← Nederland

Nota bodembeheer 2023, Beleidsnota PFAS en bijbehorende kaarten (Houten)

Nota bodembeheer 2023, Beleidsnota PFAS en bijbehorende kaarten 0.Leidraad grondverzet De gemeente Houten heeft onder het Besluit bodemkwaliteit bodembeleid vastgesteld in de vorm van een nota bodembeheer (verder: nota) met bodemkwaliteitskaart (verder BKK). Dit hoofdstuk is een leidraad voor de gebruiker om aan de hand van vragen snel de weg te kunnen vinden naar de juiste hoofdstukken en paragrafen in deze nota. Hierin staan teksten, figuren of tabellen die nodig zijn voor de uitvoeringspraktijk met betrekking tot het ontgraven en/of toepassen van grond. Voor wie is het beleid bedoeld? Het beleid is met name opgesteld voor overheden en professionele marktpartijen (aannemers, grondreinigers, adviesbureaus) die in hun werk te maken hebben met hergebruik (toepassen) van grond en/of baggerspecie. Geldt het beleid alleen voor de gemeente Houten? Ja, maar de initiatiefnemers van grondverzet kunnen de nota met BKK ook gebruiken voor de toepassing van grond in gemeenten die de beleidsstukken van de gemeente Houten hebben geaccepteerd. Voor welke stoffen geldt het beleid? Het beleid geldt voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket. Dit zijn de stoffen die doorgaans bij een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring worden onderzocht. PFAS maakt hier geen onderdeel van uit. Voor de toepassingsvoorwaarden van PFAS-houdende grond verwijst de gemeente Houten naar de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht. Het eerdere PFAS-beleid van de gemeente Houten komt met het vaststellen van deze nota te vervallen. Wat zijn de achtergrondgehalten van de stoffen uit het standaardpakket en PFAS in de gemeente Houten? Per gebruiksfunctie (functieklasse) van de bodem in Houten zijn de gemiddelde gehalten bepaald. Daarbij is de zone-indeling uit tabel 0.1 gehanteerd. Tabel 0.1: Indeling in bodemkwaliteitszones Bodemkwaliteitszone Omschrijving Functieklasse B1 (bovengrond) Buitengebied Houten Landbouw/natuur B2 (bovengrond) Bebouwing < 1979 Wonen B3 (bovengrond) Bebouwing > 1979 Wonen B4 (bovengrond) Bedrijven Industrie O1 (ondergrond) Ondergrond hele onverdachte gebied Landbouw/natuur Niet gezoneerd gebied Fort bij ‘t Hemeltje Niet gezoneerd Uiterwaarden Lek Grondwal Rondweg Rijksweg A27 Spoorlijn De indeling van de gemeente Houten in zones is te zien op kaartbijlage 2 van de BKKrapportage. De vastgestelde gemiddelde bodemkwaliteit in de bovengrond van zone B2 is van de kwaliteitsklasse wonen. De vastgestelde gemiddelde bodemkwaliteit van de overige bovengrondzones (B1, B3 en B4) en van de ondergrond in de gehele gemeente Houten (zone O1) zijn van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. De grond in deze zones is gemiddeld gezien schoon. Het bovenstaande geldt uiteraard niet voor de bodem van terreindelen waar de bodemkwaliteit negatief is beïnvloed door lokale bronnen van bodemverontreiniging. Deze terreindelen zijn uitgesloten. Wat betekenen de vastgestelde achtergrondgehalten voor de toepassingsmogelijkheden van grond in de gemeente Houten? Voor het bepalen van de toepassingsmogelijkheden van grond geldt een dubbele toets. De criteria zijn: de gebruiksfunctie van de bodem waar de grond wordt toegepast (functieklasse) de kwaliteit van de toe te passen grond (bodemkwaliteitsklasse) Om te bepalen of een grondtoepassing is toegestaan moet aan de scherpste norm worden getoetst. Via gebiedsspecifiek beleid is in Houten echter een uitzondering gemaakt voor toepassingen in de bovengrond van industrieterreinen. Op locaties binnen de bodemfunctieklasse Industrie mag namelijk grond met een maximale kwaliteitsklasse Industrie worden toegepast, ook al is de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem schoner. De toepassingsmogelijkheden van grond (en baggerspecie) in de gemeente Houten zijn samengevat in tabel 0.2: de grondstromenmatrix. Tabel 0.2: Grondstromenmatrix (generiek) Onder gevoelige functies verstaan we in dit verband: Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen) Toegestane grondstromen volgens de grondstromenmatrix mogen plaatsvinden zonder keuring/onderzoek van de toe te passen grond en de bodem waar de grond wordt toegepast. Meldplichtige toepassingen moeten gemeld worden bij het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl Zie hiervoor het stappenschema grondverzet in paragraaf 7.2. Na 1 januari 2024 moet gemeld worden via het omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Is het gehalte PFAS in de grond een criterium bij de toepassing van grond? Ja. De gemeten gehalten in een partijkeuring of ander bodemonderzoek moeten worden getoetst aan de normen uit de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). Onder voorwaarden mag ook de bodemkwaliteitskaart PFAS worden gebruikt als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit. Hoofdstuk 5 gaat hier nader op in. Welke andere gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen in de nota? In § 4.3 van de nota zijn voor de onderstaande situaties gebiedsspecifiek regels opgenomen die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart. Onderwerp Waarom gebiedsspecifiek? 1 Grondverzet in de niet-gezoneerde gebieden Verdacht terrein 2 Toepassing van grond op gevoelige gebruiksfuncties Maatwerk in normstelling 3 Grondverzet dieper dan 2 m-mv Verruiming toepassingsmogelijkheden 4 Eisen voor bodemvreemd materiaal in toe te passen grond Maatwerk in normstelling 5 Grondverzet op wegbermen langs gemeentelijke wegen Verruiming toepassingsmogelijkheden 6 Grondverzet op wegbermen langs provinciale en rijkswegen Verruiming toepassingsmogelijkheden 7 Verspreiden van bagger en baggerdepots Verruiming toepassingsmogelijkheden 8 OCB beleid Verruiming toepassingsmogelijkheden 9 Grondverzet bij werkzaamheden aan kabels- en leidingen Maatwerk in normstelling 10 Voorkomen verspreiden plaagsoorten Verdacht terrein Welke stappen zijn noodzakelijk in de voorbereiding op de toepassing van grond? Grondverzet binnen de grens van het beheergebied start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen: Vooronderzoek, conform NEN 5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht is voor bodemverontreiniging; Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond; Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is; Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden; Meldplichtige toepassingen melden via www.meldpuntbodemkwaliteit.nl en na inwerkingtreding van de Omgevingswet via het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. In § 7.2 zijn de stappen nader beschreven. 1.Inleiding 1.1Leeswijzer De kern van de nota bestaat uit het grondstromenbeleid (hoofdstuk 4) en de bodemkwaliteitskaart (bijlage 1 met kaartbijlagen). In de paragrafen 1.5 en 1.6 staat beschreven voor welk gebied dit beleid geldt (bodembeheergebied). De hoofdstukken 2 en 3 geven de regionale afwegingen weer voor het opstellen van beleid rondom grondverzet en het wettelijk kader van deze nota. Dit geeft goed inzicht in de wettelijke en beleidsmatige achtergronden van de nota en de samenhang met de bodemkwaliteitskaart. In hoofdstuk 5 zijn de beleidsregels voor de stofgroep PFAS beschreven. Hoofdstuk 6 staat stil bij bijzondere situaties van het grondverzet. De benodigde stappen voorafgaand aan het toepassen van grond worden in hoofdstuk 7 beschreven. 1.2Aanleiding De voorgaande Nota bodembeheer dateert uit 2011 en had betrekking op het grondgebied van de gemeenten IJsselstein, Houten, Nieuwegein en Lopik. In 2014 en 2017 is de Nota middels twee addenda gewijzigd. Met de tweede wijziging van 2017 is de bodemkwaliteitskaart van het bebouwde gebied van de gemeente Houten geactualiseerd. Directe actuele aanleiding voor het opstellen van een nieuwe Nota bodembeheer is het feit dat de nota, de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart volgens het Bbk (wettelijk) moeten worden geëvalueerd en geactualiseerd. Belangrijk onderdeel van de actualisatie betreft het kunnen zoneren van het buitengebied van de gemeente Houten met de inmiddels verzamelde onderzoeksgegevens. Tijdens het opstellen van de voorgaande bodemkwaliteitskaart waren hiervoor onvoldoende analysegegevens beschikbaar. In de nieuwe nota kan daarnaast rekening worden gehouden met nieuwe beleidsontwikkelingen en verschuivingen in functie en bestemming van het grondgebied. Tot slot wordt met het beleid uit deze Nota bodembeheer zo beleidsneutraal mogelijk aangesloten op het beleidskader uit de naderende Omgevingswet. 1.3Doelstelling Nota bodembeheer Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van kracht. Dit besluit stelt regels aan het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie. Dit wordt ook wel het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit genoemd. In het generieke beleid zijn gemeenten verplicht hun grondgebied in te delen naar het gebruik op een zogenaamde bodemfunctieklassenkaart. Deze kaart is immers nodig om als toepasser van grond of bagger in het generieke kader te bepalen aan welke bodemfunctieklasse de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet worden getoetst. In de Nota bodembeheer wordt het gemeentelijke grondverzetsbeleid toegelicht. 1.4Afweging gebiedsspecifiek bodembeleid De gemeente Houten heeft ervoor gekozen om voor een aantal toepassingen gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het generieke kader niet voor alle toepassingen optimaal aansluiten bij de lokale bodemsituatie en de gemeentelijke ambities. Het opstellen van gebiedsspecifiek bodembeleid, vastgelegd in een nota en onderbouwd door een BKK, vindt plaats volgens het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (Ministeries van VROM en V&W, september 2007). Het beleid is beschreven in de voorliggende nota. De BKK geeft inzicht in respectievelijk de te verwachten kwaliteit van te ontgraven en weer toe te passen grond en de kwaliteit van de ontvangende bodem binnen de gemeentegrens van Houten. Wanneer aan de (gebiedsspecifieke) toepassingseis voldaan wordt is de toepassing toegestaan. Onder de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 inwerking zal treden, worden delen van het in hoofdstuk 4 beschreven gebiedsspecifieke beleid via overgangsrecht automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het gemeentelijk omgevingsplan. Waar mogelijk wordt er in deze nota geanticipeerd op de bodemregelgeving onder de Omgevingswet. Over de totstandkoming van de BKK is een rapport opgesteld, met als titel: Bodemkwaliteitskaart gemeente Houten (zie bijlage 1 en kaartbijlagen 2 t/m 4). Na vaststelling van het gebiedsspecifieke beleid door de gemeenteraad van Houten mag, onder de voorwaarden uit de nota, de BKK als bewijsmiddel voor de milieukwaliteit van grond worden gebruikt bij het grondverzet. In deze nota worden de voorwaarden beschreven waaraan voldaan moet worden bij hergebruik of toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem. De term grond komt vaak voor in de nota. Sinds invoering van het Bbk valt ook baggerspecie onder het begrip grond. De nota is bestemd voor professionele partijen zoals overheden, bedrijven en adviesbureaus die bij de uitvoering van werkzaamheden grond en/of baggerspecie willen (laten) hergebruiken of toepassen. 1.5Bodembeheergebied Het bodembeheergebied (verder beheergebied) is het gebied waarvoor de gemeente Houten het gebiedsspecifieke beleid vaststelt. Het grondverzet kan indien mogelijk en gewenst verder worden vergemakkelijkt als de gemeente bodemkwaliteitskaarten en het bodembeleid accepteert van omliggende gemeenten. Dit kan voordelen opleveren als grond uit de ene gemeente daardoor zonder keuring kan worden hergebruikt in een andere gemeente binnen het beheergebied. De gemeente Houten heeft ervoor gekozen om het beheergebied niet uit te breiden, maar te beperken tot het eigen grondgebied. Sinds het van kracht worden van de oude nota bodembeheer

(2011)is nauwelijks gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zonder onderzoek grondverzet te plegen tussen gemeenten. De gemeente accepteert derhalve uitsluitend de bodemkwaliteitskaart van het eigen grondgebied. 1.6Reikwijdte van de nota bodembeheer De gemeente Houten heeft gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. De belangrijkste redenen hiervoor is de wens om het grondverzet (nóg) eenvoudiger, goedkoper en duurzamer te maken. Door gebiedsspecifieke bodemkwaliteitsnormen vast te stellen wordt er een balans gecreëerd tussen het behoud van de huidige bodemkwaliteit en het verruimen van de mogelijkheden voor grondverzet binnen de gemeente. Door meer mogelijkheden te creëren om gebiedseigen grond her te gebruiken waar dit milieuhygiënisch verantwoord is, worden niet alleen kosten bespaard, maar wordt het grondverzet ook duurzaam. In hoofdstuk 4 zijn de beleidsregels van het gebiedsspecifieke beleid beschreven. In het Bbk zijn veel onderwerpen geregeld die landelijk gelden en waar gemeenten geen vrijheid hebben voor het stellen van nadere regels. Het betreft bijvoorbeeld: kwaliteitscriteria voor bodemwerkzaamheden (Kwalibo of erkenning bodemkwaliteit); toepassen van bouwstoffen; toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen; direct nat verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen; de meldingsprocedure voor het toepassen/tijdelijk opslaan van grond (en bagger). Omdat de wetgeving voor bovengenoemde onderwerpen landelijk uniform is, is hiervoor in deze nota waar nodig verwezen naar het Bbk, de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit en de Handreiking Besluit bodemkwaliteit. De nota is dus nadrukkelijk geen samenvatting van het Bbk. Onderwerpen die vaak tot discussie leiden of zeer essentieel zijn, worden toegelicht in voorliggende nota. In geval er sprake is van tegenstrijdigheden, geldt dat de wetgeving voor de genoemde onderdelen leidend is boven deze nota. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet staan de regels voor het toepassen van bouwstoffen, het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie en het verspreiden van baggerspecie niet meer in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De regels voor de nieuwe milieubelastende activiteiten zijn dan opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Stoffenpakket en bodemlaag De BKK is vastgesteld voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket voor de landbodem: Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); Polychloorbifenylen (PCB); Minerale olie. Voor de stofgroep PFAS heeft de gemeente Houten in 2020 een eigen Beleidsnotitie PFAS vastgesteld. Met de actualisatie van de Nota bodembeheer is ervoor gekozen aan te sluiten bij het gebiedsspecifieke PFAS-beleid van de provincie Utrecht. Dit is voor de gehele provincie vastgelegd in de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht” (7 april 2021) met bijbehorende PFASkaarten. De gemeente Houten kiest ervoor om dit PFAS beleid vast te stellen. Verder is de BKK vastgesteld voor de bodemlaag 0,0 – 2,0 m-mv waarbij een onderverdeling is gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-
  1. mv)en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). Aansprakelijkheid en geldigheidsduur Na vaststelling van de BKK en nota bodembeheer van de gemeente Houten en de Beleidsnota PFAS met bijbehorende BKK, wordt de BKK een wettig bewijsmiddel voor grond afkomstig van onverdachte terreinen. Dit geldt zowel voor de locatie van herkomst als voor de toepassingslocatie. De eigenaar van het perceel waar de grond wordt toegepast blijft echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bodem op zijn perceel. De gemeente, als bevoegd gezag, en toezichthoudende instanties kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die voortvloeit uit een onjuiste toepassing van grond of baggerspecie. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 wordt de maximale geldigheidsduur van 5 jaar voor bodemkwaliteitskaarten losgelaten. Aan de BKK wordt derhalve geen geldigheidstermijn verbonden. De gemeente Houten is verantwoordelijk voor de kwaliteit en actualiteit van de kaart. Onder de Omgevingswet zullen nieuwe beleidskeuzes moeten worden vastgelegd door regels op te nemen in het omgevingsplan. 2.Uitgangspunten regionaal beleid 2.1Karakterisering van het beheergebied Houten Aan de basis van de gemeentelijke BKK ligt de identificatie van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit homogeen is (van vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een deelgebiedenkaart gedefinieerd. Huidige inrichting Binnen de gemeente Houten is ervoor gekozen om het jaartal van de bebouwing als onderscheidend gebiedskenmerk te hanteren. In de oude stadskern van Houten (rondom Het Plein) en in de kleinere woonkernen Schalkwijk, ’t Goy en Tull en ’t Waal bestaat de bebouwing van voor 1979. De snelle groei en bebouwing die de stad Houten daarna heeft doorgemaakt binnen de Grondwal Rondweg (en net daarbuiten) stamt van na 1979. Er zijn drie bedrijventerreinen gekenmerkt op de BKK Houten. Bedrijventerrein ‘De Schaft’ bevindt zich binnen de Grondwal Rondweg, net ten zuiden van het oude stadscentrum. Bedrijventerrein De Meerpaal ligt ontsloten tussen de rondweg, het Amsterdam-Rijnkanaal en de Rijksweg A27. De Doornkade is een bedrijventerrein ten noorden van Houten, net naast de A27. Deze drie terreinen zijn voor de BKK samengevoegd tot één deelgebied genaamd ‘Bedrijven’. Het buitengebied is voornamelijk in gebruik voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor. In het buitengebied van de gemeente Houten bevinden zich (voormalige boomgaarden) die verdacht kunnen zijn op het voorkomen van organo-chloorbestrijdingsmiddelen (verder: OCB’
  2. s)die extra aandacht vereisen. In paragraaf 4.3.8 wordt hier verder op in gegaan. De niet-gezoneerde gebieden omvatten de Grondwal Rondweg, de spoorlijn die de stad Houten noord-zuid doorkruist, de Rijksweg A27 in het noordwesten van de gemeente, de uiterwaarden van de Lek en het voormalig militair fort ‘bij ’t Hemeltje’. Voor al deze locaties is ofwel bodemverontreiniging door puntbronnen aannemelijk ofwel grondverzet onwenselijk. Het buitengebied is voornamelijk in gebruik voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor. In het buitengebied van de gemeente Houten bevinden zich voormalige boomgaarden die verdacht zijn op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen die extra aandacht vereisen. Historie Archeologische vondsten laten zien dat de locatie waar Houten nu gevestigd is al bewoond is sinds circa 2000 v.C.. De directe omgeving van Houten kreeg een impuls ten tijde van het Romeinse rijk met de stichting van de nabije nederzetting Fectio. Het oudste gebouw van het moderne Houten is waarschijnlijk de kerk van Houten (hedendaagse Pleinkerk), gesticht aan het einde van de 7de eeuw n.C. door rondtrekkende monniken. Ontginningen in de daaropvolgende eeuwen leidden tot de plaatsen Schalkwijk en Wulven. Houten is tot vlak na de tweede wereldoorlog een brinkdorp gebleven. Na de oorlog kwam de ontwikkeling van Houten in een stroomversnelling met de aanleg van verscheidene snelwegen, het Amsterdam-Rijnkanaal en was het tevens gemakkelijker te bereiken via de spoorwegen. Bodemopbouw en geomorfologie In het kader van zowel de bodemopbouw, geomorfologie en het landschap wordt de gemeente Houten gedomineerd door rivierafzettingen. De westzijde van gemeente Houten voornamelijk uit laaggelegen komgronden naast de rivier de Lek, in de omgeving van de dorpen Tull en ’t Waal en Schalkwijk. De bodemopbouw bestaat voor het grootste gedeelte uit komkleisediment afgezet door de rivier. De hooggelegen gebieden in de gemeente waar de nederzettingen Houten en ’t Goy zich bevinden zijn stroomruggebieden. 2.2Voordelen bodemkwaliteitskaart Binnen de gemeente Houten zijn diverse gebiedsopgaven voor woningbouw. Hierbij zal grondverzet (ontgraven, toepassen en hergebruik van grond) plaatsvinden waarvoor milieuhygiënische bewijsmiddelen nodig zijn van de bodemkwaliteit. Dit geldt ook voor andere activiteiten waarbij grondwerk plaatsvindt zoals regulier beheer/onderhoud aan wegbermen, rioleringen en groenvoorzieningen en de aanleg van kabel- en leidingtracés. Bij dit grondverzet wil de gemeente Houten verantwoord en kostenefficiënt omgaan met grond. Bijvoorbeeld door vrijkomende grond bij het ene project weer nuttig toe te passen in een ander project binnen het beheergebied. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat er volgens de generieke normen en regels van het Bbk binnen de gemeentegrens gebieden zijn waar de toepassingseisen onnodig streng zijn gelet op de bodemfunctie. Dit kan belemmerend zijn voor het grondverzet en kan leiden tot onnodige aanvoer en aankoop van grond en onnodige afvoer- en verwerkingskosten. Door goed gemotiveerd gebiedsspecifiek beleid op te stellen voor het grondverzet kan de gemeente grond vanuit de ene zone weer nuttig hergebruiken in de andere zone. Op deze wijze hoeft de gemeente geen extra grond aan te kopen (of tegen kosten af te voeren) en is hergebruik van grond vanuit het beheergebied mogelijk. Het opstellen van een BKK kan tevens voor een kostenreductie zorgen doordat bij grondverzet minder administratieve handelingen en onderzoek nodig zijn. Zo kan bij grondverzet ter plaatse van onverdachte terreindelen vaak volstaan worden met een historisch vooronderzoek. Zonder een BKK is het noodzakelijk om zowel ter plaatse van de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie een bodemonderzoek uit te voeren om vast te kunnen stellen of de kwaliteit en de functie met elkaar matchen. 2.3Uniformiteit Uniformiteit in kaart en beleid vergroot de kwaliteit van de uitvoering en bevordert het naleefgedrag. Daar waar mogelijk is aangesloten bij het beleid van de naastgelegen regio’s. Initiatiefnemers en uitvoerders in de keten van grondverzet, die veelal regionaal werken, krijgen daardoor niet te maken met onnodige verschillen tussen gemeenten. Juist dergelijke verschillen zorgen voor een verhoogde kans op fouten en overtredingen bij grondverzet. 2.4Duurzaamheid De gemeente Houten heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld: de bodem zodanig benutten, gebruiken en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Maar duurzaam bodembeheer kan ook faciliteren in de verduurzaming van andere thema’s of onderwerpen. Verruiming van de hergebruiksmogelijkheden van gebiedseigen grond in de regio zorgt voor minder gebruik van primaire grondstoffen, zoals schoon zand. Bovendien zijn er minder transportbewegingen nodig, wat leidt tot minder uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid (gebiedsspecifieke beleidskader) dat er door grondverzet geen (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico’s mogen ontstaan bij huidig en toekomstig bodemgebruik. 3.Kader nota bodembeheer 3.1Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid De gemeente Houten heeft gekozen om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Gebiedsspecifiek beleid maakt het voor gemeenten mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van grondverzet. Het Bbk stelt eisen aan het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. De gemeente moet beschikken over een bodemfunctieklassenkaart en een actuele BKK. Daarnaast is de gemeente verplicht om haar beleidskeuzes vast te leggen in een nota bodembeheer. Het Bbk geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: bij grondverzet is er sprake van stand-still (geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit) op gebiedsniveau, het beheergebied; een gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt. Het risiconiveau van de gekozen LMW’s wordt berekend met behulp van de risicotoolbox; bij grondverzet mag niet een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan. De bodemkwaliteit van een zone mag het saneringscriterium van de Wet bodembescherming niet overschrijden; het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders in de regio, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb), i.c. de provincie Utrecht. Opmerking hierbij is dat na de inwerkingtreding Omgevingswet (vanaf 2024) de Wbb-taken over gaan naar de gemeenten. Het Bbk bevat ook procedurele voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over de nota bodembeheer te geven tijdens de terinzagelegging; de Raad van de betrokken gemeente stelt de nota bodembeheer en de BKK vast. Tenslotte stelt het Bbk dat bij een nota bodembeheer de volgende bijlagen zijn bijgevoegd: de BKK en bodemfunctieklassenkaart (zie bijlage 4); verwijzing naar een kaart of website met verdachte locaties die bij ontgraving niet onder de reikwijdte van deze nota vallen als het gaat om grondverzet ter plaatse van deze locaties. 3.2Bodemfunctieklassenkaart Op de Bodemfunctieklassenkaart worden de functies van de bodem weergegeven in relatie tot het bovengronds bodemgebruik. Het gaat daarbij niet om de functie op perceelsniveau (zoals bij bestemmingsplannen), maar om de hoofdfunctie van een gebied. Eventuele toekomstige wijzigingen van functies in gebieden op de bodemfunctieklassenkaart moeten via een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders worden aangepast. Het Bbk onderscheidt zeven bodemfuncties die zijn samengevoegd tot drie bodemfunctieklassen (zie tabel 3.1). De Bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Houten is opgenomen in kaartbijlage 1 van de BKK-rapportage (bijlage 4). De bodemfunctieklasse bepaalt bij saneringen in het kader van de Wet bodembescherming (en straks de Omgevingswet en het Bal) tevens de terugsaneerwaarde bij saneringen door ontgraving. Tabel 3.1: Bodemfunctieklassen volgens het Bbk Bodemfunctie Bodemfunctieklasse Moestuin en volkstuinen Landbouw/Natuur Natuur Landbouw Wonen met tuin Wonen Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Industrie Opmerking: In het Bbk zijn de bodemfunctieklassen gekoppeld aan bodemkwaliteitsklassen met dezelfde naam. De kwaliteitsklassen staan voor een bodemkwaliteit die verwacht mag worden bij het bodemgebruik. In de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur is dat onbelaste, schone grond. De kwaliteitsklasse Industrie staat voor, door het industrieel gebruik, belaste grond maar altijd onder het niveau van de interventiewaarde (= grenswaarde voor ernstige bodemverontreiniging/potentieel humaan- of milieurisico). De kwaliteitsklasse Wonen zit tussen de twee andere klassen in. Op de bodemfunctieklassenkaart in kaartbijlage 1 van de BKK-rapportage worden de volgende gebieden/klassen weergegeven: gebieden die in de bodemfunctieklasse Wonen vallen; gebieden die in de bodemfunctieklasse Industrie vallen; gebieden die niet in de bovenstaande bodemfunctieklassen zijn ingedeeld vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur (met uitzondering van de uitgesloten gebieden). Daar gelden de strengste eisen voor het toepassen van grond. Hier mag alleen schone grond worden toegepast, tenzij in de nota bodembeheer is gemotiveerd waarom hiervan mag worden afgeweken. 3.3Bodemkwaliteitskaart (BKK) De BKK is een kaart die de te verwachten gebiedseigen bodemkwaliteit van onverdachte gebieden weergeeft. De kwaliteit is niet op perceelsniveau maar op zoneniveau bepaald. Voor de bodemkwaliteit van een zone is veelal een combinatie van factoren bepalend. Dit betreft onder andere de grondslag en het historische bodemgebruik, dat vaak gerelateerd is aan de bebouwingsgeschiedenis. Zo heeft een bedrijventerrein of een historische woonkern doorgaans een slechtere kwaliteit dan een nieuwbouwwijk. Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn deze factoren, onderscheidende gebiedskenmerken, in samenhang met de bodemkwaliteitsgegevens verwerkt tot een definitieve bodemzoneringskaart. Vervolgens is per zone, van deze bodemzoneringskaart, de gebiedseigen kwaliteit bepaald voor zowel de boven- als ondergrond. Deze kwaliteit is afgeleid met behulp van statistiek op de beschikbare gegevens uit al uitgevoerde bodemonderzoeken en uit bodemonderzoek dat speciaal voor het opstellen van de BKK is uitgevoerd. Het resultaat is een ontgravingskaart (zie nadere toelichting hieronder). Een BKK bestaat uit kaarten met de volgende drie thema’s: Een bodemzoneringskaart; Een ontgravingskaart; Een toepassingskaart. Een nadere beschrijving van de kaarten is opgenomen in de rapportage van de BKK (zie bijlage 1). 4.Grondstromenbeleid 4.1Aanleiding voor gebiedsspecifiek grondstromenbeleid Gebiedsspecifiek beleid kan om uiteenlopende redenen wenselijk zijn. Belangrijk hierbij is dat een goede balans wordt gezocht tussen het optimaliseren van het grondverzet, het beschermen van de kwetsbare functies en het voorkomen van risico’s. Daarnaast wordt het bodembeheer, zowel voor gebiedsontwikkelingen als voor het onderhoud en beheer van de openbare ruimte, goedkoper en duurzamer. Op basis van de BKK zijn enkele gebiedsspecifieke keuzes gemaakt door de gemeente. Dit gaat enerzijds om keuzes die voor één of enkele zones gelden (zie par. 4.2) en anderzijds om keuzes die overkoepelend van toepassing zijn voor alle zones (zie par. 4.3). 4.2Grondstromenbeleid op basis van zone-indeling Toepassing van grond binnen het generieke kader In het generieke kader wordt de toepassingseis, die aangeeft welke kwaliteit grond mag worden toegepast, bepaald op basis van de bodemkwaliteit van de toe te passen grond en bodemzoneringskaart. Hierbij is de strengste eis leidend. De generieke toepassingseis vertaald naar de zones die in de gemeente Houten worden onderscheiden en de niet gezoneerde gebieden, zou de onderstaande tabel opleveren. Tabel 4.1: Totaaloverzicht bodemfunctieklassen, ontgravings- en toepassingsklassen conform het generieke kader Bodemkwaliteitszone Indeling in bodemkwaliteit volgens: Bodemfunctieklassekaart Ontgravingskaart (Bodemkwaliteitsklasse) Toepassingskaart (Toepassingseis) bovengrond (0,0-0,5 m-
  3. mv)B1: buitengebied Landbouw/natuur Klasse AW2000 Klasse AW2000 B2: bebouwing < 1979 Wonen Wonen Wonen B3: bebouwing > 1979 Wonen Klasse AW2000 Klasse AW2000 B4: bedrijven Industrie Klasse AW2000 Klasse AW2000 niet gezoneerd Landbouw/natuur Niet gezoneerd Klasse AW2000 ondergrond (0,5-2,0 m-
  4. mv)O1: gehele gebied Landbouw/natuur Klasse AW2000 Klasse AW2000 niet gezoneerd Landbouw/natuur Niet gezoneerd Klasse AW2000 Uit bovenstaand overzicht blijkt dat – met uitzondering van bovengrondzone B2 - alleen grond met kwaliteitsklasse AW2000 zou mogen worden toegepast. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de termen ‘Achtergrondwaarden’ en ‘AW2000’ als aanduiding voor de bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse die beschouwd worden als ‘schone grond’. Deze functie- én kwaliteitsklasse worden vanaf 1 januari 2024 aangeduid als klasse ‘Landbouw/natuur’. Toepassing van grond binnen het gebiedsspecifieke kader De gemeente Houten heeft er echter voor gekozen om onder voorwaarden toe te staan dat de gebieden met de bodemfunctieklasse industrie, ondanks de ontgravingsklasse AW2000, opgehoogd mogen worden met grond uit maximaal de kwaliteitsklasse Industrie. De gebiedsspecifieke toepassingsvoorwaarden voor grond gelden alleen voor grond die binnen het beheergebied is ontgraven. Door onder voorwaarden toe te staan dat een schoon industrieterrein wordt opgehoogd met grond uit (maximaal) kwaliteitsklasse Industrie, verruimt de gemeente Houten de mogelijkheden voor het grondverzet. Het gevolg van deze handelwijze is dat op sommige plaatsen binnen het beheergebied de bodemkwaliteit iets verslechtert terwijl op de plaats van herkomst verbetering optreedt. Zo wordt invulling gegeven aan het principe van stand-still op beheergebiedniveau. Door aan te sluiten bij de landelijke generieke waarden voor de bodemgebruiksfunctie industrie is per definitie onderbouwd dat de beleidsmatig gekozen verruimde toepassingsmogelijkheden niet tot onaanvaardbare risico’s leiden en de bodem duurzaam geschikt blijft voor het gebruik. De generieke maximale waarden van de functie industrie zijn immers gebaseerd op de afwezigheid van onaanvaardbare risico’s bij deze functie. Daarmee is voldaan aan deze eis. De gebiedsspecifieke toepassingseis vertaald naar de zones die in de gemeente Houten worden onderscheiden en de niet gezoneerde gebieden, levert de onderstaande tabel op. Tabel 4.2: Totaaloverzicht bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het gebiedsspecifieke kader Bodemkwaliteitszone Indeling in bodemkwaliteit volgens: Bodemfunctieklassekaart Ontgravingskaart (Bodemkwaliteitsklasse) Toepassingskaart (Toepassingseis) bovengrond (0,0-0,5 m-
  5. mv)B1: buitengebied Landbouw/natuur Klasse AW2000 Klasse AW2000 B2: bebouwing < 1979 Wonen Wonen Wonen B3: bebouwing > 1979 Wonen Klasse AW2000 Klasse AW2000 B4: bedrijven Industrie Klasse AW2000 Klasse Industrie niet gezoneerd Landbouw/natuur Niet gezoneerd Klasse AW2000 ondergrond (0,5-2,0 m-
  6. mv)O1: gehele gebied Landbouw/natuur Klasse AW2000 Klasse AW2000 niet gezoneerd Landbouw/natuur Niet gezoneerd Klasse AW2000 1) mogelijk onder gebiedsspecifieke voorwaarde Tabel 4.2 en kaartbijlage 4 geven de toepassingsmogelijkheden in dit gebiedsspecifieke kader weer. Tabel 4.3 laat in de vorm van een grondstromenmatrix zien welke verplaatsingen van grond tussen de bodemkwaliteitszones zijn toegestaan. Toepassing van grond met een slechtere kwaliteitsklasse op industrieterreinen is alleen toegestaan als: de toepassing plaatsvindt met grond die binnen de gemeentegrens is vrijgekomen; de toepassing plaatsvindt op niet-gevoelige gebruiksfuncties binnen het industrieterrein; dus niet er plaatse van bedrijfswoningen, speelplaatsen en tuinen (zie par. 4.3, ad. 2); de kans op functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik in de toekomst klein is; de toepassing integraal en aaneengesloten plaatsvindt; de toepassing functioneel is. Dat wil zeggen niet van grotere omvang dan voor het doel van de toepassing nodig is. De RUD Utrecht toetst per voorgenomen toepassing of aan deze voorwaarden wordt voldaan. 4.3Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid In deze paragraaf worden de onderstaande keuzes van gebiedsspecifiek beleid toegelicht die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart. Niet gezoneerde gebieden; Gevoelige gebruiksfuncties; Grondverzet dieper dan 2 m-mv; Bodemvreemd materiaal; Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen; Wegbermen langs provinciale en rijkswegen; Verspreiden van bagger en baggerdepots; OCB-verontreinigingen voormalige boomgaarden Kabels- en leidingen; Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet; 4.3.1Niet gezoneerde gebieden In de gemeente Houten bevinden zich locaties die zijn aangemerkt als ‘niet gezoneerde gebieden’. Deze locaties omvatten de Grondwal Rondweg, de spoorlijn die de stad Houten noord-zuid doorkruist, de Rijksweg A27 in het noordwesten van de gemeente, de uiterwaarden van de Lek en het voormalig militair fort ‘bij ’t Hemeltje’. Van deze terreindelen is bekend dat op meerdere plaatsen de milieukwaliteit van de bodem negatief is beïnvloed door activiteiten in het verleden. Vanwege de aanwezigheid van puntbronnen en de heterogeniteit is het niet mogelijk om een gemiddelde ontgravingskwaliteit te bepalen en zijn deze gebieden uitgesloten in de ontgravingskaart (zie bijlage 4). Deze gebieden fungeren voornamelijk als natuurgebied of toekomstige woonlocatie. Op de toepassingskaart in bijlage 4 is aangegeven welke kwaliteit er mag worden toegepast. 4.3.2Gevoelige gebruiksfuncties Binnen de gemeente liggen terreindelen met gevoelige gebruiksfuncties. Onder gevoelige functies wordt in dit verband verstaan: Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen) Ad.1 Volgens het generieke beleidskader mag in volks- en moestuinen alleen schone grond (AW2000) worden toegepast. Deze bodemfuncties vallen namelijk onder de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De gemeente Houten kiest ervoor om voor volks- en moestuinen het generieke beleid te volgen (alleen toepassen van schone grond). Ad. 2 Voor kinderspeelplaatsen is hand-mondgedrag van kinderen de blootstellingsroute die het meest van belang is voor het berekenen van de potentiële humane risico’s. Met name blootstelling aan lood in de bodem kan schadelijk zijn voor kinderen tot 6 jaar. Om de werkelijke humane risico’s in te kunnen schatten zou eigenlijk onderscheid gemaakt moeten worden in het soort speelplaats of -tuin. Op speelplaatsen waar voornamelijk peuters en kleuters (kinderen tot 6 jaar) spelen en waar direct contact met de grond mogelijk is, heeft schone grond als toepassingseis de voorkeur. Als het gaat om speelplaatsen waar voornamelijk kinderen spelen die ouder zijn dan 6 jaar en waar kinderen niet direct in contact komen met de grond (bijvoorbeeld een trapveldje) draagt het hand-mondgedrag een stuk minder bij aan blootstelling aan bodemlood en zou zonder risico klasse Wonen-grond toegepast kunnen worden. In de praktijk is het lastig om bij elke toepassing van grond op plaatsen waar kinderen kunnen spelen bovengenoemd onderscheid in soort speelplaats te maken en het verschil uit te leggen aan de omwonenden. Daarom geldt voor alle hierboven genoemde gevoelige functies dezelfde toepassingseis: schone grond (AW-2000). In tabel 4.4 is dit schematisch weergegeven. Tabel 4.4: Toepassingseis voor het toepassen van grond op speelplaatsen (gebiedsspecifiek) Zone-overkoepelend thema Bodemfunctieklasse Bodemkwaliteitsklasse Gebiedsspecifieke toepassingseis Speelplaatsen Wonen AW2000 AW2000 4.3.3Grondverzet dieper dan 2 m-mv De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de bovengrond (0,0 - 0,5 m-
  7. mv)en de ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv). Voor grond afkomstig van een diepte groter dan 2 m-mv is de kwaliteit niet bekend en is de BKK formeel niet van toepassing. Uit de praktijk blijkt dat grond die dieper vrijkomt dan 2 meter ongeveer dezelfde kwaliteit heeft als de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv. Daarom gelden in de gemeente Houten voor het grondverzet in de bodemlaag dieper dan 2,0 m-mv dezelfde regels als voor grond uit de bodemlaag 0,5 - 2,0 m-mv. 4.3.4Bodemvreemd materiaal In de bodem komen verschillende bijmengingen voor. Dit kunnen natuurlijke materialen zijn zoals stenen of schelpen, maar bijmengingen zijn vaak ook niet natuurlijk zoals puin, plastic en glas. In het verleden zijn beleidsmatig verschillende maximale percentages gehanteerd van de toegestane hoeveelheid bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond. Een gemeente heeft de mogelijkheid om het percentage bodemvreemd materiaal vast te stellen tot een maximum van 20 % (gewichtsprocent). De gemeente Houten kiest ervoor om in grond die toegepast wordt in het buitengebied en op gevoelige locaties (zie tabel 4.4) een hoeveelheid bodemvreemd materiaal toe te staan die niet meer is dan 5 gewichtsprocenten. Ook in andere situaties kan een hoeveelheid van 20 % bodemvreemd materiaal onwenselijk zijn, gelet op de gebruiksfunctie. In bestekken kunnen desgewenst scherpere eisen worden gesteld worden aan bijmenging met bodemvreemd materiaal. Aan de samenstelling wordt (in het gebiedsspecifieke beleid) als voorwaarde gesteld dat kunststoffen (plastic, PVC, piepschuim ed.) evenals visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal, geen onderdeel mogen uitmaken van het bodemvreemde materiaal. In de tabel 4.5 is het gebiedsspecifieke beleid voor dit thema schematisch weergegeven. Tabel 4.5: Maximale bijmenging aan bodemvreemd materiaal (steen en hout in gewichtspercentage) Bodemfunctieklasse Maximaal percentage bijmenging*) Landbouw/natuur 5% Wonen (gevoelig gebruik, zoals wonen met tuin, moestuin en speelplaats) 5% Wonen (geen gevoelig gebruik) 20% Industrie 20% *) geen kunststoffen en visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal 4.3.5Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen De kwaliteit van vrijkomende bermgrond kent veel variatie en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), lood, zink en andere zware metalen en minerale olie. Deze verontreiniging is veroorzaakt door: depositie uitlaatgassen (PAK, lood); afstromend regenwater (minerale olie, PAK en zware metalen); wegfunderingsmateriaal (PAK en zware metalen); toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); uitloging vangrails (zink). Het gebiedsspecifieke beleid houdt in dat de grond uit een wegberm, zonder partijkeuring of bodemonderzoek, mag worden hergebruikt in een andere, vergelijkbare wegberm die in beheer is van de gemeente. Als men de grond elders wil toepassen dan in een wegberm die in eigen beheer is, dan is een partijkeuring noodzakelijk. Op wegbermen met gevoelige functies mag alleen schone grond worden toegepast. Voor grond die van buiten de wegberm wordt toegepast, geldt de toepassingseis Klasse Wonen. Wegbermen langs onverharde wegen vormen een uitzondering hierop. Deze zijn niet verontreinigd door de naastgelegen weg. Er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van grond in de wegbermen langs onverharde wegen gelijk is aan de gebiedskwaliteit. Dit betekent dat voor grondverzet de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel geldt en de toepassingseis gelijk is aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is. Grond uit verdachte wegbermen moet altijd onderzocht worden. Een wegberm is verdacht als uit historische informatie blijkt dat sprake is of kan zijn van sterk verontreinigde grond (bijvoorbeeld wegen nabij/door verdachte (voormalige) boomgaarden), of als zintuiglijke waarnemingen hiertoe aanleiding geven. De reden hiervoor is dat het niet wenselijk is dat grondwerkers in aanraking komen met mogelijk sterk verontreinigde grond (> interventiewaarde) zonder dat de juiste veiligheidsmaatregelen getroffen zijn. Bovendien valt sterk verontreinigde grond buiten het kader van de nota bodembeheer. Het is niet werkbaar om op een kaart aan te duiden welke wegbermen wel en niet verontreinigd zijn. Er zijn namelijk (
  8. te)veel representatieve waarnemingen van grond uit gemeentelijke wegbermen noodzakelijk om wegbermen te kunnen zoneren (dat wil zeggen: in te delen op bodemkwaliteit). In tabel 4.6 is het gebiedsspecifieke beleid voor gemeentelijke wegbermen schematisch weergegeven. Tabel 4.6: Overzicht gebiedsspecifiek beleid gemeentelijke wegbermen Wegbermen langs: Vrij grondverzet voor grond binnen de wegberm Toepassingseis voor grond afkomstig van buiten de wegberm Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast Gemeentelijke onverharde wegen Tussen bermen waar de ontgravingskwaliteit voldoet aan de toepassingseis De toepassingseis van de zone Bodemkwaliteitskaart Gemeentelijke verharde wegen (onverdacht) Tussen bermen binnen de gemeente Klasse Wonen Partijkeuring Gemeentelijke verharde wegen (verdacht) De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring Klasse Wonen Partijkeuring De volgende definitie van wegbermen wordt gehanteerd: de strook van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt doorsneden door een sloot dan wel de grens van het desbetreffende perceel. Dit is visueel weergegeven in afbeelding 4.1. Het kan ook voorkomen dat er een middenberm aanwezig is. Ook voor de middenberm, groen tussen de twee wegconstructies, geldt hetzelfde beleid. 1: Begrenzing wegbermen Bron: brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009. 4.3.6Wegbermen langs provinciale- en rijkswegen De bodemkwaliteit van de wegbermen langs provinciale en rijkswegen (binnen de gemeentegrens gaat het dan om de A12, de A27 en de N409, N410 en N421) is negatief beïnvloed door dezelfde oorzaken als bij gemeentelijke wegen. Voor het toepassen van de grond in wegbermen van deze wegen geldt de lokale maximale waarde Klasse Industrie. In tabel 4.7 is een samenvatting weergegeven van grondverzet in wegbermen. Tabel 4.7: Overzicht gebiedsspecifiek beleid provinciale- en rijkswegbermen Wegbermen langs: Vrij grondverzet Toepassingseis voor grond afkomstig van buiten de wegberm Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast Provinciale wegen (onverdacht) Tussen bermen van provinciale wegen binnen beheergebied Klasse Industrie Partijkeuring Rijkswegen (onverdacht) Tussen bermen van rijkswegen binnen beheergebied Klasse Industrie Partijkeuring Indien verdacht De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring Klasse Industrie Partijkeuring 4.3.7Verspreiden van bagger en baggerdepots Watergangen moeten regelmatig worden gebaggerd om uiteenlopende redenen. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor, bijvoorbeeld in bebouwde gebieden. Het is echter wenselijk om zoveel mogelijk gebiedseigen bagger te kunnen verspreiden of toe te kunnen passen binnen de gemeente of het beheergebied van aangesloten gemeenten/regio’s. Binnen het generieke kader van het Besluit mag baggerspecie worden verspreid op aangrenzende percelen en tijdelijk worden opgeslagen in weilanddepots (voor ontwatering en rijping) op het aan de watergang grenzende perceel. Voorwaarde hieraan is dat de kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm of dat de baggerspecie aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte watergang. In de toelichting op het Bbk wordt het begrip ‘aangrenzende perceel’ slechts summier toegelicht en er wordt geen maximale afstand genoemd. In lijn met de wens tot decentralisatie is het Bbk bewust minder sturend en kaderstellend. Nadere invulling ligt bij gemeenten en waterschappen, die kunnen vaststellen hoe de baggeractiviteiten het beste passen binnen het beheer van het gebied. De gemeente Houten beoogt geen nadere invulling of verruiming van het begrip aangrenzend perceel. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ van rijkswege ingevuld als ‘percelen tot een afstand van maximaal 10 kilometer van de plaats van herkomst’. In deze nota kan hier niet op worden geanticipeerd. Voor het opbrengen van hoeveelheden of laagdikte bij het verspreiden van baggerspecie is geen maat opgenomen in het Besluit. De aërobe afbraak van organische verontreinigingen wordt ernstig bemoeilijkt bij baggerspecielagen dikker dan 30 cm. De gemeente Houten hanteert een maximale dikte van de baggerlaag na rijping van 30 cm. 4.3.8OCB-verontreinigingen voormalige boomgaarden Ter plaatse van voormalige boomgaarden kan de bodemkwaliteit afwijken als gevolg van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, waaronder DDT, DDD en DDE. Vooral in boomgaarden van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werden veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Huidige of voormalige boomgaarden die ook in de periode tussen 1945 en 1975 in gebruik waren als boomgaard, moeten worden aangewezen als verdachte locaties. In bebouwde gebieden worden bestrijdingsmiddelen vrijwel niet meer teruggevonden als gevolg van uitgevoerd grondverzet. De bestaande boomgaarden in het landelijk gebied zijn echter heterogeen verontreinigd, waarbij volgens eerder onderzoek op sommige locaties de interventiewaarde wordt overschreden. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de geïnventariseerde boomgaarden die als verdacht worden beschouwd. Als een locatie verdacht is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Dit om vast te stellen of er sprake is van een lokaal geval van bodemverontreiniging. Als de hypothese dat de locatie verdacht is voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen wordt verworpen, en de bodem dus niet verontreinigd is, dan mag grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart plaatsvinden. Het onderzoek is noodzakelijk bij grondverzet van en naar locaties die vallen binnen of binnen een straal van 25 meter van de boomgaardpercelen vermeld op kaartbijlage 3. Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaarden ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m-
  9. mv)aangemerkt als verdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’
  10. s)om de mate van verontreiniging vast te stellen. 4.3.9Kabels en leidingen Veel grondwerkzaamheden bij de aanleg of vervanging van kabels en leidingen en riolering vallen onder het begrip tijdelijke uitname (par. 5.4). In het Besluit bodemkwaliteit is gesteld dat het tijdelijk uitnemen en het daarna weer terugplaatsen van grond, onder voorwaarden is toegestaan, mits deze niet is bewerkt. Vanwege een (potentieel) verschil in samenstelling en milieukwaliteit tussen boven- en ondergrond mogen te onderscheiden bodemlagen in het generieke beleidskader bij het toepassen van grond, niet zonder meer worden gemengd. Met andere woorden: ontgraven bovengrond moet als bovengrond worden toegepast, hetzelfde geldt voor de ondergrond. Dit principe is niet in alle situaties werkbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. Dit zijn kleinschalige grondwerken waarbij weinig ruimte is om ontgraven grond op te slaan. Grond die vrijkomt bij het graven van een sleuf wordt op een rug naast de sleuf gelegd. Vaak is bij eerdere werkzaamheden aan de kabels en leidingen de grond al geroerd en heeft herstel van het bodemprofiel geen meerwaarde. Binnen het gebiedsspecifieke beleidskader is het daarom toegestaan om, bij tijdelijke uitname van grond bij reparatie- of vervangwerkzaamheden aan kabels en leidingen, boven- en ondergrond niet gescheiden te ontgraven en terug te plaatsen. Dit betekent dat in ontgravingstraject de boven- en ondergrond geroerd teruggeplaatst mag worden, mits de ontgravingsdiepte functioneel is. Bij hergebruik van grond uit kabel- en leidingsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van deze grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond uit de betreffende zone. Deze werkwijze resulteert erin dat de bodem ter plaatse van leidingtracés (verder) geroerd raakt, met als gevolg het mengen van verschillende kwaliteitsklassen. Deze vermenging wordt geaccepteerd omdat: na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating of alternatief, waardoor er geen direct contact met de grond mogelijk is; de grond ter plaatse van de leidingtracés in het verleden vaak al geroerd is bij de aanleg en/of de ontgravingssleuf bij aanleg vaak aangevuld is met schone grond. Bij hergebruik van grond uit kabels-, leidingen- en rioolsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond van de desbetreffende zone. De acceptant van de grond kan altijd om een partijkeuring vragen om de kwaliteit van de grond aan te tonen. 4.3.10Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeente de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voorkomen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieveexoten/. 5.Beleidsregels voor PFAS 5.1Inleiding Op 8 juli 2019 is een Tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie. Dit Tijdelijk handelingskader is op 13 december 2021 voor het laatst geactualiseerd. Er zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals toepassingseisen in verschillende toepassingssituaties. De provincie Utrecht heeft voor het gebied binnen de provinciegrens gebiedsspecifiek beleid voor PFAS-houdende bodem op laten stellen. Gemeenten die daarvoor kiezen kunnen dit PFASbeleid vaststellen voor hun grondgebied. De gemeente Houten stelt de Beleidsnota PFAS gelijktijdig met deze nota bodembeheer vast voor het eigen grondgebied. Het beleid is beschreven in de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht, 7 april 2021”. Hieronder is samengevat wat dit PFAS-beleid inhoudt voor de gemeente Houten. Opgemerkt dient te worden dat het hieronder beschreven beleid alléén geldt voor PFAS en niet voor de reguliere stoffen uit het standaard stoffenpakket. 5.2Karakterisering en kwaliteitszone-indeling In tegenstelling tot de meeste andere bodemverontreinigende stoffen is de verspreiding van PFAS hoofdzakelijk bepaald door depositie vanuit puntbronnen en in beperkte mate door het gebruik van de bodem. Onderzoeksresultaten laten zien dat er geen significante verschillen zijn tussen achtergrondgehalten PFAS in landelijk gebied en stedelijk gebied. De afstand tot puntbronnen bepaalt de mate waarin de bodem belast is met PFAS. Uit de Bodemkwaliteitskaart PFAS van de provincie Utrecht (6 april 2021) volgt dat de bodem in de gemeente Houten in zeer lichte mate diffuus belast is met PFAS in gehalten die gemiddeld onder de grenswaarde liggen van de functieklasse Landbouw/Natuur uit het Tijdelijk handelingskader PFAS (THK). Vanwege de homogene verspreiding van PFAS is binnen de gemeentegrens geen zoneverdeling aangebracht. 5.3Verwachte ontgravingskwaliteit De ontgravingskaarten in de BKK PFAS geven de te verwachten kwaliteit aan van respectievelijk te ontgraven boven- en ondergrond. Deze kaart mag onder voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie niet is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Paragraaf 7.2 van deze nota gaat hier nader op in. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van de PFAS-verbindingen PFOS, PFOA en PFAS overig. Uit de BKK PFAS volgt dat de bodemlagen 0,0 – 0,5 m-mv en 0,5 – 2,0 m-mv gehalten PFAS bevat die gemiddeld onder de grenswaarden voor Klasse Landbouw/Natuur liggen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat in de diepere bodemlagen hogere gehalten voorkomen. Uit praktische overweging is daarom in deze nota voor gekozen dat de ontgravingskwaliteit die is vastgesteld voor de bodemlaag tot 2,0 m-mv ook geldt voor de laag dieper dan 2,0 m-mv. 5.4Gebiedsspecifiek beleid Indien geen gehalten PFAS bekend zijn van grond, die binnen vrijkomt binnen de zone van de BKK PFAS waarvan de gemeente Houten deel uitmaakt, is deze grond ten aanzien van PFAS vrij toepasbaar. In de beleidsnota PFAS zijn scherpere normen vastgesteld voor grondwaterbeschermingsgebieden. Binnen deze gebieden mag de bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS niet verslechteren. Omdat het niet waarschijnlijk is dat het gehalte PFAS buiten het grondwaterbeschermingsgebied in de gemeente Houten anders is dan daarbinnen, vormt het gehalte PFAS in deze situatie geen criterium bij de toepassing van grond. Zijn wel onderzoeksresultaten bekend van PFAS dan moeten deze worden getoetst aan de normen uit het de beleidsnota PFAS. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). De toepassingseisen die gelden in het geval onderzoeksresultaten bekend zijn staan in onderstaande tabellen samengevat. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Beleidsnota PFAS. Tabel 5.1: Toetsingswaarden PFAS bovengrond functie Landbouw/natuur(gecorrigeerde gehalten in µg/
  11. kg)Tabel 5.2: Toetsingswaarden PFAS boven- én ondergrond functie Wonen/Industrie (gecorrigeerde gehalten in µg/
  12. kg)Tabel 5.3: Toetsingswaarden PFAS in grondwaterbeschermingsgebieden (gecorrigeerde gehalten in µg/
  13. kg)Toepassing in gevoelige gebieden Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in moes- en volkstuinen worden de toepassingswaarden voor de functie Landbouw/natuur aangehouden. Om extra bescherming te bieden voor grondwater dat gewonnen wordt voor drinkwater, gelden in drinkwaterwingebieden (hier drinkwaterwingebied Tull en ’t Waal) de strengste toepassingseisen. Voor PFAS houdt dit in dat grond die in een drinkwaterwingebied wordt toegepast moet voldoen aan het bepalingsniveau: 0,1 μg/kgds voor alle PFAS-verbindingen (zie ook: https://webkaart.provincie- utrecht.nl/viewer/app/ Webkaart). 5.5Toekomstige bijstelling van de landelijke (toepassings-)normen Het RIVM doet onderzoek naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en er worden landelijk meetgegevens verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens definieert het RIVM interventiewaarden en worden de toepassingseisen voor PFAS-verbindingen mogelijk aangepast. Als de landelijke toepassingseisen voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd zal de gemeente deze toetsen aan de in de provinciale beleidsnota gedefinieerde lokale toepassingseisen voor hergebruik van PFAS-houdende grond. Indien van toepassing worden de gemeentelijke toepassingseisen gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld. 6.Bijzondere omstandigheden 6.1Toepassingen in grondwaterbeschermingsgebied Tull en ’t Waal In de gemeente Houten ligt het grondwaterbeschermingsgebied ‘Tull en ’t Waal’. De drinkwaterwinning heeft een waterwingebied met daaromheen een boringsvrije zone. Het waterwingebied is de meest kwetsbare zone van de beschermingszones. In deze zone is het beschermingsregime in de provinciale omgevingsverordening dan ook het strengst. Uit hoofdstuk 3 van de interim omgevingsverordening provincie Utrecht blijkt het volgende: Binnen het waterwingebied mag alleen grond of baggerspecie van klasse Landbouw/natuur worden toegepast. Het is daarnaast toegestaan om baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel te verspreiden met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit. Bovengenoemde activiteiten moeten tenminste vier weken voor het begin ervan aan de provincie Utrecht worden gemeld. Rond het waterwingebied ligt de boringsvrije zone. De boringsvrije zone heeft een ondergrond met een aaneengesloten slecht-doordringbare kleilaag, hieronder bevinden zich de filters van de winning. Deze gebieden zijn minder kwetsbaar voor verontreinigingen en aantastingen. De regels voor de boringsvrije zone moeten voorkomen dat de beschermende kleilaag doorboord wordt, met onder meer regels voor boringen, bodemenergie en mijnbouwactiviteiten. In de boringsvrije zone van de winning Tull en ‘t Waal is het verboden om op een diepte van 5 meter of meer onder maaiveld boorputten te plaatsen, grond- of funderingswerken uit te voeren of een bodemenergiesysteem te plaatsen. Voor toepassingen van grond of baggerspecie of het verspreiden van baggerspecie zijn geen aanvullende regels opgesteld. Figuur 6.1: Ligging winning Tull en ’t Waal met boringsvrije zone (figuur gemaakt door Royal HaskoningDHV) 6.2Functies Wonen en Industrie in het buitengebied Het buitengebied (Zone B1, zie bijlage 4) is ingedeeld in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Echter binnen dit gebied bevinden zich percelen met functies Wonen of Industrie (bedrijvigheid waaronder agrarische bedrijven). Voor deze percelen wordt de achtergrondwaarde (Klasse AW2000, straks klasse Landbouw/natuur) als toepassingseis voor aan te brengen grond te streng gevonden. Daarom gelden voor deze percelen dezelfde toepassingseisen als voor gebieden die op de kaart in de bodemfunctieklasse Wonen vallen. Dit is verder niet weergegeven op de Toepassingskaart (bijlage 4). Voor het elders toepassen van grond afkomstig van deze locaties gelden de generieke regels van het Besluit bodemkwaliteit. Deze grond dient dus gekeurd te worden voordat er grondverzet mogelijk is. 7.Handvat grondverzet 7.1Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de werkzaamheden die nodig zijn bij het ontgraven en hergebruik/ toepassen van grond. Tevens zijn enkele aandachtspunten vanuit verschillende wetgeving opgenomen die relevant zijn bij grondverzet. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen te worden met hoofdstuk 5 (bijzondere omstandigheden). 7.2Stappenschema grondverzet Grondverzet binnen de grens van het beheergebied van de BKK start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen: Vooronderzoek, conform NEN5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht zijn voor bodemverontreiniging; Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond; Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is; Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden; Melden van het grondverzet bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl en na 01-01-2024 via het Omgevingsloket Digitaal Stelsel Omgevingswet. De RUD Utrecht controleert in opdracht van de gemeente de meldingen. Stap 1: onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging Grondverzet op basis van BKK is alleen toegestaan voor locaties die onverdacht zijn op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Daarom is het voorafgaand aan grondverzet noodzakelijk dat historische informatie wordt verzameld over de locatie waarvan de grond afkomstig is en van de locatie waar de grond wordt toegepast. Dit zogenaamde vooronderzoek moet voldoen aan de NEN 5725 en mag worden uitgevoerd door een niet-gecertificeerde partij. Het vooronderzoek moet informatie verschaffen over: Het bodemgebruik; De bodemsamenstelling met specifieke aandacht voor (mogelijke aanwezige) bodemvreemde materialen, waaronder asbestverdacht materiaal; Lokale bodemverontreiniging. Relevante informatie kan worden verkregen via de internetsites, vermeld in bijlage 2. Het vooronderzoek zal beoordeeld worden door het bevoegd gezag. Indien sprake is van een onverdachte locatie, dan kan de BKK worden gebruikt als geldig bewijsmiddel. Indien sprake is van een verdachte locatie, is aanvullend (voor)onderzoek noodzakelijk op de verdachte plaatsen en stoffen. Als vervolgens blijkt dat de bodemkwaliteit ondanks de verdachtheid niet afwijkend is van de verwachte bodemkwaliteit op grond van de Ontgravingskaart, dan kan de vrijkomende grond alsnog worden toegepast met de BKK als bewijsmiddel en met in achtneming van de gebiedsspecifieke regels uit deze nota. Bevestigen de uitkomsten van het aanvullend onderzoek dat de locatie verdacht is dan is de locatie uitgesloten en zijn de gebiedsspecifieke regels uit deze nota niet van toepassing. Stap 2: kwaliteit van de ontgraven grond De ontgravingskaart van de BKK geeft aan welke kwaliteit grond naar verwachting vrijkomt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond en de ondergrond. Op basis van de kwaliteit (AW2000, wonen of industrie) kan worden bepaald in welke zones deze grond toegepast kan worden. Let op: de kwaliteit van grond die onderzocht is in een partijkeuring gaat altijd vóór op de verwachte kwaliteit op basis van de ontgravingskaart. Als gemeten kwaliteit slechter is dan vermeld op de ontgravingskaart, kan de ontgravingskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Stap 3: de toepassingseis van de ontvangende bodem Bij een toepassing onder het generieke kader kan de toepassingseis worden bepaald aan de hand van de grondstromenmatrix in § 4.2, tabel 4.2 van de nota. Als de initiatiefnemer gebruik wil maken van een toepassing onder het gebiedsspecifieke kader dan gelden de criteria uit § 4.2, tabel 4.3 van de nota. De gebiedsspecifieke toepassingskaart (zie bijlage 4) geeft aan welke kwaliteit in een zone mag worden toegepast. Als een partij grond afkomstig is uit een zone met vergelijkbare (of betere) bodemkwaliteit kan de partij worden toegepast. Stap 4: specifieke situaties Naast gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn er ook specifieke situaties die vragen om een andere aanpak of vanuit een ander kader wettelijk beschermd zijn. Na het bepalen van de toepassingseis moet worden beoordeeld of een specifieke situatie (hoofdstuk 4) van toepassing is voor dit grondverzet. Stap 5: tijdig melden van het grondverzet Voorafgaand aan de toepassing van grond op een locatie is een melding noodzakelijk (Besluit bodemkwaliteit, artikel 42, lid 1). Dit moet minimaal 5 werkdagen van tevoren via het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Na 01-01-2024 is dit het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Melden is niet nodig voor (artikel 42, lid 8): ieder die grond met de kwaliteit AW2000 toepast in een omvang van minder dan 50 m³ totaal; particulieren die grondverzet in eigen beheer uitvoeren en daarvoor geen bedrijf inhuren; agrariërs die grondverzet plegen tussen percelen binnen het eigen landbouwbedrijf waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld. 7.3Aandachtspunten Zorgplicht Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Deze zorgplicht betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat nadelige gevolgen voor de bodem kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken (artikel 7 Besluit bodemkwaliteit en artikel 13 Wet bodembescherming). De komst van de Omgevingswet wijzigt niet de zorgplicht die een initiatiefnemer altijd heeft bij werken in de grond. De zorgplicht is echter wel anders geregeld. In de Omgevingswet is de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming namelijk in meerdere artikelen uitgewerkt: Artikel 2.11 en hoofdstuk 19 Omgevingswet: specifieke zorgplicht; Hoofdstuk 19 Omgevingswet: ongewoon voorval; Eventuele zorgplicht in het gemeentelijk omgevingsplan; Artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet: algemene zorgplichten; Artikel 1.7a Omgevingswet en artikel 1.3 Omgevingsbesluit: vangnetbepaling en uitwerking. Onder de Omgevingswet geldt daarom nog steeds dat iedereen die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat nadelige gevolgen voor de bodem kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Samenvoegen van grond Het samenvoegen of opbulken van partijen grond is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is vastgelegd in de vergunning van een inzamelaar, een bewerker of een verwerker. Hierbij moet de aard, samenstelling (zand/klei/veen) en concentratie vergelijkbaar zijn. Dit is opgenomen in het Landelijke Afvalplan 2 hoofdstuk 18. Op het samenvoegen van partijen grond is de BRL 9335 van toepassing. Samenvoegen van kleine partijen tot 25 m³ is toegestaan zonder erkenning. Het gevolg van de samenvoeging van grond zonder erkenning is wel dat de bewijsmiddelen van de afzonderlijke partijen komen te vervallen. Transport verontreinigde grond of baggerspecie Voor het transport van bouwstoffen geldt dat het verboden is om bouwstoffen te vervoeren als niet wordt voldaan aan de eisen uit het Bbk. Het Besluit bodemkwaliteit regelt weinig over het transport van grond en baggerspecie. In tabel 7.1 is aangegeven welke wetgeving relevant is bij transport van grond en baggerspecie. Tabel 7.1: Wetgeving bij transport van grond Relevante wet- en regelgeving Relatie met transport Wet milieubeheer in relatie tot Besluit melden Dit besluit, officieel ‘Besluit melden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen’, bevat regels voor afgifte, ontvangst en vervoer van bedrijfs- en gevaarlijke afvalstoffen. Het besluit geeft regels voor onder andere de ontvangst- en afgiftemelding, het gebruik van het afvalstroomnummer en de begeleidingsbrief. Dit geldt alleen als grond wordt afgevoerd naar een (milieu)inrichting. Verkeersregelgeving/Wet vervoer gevaarlijke stoffen Op grond van de verkeersregelgeving moet transport aan allerlei regels voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Privaatrecht Vanuit het privaatrecht wordt ieder transport vergezeld van een vrachtbrief. Hierin zijn de vracht, herkomst en bestemming aangegeven. Overige aandachtspunten bij ontgravingen en toepassingen Naast het Bbk geldt er mogelijk nog verschillende wet- en regelgeving als men gaat graven in of toepassen op de bodem. Zo kan het bestemmingsplan regels bevatten over ophogingen of is een aanlegvergunning nodig voor een weilanddepot. Ook kan een andere overheid of instantie bevoegd zijn, zoals de provincie of het waterschap. Hieronder is een niet limitatieve lijst opgenomen van thema’s die ook meegewogen moeten worden: Archeologie; Ontplofbare oorlogsresten; Kabels, Leidingen en riolering; Aardkundige Waarden; ARBO. Informatie is over deze thema's is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de gemeente Houten en/of de Nederlandse Arbeidsinspectie. Bijlage1:Begrippenlijst Baggerspecie Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Bodemkwaliteitskaart De BKK bestaat volgens de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten uit de volgende drie hoofdkaarten: Een kaart met uitgesloten (verdachte) locaties en deelgebieden De ontgravingskaart De toepassingskaart Bodemkwaliteitsklassen In het Bbk worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen: Klasse Landbouw/natuur Klasse Wonen Klasse Industrie Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden (zie onderstaand). Voor de BKK van de gemeente Houten is het basispakket van toepassing. Tabel B1: Staffel toegestane aantal overschrijdingen Aantal gemeten stoffen Aantal toegestane overschrijdingen Basispakket 2 16-26 3 27-36 4 37-48 5 Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De Overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de termen ‘Achtergrondwaarden’ en ‘AW2000’ als aanduiding voor de bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse die beschouwd worden als ‘schone grond’. Deze functie- én kwaliteitsklasse worden vanaf 1 januari 2024 aangeduid als klasse landbouw/natuur. Klasse Wonen: Alle gehalten voldoen aan de klassegrens wonen met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel B1. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen. Klasse Industrie: Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie. Bodemkwaliteitszone Een deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van eenzelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. Deelgebied Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het beheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als “niet-aaneengesloten deelgebieden”. Diffuse chemische bodemkwaliteit De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de BKK is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Bbk definieert grond als: “vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie”. Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Bbk nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. In gebiedsspecifiek beleid kunnen hieraan strengere eisen worden gesteld. Heterogeniteit Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de BKK in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar menig van de gemeente een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule: Hierbij wordt als beoordeling van de heterogeniteitsindex aangehouden: Index < 0,2 : weinig heterogeniteit 0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit 0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit Index > 0,7 : sterke heterogeniteit Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken van een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013). Niet gezoneerd Zone Gebieden worden gezoneerd wanneer er voldoende waarnemingen beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende waarnemingen beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet meer met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het “Zone niet gezoneerd”. Een zone kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd (deel)gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de BKK (zie ook: Uitgesloten locaties/gebied). Nota bodembeheer Een nota bodembeheer is een beleidsdocument waarin de onderbouwing voor gebiedsspecifiek beleid is opgenomen. In de nota bodembeheer komen de volgende aspecten aan de orde: Eén of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties; Een bodemkwaliteitskaart; Een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst; De Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox; (indien van toepassing) de maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie. Daarnaast kan in een nota bodembeheer aandacht worden besteed aan de regels en procedures rondom grondwaterstromen, wet- en regelgeving bij grondstromen, duurzaam bodembeheer en/of de (diepere) ondergrond. Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een BKK kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of Niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij ‘Bodemkwaliteitsklasse’) voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden. Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1; De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen; De overschrijding lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk). Klasse Wonen: De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden. Klasse Industrie: De norm voor de klassegrens Wonen wordt overschreden. De norm voor de klassegrens Industrie wordt niet overschreden. Klasse Niet toepasbaar: De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden. Percentiel/percentielwaarde De waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 95-percentiel: 95% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. Standaarddeviatie Ook wel “standaardafwijking” genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van waarnemingen in een dataset. De berekening hiervan is als volgt: Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en x̅ het gemiddelde van de analyseresultaten. Thermisch gereinigde grond Thermisch gereinigde grond is grond waarbij door toepassing van hoge temperaturen (verhitting) alle organische verontreinigingen zoals olie-, humus en plantenresten verbranden. Thermisch gereinigde grond heeft vaak een zwarte kleur en een hogere pH en een lagere zuurgraad Hierdoor verschilt thermisch gereinigde grond van de grond die afkomstig is van een natuurlijke bodem. De condities van thermisch gereinigde grond laten vaak geen plantengroei en bodemleven toe. Toepassingskaart (generieke kader) Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld. Bodemfunctieklasse Bodemkwaliteitsklasse Toepassingseis (generieke kader) Overige (Landbouw/natuur) Landbouw/natuur Landbouw/natuur Overige (Landbouw/natuur) Wonen Landbouw/natuur Overige (Landbouw/natuur) Industrie Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Wonen Wonen Wonen Industrie Wonen Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Industrie Wonen Wonen Industrie Industrie Industrie Toetsing grondverzet (generieke kader) Om te beoordelen of grondverzet is toegestaan wordt de kwaliteit van de aan te brengen grond vergeleken met de toepassingseis. De kwaliteit van de aan te brengen grond kan worden bepaald op basis van een BKK, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis op basis van de bodemkwaliteitszones (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet-gezoneerde gebieden). Kwaliteit toe te passen grond Toepassingseis Toepassing toegestaan? Landbouw/natuur Landbouw/natuur Ja Wonen Landbouw/natuur Nee Industrie Landbouw/natuur Nee Landbouw/natuur Wonen Ja Wonen Wonen Ja Industrie Wonen Nee Landbouw/natuur Industrie Ja Wonen Industrie Ja Industrie Industrie Ja Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit Om een zone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel B2: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org. Stof 10%-) Stof Maximale waarden Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur) Maximale wonen waarden Maximale industrie waarden Arseen 20 27 76 Barium* 190 550 920 Cadmium 0,60 1,2 4,3 Chroom 55 62 180 Koper 40 54 190 Kwik 0,15 0,83 4,8 Lood 50 210 530 Nikkel* 35 39 100 Zink 140 200 720 Som PAK 1,5 6,8 40 Som PCB 0,02 0,04 0,5 Minerale olie 190 190 500 * De normstelling in Bbk voor barium en nikkel zijn door het voormalige Ministerie van VROM sinds 1 april 2009 gewijzigd (Staatscourant, 7 april 2009). Voor nikkel vindt voor schone grond (klasse Landbouw/natuur) geen toetsing meer plaats aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Voor barium is besloten alle toetsingsnormen tijdelijk in te trekken als aangetoond kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging veroorzaakt door activiteiten van de mens. Uitbijters Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand die niet representatief is voor de diffuse chemische bodemkwaliteit in een Zone. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens de invoer. Uitgesloten locaties en gebieden Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de BKK of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar de gemeente niet bevoegd gezag voor het Bbk is, zoals buitendijks gebied. Terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit worden eveneens uitgesloten van de BKK. Maar ook terreinen die in het beheer zijn van ander organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen) of de SBNS (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de BKK. Variabiliteit Mate waarin de gehalten binnen een bodemkwaliteitszone varieert. Variatiecoëfficiënt Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde). Bijlage2:Internetadressen Niet limitatieve lijst van internetadressen voor het zoeken en opvragen van (bodem)informatie: www.rudutrecht.nl → geoloket, of via info@rudutrecht.nl; www.provincie-utrecht.nl → digitale kaarten; www.bodemloket.nl; www.topotijdreis.nl. Niet limitatieve lijst van internetadressen voor het vinden van wet en regelgeving over andere relevante thema’s: www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/onderwerpen-op-thema/; www.iplo.nl www.rudutrecht.nl. Internetadres voor het melden van grondverzet: https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl/Voorportaal.aspx Vanaf 01-01-2024: https://omgevingswet.overheid.nl Bijlage3:Kaart verdachte boomgaarden Bijlage4:BKK-rapportage Bodemkwaliteitskaart Gemeente Houten 1. Inleiding In het voorliggende rapport staat beschreven hoe de bodemkwaliteitskaart (hierna BKK) tot stand is gekomen, hoe de verwerking van de beschikbare onderzoeksresultaten is uitgevoerd en welke afwegingen zijn gemaakt om uiteindelijk te komen tot de indeling van het grondgebied van de gemeente Houten in bodemkwaliteitszones. Beleidskeuzes zijn terug te vinden in de Nota Bodembodembeheer gemeente Houten 2023. De gemeente Houten wil graag de mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) biedt voor gebiedsspecifiek bodembeleid benutten en heeft daarom aan de RUD Utrecht opdracht gegeven om de bodemkwaliteitskaart (hierna: BKK) te actualiseren. De BKK is gericht op het grondgebied van de gemeente Houten, hiertoe behoren de kernen Houten, Schalkwijk en de kleinere woongebieden ’t Goy en Tull en ’t Waal, inclusief het bijbehorend buitengebied (hierna: bodembeheergebied). Deze kaart vormt een belangrijke pijler onder het grondstromenbeleid van de gemeente Houten dat is beschreven in de genoemde nota bodembeheer. De nota en de kaart vallen binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Een BKK is een kaart waarop de diffuse bodemkwaliteit (de achtergrondkwaliteit) binnen het bodembeheergebied is aangegeven. Het bodembeheergebied is daarbij verdeeld in zones met een vergelijkbare bodemkwaliteit. Binnen de te onderscheiden zones is de gemiddelde kwaliteit vergelijkbaar, terwijl tussen de zones een verschil in kwaliteit kan bestaan. De kaart geldt niet voor locaties die historisch zijn belast door puntbronnen als gevolg van bodembedreigende activiteiten. De bodemkwaliteit is bepaald voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket (zie § 3.1). De stofgroep PFAS in niet opgenomen in deze BKK. Hiervoor maakt de gemeente Houten gebruik van de “Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht”. Nadat de BKK door de gemeenteraad is vastgesteld kan deze onder de voorwaarden uit de Nota Bodembeheer worden gebruikt als kwaliteitsbewijs bij het ontgraven en toepassen van grond, zonder aanvullende kwaliteitsbepaling. In bijlage 1 zijn de gebruikte begrippen in dit rapport toegelicht. 2. Doelstelling De doelstelling van een BKK is om een actueel en dekkend beeld te realiseren van de diffuse chemische bodemkwaliteit binnen de gemeente Houten. Daarnaast is de doelstelling van de gemeente om met de BKK gebruik te maken van de mogelijkheden die het Bbk biedt: bij het toepassen van grond en baggerspecie op en in de landbodem; als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven dan minder partijkeuringen te worden uitgevoerd, wat kosten- en tijdbesparend werkt bij grondverzet); bij het minimaliseren van mogelijke knelpunten bij grond- en/of baggerverzet; om gebiedsspecifiek bodembeleid te kunnen realiseren; als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit voor onverdachte locaties. 3. Werkwijze en resultaat Bij het opstellen van de BKK is het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten1Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, voormalig Ministerie van VROM en van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en bijbehorende wijzigingsbladen d.d. 1 maart 2012 (sinds 1 april 2012 in werking getreden), d.d. 1 januari 2013 en d.d. 1 januari 2014. gevolgd. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven. In de Richtlijn is aangegeven dat het niet noodzakelijk is om de stappen in chronologische volgorde aan te houden. Noodzakelijk is wel dat de elementen van de stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de BKK. Voor de totstandkoming van deze BKK is de volgende volgorde van de stappen gebruikt: 1 → 2 → 4 → 3 → 5 → 7 → 8. Stap 1: Definitiefase. Stap 2: Vaststellen van onderscheidende kenmerken. Stap 4: Indelen van het bodembeheergebied in deelgebieden Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking. Stap 5: Controle indeling van het beheergebied. Stap 6: Verzamelen van aanvullende informatie. Stap 7: Karakteriseren van de bodemkwaliteitszones. Stap 8: Opstellen ontgravings- en toepassingskaart. De BKK voldoet aan de eisen in bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit. 3.1 Stap 1: Definitiefase De BKK is opgesteld binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Bbk. De BKK geeft aan wat de verwachte ontgravingskwaliteit is en, in combinatie met de nota bodembeheer wat de toepassingsmogelijkheden zijn van grond binnen het bodembeheergebied. In de voorliggende BKK zijn de volgende technisch inhoudelijke elementen opgenomen: Het beheergebied van de BKK omvat het grondgebied van de gemeente Houten. De BKK is opgesteld voor de landbodem van het beheergebied voor de bovengrond (bodemlaag 0,0 – 0,5 meter minus maaiveld (m-mv)) en de ondergrond (0,5 – 2,0 mmv). De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de BKK: Niet-gezoneerde zones; Fort bij ’t Hemeltje, Rondweg Grondwal, spoorlijn, de Rijksweg A27 en de uiterwaarden van de Lek. Puntbronnen en andere locaties met, of verdacht van, bodemverontreiniging; o Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (voor wat betreft de ontgravingskaart, zie bijlage 1); De BKK is opgesteld voor het huidige standaard NEN5740 stoffenpakket: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). De BKK is niet opgesteld voor de stofgroep PFAS (PFOA, PFOS en PFAS Overig). De toepassingsvoorwaarden voor PFAS-houdende grond zijn beschreven in de Beleidsnota PFAS provincie Utrecht, te vinden op www.rudutrecht.nl/het-toepassenvan-pfas-houdende-grond De gegevens van de BKK zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken. De bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld op basis van de gemiddelde gehalten. Daarnaast zijn van elke bodemkwaliteitszone statistische kentallen (percentielwaarden, kortweg P-waarden) berekend (zie bijlage 3). De berekende kentallen zijn getoetst aan de normen uit het Bbk. 3.2 Stap 2: Onderscheidende gebiedskenmerken Aan de basis van de gemeentelijke BKK ligt de identificatie van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt verondersteld dat de algemene bodemkwaliteit homogeen is (van vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een deelgebiedenkaart gedefinieerd. Huidige inrichting Binnen de gemeente Houten is ervoor gekozen om het jaartal van de bebouwing als onderscheidend gebiedskenmerk te hanteren. In de oude stadskern van Houten (rondom Het Plein) en in de kleinere woonkernen Schalkwijk, ’t Goy en Tull en ’t Waal bestaat de bebouwing van voor 1979. De snelle groei en bebouwing die de stad Houten daarna heeft doorgemaakt binnen de Grondwal Rondweg (en net daarbuiten) stamt van na 1979. Er zijn drie bedrijventerreinen gekenmerkt op de BKK Houten. Bedrijventerrein ‘De Schaft’ bevindt zich binnen de Grondwal Rondweg, net ten zuiden van het oude stadscentrum. Bedrijventerrein De Meerpaal ligt ontsloten tussen de rondweg, het Amsterdam-Rijnkanaal en de Rijksweg A27. De Doornkade is een bedrijventerrein ten noorden van Houten, net naast de A27. Deze drie terreinen zijn voor de BKK samengevoegd tot één deelgebied genaamd ‘Bedrijven’. Het buitengebied is voornamelijk in gebruik voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor. In het buitengebied van de gemeente Houten bevinden zich voormalige boomgaarden die verdacht zijn op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen die extra aandacht vereisen. De locaties en de werkwijze van grondverzet binnen de boomgaarden zijn opgenomen in de nota bodembeheer gemeente Houten 2023. Naast de boomgaarden is voor deze bodemkwaliteitskaart besloten om de helofytenfilters op drie locaties net buiten de Grondwal Rondweg op te nemen in het buitengebied, in plaats van deze weer te geven op de kaart als een uitgezonderd gebied. De reden hiervoor is dat er wordt verwacht dat de gemiddelde bodemkwaliteit van deze locaties vergelijkbaar is met het buitengebied. Het is wenselijk dat er grondverzet kan plaatsvinden van en naar de kades en aansluitende percelen rondom het slotensysteem. De niet-gezoneerde gebieden omvatten de Grondwal Rondweg zelf, de spoorlijn die de stad Houten noord-zuid doorkruist, de Rijksweg A27 in het noordwesten van de gemeente, de uiterwaarden van de Lek en het voormalig militair fort ‘bij ’t Hemeltje’. Voor al deze locaties is ofwel bodemverontreiniging door puntbronnen aannemelijk ofwel grondverzet onwenselijk. Historie Archeologische vondsten laten zien dat de locatie waar Houten nu gevestigd is al bewoond is sinds circa 2000 v.C.. De directe omgeving van Houten kreeg een impuls ten tijde van het Romeinse rijk met de stichting van de nabije nederzetting Fectio. Het oudste gebouw van het moderne Houten is waarschijnlijk de kerk van Houten (hedendaagse Pleinkerk), gesticht aan het einde van de 7de eeuw n.C. door rondtrekkende monniken. Ontginningen in de daaropvolgende eeuwen leidden tot de plaatsen Schalkwijk en Wulven. Houten is tot vlak na de tweede wereldoorlog een brinkdorp gebleven. Na de oorlog kwam de ontwikkeling van Houten in een stroomversnelling met de aanleg van verscheidene snelwegen, het Amsterdam-Rijnkanaal en was het tevens gemakkelijker te bereiken via de spoorwegen. Bodemopbouw en geomorfologie In het kader van zowel de bodemopbouw, geomorfologie en het landschap wordt de gemeente Houten gedomineerd door rivierafzettingen. De westzijde van gemeente Houten voornamelijk uit laaggelegen komgronden naast de rivier de Lek, in de omgeving van de dorpen Tull en ’t Waal en Schalkwijk. De bodemopbouw bestaat voor het grootste gedeelte uit komkleisediment afgezet door de rivier. De hooggelegen gebieden in de gemeente waar de nederzettingen Houten en ’t Goy zich bevinden zijn stroomruggebieden. 3.3 Stap 4: Indeling bodembeheergebied in deelgebieden Gebaseerd op de gebiedskenmerken is voor de BKK een eerste indeling gemaakt zoals vermeld in tabel 1 en ruimtelijk weergegeven op figuur 1. Tabel 1: Eerste indeling deelgebieden Deelgebied Omschrijving Functieklasse A Buitengebied Landbouw/natuur B Bebouwing <1979 Wonen C Bebouwing >1979 Wonen D Bedrijven Industrie E Fort bij ‘t Hemeltje Niet-gezoneerd F Uiterwaarden Lek Niet-gezoneerd G Grondwal Rondweg Niet-gezoneerd H Rijksweg A27 Niet-gezoneerd I Spoorlijn Niet-gezoneerd De gebruiksfunctie, zoals weergegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1), is leidend bij de indeling in deelgebieden. Figuur 1: Indeling op basis van onderscheidende kenmerken Op basis van het voorgaande zijn deelgebieden samengevoegd met de functieklasse als criterium. De indeling zoals vermeld in tabel 2 is gehanteerd voor de verdere totstandkoming van de BKK. Tabel 2: Samenvoeging deelgebieden op basis van functieklasse Samengevoegd deelgebied Omschrijving Functieklasse 1 Buitengebied Landbouw/natuur 2 Bebouwing <1979 Wonen 3 Bebouwing >1979 4 Bedrijven Industrie - Fort bij ‘t Hemeltje Geen onderdeel Bkk Uiterwaarden Lek Grondwal Rondweg Rijksweg A27 Spoorlijn 3.4 Stap 3: Gegevensverzameling en -verwerking 3.4.1 Selecteren beschikbare gegevens De dataset van de BKK is in opdracht van de gemeente Houten samengesteld door LievenseCSO en bestaat uit waarnemingen uit de periode vanaf 2010 tot en met 2021. De waarnemingen zijn hoofdzakelijk gedaan tijdens uitvoering van de volgende typen bodemonderzoek: Verkennend bodemonderzoek, bijvoorbeeld in het kader van bouw, werkzaamheden aan kabels/leidingen en natuurontwikkeling; Bodemonderzoek voor het vaststellen van PFAS-achtergrondgehalten; Onderzoek naar de milieukwaliteit van de ontvangende bodem bij grondtoepassingen; Nulsituatie-onderzoeken. 3.4.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters De dataset, gebruikt voor het opstellen van de BKK, bevat zowel meng- als puntmonsters met analysegegevens. Onderzoek van de landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft aangetoond dat percentielwaarden2Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998. die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van zowel punt- als mengmonsters vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan als gevolg hiervan geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met analysegegevens waarin zowel punt- als mengmonsters zijn opgenomen. De analysegegevens van de mengmonsters zijn als één waarneming opgenomen in de dataset. 3.4.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet Regelmatig komt het bij analyses voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in concentraties beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyses is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen. 3.4.4 Het opsporen van uitbijters Ondanks dat er representatieve analysegegevens worden geselecteerd voor de analyse, kan er sprake zijn van uitschieters (extreem hoge of lage gehalten) in de dataset. Deze extremen kunnen een gevolg zijn van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door puntbronnen die niet als zodanig bekend zijn. Hierbij worden dan vaak bij meerdere stoffen relatief hoge gehalten of juist hele lage gehalten aangetroffen. In het geval van bodemkwaliteitskaarten worden dergelijke uitschieters ‘uitbijters’ genoemd. Per bodemkwaliteitszone zijn met behulp van visuele voorstellingen in de vorm van grafieken in Excel extreme waarden geïdentificeerd. De vuistregel waarbij waarden 3x hoger dan de gemiddelde waarden als extreme waarden voor de desbetreffende parameters worden beschouwd is hierbij gehanteerd. De extreme waarden zijn nader beoordeeld. Als de uitbijters tot een puntbron, type- of meetfout waren te herleiden of als niet-representatief zijn beoordeeld in vergelijking met de andere resultaten van dat deelgebied, dan zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd. In bijlage 2 is een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters opgenomen. 3.5 Stap 5: Evaluatie gebiedsindeling 3.5.1 Indeling bodemkwaliteitszones De indeling in deelgebieden leidt tot de onderstaande bodemkwaliteitszones (zie tabel 3). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen onder en bovengrond, omdat de ondergrond doorgaans een betere kwaliteit heeft dan (of vergelijkbare met) de bovengrond. In samenspraak met gemeente Houten is ervoor gekozen om de ondergrond (0,5 – 2,0 m-
  14. mv)als één deelgebied te beschouwen, en niet zo als voor de bovengrond (0,0 – 0,5 m-
  15. mv)op te delen in de desbetreffende deelgebieden zoals weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Indeling bodemkwaliteitszones op basis van deelgebieden Deelgebied- nummer3zie samengevoegde deelgebieden in § 3.3, tabel 2. ) Bodemkwaliteitszone Functieklasse Bovengrond (0,0 - 0,5 m-
  16. mv)1 B1 Landbouw/natuur 2 B2 Wonen 3 B3 Wonen 4 B4 Industrie Ondergrond (0,5 - 2,0 m-
  17. mv)5 O Landbouw/natuur De situering van de bodemkwaliteitszones is weergegeven in figuur 2. Figuur 2: Indeling in bodemkwaliteitszones 3.5.2 Aantal waarnemingen De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt aan het aantal waarnemingen per bodemkwaliteitszone de volgende (minimale) eisen: Voor alle stoffen zijn ten minste 20 waarnemingen beschikbaar. De waarnemingen liggen voldoende verspreid over de bodemkwaliteitszone: Voor aaneengesloten bodemkwaliteitszones bij een systematische indeling in 20 vakken zijn er in tenminste 10 vakken één of meer waarnemingen beschikbaar. Voor elk niet-aaneengesloten deel van een bodemkwaliteitszone zijn ten minste 3 waarnemingen beschikbaar. Na het samenstellen van de dataset voor de BKK (§ 3.3.1), de voorbewerkingen (§ 3.3.3 en § 3.3.4) en de gebiedsindeling (§ 3.4.1) bleek dat alle bodemkwaliteitszones voldoen aan de voornoemde minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Het totale aantal waarnemingen na verwijdering van de uitbijters is weergegeven in tabel 4. Tabel 4. Aantal waarnemingen per bodemkwaliteitszone Bodemkwaliteitszone Aantal waarnemingen1) Bovengrond (0,0 - 0,5 m-
  18. mv)B1 203/190 B2 148/137 B3 300/279 B4 157/144 Ondergrond (0,5 - 2,0 m-
  19. mv)O 529/486 1) weergegeven is het hoogste en het laagste aantal waarnemingen per stof 3.5.3 Ruimtelijke spreiding Figuur 3 geeft inzicht in hoe de waarnemingen ruimtelijk zijn verdeeld over het grondgebied van de gemeente Houten. Geanalyseerd is of binnen de bodemkwaliteitszones een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Hiervan is sprake bij een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Het overzicht van de variatiecoëfficiënten is opgenomen in bijlage 3. Hieruit blijkt dat voor PAK in de bodemkwaliteitszones B2, B4 en in de ondergrond en voor kwik in bodemkwaliteitszone B3 de variatiecoëfficiënt boven de 2 uitvalt. Vastgesteld is dat binnen de bodemkwaliteitszone geen ruimtelijke clustering voorkomt. Er is daarom geen aanleiding tot verdere splitsing van bodemkwaliteitszones. Figuur 3: Situering waarnemingspunten 3.6 Stap 6: Verzamelen van aanvullende informatie Bij de indeling van bodemkwaliteitszone zoals beschreven in § 3.5 voldoet de dataset aan de gestelde eisen. Er is daarom geen aanleiding voor het verzamelen van aanvullende informatie. 3.7 Stap 7: Karakteriseren bodemkwaliteitszones Uit de data-analyse volgt dat in alle bodemkwaliteitszones de gemiddelde bodemkwaliteit als schoon kan worden aangemerkt (klasse AW2000), met uitzondering van zone B2. Voor de volledigheid: het gaat hierbij om de bodemkwaliteit van terreindelen die niet zijn verontreinigd door lokale (bedrijfs-) activiteiten, de zogenaamde puntbronnen. De bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone is weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone Bodemkwaliteitszone Functieklasse Bodemkwaliteitsklasse Bovengrond (0,0 - 0,5 m-
  20. mv)B1 Landbouw/natuur AW2000 B2 Wonen Wonen B3 Wonen AW2000 B4 Industrie AW2000 Ondergrond (0,5 - 2,0 m-
  21. mv)O Landbouw/natuur AW2000 In tabel 6 is aangegeven welke stof(fen) bepalend is/zijn geweest voor de indeling in bodemkwaliteitszones. In zone B2 overschrijden de gemiddelde waarden voor zowel lood als PAK de Achtergrondwaarden (AW2000). In het geval van PAK is de overschrijding zelfs hoger dan maximaal twee maal de norm voor de klassegrens AW2000. De bodemkwaliteitsklasse van zone B2 wordt daarom ingedeeld in de categorie Wonen. Tabel 6: Bepalende stofgroep per bodemkwaliteitszone Bodemkwaliteitszone Kwaliteitsbepalende stofgroep Bovengrond (0,0 – 0,5 m-
  22. mv)Zone B1 -1) Zone B2 Pb, PAK Zone B3 -1) Zone B4 -1) Ondergrond (0,5 – 2,0 m-
  23. mv)Zone O -1) 1)De gemiddelde achtergrondwaarde ligt onder de landelijke achtergrondwaarde. Kwaliteitsbepalende stoffen onder deze waarden zijn niet relevant 3.7.1 Heterogeniteit De heterogeniteit van de gemeten gehalten is per bodemkwaliteitszone berekend volgens de onderstaande formule. In bijlage 3 is per bodemkwaliteitszone en per stof de heterogeniteitsindex weergegeven. De betrouwbaarheid van het berekende gemiddelde gehalte in een zone is kleiner naarmate de diffuse bodemkwaliteit sterker heterogeen is verdeeld. Uit de berekeningen volgt dat in de zones van het bodembeheergebied sprake is van geen of lage heterogeniteit, met uitzondering van de parameter nikkel. Nikkel is heterogeen tot sterk heterogeen voor alle bodemkwaliteitszones. Er zijn echter ruim voldoende waarnemingen bekend om het gemiddelde gehalte, en daarmee de bodemkwaliteit, goed te bepalen. De heterogeniteit is daarom geen aanleiding om aanvullend onderzoek te eisen voorafgaand aan grondtoepassingen. 3.7.2 Controle saneringscriterium In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde (P95) boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een toetsing aan het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende zone te laten plaatsvinden. In de gemeente Houten komt deze situatie niet voor. In bijlage 3 is per bodemkwaliteitszone en stof vermeld wat de statistische kentallen zijn 3.8 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart De BKK bestaat uit drie soorten hoofdkaarten: De bodemfunctieklassenkaart De bodemzoneringskaart De ontgravingskaart De toepassingskaart In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten. Conform bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit moet een kaart waarop puntbronnen (uitgesloten locaties) zijn vermeld, onderdeel uitmaken van de BKK. Voor zover dat grotere aaneengesloten gebieden betreft is dat gedaan. Voor kleinere puntbronnen en bekende bodemverontreinigingen niet, omdat dit dynamisch is en vanwege de schaalgrootte. Voorafgaand aan de toepassing van grond moet de ligging van deze locaties volgen uit het vooronderzoek conform NEN 5725 dat de initiatiefnemer van grondverzet voorafgaand aan een grondtoepassing moet uitvoeren. 3.8.1 Bodemfunctieklassenkaart Het doel van de bodemfunctieklassenkaart is een toetsingskader om te kunnen beoordelen aan welke kwaliteit her te gebruiken grond en bagger moet voldoen. In de bodemfunctieklassenkaart is de gemeente ingedeeld in de volgende functies: ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’, en ‘Industrie’. Daarnaast is de bodemfunctieklassenkaart van belang voor de bepaling van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen (o.a. in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen). De bodemfunctieklassenkaart is opgenomen in kaartbijlage 1. 3.8.2 Bodemzoneringskaart Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart wordt gebruik gemaakt van zones. Dit is een verzameling van gebieden waar op basis van de gebruikshistorie, grondslag en bebouwingsgeschiedenis vergelijkbare bodemkwaliteit verwacht kan worden. Deze indeling is in samenspraak met de gemeente Houten opgesteld. Voor de gemeente Houten zijn 3 zones onderscheiden: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie, zoals ook weergegeven in tabel en figuur 1. Over het algemeen zijn de bebouwde gebieden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Wonen en industrieterreinen (incl. grotere bedrijfsterreinen) ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Het buitengebied is ingedeeld in bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Per zone is een onderverdeling gemaakt voor in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv). Voor de ondergrond (0,5 – 2,0 m-
  24. mv)is er slechts één zone-indeling gemaakt. De niet-gezoneerde gebieden zijn tevens apart in de kaart opgenomen De bodemzoneringskaart is opgenomen in kaartbijlage 2. 3.8.3 Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van grond op een, niet voor bodemverontreiniging verdachte, locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit in een zone kan vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. De ontgravingskaarten voor de boven- en ondergrond zijn opgenomen in kaartbijlage 3. 3.8.4 Toepassingskaart Op de toepassingskaart is weergegeven welke kwaliteit grond mag worden toegepast in een bepaalde zone van het bodembeheergebied. Bij de totstandkoming van de toepassingskaart is rekening gehouden met de functie, ontgravingskwaliteit en gebiedsspecifiek beleid. Het resultaat is opgenomen in de kaartbijlage 4. De gebiedsspecifieke toepassingskaart geeft weer in welke zones gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden. Deze kaart moet naast de ontgravingskaart worden gebruikt bij het grondverzet. Bijlage 1: Begrippenlijst Baggerspecie Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Bodemkwaliteitskaart De BKK bestaat volgens de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten uit de volgende drie hoofdkaarten: Een kaart met uitgesloten (verdachte) locaties en deelgebieden De ontgravingskaart De toepassingskaart Bodemkwaliteitsklassen In het Bbk worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen: Klasse Landbouw/natuur Klasse Wonen Klasse Industrie Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden (zie onderstaand). Voor de BKK van de gemeente Houten is het basispakket van toepassing. Tabel B1: Staffel toegestane aantal overschrijdingen Aantal gemeten stoffen Aantal toegestane overschrijdingen Basispakket 2 16-26 3 27-36 4 37-48 5 Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De Overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk). Klasse Wonen: Alle gehalten voldoen aan de klassegrens wonen met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel B1. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen. Klasse Industrie: Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie, omdat er geen sprake is van deelgebieden met een gemiddeld gehalte boven de interventiewaarde. Bodemkwaliteitszone De bodemkwaliteitszone wordt gedefinieerd als een deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van eenzelfde gebiedseigen bodemkwaliteit waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. Het eventueel vaststellen van bijzondere omstandigheden moet onderdeel uitmaken van het eerdergenoemde vooronderzoek voor ontgraving en toepassen van grond binnen een kwaliteitszone. Deelgebied Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het beheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als “niet-aaneengesloten deelgebieden”. Diffuse chemische bodemkwaliteit De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de BKK is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Bbk definieert grond als: “vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie”. Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Bbk nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. In gebiedsspecifiek beleid kunnen hieraan strengere eisen worden gesteld. Heterogeniteit Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de BKK in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar menig van de gemeente een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule: Hierbij wordt als beoordeling van de heterogeniteitsindex aangehouden: Index < 0,2 : weinig heterogeniteit 0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit 0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit Index > 0,7 : sterke heterogeniteit Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken van een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013). Niet gezoneerd Zone Gebieden worden gezoneerd wanneer er voldoende waarnemingen beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende waarnemingen beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet meer met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het “Zone niet gezoneerd”. Een zone kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd (deel)gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de BKK (zie ook: Uitgesloten locaties/gebied). Nota bodembeheer Een nota bodembeheer is een beleidsdocument waarin de onderbouwing voor gebiedsspecifiek beleid is opgenomen. In de nota bodembeheer komen de volgende aspecten aan de orde: Eén of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties; Een (water)bodemkwaliteitskaart Een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst; De Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox; (indien van toepassing) de maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie. Daarnaast kan in een nota bodembeheer aandacht worden besteed aan de regels en procedures rondom grondwaterstromen, wet- en regelgeving bij grondstromen, duurzaam bodembeheer en/of de (diepere) ondergrond. Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een BKK kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.