Artikel 1.3 Te late indiening aanvraagArtikel 1.4 Voorschriften en beperkingenArtikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingArtikel 1.6 Intrekking of weigering van vergunning of ontheffingArtikel 1.7 Termijnen HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldhedenArtikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden Paragraaf 2 Optochten en betogingenArtikel 2.1.2.1 OptochtenArtikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenArtikel 2.1.2.3 Afwijking termijnArtikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukkenArtikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de wegArtikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d.Artikel 2.1.4.1a Kleinschalige evenementenArtikel 2.1.4.2 DienstverleningArtikel 2.1.4.3 Straatartiest Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de wegArtikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de wegArtikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegArtikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een uitweg Paragraaf 6 Veiligheid van de wegArtikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheidArtikel 2.1.6.2 WinkelwagentjesArtikel 2.1.6.3 Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerpArtikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen, koekoeken e.d.Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurgebiedenArtikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpArtikel 2.1.6.7.a. Gevaarlijke voorwerpenArtikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpenArtikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichtingArtikel 2.1.6.10 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichtingArtikel 2.1.6.11 Objecten onder hoogspanningslijnArtikel 2.1.6.12 Veiligheid op het ijsArtikel 2.1.6.13 Benzinepompen op of nabij de weg Artikel 2.1.6.14 Verplichtingen plantgerechtigden Afdeling 2 Toezicht op evenementen Artikel 2.2.1 BegripsomschrijvingArtikel 2.2.2 EvenementArtikel 2.2.3 OrdeverstoringArtikel 2.2.3.a. Evenementen Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijvenArtikel 2.3.1.
Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplichtArtikel 2.3.1.4 SluitingstijdenArtikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluitingArtikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijfArtikel 2.3.1.7 OrdeverstoringArtikel 2.3.1.8 Toegang ambtenaren van politieArtikel 2.3.1.9 Burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijfArtikel 2.3.2.
Artikel 2.3.2.3 NachtregisterArtikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenhedenArtikel 2.3.3.1 SpeelgelegenhedenArtikel 2.3.3.2 Speelautomaten Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woningen of lokaalArtikel 2.4.2 Plakken en kladdenArtikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigenArtikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de wegArtikel 2.4.7.a. Verplichte routeArtikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruikArtikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwenArtikel 2.4.10 Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenArtikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.Artikel 2.4.13 Bespieden van personenArtikel 2.4.14 BewakingsapparatuurArtikel 2.4.15 Nodeloos alarmerenArtikel 2.4.16 AlarminstallatiesArtikel 2.4.17 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatieArtikel 2.4.18 Verontreiniging door dierenArtikel 2.4.19 Gevaarlijke hondenArtikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dierenArtikel 2.4.21 --Artikel 2.4.22 Loslopend vee en pluimveeArtikel 2.4.23 DuivenArtikel 2.4.24 BijenArtikel 2.4.25 Vernietiging van rupsen en -nesten Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2.5.
Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van StrafrechtArtikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederenArtikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven Afdeling 6 Vuurwerk Artikel 2.6.1 BegripsomschrijvingArtikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagenArtikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Afdeling 7 Drugsoverlast Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat Afdeling 8 Bestuurlijke ophouding Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding Afdeling 9 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Paragraaf
en nadere regelsArtikel 3.1.
Artikel 3.1.3 Nadere regels Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijkeArtikel 3.2.1 SeksinrichtingenArtikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerderArtikel 3.2.3 SluitingstijdenArtikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluitingArtikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderArtikel 3.2.6 Straat- en raamprostitutieArtikel 3.2.7 SekswinkelsArtikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Paragraaf 3 Beslissingstermijn en weigeringsgrondenArtikel 3.3.1 Beslissingstermijn Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie, wijziging beheerArtikel 3.4.1 Beëindiging exploitatieArtikel 3.4.2 Wijziging beheer Paragraaf 5 OvergangsbepalingArtikel 3.5.1 Overgangsbepaling HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Geluid- en lichthinder Artikel 4.1.
Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteitenArtikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteitenArtikel 4.1.5 Overige geluidhinderArtikel 4.1.5.a. (Geluid)hinder in de openluchtArtikel 4.1.5.b. (Geluid)hinder door dierenArtikel 4.1.5.c. (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.Artikel 4.1.5.d. (Geluid)hinder door vrachtauto'sArtikel 4.1.5.e. Routering Afdeling 2 Afvalstoffen Paragraaf 1 Algemene bepalingenArtikel 4.2.1.
Paragraaf 2 Inzameling van afvalstoffenArtikel 4.2.2.1 Aanwijzing inzamelende instantiesArtikel 4.2.2.2 Afzonderlijke inzamelingArtikel 4.2.2.3 Inzamelmiddelen en -voorzieningenArtikel 4.2.2.4 Frequentie van inzamelen bij elk perceelArtikel 4.2.2.5 Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens vergunning Paragraaf 3 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffenArtikel 4.2.3.1 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen Artikel 4.2.3.2 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen Artikel 4.2.3.3 Afzonderlijk ter inzameling aanbieden Artikel 4.2.3.4 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceelArtikel 4.2.3.5 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelenArtikel 4.2.3.6 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op wijkniveauArtikel 4.2.3.7 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveauArtikel 4.2.3.8 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zonder inzamelmiddelArtikel 4.2.3.9 Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbiedenArtikel 4.2.3.10 Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffenArtikel 4.2.3.11 Wijze van overdracht of aanbieding van huishoudelijk afval door middel van containers Paragraaf 4 Inzameling van andere categorieën van afvalstoffen Artikel 4.2.4.1 Inzamelverbod andere categorieën afvalstoffen behoudens vergunning Artikel 4.2.4.2 Inzameling andere categorieën afvalstoffen door de inzameldienstArtikel 4.2.4.3 Ter inzameling aanbieden van andere categorieën afvalstoffen aan de inzameldienst Afdeling 3 Lozing en riolering (vervallen) Afdeling 4 Bodem , weg en milieuverontreiniging Artikel 4.4.1 Verontreiniging van de weg en van terreinen Artikel 4.4.2 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg Artikel 4.4.3 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet en drinkwarenArtikel 4.4.4 Wegwerpen van reclame of strooibiljetten Artikel 4.4.5 Straatvegen Artikel 4.4.6 Natuurlijke behoefte doen Artikel 4.4.7 Verbod op het doorzoeken van ter inzameling gereedstaande afvalstoffenArtikel 4.4.8 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Afdeling 5 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4.5.
Artikel 4.5.5 Vervaltermijn vergunningArtikel 4.5.6 Bijzondere vergunningsvoorschriften Artikel 4.5.7 Herplant /instandhoudingsplicht Artikel 4.5.8 Schadevergoeding Artikel 4.5.9 Bestrijding iepziekte Afdeling 6 Bescherming van flora en fauna Artikel 4.6.1 Bescherming groenvoorzieningen Artikel 4.6.2 Beschermde planten; hout sprokkelen Afdeling 7 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.7.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d. Artikel 4.7.1a Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffenArtikel 4.7.2 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d. Artikel 4.7.3 Aanschrijving HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5.1.
Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken Artikel 5.1.5 Caravans e.d. Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigenArtikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffenArtikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed Artikel 5.2.2 Venten e.d. Artikel 5.2.3 Standplaatsen Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d. Afdeling 3 Openbaar water Artikel 5.3.1 Gebruik van openbaar waterArtikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigenArtikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaatsArtikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaatsArtikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken en oeversArtikel 5.3.6 Reddingsmiddelen Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.4.1 CrossterreinenArtikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden Afdeling 5 Verbod vuur te stoken Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichting of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben Afdeling 6 Straatnaamborden, huisnummers e.d. Artikel 5.6.1 Gedoogplicht aanduidingenArtikel 5.6.2 Verwijdering e.d. aanduidingen Afdeling 6 Verstrooiing van as Artikel 5.7.1 BegripsomschrijvingArtikel 5.7.2 Plaatsen waar incidentele asverstrooiing verboden isArtikel 5.7.3 Hinder of overlast voor derden HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6.1 Strafbepaling Artikel 6.2 ToezichthoudersArtikel 6.3 Binnentreden woningen Artikel 6.4 Inwerkingtreding Artikel 6.5 Overgangsbepaling Artikel 6.6 Citeertitel Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg:1. de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;2. de al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water:alle wateren die al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom:de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Rechthebbende:een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen:alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, met uitzondering van:a. treinen en trams;b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen:alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten. Woonschepen:schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Bouwwerk:elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Gebouw:elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Vee:eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. Pluimvee:klein en pluimvee, eenden en ganzen. Handelsreclame:iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Artikel1.2Beslistermijn 1Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. 3Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid. Artikel1.3Te late indiening aanvraag 1Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel1.4Voorschriften en beperkingen 1Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1.6Intrekking of weigering van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel1.7Termijnen Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Hoofdstuk2OPENBARE ORDE Afdeling1Orde en veiligheid op de weg Paragraaf1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2.1.1.1Samenscholing en ongeregeldheden 1Het is verboden op de weg zich samen met anderen te begeven naar of al dan niet samen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enige gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Paragraaf2Optochten en betogingen Artikel2.1.2.1Optochten 1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2, op de weg te doen plaatsvinden. 2De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel2.1.2.2Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. 2Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet. Artikel2.1.2.3Afwijking termijn De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. Artikel2.1.2.4Te verstrekken gegevens 1Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Paragraaf3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2.1.3.1Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren. 3Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het huis‑aan‑huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf4Vertoningen e.d. op de weg Artikel2.1.4.1Feest, muziek en wedstrijd e.d. 1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of aan de weg: een vertoning voor publiek te geven, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2; op enige wijze voor publiek muziek ten gehore te brengen; een feest of een wedstrijd te geven of te houden. 2Het in artikel 2.1.2.1, tweede lid, bepaalde, is van overeenkomstige toepassing. 3Het in het eerste lid, onder c, bepaalde geldt niet voor zover artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 of artikel 5.4.1 van toepassing is. Artikel2.1.4.1aKleinschalige evenementen 1In deze paragraaf wordt verstaan onder kleinschalig evenement: Elke kleinschalige voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak op en/of aan de openbare weg, zoals (buurt-)barbeques, buurtfeesten, straatspeeldagen en andere kleinschalige (straat)feesten. 2Een kleinschalig evenement dient tenminste twee weken voor het tijdstip waarop het plaatsvindt schriftelijk bij de burgemeester te worden gemeld. Indien de kennisgeving later wordt gedaan, kan de burgemeester besluiten deze niet te behandelen. 3De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het tweede lid bedoelde termijn verkorten en tevens een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. 4Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die het kleinschalig evenement organiseert; het doel van het kleinschalig evenement; de datum waarop het kleinschalig evenement wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats waar het kleinschalig evenement wordt gehouden; maatregelen die de organisator zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen; overige gegevens die van belang kunnen zijn voor een concrete beoordeling van de kennisgeving. 5De burgemeester kan een kleinschalig evenement verbieden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de veiligheid van personen en/of goederen; de zedelijkheid en/of gezondheid. 6De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving. 7De in het tweede lid bedoelde kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan, wanneer het in het zesde lid bedoelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 8Het is verboden een kleinschalig evenement te doen plaatsvinden, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, terwijl men weet of redelijkerwijze kon weten dat: de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 7 is gedaan; gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de kennisgeving als bedoeld in lid 2 zijn verstrekt; de burgemeester het kleinschalige evenement op grond van lid 5 heeft verboden. 9Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden kan de burgemeester een kleinschalig evenement aanmerken als vergunningplichtig en/of nadere voorschriften stellen. Artikel2.1.4.2Dienstverlening 1Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te treden als dienstverlener (zoals bewaker, reiniger van voertuigen, glazenwasser of scharensliep) of zijn diensten als zodanig aan te bieden. 2Het in artikel 2.1.2.1, tweede lid, bepaalde is van overeenkomstige toepassing. Artikel2.1.4.3Straatartiest 1Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren. 3De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf5Bruikbaarheid van de weg Artikel2.1.5.1Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg 1Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 2Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:- geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; benzinepompen als bedoeld in artikel 2.1.6.13 en standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3. 3Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 4Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 5Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing zijn of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2.1.4.1a of artikel 2.2.1 of terras als bedoeld in artikel 2.3.1.2 vijfde lid, waarvoor vergunning is verleend. Artikel2.1.5.2Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant, de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is. Artikel2.1.5.3Maken en veranderen van een uitweg 1Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing is. Paragraaf6Veiligheid van de weg Artikel2.1.6.1Veroorzaken van gladheid 1Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel2.1.6.2Winkelwagentjes 1De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel2.1.6.3Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel2.1.6.4Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2.1.6.5Kelderingangen, koekoeken e.d. 1Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 1e of 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.1.6.6Rookverbod in bossen en natuurgebieden 1Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode. 2Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. Artikel2.1.6.7Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen, lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel2.1.6.7aGevaarlijke voorwerpen 1Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens, of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde en veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel2.1.6.8Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel2.1.6.9Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid, hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel2.1.6.10Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting 1Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.1.6.11Objecten onder hoogspanningslijn 1Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen, voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel2.1.6.12Veiligheid op het ijs 1Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. 3Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht of het Provinciaal Waterreglement Noord-Brabant van toepassing is. Artikel2.1.6.13Benzinepompen op of nabij de weg 1Het is verboden zonder vergunning van het college een gelegenheid voor de verkoop van brandstof ten behoeve van motorvoertuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, te hebben, toe te laten, te wijzigen of uit te breiden: op de weg; zichtbaar vanaf de weg of binnen 50 meter afstand van de weg. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Provinciaal Wegenreglement Noord-Brabant of artikel 5 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken van toepassing is. Artikel2.1.6.14Verplichtingen plantgerechtigden 1Hij die een recht van beplanting op een weg heeft is verplicht: van zijn voornemen tot het planten, vellen of rooien van beplanting op de weg, ten minste dertig dagen van tevoren schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders; zich bij dat planten, vellen of rooien te gedragen overeenkomstig de voorschriften, die hem door burgemeester en wethouders gegeven zijn in het belang van de veiligheid van het wegverkeer; gevolg te geven aan de schriftelijke lastgeving van het college binnen de bij die last te bepalen termijn de bomen, struiken, takken of wortels, die voor het gebruik van de weg gevaarlijk zijn, te verwijderen; bomen of struiken, die dood, omgewaaid of afgebroken zijn, onverwijld te verwijderen. 2Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor gevallen, waarin het Provinciaal Wegenreglement Noord-Brabant van toepassing is. Afdeling2Toezicht op evenementen Artikel2.2.1Begripsomschrijving 1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Wet op de filmvertoningen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h. van de Gemeentewet en artikel 5.2.4; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2.1, 2.1.4.1, 2.1.4.1a, 2.1.4.2, 2.1.4.3 en 2.3.3.1. van deze verordening; sportwedstrijden. 2Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid. Artikel2.2.2Evenement 1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel2.2.3Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Artikel2.2.3.aEvenementen 1Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie. 4Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Afdeling3Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf1Toezicht op horecabedrijven Artikel2.3.1.1Begripsomschrijvingen 1Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan:de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. 2Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. 3Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt. 4Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2 of 2.3.1.3. 5In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan: de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2.3.1.2Exploitatievergunning horecabedrijf 1Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 4Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 5In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden, tevens over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 6Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 7Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing is. Artikel2.3.1.3Opheffing vergunningplicht 1De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2.3.1.2 niet geldt voor een of meer in dat besluitaangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. 2De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Artikel2.3.1.4Sluitingstijden 1Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben of daarinbezoekers toe te laten of te laten verblijven:op alle dagen van de week tussen 02.00 uur en 06.00 uur; 2Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.4 kan de burgemeester door middel van een vergunningsvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras, een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen. 3Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. 4Het bepaalde in het eerste lid geldt niet op 1 januari van ieder jaar. Artikel2.3.1.5Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 13b Opiumwet van toepassing is. Artikel2.3.1.6Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Artikel2.3.1.7Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel2.3.1.8Toegang ambtenaren van politie De houder van een horecabedrijf is verplicht ervoor te zorgen, dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf: gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend is; dan wel gedurende de tijd dat een bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn. Artikel2.3.1.9Burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5. Paragraaf2Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2.3.2.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel2.3.2.2Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2.3.2.3Nachtregister De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden, dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. Artikel2.3.2.4Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. Paragraaf3Toezicht op speelgelegenheden Artikel2.3.3.1Speelgelegenheden 1Deze paragraaf verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de Minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3De burgemeester weigert de vergunning: Indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; Indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel2.3.3.2Speelautomaten Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt verstaan onder:a. Wet: de Wet op de kansspelen;b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet. Opstelplaatsenbeleid:a. in hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten;b. in laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Afdeling4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2.4.1Betreden gesloten woningen of lokaal 1Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. Artikel2.4.2Plakken en kladden 1Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, te bekrassen of te bekladden. 2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen. 3Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporings-ambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2.4.3Vervoer plakgereedschap e.d. 1Het is verboden tussen des avonds 10 uur en des morgens 6 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2. Artikel2.4.4Vervoer inbrekerswerktuigen 1Het is verboden tussen des avonds 10 uur en des morgens 6 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat er toe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2.4.5Betreden van plantsoenen e.d. 1Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.4.6Rijden over bermen e.d. 1Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg. 2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt. 3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing is. 4Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Artikel2.4.7Hinderlijk gedrag op of aan de weg 1Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel2.4.7aVerplichte route 1Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.4.8Hinderlijk drankgebruik 1Het is verboden op de weg die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. Artikel2.4.9Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel2.4.10Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.4.11Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2.4.12Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt. Artikel2.4.13Bespieden van personen 1Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw of deze woonwagen bevindende persoon, te bespieden. 2Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw of woonwagen bevindende persoon te bespieden. Artikel2.4.14Bewakingsapparatuur Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig of besloten erf. Artikel2.4.15Nodeloos alarmeren (vervallen) Artikel2.4.16Alarminstallaties 1Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren. 2Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing voor zover de Wet op de Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus van toepassing is. Artikel2.4.17Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijk en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2Het college kan wegen of terreinen aanwijzen waarvoor de in het eerste lid gestelde verboden niet of niet geheel gelden. Artikel2.4.18Verontreiniging door dieren 1De eigenaar of houder van een dier is verplicht ervoor te zorgen dat dat dier zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het collge aangewezen plaats. 2De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel2.4.19Gevaarlijke honden 1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden. 2In afwijking van artikel 2.4.17, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 3In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 4Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel2.4.20Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 2Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is aangegeven. 3Het college kan de rechthebbende op een onroerend goed, gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente, ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel2.4.21 (vervallen) Artikel2.4.22Loslopend vee en pluimvee De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. Artikel2.4.23Duiven 1De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni. 2Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. 3Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Verordening ophokplicht duiven Noord-Brabant van toepassing is. Artikel2.4.24Bijen 1Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover het Provinciaal wegen reglement Noord-Brabant van toepassing is. 5Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.4.25Vernietiging van rupsen en -nesten 1Het college kan, hetzij bij openbare kennisgeving ten aanzien van het gehele gebied van de gemeente of van bepaalde delen daarvan, hetzij bij persoonlijke kennisgeving aan de rechthebbende van een of meer bepaalde percelen mededelen, dat zij het noodzakelijk acht dat aldaar in bomen of ander houtgewas voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd worden voor een bij die kennisgeving bepaalde datum 2De rechthebbende op percelen binnen het bij die openbare kennisgeving aangewezen gebied of van de in de persoonlijke kennisgeving aangeduide percelen is verplicht vóór de door het college bepaalde datum te zorgen, dat de in bomen of ander houtgewas op zijn perceel voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd zijn. Afdeling5Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2.5.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Handelaar:de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; Verkoopregister:het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel2.5.2Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel2.5.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van hetopkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.