Verordening kwaliteit Uitvoering en Handhaving omgevingsrecht gemeente LansingerlandDe raad van de gemeente Lansingerland; Overwegende dat de gemeente, overheidspartners en de gemeenschappelijke diensten die in hun opdracht werken verantwoordelijkheid dragen voor het bevorderen, borgen en beoordelen van een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; de grondslag daarvoor ligt in artikel 18.20 lid 1 en 3 en artikel 18.23 lid 1, sub a Omgevingswet waarin de kwaliteit van de uitvoeringstaken en handhavingstaken zijn vastgelegd; de basis hiervoor is uitgewerkt in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de landelijk ter beschikking gestelde kwaliteitscriteria voor het omgevingsrecht en dit als uitgangspunt geldt voor de kwaliteitsbevordering van het omgevingsrecht; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 18.20 lid 1 en 3 en artikel 18.23 lid 1 sub a Omgevingswet en artikel 149 van de Gemeentewet. Besluit: Vast te stellen de Verordening kwaliteit Uitvoering en Handhaving omgevingsrecht gemeente Lansingerland Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt onder betrokken wetten verstaan de Omgevingswet en de Wet Milieubeheer, voor zover paragraaf 18.3.3 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing verklaard. Onder kwaliteitscriteria wordt verstaan; de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast. Artikel2.Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland. Artikel3.Betrokkenheid van de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het door het college van burgemeester en wethouders gevoerde beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten. Artikel4.Kwaliteitsdoelen 1.Het college van burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen gestelde doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie. 2.De doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de betrokken wetten hebben in ieder geval betrekking op: de dienstverlening; de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; de financiën. Artikel5.Kwaliteitsborging 1.Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het college van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in de landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar zijn gesteld inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van de organisatie die met de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast. 2.Over de naleving van de kwaliteitscriteria doet het college van burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. 3.Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doet het college van burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerde opgave. Artikel6.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op hetzelfde moment als de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 2.Na inwerkingtreding vervalt de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Lansingerland. 3.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit Uitvoering en Handhaving omgevingsrecht gemeente Lansingerland. Aldus besloten door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergadering van 25 mei 2023,de griffier, drs. Eveline Hamelink-van Rens de voorzitterdrs. Pieter van de StadtToelichting Verordening kwaliteit Uitvoering en Handhaving omgevingsrecht gemeente Lansingerland Deze verordening regelt de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht door en in opdracht van het college van burgemeester en wethouders. De verordening wordt vastgesteld door de gemeenteraad, waarmee de kaderstellende en toezicht-houdende rol van de gemeenteraad tot uitdrukking komt. Deze verordening volgt de Model Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht), die door VNG en IPO voor gemeenten en provincies is opgesteld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) is de grondslag voor deze verordening veranderd. De Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) heeft de artikelen 18.20 en 18.23 van de Ow als grondslag en is om die reden opnieuw vastgesteld. Landelijk zijn kwaliteitscriteria voor uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht vastgesteld waarmee een maatlat en meetlat voor overheidsorganisaties is bepaald om de taken aan te toetsen. De kwaliteitscriteria bieden een handvat om enigszins in te schatten in hoeverre het beleid en de kwaliteit en kwantiteit van medewerkers op een dusdanig niveau zijn dat een goede taakuitvoering wordt geborgd. In verband met de komst van de Omgevingswet en de bijbehorende AMvB’s is op landelijk niveau een nieuwe geactualiseerde versie van de kwaliteitscriteria vastgesteld en aan de overheids-organisaties aangeboden. De uitgangspunten van de kwaliteitscriteria zijn ook opgenomen in afdeling 13.2 van het Omgevingsbesluit en hebben daarmee ook een wettelijke basis gekregen. Reikwijdte: een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat alle uitvoerings- en handhavings-taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Omgevingswet, onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om thuistaken die het college van burgemeester en wethouders “in eigen huis” verrichten de basistaken die krachtens artikel 18.22 van de Ow in opdracht van het college van burgemeester en wethouders door omgevingsdiensten worden verricht (en de plustaken, die het college van burgemeester en wethouders naast de basistaken hebben belegd bij de omgevingsdienst. Deze verordening stelt regels die voor alle gemeenten en provincies gelijk zijn. In alle gevallen zullen het college van burgemeester en wethouders het beleid voeren over de kwaliteit (zie ook artikel 3 van de Verordening). Dit beleid komt tot uitdrukking in de uitvoerings- en handhavingsstrategie zoals dit is beschreven in het uitvoerings- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit. Deze verordening regelt waarover de doelen van dit beleid ten minste moeten gaan. Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de gemeentelijke organisatie en de omgevingsdienst(en), voor de uitvoerings- en handhavingstaken die daar zijn belegd. Tot slot regelt de verordening dat gemeenteraad in het kader van het horizontale toezicht, inhoudelijk debat voert over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat het college van burgemeester en wethouders voeren. Samenhang met andere domeinen Onderwerpen die tot het bereik van de verordening behoren, kunnen onderdeel blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving alleen. De verordening belemmert niet dat onderwerpen met betrekking tot fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen komen in beoordelingen of rapportages op andere domeinen. Zoals bij de openbare orde en veiligheid binnen gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussen bijvoorbeeld de Omgevingswet en de Alcoholwet, de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur en andere bijzondere wetten. Taken uitgevoerd door de omgevingsdienst(en) De uniforme regeling van de verordening betekent ook dat voor bijvoorbeeld de taken op grond van artikel 18.22, tweede lid, van de Omgevingswet geen specifieke, aanvullende eisen worden gesteld. Ook hier is het relevante kader breder dan de Omgevingswet en vindt taakuitoefening plaats in samenwerking met andere bevoegde gezagen. De basis van de kwaliteitscriteria blijven ook hier de afspraken die in het kader van het Programma Uitvoering met Ambitie (PUMA) zijn gemaakt. De criteria voor de omgevingsdiensten met taken, bedoeld in artikel 18.22, tweede lid, van de Ow, zijn in Nederland hetzelfde. In afstemming met de andere bevoegde gezagen kunnen aanvullende afspraken gemaakt worden. Hoofdlijnen van de verordening De verordening vormt het kader voor de kwaliteit van de uitvoerings- en handhavingstaken op het terrein van de Omgevingswet door de gemeente en in opdracht daarvan handelende (omgevings)-diensten. De verordening drukt commitment uit van de gemeenteraad aan kwaliteit. De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambities voor kwaliteit aan bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door procedurele of inhoudelijke normering van uitvoering en handhaving bijdragen aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de Provinciewet, de Omgevingswet, de Wet milieubeheer (hierna: Wm), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr). Bij ontwikkeling en bekendmaking van de kwaliteitscriteria worden deze kaders ook betrokken. Van deze kaders is de Ow en daarop gebaseerde regelgeving wellicht de belangrijkste. Zo bevat artikel 13.5 e.v. van het Omgevingsbesluit procedurele regels voor het uitvoerings- en handhavings-beleid en de vergunningverlening door het bevoegd gezag. Dit houdt in dat het college van burgemeester en wethouders doelen moet stellen, het identificeren van activiteiten ter uitvoering daarvan, de inrichting van de uitvoeringsorganisatie, het monitoren en het rapporteren daarover. In de praktijk zijn bovendien verschillende kaders gebruikelijk voor het beoordelen van de kwaliteit door de omgevingsdienst (respectievelijk de eigen diensten), door het college van burgemeester en wethouders en tot slot door de gemeenteraad. Vertrekpunt zijn de actuele kwaliteitscriteria (waarvan de toepassing is verankerd in artikel 5 van de Verordening, zie de toelichting aldaar) en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden verder ontwikkeld met als doel de kwaliteit van uitvoerings- en handhavingstaken te waarborgen en te bevorderen. Of deze kaders gerealiseerd zijn en hoe deze bijdragen aan de kwaliteit van de uitvoering- en handhavingstaken, moet jaarlijks worden beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van de interne gemeentelijke organisatie. Het college van burgemeester en wethouders zullen dus beoordelen "of het goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen voor in ieder geval de dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten of de financiën (artikel 4, tweede lid, onder a tot en met c). Daarnaast zijn ook andere doelen mogelijk. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de veiligheid of de duurzaamheid (in de zin van natuur en een goede omgevingskwaliteit) met inbegrip van daarvoor geselecteerde indicatoren. Uiteindelijk zal het college van burgemeester en wethouders hierover verantwoording afleggen aan de gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad vormen immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofd-lijnen van het beleid, niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de diensten behoren. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. De gemeenteraad oefent invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren door het college van burgemeester en wethouders en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie de gemeenteraad wil terugzien in de verantwoordings-rapportages van het college van burgemeester en wethouders. In die zin worden de kaders voor de beoordeling van gemeenteraad overgelaten aan het politieke debat. Zo ordent de verordening de kwaliteit van uitvoering en handhaving, door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders competentie: De organisaties werken overeenkomstig de actuele kwaliteitscriteria met betrekking tot deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het college van burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording afleggen aan de raden en provinciale staten; Het college van burgemeester en wethouders is, als bevoegd bestuursorgaan, belast met het stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de uitvoerings- en handhavingstaken overeenkomstig de procesregels van het Omgevingsbesluit; De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op het college van burgemeester en wethouders en gebruikt waar nodig, de - krachtens de Gemeentewet en de Wgr - aan haar toekomende mogelijkheden. Impact van deze verordening: meer dan regels alleen Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen en borgen van de kwaliteit van uitvoering en handhaving. Blijvende goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan regels alleen. De kwaliteitscriteria zijn in dat kader in 2021 geactualiseerd naar een versie 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.