergrond. Partijen blijven achter in het veld, worden vergeten. Kans op illegale bijstorten. Niet voldoen aan intentie van Bal/Bbk, zoveel mogelijk nuttig hergebruik van grond en bouwstoffen. Verloedering van openbare ruimte. Wanneer ‘per ongeluk’ partijen met elkaar vermengd zijn, dan is de slechtst ingaande partij bepalend voor de kwaliteit van gehele partij. Gevolg onnodige milieubelasting. Opzettelijk verkeerd melden, fraude Kwaliteit van partij slechter dan te verwachten was. Splitsing register niet correct, ontdoen van afvalstoffen. Afwijkende hoeveelheden, ontdoen van afvalstoffen. Immobiliseren grond (geen meldingsplicht op van toepassing) Bedrijven gaan improviseren (valse concurrentie). Uitlogen schadelijke stoffen in de bodem. Na ‘niet instemmen melding’ vaak geen toezicht in het veld Werk is al uitgevoerd of wordt toch uitgevoerd. Geen zicht op afgewezen partijen. Volume toepassing meer dan gemeld (>25 %) Wegmengen verontreinigde grond. ‘Omkatten’ van partijen grond. Oneerlijke concurrentie. Ontbreken controle ‘vrije veld’ Wanneer uitsluitend gecontroleerd wordt naar aanleiding van meldingen, dan zal dit nadelig zijn op de bereidheid te melden. Verontreinigde grond/afvalstoffen verdwijnen (vaak dempingen buitengebied). Niet voldoen aan ‘stand stil’. Oneerlijke concurrentie, we horen het vaak van de nette melders. Het verschil in aanneemsom kan enorm zijn. Gezondheidsrisico voor personeel welke onwetend zijn. In veel gevallen is er sprake van afvalstoffen, is risico voor gezondheid omgeving directe omgeving /flora en fauna. Bijlage 6. – Preventiestrategie Beter voorkomen dan genezen. Door vooraf te investeren in inzicht en duidelijkheid van regels, kunnen we een deel van de overtredingen voorkomen. Uitgangspunt is een klantgerichte en klantvriendelijke benadering waarbij binnen de vigerende kaders steeds gezocht wordt naar een passende oplossing. Als een initiatiefnemer/aanvrager er met de geboden informatie niet uitkomt is er altijd een gesprek met de casemanager of overige betrokken medewerkers mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een professionele en klantvriendelijke dienstverlening. Bij preventie gaat het om het van nature nakomen van regels over leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Wij willen het naleefgedrag bevorderen door toezicht uit te voeren, maar ook door in te zetten op voorlichting en het uitleggen van het doel van regels. De meeste inwoners en bedrijven blijken dan bereid de voor hen geldende regels na te leven. 6.1 Voorlichting Via voorlichting wordt voorkomen dat overtredingen ontstaan uit een gebrek aan informatie en kennis. Inwoners en bedrijven worden geïnformeerd door de FUMO, gemeenten en provincie over verandering van wet- en regelgeving, indieningsvereisten, mogelijkheden voor aanvragen, et cetera. Voorlichting vindt plaats door: informatieverstrekking via de social media en de websites van onze gemeenten, provincie en FUMO met verwijzing naar websites van (landelijke) overheden met actuele informatie over wetgeving en indieningsmogelijkheden (omgevingsloket). vooroverleg over bijvoorbeeld de vindbaarheid en interpretatie van indieningsvereisten, gemeentespecifieke bepalingen, slagingskans van plannen, te volgen procedures, andere benodigde toestemmingen, de scope en doorlooptijd van de procedure, kritische aspecten en mogelijkheden voor indiening van aanvragen (in fasen, in delen of integraal). bespreken van (toetsings)resultaten na indiening van een conceptaanvraag. bij weigering of het buiten behandeling laten, wordt de aanvrager vóór bekendmaking geïnformeerd over het besluit en de overwegingen. informatieverstrekking tijdens controles. 6.2 Beoordeling van conceptaanvragen De gemeenten, provincie en de FUMO beoordelen zo vroeg mogelijk plannen en initiatieven integraal, mede op basis van de vergunningenstrategie. Daarbij worden partners, adviseurs en belanghebbende derden betrokken. Dit betekent dat de FUMO bij (concept)aanvragen onder het basistakenpakket op verzoek van deelnemers deelneemt aan vooroverleggen bij initiatieven, in het behandelteam van de gemeente wordt opgenomen én inzage heeft in het dossier in verband met milieurisico’s in relatie tot politieke en/of maatschappelijke gevoeligheden. Het eindresultaat van het vooroverleg op basis van een conceptaanvraag betreft, naast inzicht in meer procedurele randvoorwaarden, een ambtelijke indicatie van de haalbaarheid van een initiatief op bepaalde maatgevende facetten. Voor initiatieven waarbij activiteiten gaan plaatsvinden of gevolgen gaan hebben voor activiteiten binnen het basistakenpakket, geeft de FUMO een advies aan het bevoegd gezag. De aanvrager kan zijn initiatief zo nodig aanpassen en verder uitwerken en loopt zodoende in het formele vergunningentraject niet meer tegen onverwachte obstakels aan. 6.3 Pre-mediation Pre-mediation kan worden ingezet in vergunningprocedures en bij handhavingsverzoeken of overlastmeldingen. Voor vergunningprocedures kunnen bevoegde gezagen eisen stellen aan de wijze van participatie van belanghebbenden bij de totstandkoming van een vergunningaanvraag. Pre-mediation kan ook worden ingezet bij zienswijzen en bezwaar tegen besluiten. De initiatiefnemer kan met participatie zorgdragen voor voldoende draagvlak voor z’n initiatief. De werkwijze met omgevingstafels in het kader van de Omgevingswet sluit hierop aan. Indien er maatschappelijke weerstand tegen activiteiten bestaat of veel overlast is, maar geen wettelijke grondslag is om te sanctioneren (in casu formeel geen overtreding
- is)of een vergunning te weigeren, kunnen de gemeenten en provincie pre-mediation inzetten om toekomstige klachten en handhavingsverzoeken te voorkomen. Pre-mediation levert vooral een bijdrage aan de verbetering van een initiatief in samenspraak met de omgeving en van de context waarbinnen het naleefgedrag tot stand moet komen. De bevoegde gezagen kiezen in beginsel een neutrale positie in het ‘conflict’ door te proberen de partijen bij elkaar te brengen. In sommige gevallen kunnen aanvullend financiële middelen (subsidie) of kennis en informatie aan de partijen beschikbaar gesteld worden om tot een gezamenlijke oplossing te komen. De inzet van pre-mediation is altijd maatwerk en wordt door deelnemers, in overleg met FUMO, bepaald. 6.4 Actieve openbaarmaking Door actieve openbaarmaking van slecht naleefgedrag wordt de interventie gericht op het toebrengen van reputatieschade voor de overtreder. Veelal kan een dergelijke interventie worden toegepast om andere interventies extra kracht te geven. Voorbeelden van een dergelijke interventie is het publiceren van de sanctie. Een dergelijke aanpak wordt altijd in overleg met de deelnemer ingezet. Een positieve prikkel kunnen we afgeven door ‘naming en faming’. Door goed gedrag actief naar buiten te brengen en het belang van goede naleving te benoemen, stimuleren we anderen regels na te leven. 6.5 Samenwerking bij de preventie Bij het voorkomen van overtredingen werken we samen. Afhankelijk van het doel vindt samenwerking plaats samen met de FUMO, de gemeenten en provincie, Wetterskip, veiligheidsregio en diensten van rijksoverheden. Bijlage 7. – Vergunningstrategie We verstaan in deze vergunningstrategie onder vergunningverlening bij basistaken: het verlenen, weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een vergunning, geheel of gedeeltelijk; het behandelen van een melding ; het besluiten over maatwerk en/of gelijkwaardigheid; het besluit nemen over het al dan niet vereisen van een MER (m.e.r.-beoordeling). Vergunningverlening levert een bijdrage aan het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor het bepalen van de acceptabele kwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. Na een beschrijving van de basiswerkwijze en vormen van vergunningverlening, zijn de beoordelingskaders voor de clusters van basistaken uitgewerkt. 7.1 Basiswerkwijze Uitgangspunten bij vergunningverlening en het behandelen van meldingen zijn: inwoners en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige (conform indieningsvereisten) aanvragen/meldingen. De FUMO, gemeenten en provincie houden zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel; vergunningen zijn afgestemd op de geldende wet- en regelgeving (landelijk, provinciaal en lokaal) alsmede op lokaal en provinciaal beleid; vergunningen zijn afgestemd op landelijke standaarden (zoals de LRSO, de Landelijke Redactie voor Standaardteksten voor de Omgevingsvergunning), op gangbare en beproefde methodieken en op de eigen standaarden van de FUMO die, na consultatie door de deelnemers, worden/zijn ontwikkeld; vergunningen zijn duidelijk leesbaar, uitvoerbaar, naleefbaar en handhaafbaar; besluiten op vergunningaanvragen worden tijdig genomen, conform de wettelijke termijnen en conform specifieke afspraken met deelnemers; het proces dat we lopen is voorspelbaar, transparant, juridisch juist en achteraf verifieerbaar; advies wordt ingewonnen voor in ieder geval de aanvragen waar een advies van een ketenpartner wettelijk verplicht is. Door de FUMO zijn hierover met veiligheidsregio en Wetterskip operationele afspraken gemaakt; in de gevallen dat vergunningen of besluiten integraal zijn worden de verschillende aspecten en wetten op samenhangende wijze behandeld; er vindt afstemming, coördinatie of contact plaats met het bevoegd gezag en andere bestuurs- of adviesorganen of belanghebbende derden. Frontoffice en casemanagement Bij de toedeling van taken is het uitgangspunt dat de FrontOffice is ondergebracht bij de bevoegde gezagen. Het ‘gemeenteloket’ is hiermee voor inwoners en bedrijven dé ingang ten aanzien van het omgevingsrecht. In de BackOffice bevinden zich de afzonderlijke gemeentelijke of provinciale disciplines en de FUMO voor de taken ten aanzien van milieu, bodem en asbest. Het bevoegde gezag verzorgt van iedere aanvraag en melding : de registratie en intake van de klantvraag; het bepalen van bevoegd gezag; het onderzoek welke toestemmingen nodig zijn voor een bepaalde activiteit; het digitaliseren (met ontvangstbevestiging); het casemanagement van de aanvraag; het uitzetten bij behandelende dienst (FUMO of ODG) en overige interne- en externe adviseurs, evenals bepalen van overlegvorm, zoals omgevingstafel; het publiceren van aanvragen en (ontwerp)beschikkingen; het bewaken van termijnen van lopende procedures en de voortgang. het aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager; de besluitvorming op aanvragen en na zienswijzen; het archiveren van de melding, beschikking (analoog en digitaal) en alle relevante stukken; het bijwerken van de gegevens om het locatiebestand volledig te houden; Beheer van de bedrijvenlijst/ lijst met milieubelastende activiteiten. De FUMO kan op verzoek van het bevoegd gezag een of meerdere van bovenstaande activiteiten uitvoeren. Voor het milieu-, bodem- en asbestdeel verzorgt de FUMO in ieder geval: het toetsen van volledigheid en ontvankelijkheid op basis van indieningsvereisten en opstellen advies richting bevoegd gezag bij buiten behandeling laten; het (vak)inhoudelijke toetsen aan alle relevante beoordelingskaders; het uitvoeren van een handhaafbaarheidstoets; het bewaken van de afgesproken (advies)termijnen aan het bevoegd gezag; het opstellen van de (ontwerp)beschikking of het advies aan het bevoegd gezag. De volgende procedures zijn mogelijk na het ontvangen van een aanvraag: Reguliere procedure Uitgebreide procedure Bij het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgen wij de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet. Op meldingen volgt geen besluit. Bij de behandeling wordt inhoudelijk getoetst én beoordeeld of aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn. Indien op de algemeen geldende voorschriften aanvullende of concretere uitwerking van voorschriften nodig is voor het voorkomen van risico’s en/of voor een betere handhaafbaarheid, worden nadere voorwaarden (in geval van sloop) of maatwerkvoorschriften (in geval van milieu) opgelegd of een gelijkwaardigheidsbesluit genomen. Na beoordeling ontvangt de melder een bevestigingsbrief. De basiswerkwijze voor het behandelen van een aanvraag/melding is vastgelegd in het registratiesysteem van de FUMO, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. Voor de meest voorkomende correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn standaarden beschikbaar. Voor voorschriften wordt gebruik gemaakt van een standaard voorschriftenpakket. Meldingen en besluiten worden (indien FUMO mandaat heeft) ter kennisname aan het bevoegd gezag beschikbaar gesteld. Ontvankelijkheid Een goede en inhoudelijk juiste beoordeling van aanvragen is alleen dan mogelijk, wanneer de vereiste stukken aanwezig zijn. De indieningsvereisten zijn landelijk geüniformeerd en toegeschreven op de verschillende categorieën van activiteiten. Het consequent toetsen op ontvankelijkheid voorkomt dat in het vervolg van het proces de toetsing niet (geheel) kan worden uitgevoerd. Als detailuitwerkingen ontbreken wordt wel alvast een inhoudelijke beoordeling van de overige stukken gemaakt. We verrichten een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen en meldingen. Als de gevraagde ontbrekende stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Dit wil zeggen dat de aanvrager een besluit krijgt dat zijn aanvraag buiten behandeling blijft, waartegen bezwaar kan worden ingediend. Bij een melding kan de melder erop gewezen worden dat, indien de gegevens niet aangeleverd worden of onvolledig blijven, deze de activiteit niet kan uitvoeren. Tegen het niet óf onvolledig indienen van een melding of vergunningaanvraag kan handhavend worden opgetreden. Indien met de verlening van een vergunning het gevaar bestaat dat daarmee strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden, wordt in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag door de deelnemer een Bibob toets uitgevoerd . De situaties waarbij een Bibob toets wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd in het Bibob-beleid van het bevoegd gezag. 7.2 Informatieplicht Voor sommige activiteiten geldt een informatieplicht. Dit is aangegeven in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). Dit houdt in dat het wettelijk verplicht is om voorafgaand aan het uitvoeren van een activiteiten het bevoegd gezag van informatie te voorzien, waaronder het aanleveren van gegevens en bescheiden en informering over gebeurtenissen. Het gaat daarbij om de uitvoering van artikel 2.18 Bal. Let wel: los van de informatieplicht blijft de meldingsplicht voor specifieke activiteiten bestaan. 7.3 Intrekken van vergunningen Vergunningen met activiteiten die niet worden gebruikt, kunnen worden ingetrokken. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving. De FUMO adviseert aan het bevoegd gezag tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. In aanvulling daarop adviseert de FUMO aan het bevoegd gezag tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning van een veehouderijbedrijf indien een vergunde diercategorie gedurende drie jaar in zijn geheel niet is gehouden. 7.4 Beoordelingskader sloopwerkzaamheden met asbest Alle bedrijfsmatige sloopmeldingen met asbest worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Beoordeling van het asbestinventarisatierapport in samenhang met de ingediende sloopmelding vindt plaats aan de hand van een landelijke checklist op basis van het certificatieschema voor de procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering. 7.5 Beoordelingskader milieu Onderstaande beschrijving is een operationele uitwerking van de beleidsuitgangspunten voor vergunningverlening milieubelastende activiteiten (zie 3.1.2). Voor de activiteit milieu is het bedrijf primair verantwoordelijk voor een milieuverantwoorde bedrijfsvoering, binnen de kaders die hiervoor door de overheid zijn gesteld. De werkzaamheden rondom vergunningverlening milieu hebben betrekking op het beoordelen van aanvragen en meldingen voor activiteiten die van invloed zijn op het milieu. De milieutoets heeft betrekking op een grote variëteit aan bedrijfsactiviteiten, waarbij ook de locatie en aard en omvang van de bedrijvigheid een belangrijke rol speelt. Naast de landelijke regelgeving en richtlijnen wordt ook rekening gehouden met provinciaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Vanwege het verschil in werkwijze gelden voor het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen afzonderlijke beoordelingskaders. Het beoordelingskader voor vergunningplichtige activiteiten bestaat uit: Actuele milieuwet- en regelgeving, inclusief provinciale en gemeentelijke verordeningen en beleidsregels (zoals Beleidsregels geur bedrijven Fryslân); Standaarden: er wordt gewerkt met standaarden voor bijvoorbeeld vergunningvoorschriften, overwegingen, brieven en overige documenten; Aandachtspunten besluitvorming: in de besluitvorming wordt deugdelijk gemotiveerd op welke wijze invulling is gegeven aan de beoordelingsvrijheid en benoemd welke wet- en regelgeving bij de besluitvorming is betrokken. Alle relevante milieuaspecten uit iedere melding en aanvraag voor een vergunning voor milieuactiviteiten worden beoordeeld. Afhankelijk van de mate van relevantie van de aspecten (te bepalen door de beoordelaar van de meldingen of aanvraag) vindt een globale beoordeling plaats door de beoordelaar óf een 100% toets aan wet- en regelgeving waarbij ook juridisch en/of inhoudelijk specialisten worden betrokken. De relevantie van de aspecten is afhankelijk van onder meer de impact van de aangevraagde activiteiten, de politiek-bestuurlijke gevoeligheid van de activiteiten, de locatie/ligging van de locatie én de verwachte emissies / hinder voor de omgeving. Actualisering Jaarlijks maakt of actualiseert de FUMO een analyse van de actualiseringsnoodzaak van vergunningen voor milieubelastende activiteiten, in het bijzonder de vergunningen die ouder zijn dan 10 jaar. In het uitvoeringsprogramma van de FUMO wordt op basis van deze analyse opgenomen welke (type/branches) vergunningen voor milieubelastende activiteiten geactualiseerd worden en voor welk deel (gehele vergunning of specifiek thema), waarbij wettelijke actualiseringsthema’s bindend zijn. 7.6 Beoordelingskader bodem, bouwstoffen en grondstromen Onderstaande beschrijving is een operationele uitwerking van de beleidsuitgangspunten voor de vergunningverlening bodem (zie 3.2.2). Alle meldingen bodem (Bal/Bbk) uit het Meldpunt Bodemkwaliteit worden door de FUMO vastgelegd en beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Alle relevante aspecten uit iedere melding worden beoordeeld. Afhankelijk van de mate van relevantie van de aspecten vindt een globale beoordeling plaats óf een 100% toets aan wet- en regelgeving. De relevantie van de aspecten wordt door de behandelaar bepaald door onder meer de risicocategorie, lengte van de opslagperiode en samenstelling en omvang van de grondstroom. De kwaliteit van het partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de toepassingseisen van het Bal/Bbk. Bewijsmiddelen voor de kwaliteit van een partij grond zijn Bodemonderzoeken (partijkeuringen) en de Regionale Bodemkwaliteitskaart. 7.7 Samenwerking bij de vergunningverlening De casemanager beoordeelt welke interne en externe adviseurs betrokken dienen te worden bij de beoordeling of toetsing. In het gedigitaliseerde werkproces van de FUMO zijn ook de contactmomenten met externe en interne adviseurs benoemd. Bijlage 8. – Toezichtstrategie Gemeenten en provincie dienen inzicht te geven in de wijze waarop het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving wordt uitgeoefend. Op welke wijze en met welke frequentie uiteindelijk toezicht wordt gehouden, is het resultaat van de uitkomsten van de analyse. Hierbij spelen ook de ervaringen die met onze inwoners, bedrijven en instellingen zijn opgedaan en de keuzes in het verleden een rol. We zetten onze toezichtcapaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in. Zo vindt er toezicht plaats op basis van vooraf gemaakte keuzes (risicoanalyse). De planning wordt jaarlijks vastgelegd in een uitvoeringsprogramma. Niet alles is echter vooraf in te plannen. Ongewone voorvallen of klachten kunnen toezicht noodzakelijk maken. We zetten verschillende vormen van toezicht in. Met name bij risico- en aandachtsdossiers is sprake van een intensieve aanpak, op maat. Uitvoering hiervan vindt altijd plaats in overleg met deelnemers. De toezichtstrategie is gericht op het op eenzelfde wijze uitvoeren van toezicht in overeenkomstige gevallen. De doelen hiervan zijn tweeledig. Enerzijds het bereiken van transparantie, professionaliteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor diegenen waarop het toezicht zich richt. Anderzijds het voorzien in een hoge mate van effectiviteit en efficiency voor de FUMO, zodat zo hoog mogelijke maatschappelijke effecten tegen zo laag mogelijke inspanningen en kosten worden bereikt. De strategie heeft betrekking op de werkwijze die wordt gevolgd voor dat deel van het traject dat loopt van het toezichtsprogramma tot en met het constateren van de overtreding. Zodra een overtreding is geconstateerd wordt overgegaan op een andere strategie: waarschuwen, sanctioneren of alleen in uitzonderlijke gevallen gedogen. Na een beschrijving van de aanleidingen voor toezicht en de vormen van toezicht, zijn de toezichtniveaus voor de clusters van basistaken uitgewerkt: sloopwerkzaamheden met asbest (8.3), milieubelastende activiteiten (8.4) en bodem, bouwstoffen en grondstromen (8.5). Hierna beschrijven we op welke wijze we toezicht houden na klachten, meldingen en handhavingsverzoeken (8.6) en ketentoezicht (8.7). 8.1 Aanleidingen voor toezicht Toezicht in ons gebied vindt plaats op basis van: het jaarlijks uitvoeringsprogramma; aangevraagde vergunningen en ontvangen meldingen als opleveringscontrole; specifieke thema’s of projecten; ontvangen (overlast/hinder)meldingen, klachten, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen; waarnemingen in het vrije veld: oog en oor. 8.2 Vormen van toezicht Bij het houden van toezicht kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Het onderscheid is van belang omdat per branche en per beleidsterrein de aspecten waar de controle zich op richt verschillend zijn. Het is effectief om verschillende vormen van controles te hanteren, welke zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Controles dienen een objectieve waarneming te zijn om betrouwbare en kwalitatief goede bevindingen op te leveren. Om die reden worden controles onaangekondigd uitgevoerd, tenzij deelnemers hier specifiek om verzoeken, er een noodzaak is en er geen afbreukrisico’s zijn aan het vooraf aankondigen. Vormen van toezicht in ons gebied zijn: Structurele (routinematige) fysieke controles: periodiek toezicht op vergunningen en meldingen; Opleveringscontroles bij een nieuwe vergunning, na gereedmelding van de vergunde activiteit; opleveringscontroles zijn mogelijk na een specifieke opdracht van de deelnemers. Administratief toezicht (bijvoorbeeld bij afvalstromen en uitstootnormen); Ad hoc toezicht vanwege bijzondere omstandigheden, onder andere door verzoeken om handhaving, ongewone voorvallen en klachten; Thematische- of aspectcontroles. Deze worden geformuleerd in het uitvoeringsprogramma; Gebiedsgerichte controles, in het algemeen om vanuit de openbare ruimte de aanwezige bedrijven / milieubelastende activiteiten in beeld te brengen (bijv. door gevelinspecties) én het voorkomen en tegengaan van excessen; Concerntoezicht (werken volgens verschillende soorten regelgeving bij een concern met meerdere vestigingen); Her- en handhavingscontroles. De hercontrole bevat toezicht op één of enkele aspecten en vindt plaats aan de hand van een brief die is verzonden naar aanleiding van de vorige controle of handhavingsbesluit. Voor deze vormen is in het VTH-registratiesysteem een proces ingericht waarin de stappen worden doorlopen. Na iedere controle wordt een brief gemaakt volgens een vast format; deze wordt toegezonden aan de gecontroleerde eigenaar/uitvoerder. Deze brief en de relevante documenten worden naar de deelnemer gestuurd. In de brief worden bevindingen opgenomen van degenen die het toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan de bevindingen wordt gegeven. Hierbij wordt aandacht besteed aan de aard en ernst van de geconstateerde overtredingen, LHSO-code en eventuele wijzigingen van NAW-gegevens. Zowel het gedrag van de overtreder, de ernst van de overtreding en verzwarende en verzachtende omstandigheden worden conform de sanctiestrategie (bijlage 9) vastgelegd in de voorhanden systemen. 8.3 Toezicht sloopwerkzaamheden met asbest Onderstaande beschrijving is een operationele uitwerking van de beleidsuitgangspunten voor het toezicht asbest (zie 3.3.2). Op basis van informatie uit de melding, asbestinventarisatierapport, LAVS én Inspectie Alert Asbest (landelijke aandachtsbedrijven) worden met een puntentelling alle bedrijfsmatige sloopmeldingen met asbest ingedeeld en vastgelegd in één van de drie categorieën: Hoog risico. 10% van de meldingen krijgt een hoog risico. Matig risico. 25% van de meldingen krijgt een matig risico. Laag risico. 65% van de meldingen krijgt een laag risico. De punten zijn afhankelijk van (A) de locatie van de asbestsanering, (B) het gebruik van het te saneren object, (C) de risicoklasse asbest volgens het asbestinventarisatierapport, (D) de soort saneerder en (E) het toezicht door derden tijdens de sanering. Thematische (asbest) controles op locatie vinden tijdens de saneringen plaats bij: Werken met een hoog risico: 100%. Werken met een matig risico: 40% (selectie door de FUMO). Werken met een laag risico: 7,5% (selectie17 door de FUMO). Een vervolg thematische controle bij hetzelfde werk vindt alleen plaats indien de toezichthouder vermoedt dat illegale activiteiten met grote maatschappelijke risico’s plaats gaan vinden op een later moment en ná instemming van de deelnemer. Deze controles worden uitgevoerd aan de hand van een digitale checklist op basis van het Landelijk Protocol – Locatiebezoek Asbestverwijderingswerkzaamheden. Van dit protocol is een selectie gemaakt van meest risicovolle aspecten die bij alle controles worden beoordeeld. Beoordeling van overige aspecten vindt niet plaats. Enkel van de gecontroleerde werken wordt de stortbon en eindbeoordeling (vrijgave) van de melding opgeslagen en aan deelnemer toegezonden. Van de sloopwerkzaamheden waar geen toezicht op wordt gehouden, worden deze documenten niet door de FUMO bijgehouden en ook niet in het registratiesysteem vastgelegd. Toezichthouders hebben onderweg van en naar hun controlebezoeken oog voor eventuele illegale asbestsaneringen in de omgeving. Bij het signaleren van een mogelijk illegale asbestsanering voeren zij ter plekke een controle uit volgens het Landelijk Protocol – Locatiebezoek asbestverwijderingswerkzaamheden. Doordat gemeenten een groot deel van de bouw- en slooptaken uitvoeren, hebben zij het beste zicht op mogelijk illegale saneringen van asbest. Ogen en oren van andere toezichthouders van FUMO, deelnemers en overige inspectieorganisaties, zoals Inspectie SZW, worden zoveel mogelijk gebruikt om eventueel illegale asbestsaneringen te signaleren. 8.4 Toezicht milieu Onderstaande beschrijving is een operationele uitwerking van de beleidsuitgangspunten voor het toezicht milieubelastende activiteiten (zie 3.1.2). Voor iedere locatiemet één of meerdere milieubelastende activiteiten bepaalt de FUMO risicopunten. De puntentelling is gebaseerd op een aantal variabelen: Risicovolle activiteiten volgens de melding en vergunning. Zie bijlage 3. Brancherisico voor mens (gezondheid), omgeving en financieel gewin. Zie bijlage 4. Politiek-bestuurlijke gevoeligheid van de locatie/branche/activiteit: door deelnemers benoemde aandachtsbedrijven in het door FUMO bijgehouden overzicht. Lengte van de periode dat geen milieucontrole heeft plaatsgevonden. Gedrag van de drijver/eigenaar. Toezichtresultaten van andere inspectiediensten. Bron: aantal en zwaarte van geconstateerde overtredingen op de locatie door andere inspectieorganen. Aantallen gegronde klachten en ongewone voorvallen. Ligging van de locatie nabij Natura 2000-gebieden én woonwijken. Zwaarte van recent geconstateerde milieuovertredingen. Aantal recent geconstateerde milieuovertredingen. Op basis van de risicopunten wordt iedere locatie ingedeeld in één van de categorieën: Hoog risico. 10% van de locaties met één of meerdere milieubelastende activiteiten krijgt een hoog risico. Matig risico. 25% van de locaties met één of meerdere milieubelastende activiteiten krijgt een matig risico. Laag risico. 65% van de locaties met één of meerdere milieubelastende activiteiten krijgt een laag risico. Let wel: Bovenstaande categorieën gelden voor de locaties niet betreffende de nieuw overgekomen basistaken per 1 januari 2024. Voor deze nieuwe basistaken geldt de risico-beoordeling zoals beschreven in bijlage 11. De percentages uit bovenstaande gelden voor de locaties exclusief de nieuw overgekomen locaties, zoals bedoeld in bijlage 11. Bij de gemeentelijke en provinciale locaties met IPPC-installaties vinden controles met een toezichtplan voor de locaties plaats bij: specifieke locaties met een hoog risico: 1,5x per jaar. locaties met een matig risico: 1x per jaar. locaties met een laag risico: 1x per 3 jaar (selectie door FUMO). In het toezichtplan wordt benoemd wanneer integraal en wanneer op een of enkele aspecten wordt gecontroleerd. Locaties zonder IPPC-installatie worden gecontroleerd op basis van: locaties met een hoog risico: 1x per 2 jaar (selectie door FUMO). locaties met een matig risico: 1x per 4 jaar (selectie20 door FUMO). locaties met een laag risico: minimaal 1x per 10 jaar (selectie20 door FUMO). In het uitvoeringsprogramma wordt door een efficiënte aanpak getracht de objecten met een laag risico frequenter te bezoeken dan 1x per 10 jaar. Let wel: Bovenstaande categorieën gelden voor de locaties niet betreffende de nieuw overgekomen basistaken per 1 januari 2024. Voor deze nieuwe basistaken geldt de risico-beoordeling zoals beschreven in bijlage 11. De percentages uit bovenstaande gelden voor de locaties exclusief de nieuw overgekomen locaties, zoals bedoeld in bijlage 11. Bij de locaties zonder IPPC-installatie vindt 25 tot 50% van de controles integraal plaats (op alle risicovolle aspecten, diepgang kan per aspect verschillen) en 50 tot 75% op basis van specifieke thema’s/aspecten die jaarlijks in het uitvoeringsprogramma (bijv. in de vorm van een project) worden benoemd. Controles op milieubelastende activiteiten worden zoveel mogelijk uitgevoerd met behulp van een checklist. Daarbij worden de meest risicovolle activiteiten (zoals uitgewerkt voor de bovenstaande risicovariabele I) gecontroleerd. Toezichthouders van FUMO, deelnemers en overige inspectieorganisaties hebben onderweg van en naar hun controlebezoeken oog voor eventuele illegale activiteiten. Bij het signaleren van illegale activiteiten met vermoedelijk onomkeerbare effecten voeren zij ter plekke een controle uit; in overige gevallen wordt het signaal besproken met het bevoegd gezag om een aanpak te bepalen. Indien uit de aanpak blijkt dat een controlebezoek nodig is, wordt dit door de FUMO uitgevoerd. Bij politiek-bestuurlijke en/of landelijke beleidsmatige prioriteiten kunnen na besluitvorming door deelnemers projectmatig aspect- of gebiedscontroles worden toegevoegd aan het uitvoeringsprogramma; deze controles zijn aanvullend aan bovengenoemde frequenties en kunnen gevolgen hebben voor de bijdrage van de deelnemers. 8.5 Toezicht bodem, bouwstoffen en grondstromen Onderstaande beschrijving is een operationele uitwerking van de beleidsuitgangspunten voor het toezicht bodem (zie 3.2.2). Ieder werk waarvoor het bevoegd gezag een saneringsbeschikking heeft afgegeven of een melding heeft ontvangen, wordt op locatie gecontroleerd op het aspect bodem. De praktijk laat zien dat er veel misgaat op de saneringslocaties en vooraf op basis van ontvangen gegevens geen goed beeld van de verwachte naleving te krijgen is, waardoor onderbouwde selecties van te bezoeken locaties niet mogelijk zijn. Bij deze thematische controles worden alle aspecten uit de beschikking / melding gecontroleerd op basis van een uniforme checklist. Een vervolgcontrole bij hetzelfde werk vindt plaats indien
(1)in de eerste controle door de toezichthouder overtredingen zijn geconstateerd die volgens de Landelijke Handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO) van belang of aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar zijn,
(2)de toezichthouder beoordeelt dat kritische momenten tijdens de sanering op een later moment plaatsvinden en
(3)de sanering politiek-bestuurlijk gevoelig ligt, cq. de maatschappelijke risico’s groot zijn. Het evaluatierapport en/of nazorgplan na afloop worden volledig inhoudelijk beoordeeld. Bal/Bbk Met een checklist op basis van risicovariabelen wordt bepaald in welke risicocategorie de meldingen Bal/Bbk vallen. Er wordt onderscheid gemaakt in: Hoog risico: werken door bedrijven die de afgelopen drie jaren overtredingen hebben begaan met een gedrag ‘Moet kunnen’, ‘Calculerend’ of ‘Bewust en structureel / crimineel’ volgens LHSO én met sterke twijfels bij de beoordeling, IBC-bouwstoffen, meldingen achteraf en toepassing immobilisatie. Indicatief heeft 10% van de meldingen een hoog risico. Matig risico: werken door bedrijven die de afgelopen drie jaren overtredingen hebben begaan met een gedrag ‘Moet kunnen’, ‘Calculerend’ of ‘Bewust en structureel / crimineel’ volgens LHSO én met tijdelijke en kortdurende opslag, partijen met meer dan 5% bodemvreemd materiaal, samengevoegde partijen en meldingen met herkomst buiten Fryslân. Indicatief heeft 25% van de meldingen een matig risico. Laag risico: meldingen schone grond, gemeentelijke aanvraag, hertoepassing bouwstoffen, zand (certificaat) en met ontbrekend BKK document. Indicatief heeft 65% van de meldingen een laag risico. Controles op locatie vinden in de eerste week van het werk plaats bij: Werken met een hoog risico: 100%. Werken met een matig risico: 50% (selectie door FUMO). Werken met een laag risico: 10% (selectie21 door FUMO). Bij deze controles worden alle aspecten uit de melding Bal/Bbk beoordeeld. Een vervolgcontrole bij hetzelfde werk vindt alleen plaats indien de toezichthouder vermoedt dat illegale activiteiten met grote maatschappelijke risico’s plaats gaan vinden op een later moment. Algemeen Door gedurende één jaar op basis van MOOR- en KLIC -meldingen, evenals surveillances (vrije veld toezicht) door bodemtoezichthouders, toezicht uit te voeren op niet gemelde bodemwerken , kan aangetoond worden hoe omvangrijk en risicovol de niet gemelde werken in Fryslân zijn. De resultaten worden na één jaar aan deelnemers voorgelegd. Toezichthouders van FUMO, deelnemers en overige inspectieorganisaties hebben onderweg van en naar hun controlebezoeken oog voor eventuele illegale activiteiten. Bij het signaleren van mogelijk illegale activiteiten met onomkeerbare effecten voeren zij ter plekke een controle uit; in overige gevallen wordt het signaal besproken met deelnemers om een aanpak te bepalen. Door prioriteit van het ketentoezicht op de ketens grond- en afvalstromen wordt getracht mogelijke overtredingen in de ketens te constateren, die met reguliere controles niet geconstateerd worden (zie 8.7 Ketentoezicht). 8.6 Toezicht op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken Bij handhavingsverzoeken vindt altijd een controle plaats. Bij ongewone voorvallen daar waar nodig en mogelijk. Bij klachten over activiteiten vindt door de toezichthouders een afweging plaats of een controle ter plekke nodig is, op basis van het verwachte risico waarop de klacht betrekking heeft. Op basis van deze afweging wordt een controle ter plekke uitgevoerd op (in beginsel) enkel het aspect waarop de klacht betrekking heeft. De toezichthouder overweegt voorafgaand aan de controle of afstemming met de deelnemer nodig is. Anonieme verzoeken worden in principe niet in behandeling genomen. Indien de toezichthouder bepaalt dat de impact van de activiteit op mens en omgeving groot is, wordt eventueel verdere actie ondernomen. Het streven is om de klager binnen twee werkdagen op de hoogte te stellen dat de klacht is ontvangen en te informeren over het vervolg, al dan niet via piketdienst Milieualarmnummer Fryslân. Klachten die de FUMO ontvangt die geen betrekking hebben op de taken die de FUMO uitvoert, worden direct doorgezonden naar het bevoegd gezag. Bij ongewone voorvallen wordt de FUMO op de hoogte gebracht en opgeroepen. De ondersteuning vindt plaats door middel van het verlenen van kennis, toezicht (eventuele monsteropnames, meedenken bij oplossingen) en materiaal (zoals meetapparatuur). Hierbij geldt een 24-uurs bereik- en beschikbaarheid met een vastgelegde (maximale) opkomsttijd. Bij een ongewoon voorval, klacht en handhavingsverzoek kan door bemiddeling van de toezichthouders milieu geprobeerd worden de veroorzaker/eigenaar zelf de noodzakelijke actie te laten ondernemen. Daarmee kan worden voorkomen dat een last onder dwangsom of (een last onder) bestuursdwang moet worden opgelegd. Als dit niet lukt kunnen bestuursrechtelijke middelen worden ingezet en wordt (afhankelijk van de overtreding, zie interventiematrix in bijlage 9.4) contact gezocht met de BOA; mogelijk is hier ook strafrecht aan de orde. De FUMO werkt bovenstaande toezichtstrategie voor klachten, meldingen en handhavingsverzoeken uit in een klachtenprotocol. 8.7 Ketentoezicht Ketentoezicht is het op elkaar afgestemde toezicht van meerdere toezichthoudende organisaties. Dit toezicht richt zich op meerdere partijen die achtereenvolgens betrokken zijn bij deze activiteit. Ketentoezicht wordt ingezet voor de aanpak van risico’s die in een keten van meerdere activiteiten ontstaan. Ketentoezicht beperkt zich niet tot één plaatsgebonden activiteit. Jaarlijks worden thema’s binnen de ketens grond- en afvalstromen benoemd in het uitvoeringsprogramma van FUMO. De onderbouwing kan gebaseerd zijn op strategische ketenanalyses, op meerdere (gelijke of samenhangende) signalen uit het reguliere (plaatsgebonden) toezicht en/of signalen van andere inspectie-organen. Voor de strategische ketenanalyses wordt ingezet op ketens waar met het regulier toezicht een lage pakkans is, groot financieel gewin te halen is én de maatschappelijke en bestuurlijke effecten van overtredingen op milieu en volksgezondheid groot zijn. Het team ketentoezicht richt haar analysecapaciteit vooral op het analyseren van deze thema’s. De resultaten van tactische analyses zijn overzichten van s