Gemeenschappelijke regeling Groene Hart RekenkamerBesluit van de gemeenteraad van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Waddinxveen en Zuidplas houdende regels omtrent de gemeenschappelijke regeling omtrent de rekenkamer (Gemeenschappelijke regeling Groene Hart Rekenkamer) Hoofdstuk1Inleidende en algemene bepaling Artikel1Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; Raden: de raden van de deelnemende gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Waddinxveen en Zuidplas; College: college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Waddinxveen en Zuidplas; Rekenkamer: de Groene Hart Rekenkamer; Regeling: de gemeenschappelijke regeling ten behoeve van de Groene Hart Rekenkamer. Hoofdstuk2Instelling Artikel2Belang Deze regeling is aangegaan om gezamenlijk de wettelijke opdracht tot het instellen van een rekenkamer op een effectieve en efficiënte wijze vorm en inhoud te geven. Artikel3Gemeenschappelijke rekenkamer 1.De raden richten door deze regeling een gemeenschappelijke rekenkamer op, als bedoeld in artikel 81l van de Gemeentewet. 2.Het gemeenschappelijke orgaan is genaamd ‘Groene Hart Rekenkamer’ en is gevestigd in de gemeente Gouda. 3.De hoofdstukken IVa (De rekenkamer) en XIa (De bevoegdheid van de rekenkamer) uit de Gemeentewet zijn van toepassing op de gemeenschappelijke rekenkamer. Hoofdstuk3Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel4Toetreding en uittreding 1.Toetreding tot de regeling kan geschieden bij een daartoe strekkend gezamenlijk besluit van de deelnemende raden en de raad van de toetredende gemeente. 2.Uittreding uit deze regeling kan geschieden na een daartoe strekkend besluit van de raad van de uittredende gemeente. 3.Dit besluit wordt uiterlijk twaalf maanden voor de beoogde uittredingsdatum aan de raden en de leden van de rekenkamer medegedeeld. 4.Uittreding is mogelijk vier jaar na toetreding tot de regeling. 5.De financiële gevolgen van een uittreding en de daarbij behorende verplichtingen van de uittredende gemeente worden door de raden vastgesteld na het horen van de voorzitter van de rekenkamer. Artikel5Wijziging en opheffing 1.Deze regeling kan zowel op voorstel van de rekenkamer als op voorstel van één van de raden worden gewijzigd bij gelijkluidend besluit van de raden. 2.Deze regeling wordt opgeheven wanneer er slechts één gemeenteraad overblijft in deze regeling. Hoofdstuk4Werkwijze Artikel6Ondersteuning van de rekenkamer 1.De rekenkamer heeft een ambtelijk secretaris. 2.De rekenkamer benoemt, gehoord de programmaraad, een secretaris voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer. 3.De aanstelling van de secretaris vindt plaats bij de griffie van de gemeente Gouda. 4.De secretaris is voor de werkzaamheden voor de rekenkamer, uitsluitend verantwoording schuldig aan de rekenkamer 5.De griffie gemeente Gouda draagt zorg voor de betaling van de vergoeding aan de leden van de rekenkamer. 6.De griffie gemeente Gouda draagt zorg voor de overige betalingen van de rekenkamer, na instemming van de voorzitter van de rekenkamer. 7.Archivering van de documenten van de rekenkamer gebeurt volgens de archiefregels van de gemeente Gouda. Artikel7Het onderzoek 1.De rekenkamer bepaalt welke onderzoeken worden verricht. 2.De onderzoekscapaciteit wordt zoveel mogelijk evenredig verdeeld over de deelnemende gemeenten, maar kan na raadpleging met de programmaraad daarvan afwijken. 3.Als een gemeente meer per inwoner bijdraagt dan het in artikel 10, tweede lid genoemde bedrag, wordt dit meerdere gebruikt voor onderzoek in de betreffende gemeente. 4.De rekenkamer legt jaarlijks een onderzoeksprogramma voor het opvolgende kalenderjaar voor aan de raden. De raden kunnen voorstellen voor onderzoek via de programmaraad aandragen bij de rekenkamer. 5.De rekenkamer bericht in hoeverre aan een verzoek van een raad zoals bedoeld in het vierde lid wordt voldaan en motiveert dit. 6.Indien op verzoek van een raad een extra onderzoek wordt verricht door de rekenkamer, zijn de daaraan verbonden meerkosten voor rekening van die raad. Artikel8Overleg 1.De voorzitter van de rekenkamer voert ten minste drie keer per jaar overleg met de programmaraad. 2.Bij dit overleg worden in ieder geval het onderzoeksprogramma, de begroting en de jaarrekening van de rekenkamer besproken. 3.De voorzitter van de rekenkamer vraagt bij belangrijke bedrijfsvoeringbeslissingen de programmaraad vooraf om een zienswijze. 4.De voorzitter van de rekenkamer meldt het aan de programmaraad als er zich zaken voordoen waarvan de raden kennis zouden moeten nemen. Artikel9Programmaraad 1.Er is een programmaraad voor de rekenkamer. 2.De programmaraad bestaat uit twee leden van en aangewezen door elk van de raden. 3.Het voorzitterschap van de programmaraad rouleert iedere twee jaar tussen de gemeenten, tenzij de leden in onderling overleg anders overeenkomen. 4.De griffier van één van de deelnemende gemeenten is adviseur van de programmaraad. Het adviseurschap rouleert iedere twee jaar tussen de griffiers van de deelnemende gemeenten. 5.De programmaraad heeft de volgende taken: het geven van een zienswijze op de door de rekenkamer geselecteerde onderzoeksonderwerpen (shortlist) voor het komende kalenderjaar; het geven van een zienswijze op de probleemstelling, onderzoeksvragen en onderzoeksopzet opgesteld door de rekenkamer, voorafgaand aan het offertetraject voor het onderzoek; het geven van een zienswijze op het reglement van orde van de rekenkamer; het gevraagd en ongevraagd adviseren van de raden en de rekenkamer; Hoofdstuk5Financiën Artikel10Bijdragen deelnemende gemeenten 1.De raden stellen, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden. 2.De bijdrage van de deelnemende gemeente bedraagt minimaal € 1,- per inwoner. De bijdrage wordt als volgt berekend: het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar daaraan voorafgaand, vermenigvuldigd met netto € 1,- per jaar. 3.De minimale bijdrage wordt jaarlijks aangepast op basis van het consumentenprijsindexcijfer voor januari in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar. 4.De raden kunnen afwijken van het minimumbedrag per inwoner, waarbij dat bedrag ingezet wordt voor additioneel onderzoek voor de betreffende gemeente, zoals bedoeld in artikel 7, derde lid. 5.Elke raad stelt voor een periode van één jaar de jaarlijkse bijdrage aan de rekenkamer vast. Ten minste twee maanden voor afloop van de periode bedoeld in lid 2 stelt een raad opnieuw de jaarlijkse bijdrage vast. 6.Indien het budget niet volledig wordt besteed, blijft het resterende budget, na instemming van de programmaraad, beschikbaar voor de rekenkamer tot een maximum van 15% van het jaarbudget. Het meerdere wordt elk jaar naar evenredigheid teruggestort op de rekening van de gemeenten. Hoofdstuk6Benoeming en rechtspositie Artikel11Benoeming 1.De rekenkamer bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter. 2.De leden van de rekenkamer zijn geen ingezetene van één van de gemeenten. 3.De programmaraad wordt betrokken bij de selectieprocedure van de leden van de rekenkamer. 4.De raden benoemen de leden van de rekenkamer op voordracht van de programmaraad door een gelijkluidend besluit. 5.De leden van de rekenkamer, waaronder de voorzitter, kunnen maximaal één keer voor een periode van zes jaar worden herbenoemd. Artikel12Vergoeding 1.De leden van de rekenkamer ontvangen voor hun werkzaamheden een vaste maandelijkse vergoeding. 2.De vergoeding bedraagt voor de voorzitter € 742,55 per maand en voor gewone leden € 571,10 per maand. 3.De leden van de rekenkamer ontvangen daarnaast een onkostenvergoeding van € 84,10 per maand. 4.De bedragen genoemd in het tweede en derde lid, zijn gebaseerd op de indexering op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.