Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024De directeur Maatschappelijke Ondersteuning van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 13, 15, 35 en 44 van de Participatiewet; overwegende, dat het college het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet kan worden verstrekt en geweigerd en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit: Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: ALO-kop: verhoging van het kindgebonden budget, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget; draagkracht: gedeelte of restant van het inkomen en vermogen dat wordt gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen; draagkrachtloos inkomen: inkomen zonder draagkrachtruimte; draagkrachtpercentage: percentage van de draagkrachtruimte dat als draagkracht wordt aangemerkt; draagkrachtregime: geheel van regels over het vaststellen van draagkrachtruimte en draagkrachtpercentages met betrekking tot de draagkracht uit inkomen; draagkrachtruimte: deel van het inkomen en vermogen waarover de draagkracht wordt berekend, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar draagkrachtruimte in het inkomen en draagkrachtruimte in het vermogen; eigen verklaring: door het college beschikbaar gesteld formulier waarop belanghebbende op voorgeschreven wijze invult hoe de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en stofferingskosten is besteed; inkomen: inkomen of bijzonder inkomen, bedoeld in artikel 31, eerste lid en tweede lid, onderdeel c, van de wet voor de persoon jonger dan 27 jaar en de artikelen 32 en 33 van de wet; jongmeerderjarige: persoon in de leeftijd van 18 tot 21 jaar; middelen: alle vermogens- en inkomensbestandsdelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet; Rotterdampakket: zorgverzekering VGZ Rotterdampakket, niet zijnde het Rotterdampakket Compact; toeslagpartner: persoon als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet; wet: Participatiewet; woning: zelfstandige woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties, waaronder in ieder geval de woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en het toilet worden begrepen, met anderen worden gedeeld, alsmede een woonwagen op een erkende standplaats of een woonschip; woonkosten: kosten verbonden aan een al dan niet eigen woning. Artikel1.2Reikwijdte Het bepaalde in deze beleidsregels heeft betrekking op artikelen 13, 15, 35 en 44 van de wet. Artikel1.3Advisering 1.Het college kan om deskundigenadvies vragen, indien dat voor het vaststellen van de noodzaak of de hoogte van de bijzondere bijstand aangewezen is. 2.De aanvrager verleent desgevraagd zijn medewerking aan het onderzoek dat nodig is voor het advies. 3.Het college vraagt in ieder geval deskundigenadvies aan het team Sociaal Medische Advisering bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor: dieetkosten; extra warmtekosten; waskosten en kledingslijtage; kosten voor alternatieve relatiebemiddeling. 4.In afwijking van het derde lid, kan het vragen van een deskundigenadvies achterwege blijven indien: het jaarlijks terugkerende kosten betreft en het aannemelijk is dat de situatie sinds het laatste deskundigenadvies niet is gewijzigd; of herbeoordeling door het team Sociaal Medische Advisering in een voorgaand advies niet is geadviseerd; de medische noodzaak op een andere wijze is vastgesteld en de kosten lager zijn dan € 240, tenzij het naar verwachting gaat om een meerjarige verstrekking, of; de aanvraag op andere gronden, dan de grond waarvoor deskundigenadvies gevraagd zou worden, wordt afgewezen. Hoofdstuk2.Algemene uitgangspunten Artikel2.1Voorliggende voorziening Het college merkt een lening bij de Kredietbank Rotterdam niet aan als een voorliggende voorziening. Artikel2.2Uitzondering op reserveringsplicht De reserveringsplicht geldt in ieder geval niet voor de volgende kosten: dieetkosten; waskosten; kledingslijtage; bewindvoerderskosten. Artikel2.3Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt, onverminderd de toepassing van artikel 48 van de wet, om niet verstrekt, tenzij anders bepaald. Hoofdstuk3.De aanvraag Artikel3.1Indienen aanvraag 1.De aanvraag om bijzondere bijstand kan uitsluitend worden ingediend met het hiertoe door het college beschikbaar gestelde formulier. 2.Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend voor de datum dat de kosten opkomen. 3.Het college kan van het tweede lid afwijken, indien: de kosten zijn opgekomen uiterlijk vóór de datum van aanvraag met dien verstande dat: de nota’s niet ouder mogen zijn dan 3 maanden, en de kosten niet langer dan 6 maanden voor de datum van de aanvraag zijn opgekomen; het college nog kan vaststellen dat de kosten zich voordoen; en de kosten nog niet zijn voldaan. Hoofdstuk4.Kosten in verband met wonen §1Woonkostentoeslag en verhuisplicht Artikel4.1Woonkostentoeslag huurders 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een woonkostentoeslag als de Wet op de huurtoeslag niet als passende en toereikende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. 2.Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan huurders aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. 3.In afwijking van het eerste lid, kan het college bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende die een woning huurt met woonkosten boven de van toepassing zijnde maximaal subsidiabele huurgrens als de woonkosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. 4.De bijzondere bijstand wordt verleend voor een periode van ten hoogste 12 maanden. 5.Indien de belanghebbende zich in voldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven zonder dat dit heeft geleid tot het verkrijgen van een passende woning of woonruimte, kan de woonkostentoeslag worden verlengd in het geval de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en een maximumtermijn van 24 maanden nog niet is bereikt. 6.Indien de belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die verband houden de belanghebbende of diens gezin. 7.In het geval het college bijzondere omstandigheden als bedoeld in het zesde lid vaststelt, kan de bijzondere bijstand met ten hoogste 12 maanden worden verlengd. De bijzondere bijstand wordt dan in de vorm van een lening verstrekt, omdat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de wet. 8.Indien belanghebbende 6 maanden voor de peildatum, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag een woning huurt waarvoor geen passendheidsverklaring wordt afgegeven en dat in het kader van de voorzienbaarheid verwijtbaar is, handelt het college de aanvraag af overeenkomstig het zesde en zevende lid. 9.Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand van de belanghebbende jonger dan 23 jaar af, indien de woonkosten hoger zijn dan de toepasselijke maximaal subsidiabele huurgrens, tenzij: de woning is toegewezen op basis van een eerder hoger inkomen; of belanghebbende samenwoonde met een persoon met een hoger inkomen en die samenwoning in ieder geval op het moment van de aanvraag is beëindigd. 10.In afwijking van het vierde lid, eindigt het recht op bijzondere bijstand voor de belanghebbende, bedoeld in het negende lid, die de leeftijd van 23 jaar bereikt, met ingang van de datum waarop aanspraak ontstaat op huurtoeslag. 11.De bijzondere bijstand genoemd in het zevende en achtste lid wordt als lening verstrekt. Artikel4.2Woonkostentoeslag woningeigenaren 1.Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan woningeigenaren aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. 2.Het college kan bijzondere bijstand verlenen, indien de woonkosten lager zijn dan de toepasselijke maximaal subsidiabele huurgrens en sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. 3.Het college kan bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende met woonkosten boven de maximaal subsidiabele huurgrens voor een periode van ten hoogste 12 maanden. 4.Indien de belanghebbende zich in voldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven zonder dat dit heeft geleid tot het verkopen van de eigen woning of het verkrijgen van een passende woning of woonruimte, kan de woonkostentoeslag met ten hoogste 12 maanden worden verlengd in het geval de kosten nog steeds voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de maximumtermijn van 24 maanden nog niet is bereikt. 5.Indien de belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van belanghebbende of diens gezin. 6.In het geval het college bijzondere omstandigheden vaststelt, kan de bijzondere bijstand met ten hoogste 12 maanden worden verlengd. De bijzondere bijstand wordt dan in de vorm van een lening verstrekt omdat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de wet. Artikel4.3Vaststellen hoogte woonkostentoeslag woningeigenaren 1.Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand aan woningeigenaren wordt bij het bepalen van de woonkosten, met uitzondering van de toepasselijke basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, in aanmerking genomen: de hypotheekrente, niet zijnde de aflossing van de hypotheek of de premie van een spaar- of beleggingshypotheek; de hypotheekrente als voorfinanciering van de subsidie volgens de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; de onroerendezaakbelasting voor zover het de aanslag betreft van het eigendom; de erfpachtcanon; de waterschapslasten over het eigendom voor zover geen kwijtschelding is verleend; de afvalstoffenheffing voor zover geen kwijtschelding is verleend; de opstalverzekering; de rioolheffing; andere zakelijke lasten die op de onroerende zaak drukken waaronder de noodzakelijke administratiekosten voor een vereniging van huiseigenaren, waarbij het maximumbedrag dat hier geldt wordt genoemd in onderdeel 45765 onder ‘Groot onderhoud’ en dan 'Algemeen beheer en administratie’ in het handboek van Stimulansz; een forfaitair bedrag voor normale periodieke onderhoudskosten die bij een huurwoning voor rekening van de verhuurder komen, ter hoogte van 1% van de woningwaarde. Hierbij geldt het maximumbedrag zoals genoemd in onderdeel 45765 onder ‘Groot onderhoud’ en dan ‘Voor 1945 gebouwd’ of ‘Na 1945 gebouwd’ in het handboek van Stimulansz. 2.Indien belanghebbende de woning gedeeltelijk bewoont en de woonkosten niet zijn gesplitst, dan stemt het college de hoogte van de bijzondere bijstand naar rato af op die kosten. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de voorlopige teruggaaf of nog te verkrijgen teruggaaf van de Belastingdienst-Toeslagen. Artikel4.4Verhuisplicht 1.Het college kan aan de bijzondere bijstand die wordt verstrekt in de vorm van een woonkostentoeslag nadere verplichtingen verbinden in de vorm van een verhuisplicht. Deze verplichting is gericht op het zoeken en accepteren van een passende woning of woonruimte. Van de woningeigenaar kan in dat kader ook verwacht worden dat de eigen woning te koop wordt aangeboden. 2.Het college legt de verhuisplicht op, indien de woonkosten hoger zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, tenzij: belanghebbende of een persoon uit diens huishouden gehandicapt is en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de handicap; bij belanghebbende sprake is van door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale of medische problematiek waardoor verhuizen niet kan worden gevergd; belanghebbende op het moment van de aanvraag jonger is dan 21 jaar; aan belanghebbende algemene bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening in verband met een krediethypotheek, tot het moment dat het kredietplafond is bereikt; belanghebbende als zelfstandige wordt aangemerkt die gedurende een korte periode algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
- 3.Indien en zolang het college de verhuisplicht niet oplegt, is de bijzondere bijstand niet aan de maximale termijn, bedoeld in artikel 4.1, vierde en vijfde lid, en 4.2, derde en vierde lid, van deze beleidsregels gebonden. Artikel4.5Verhuisplicht: voorwaarden huurders 1.Van de belanghebbende die een woning huurt en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van deze beleidsregels, wordt in ieder geval verwacht dat belanghebbende: binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand een urgentieverklaring aanvraagt bij Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond; zich binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand inschrijft als woningzoekende bij Woonnet Rijnmond en deze inschrijving handhaaft gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; en in de periode van bijstandsverlening aantoonbare activiteiten verricht om een passende woning of woonruimte te zoeken en te accepteren. 2.Onder aantoonbare activiteiten wordt in ieder geval verstaan minimaal twee reacties per maand op passende woningen bij Woonnet Rijnmond of op de particuliere markt. 3.Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan: met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens; die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van belanghebbende; en die niet geconcentreerd zijn in één bepaalde wijk maar zich bevinden in de verschillende wijken en plaatsen binnen en buiten de gemeente Rotterdam. 4.Het college maakt het geheel van concrete voorwaarden dat aan het recht op bijzondere bijstand wordt verbonden bekend door middel van de beschikking. Artikel4.6Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren 1.Van de belanghebbende die eigenaar is van een woning en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd, wordt in ieder geval verwacht dat hij: de woning zelf bewoont; binnen 1 maand na toekenning van de bijzondere bijstand de eigen woning te koop aanbiedt via een erkende makelaar die zorgdraagt dat op de geëigende wijze wordt geadverteerd en deze aanbieding handhaaft gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; de vraagprijs van de woning zodanig vaststelt dat die in redelijke verhouding staat tot de waarde van de woning; in de periode van bijstandsverlening alles nalaat wat de verkoop van de woning zou kunnen belemmeren. 2.Onder een redelijke vraagprijs wordt verstaan de WOZ-waarde van de woning met een procentuele opslag van 20%, uitgaande van de waarde, genoemd in de meest recente WOZ-beschikking. Daarvan kan op verzoek van de aanvrager worden afgeweken als blijkt dat die waarde niet in overeenstemming is met de marktwaarde van de woning. 3.Nadat de koopovereenkomst is gesloten, wordt van belanghebbende in ieder geval verwacht dat hij: binnen 1 maand na ondertekening van de koopovereenkomst een urgentieverklaring aanvraagt bij Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond; zich binnen 1 maand na ondertekening van de koopovereenkomst inschrijft als woningzoekende bij Woonnet Rijnmond; en in de resterende periode waarin woonkostentoeslag wordt ontvangen aantoonbare activiteiten verricht die gericht zijn op het vinden en accepteren van een passende woning of woonruimte. 4.Onder aantoonbare activiteiten worden in ieder geval verstaan ten minste twee reacties per maand op passende woningen bij Woonnet Rijnmond of op de particuliere markt. 5.Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan: met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens; die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van belanghebbende; en die niet geconcentreerd zijn in één bepaalde wijk maar zich bevinden in de verschillende wijken en plaatsen binnen en buiten de gemeente Rotterdam. 6.Het college maakt het geheel van concrete voorwaarden dat aan het recht op bijzondere bijstand wordt verbonden bekend door middel van de beschikking. §2Verhuiskosten en inrichtingskosten Artikel4.7Verhuiskosten 1.Als verhuiskosten worden aangemerkt: eerste maand huur; administratiekosten; waarborgsom; transportkosten. 2.De hoogte van verhuiskosten wordt vastgesteld op basis van de feitelijke kosten. 3.De bijzondere bijstand voor de kosten van de waarborgsom wordt in de vorm van een lening verstrekt. Artikel4.8Inrichtingskosten en stofferingskosten 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van inrichting of stoffering als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de globaliseringstabel, bedoeld in bijlage 1 bij deze beleidsregels. 3.Het college stimuleert de aanschaf van tweedehands gebruiksgoederen, met uitzondering van witgoed, en adviseert belanghebbende op welke wijze het gebruiksgoed aangeschaft kan worden. Het college verplicht belanghebbende om witgoed nieuw aan te schaffen en bij vervanging te kiezen voor een apparaat dat energiezuiger is dan zijn huidige apparaat. 4.Aanvullend op het derde lid stelt het college verplicht dat bij de aanvraag voor bijzondere bijstand voor witgoedartikelen belanghebbende een offerte of proforma factuur overlegt van de witgoedartikelen die worden aangevraagd. Artikel4.9Babypakket 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een babypakket. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2.Onder een babypakket wordt verstaan de kosten van aanschaf van: luiers; rompertjes; een badje; een kruik; een matrasje; een slaapzakje; lakentjes; een babydraagzak; een zeiltje; hydrofiele doekjes een thermometer; een fles; en een speen. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de richtprijs, genoemd in bijlage 1 van deze beleidsregels. 4.De aanvraag wordt niet eerder ingenomen dan na de derde maand van de zwangerschap en niet later dan 6 maanden na de geboorte van het kind. Artikel4.10Babyuitzet 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de babyuitzet. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder, gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2.Onder een babyuitzet wordt verstaan de kosten van aanschaf van: een box; een kinderstoel; een combi kinder- en wandelwagen; een babyledikant; en een commode. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de richtprijs, genoemd in bijlage 1 van deze beleidsregels. 4.De aanvraag wordt niet eerder ingenomen dan na de derde maand van de zwangerschap en niet later dan 6 maanden na de geboorte van het kind. §3Overige kosten in verband met wonen Artikel4.11Personenalarmering 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van noodzakelijke personenalarmering. 2.Uitsluitend de kosten van het abonnement en de eenmalige aansluitkosten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Artikel4.12Aware-systeem 1.Het college kan uitsluitend bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van het Aware-systeem, indien de daarvoor bestemde indicatie-commissie een indicatie stelt waaruit de noodzaak blijkt. 2.De bijzondere bijstand wordt voor ten hoogste 1 jaar toegekend en kan met 1 jaar worden verlengd, indien de indicatie-commissie dat noodzakelijk acht. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit: de maandelijkse huurkosten gedurende de in het tweede lid genoemde termijn; de eenmalige installatiekosten ter hoogte van € 50,- en een eenmalige borgsom ter hoogte van € 50,-. 4.De bijzondere bijstand voor de eenmalige waarborgsom wordt in de vorm van een lening verstrekt. Artikel4.13Doorbetaling huur verblijf in detentie 1.Het college kan aan een belanghebbende die als alleenstaande wordt aangemerkt en huurder is van een woning of een kamer bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de huur indien: belanghebbende in Nederland in detentie verblijft; de periode van detentie ten minste 1 en ten hoogste 12 maanden bedraagt; in de 5 jaren voorafgaand aan de aanvraag niet eerder bijzondere bijstand in verband met de doorbetaling van de huur bij verblijf in detentie is verstrekt; voor de doorbetaling van de huur een positief advies is uitgebracht over het aanhouden van de woning door het team Detentie en Re-integratie; en de huur niet boven de van toepassing zijnde huurtoeslaggrens uitkomt. 2.De bijzondere bijstand wordt verstrekt gedurende ten hoogste 6 maanden en kan eenmaal worden verlengd met ten hoogste 6 maanden. 3.Indien na de datum van het besluit tot verlening van bijzondere bijstand op grond van dit artikel bekend wordt dat de totale periode van detentie meer dan 12 maanden bedraagt, beëindigt het college de bijzondere bijstand met ingang van de eerste dag van de volgende maand na het bekend worden van de detentieduur. 4.In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, geldt voor de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van dit artikel dat deze niet eerder wordt ingediend dan de datum waarop belanghebbende daadwerkelijk in detentie verblijft en niet later dan 2 maanden na de datum waarop het verblijf in detentie is aangevangen. 5.De bijzondere bijstand wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt. 6.Indien de doorbetaling huur enkel kan geschieden via een bewindvoerder, dan kan het college ten behoeve van de doorbetaling van de huur bijzondere bijstand verstrekken voor de bewindvoerderskosten, bedoeld in artikel 8.
- Artikel4.14Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling 1.Het college kan aan een belanghebbende die als alleenstaande wordt aangemerkt en tijdelijk verblijft in een instelling vanwege medische of sociale omstandigheden bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten, indien het aanhouden van de woning noodzakelijk is. 2.Onder de vaste lasten worden verstaan: de huur; en de kosten van het vastrecht voor gas, water en elektra. 3.De periode waarvoor het college bijzondere bijstand kan verlenen bedraagt ten hoogste 12 maanden. 4.De noodzaak van het aanhouden van de woning, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt indien belanghebbende de hoge bijdrage is verschuldigd, vanaf 3 maanden vanaf het moment dat belanghebbende de eigen bijdrage voor het eerst verschuldigd was, op grond van de Wet langdurige zorg. §4Bijstand aan jongmeerderjarigen Artikel4.15Jongmeerderjarigen 1.Het college kan aan een jongmeerderjarige bijzondere bijstand verlenen, indien de noodzakelijke algemene kosten van het bestaan meer bedragen dan de voor hem geldende norm, omdat: de jongmeerderjarige zelfstandig woont; en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op zijn ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of de jongmeerderjarige redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken. 2.De jongmeerderjarige kan zijn onderhoudsrecht in ieder geval niet te gelde maken indien: de jongmeerderjarige ouderloos is; de ouders onbereikbaar zijn; de jongmeerderjarige buiten het gezinsverband van de ouders is geplaatst in het kader van verlengde jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of het jeugdstrafrecht; de jongmeerderjarige niet verantwoord nog langer bij de ouders kan wonen; of de jongmeerderjarige de zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt tezamen met de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 20 van de wet niet meer dan de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 21 van de wet. 4.Het recht op bijzondere bijstand wordt in ieder geval beëindigd met ingang van de datum waarop de 21-jarige leeftijd wordt bereikt. 5.Indien het college bijzondere bijstand verstrekt aan de jongmeerderjarige wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot verhaal, bedoeld in artikel 62 van de wet. Hoofdstuk5.Kosten van medische aard Artikel5.1Extra kosten wassen en kledingslijtage 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor extra waskosten en extra kosten van slijtage van kleding of schoeisel, indien sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke meerkosten. 2.Onder noodzakelijke meerkosten wordt verstaan: kosten die zich voordoen wanneer vanwege een medische oorzaak meer slijtage van de kleding, schoeisel of beddengoed plaatsvindt dan gebruikelijk is, dan wel extra bewassing noodzakelijk is ten opzichte van wat gebruikelijk is. 3.Indien uit het deskundigenadvies blijkt dat een medische noodzaak voor extra was- en slijtagekosten aanwezig is, wordt het bestaan van meerkosten vermoed. 4.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast aan de hand van de door het team Sociaal Medische Advisering gehanteerde bepaalde categorieën met de volgende bijbehorende kosten: categorie 1: € 133,-; categorie 2: € 230,-; categorie 3: € 306,-; categorie 4: € 408,-; categorie 5: € 510,-; categorie 6 :€ 561,-. 5.Voor kinderen tussen de 4 en 15 jaar bedraagt de bijzondere bijstand 75% van de genoemde bedragen. Artikel5.2Extra warmtekosten 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verstrekken voor extra warmtekosten, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke meerkosten. 2.Hieronder worden de kosten verstaan die zich voordoen wanneer uit een deskundigenadvies blijkt dat er op medische gronden een hogere woningtemperatuur noodzakelijk is dan wat gebruikelijk is. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand betreft een forfaitair bedrag van € 40,- per maand. 4.De bijzondere bijstand wordt maandelijks verstrekt voor de duur van 12 maanden. Indien de medische situatie ongewijzigd is na 12 maanden, kan het college de bijzondere bijstand verlengen met wederom 12 maanden voor de noodzakelijke meerkosten. 5.De bijzondere bijstand wordt niet met terugwerkende kracht verstrekt. Artikel 3.1 derde lid is niet van toepassing op dit artikel. Artikel5.3Dieetkosten 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor dieetkosten, indien belanghebbende om medische redenen is aangewezen op een bepaald dieet en de kosten van dat dieet meerkosten met zich meebrengen. 2.Het college stelt het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van een deskundigenadvies. Artikel5.4Kosten na aanschaf gehoorapparaat 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten die verbonden zijn aan een aangeschaft gehoorapparaat, indien het betreft: een nazorg- of onderhoudscontract; of reparatiekosten die: niet onder de reguliere garantie van het gehoorapparaat vallen; of niet worden vergoed door de fabriek, leverancier of zorgverzekeraar. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand per gehoorapparaat bedraagt voor een nazorg- of onderhoudscontract met een looptijd van ten hoogste vijf jaar en voor reparatiekosten ten hoogste € 85,-. Artikel5.5Maaltijdvoorziening 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de meerkosten van een maaltijdvoorziening, indien de noodzaak wordt vastgesteld op basis van een deskundigenadvies. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de meest recente Nibud-prijzengids ten tijde van de aanvraag. Artikel5.6Alternatieve relatiebemiddeling 1.Onder alternatieve relatiebemiddeling wordt verstaan: diensten in de vorm van intiem lichamelijk contact. 2.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van alternatieve relatiebemiddeling, indien: belanghebbende woonachtig is in een instelling of begeleiding krijgt van een erkende instelling voor ambulante hulp- en dienstverlening voor mensen met een handicap; belanghebbende hiervoor een indicatie heeft van het team Sociaal Medische Advisering; en de diensten door een daarvoor gespecialiseerd bureau worden geleverd. 3.Het recht op bijzondere bijstand wordt vastgesteld op ten hoogste 1 dienst per maand voor een duur van 12 maanden en de hoogte van de bijzondere bijstand voor een dienst bedraagt ten hoogste € 150,-. 4.De bijzondere bijstand wordt verstrekt op basis van betaalbewijzen. Indien dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een verklaring van de instelling waar belanghebbende verblijft of de geïndiceerde behandeling van ontvangt. 5.Bij elke vervolgaanvraag om bijzondere bijstand stelt het college opnieuw vast of belanghebbende een indicatie heeft als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Artikel5.7Bijzondere bijstand bril of contactlenzen 1.Het college kan aan belanghebbende of het tot zijn laste komende kind die is verzekerd via het Rotterdampakket bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een bril of contactlenzen, indien: de reguliere termijn waarbinnen een vergoeding wordt verstrekt op grond van het Rotterdampakket nog niet is verstreken; binnen die termijn een medische noodzaak bestaat voor vervanging; en geen vergoeding van de kosten bestaat op grond van een andere regeling. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste de vergoeding die op grond van het Rotterdampakket kan worden verkregen en wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst mogelijke adequate oplossing. Artikel5.8Kosten eigen bijdragen uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage voor volledig uitneembare prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak, indien nog geen vergoeding kan worden verkregen op grond van het Rotterdampakket omdat belanghebbende nog niet: wordt toegelaten tot het Rotterdampakket, omdat de Regeling wanbetalers op hem van toepassing is; of wordt toegelaten tot het Rotterdampakket, anders dan op grond van een te hoog inkomen. 2.Bij de beoordeling van de aanvraag kan het college rekening houden met de mogelijkheid om de kosten uit te stellen tot het moment dat wel een vergoeding op grond van het Rotterdampakket kan worden verkregen, tenzij dat redelijkerwijs niet van de aanvrager kan worden gevergd. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste de vergoeding die op grond van het Rotterdampakket kan worden verkregen. Hoofdstuk6.Eigen bijdragen Artikel6.1.Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand, indien aan de belanghebbende een toevoeging is verleend. 2.De kosten voor de eigen bijdrage rechtsbijstand worden vastgesteld op basis van de verschuldigde eigen bijdrage verminderd met de verlaging, bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, die belanghebbende redelijkerwijs had kunnen ontvangen. 3.Indien uit de aanvraag en de meegezonden stukken redelijkerwijs blijkt dat de aanvrager door middel van een verzoek tot peiljaarverlegging een lagere eigen bijdrage verschuldigd is, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid om een verzoek tot peiljaarverlegging in te dienen, alvorens op de aanvraag wordt beslist. 4.In het geval de aanvrager dit verzoek niet indient of de termijn voor het verzoek inmiddels is verstreken, stelt het college de noodzakelijke kosten vast op het bedrag aan eigen bijdrage zoals dat verschuldigd zou zijn bij peiljaarverlegging. 5.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor griffierecht, mits belanghebbende gebruik maakt van de mogelijke kortingsregelingen voor griffierechten. 6.In afwijking van artikel 3.1, derde lid, onderdeel c, mogen de kosten van eigen bijdrage voor rechtsbijstand en griffierechten voldaan zijn op het moment van de aanvraag. Artikel6.2Eigen bijdrage kinderopvang 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage voor kinderopvang op basis van een door het team Sociaal Medische Advisering vastgestelde sociaal-medische indicatie dan wel op basis van een door het Centrum voor Jeugd en Gezin afgegeven indicatie voor extra spelen en leren. 2.Het college kan aan de ouders eenmalig bijzondere bijstand verlenen als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de algemene bijstand wordt beëindigd wegens: aanvaarding van werk met een arbeidscontract van ten minste 6 maanden; of het starten van een eigen onderneming of werkzaamheden als zelfstandige zonder personeel; niet eerder een tegemoetkoming is verstrekt. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt € 300,-. 4.In afwijking van artikel 3.1, derde lid, onderdeel c, mogen de kosten voor de eigen bijdrage voldaan zijn op het moment van aanvragen. Artikel6.3Eigen bijdrage zorgverzekeringswet 1.Het college kan aan een belanghebbende eenmaal per kalenderjaar bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet of de Regeling zorgverzekering. 2.De eigen bijdrage bedraagt per kalenderjaar ten minste € 50,- om voor verstrekking van bijzondere bijstand in aanmerking te komen. 3.Het college verstrekt ten hoogste € 200,- bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage. 4.In afwijking van artikel 3.1, tweede en derde lid, onderdeel a, kan de aanvraag op grond van dit artikel worden ingediend tot en met 31 maart van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de kosten zich hebben voorgedaan. 5.In afwijking van artikel 3.1, derde lid, onderdeel c, mogen de kosten voor de eigen bijdrage voldaan zijn op het moment van de aanvraag. Hoofdstuk7.Reiskosten Artikel7.1Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor het maken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten om een gezinslid of naast familielid te bezoeken. 2.Onder gezinslid of naast familielid wordt verstaan: de partner of de eerste of tweede graad bloedverwant van de belanghebbende. 3.Onder uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten worden kosten verstaan in verband met: het bezoek aan een gezinslid of naast familielid dat langdurig verblijft in een ziekenhuis, met dien verstande dat het afleggen van de bezoeken langer dan 4 weken voortduurt en waarbij geldt dat alleen reiskosten die na 4 weken worden gemaakt voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen; het bezoek aan een gezinslid of naast familielid, dat verblijft in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, als bedoeld in de wet of de Wet langdurige zorg of thuis wordt verzorgd dan wel verpleegd; het bezoek van de ouders aan de instelling, niet zijnde een ziekenhuis, waar hun kind of pleegkind verblijft; het bezoek aan een gedetineerd gezinslid of naast familielid; calamiteiten bij een gezinslid of naast familielid. 4.Reiskosten die niet meer dan twee openbaar vervoerzones bedragen, zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet, tenzij het de enkele reis betreft van de belanghebbende, bedoeld in het derde lid, onderdeel c. 5.Reiskosten die meer dan twee openbaar vervoerzones bedragen, zijn uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet, daaronder begrepen de eerste twee zones. De reiskosten van minderjarige kinderen van de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid kunnen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. 6.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in beginsel gebaseerd op een bezoekfrequentie van ten hoogste twee keer per week. Daarvan kan het college afwijken rekening houdend met de aard van de (familie)relatie die de belanghebbende heeft met de persoon aan wie de bezoeken worden afgelegd. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het toepasselijke openbaar vervoertarief voor de tweede klasse, niet zijnde een toeslagtrein, rekening houdend met het gebruik van een eventuele kortingskaart. 7.Indien het college van belanghebbende niet kan vergen dat gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op € 0,23 per kilometer voor het gebruik van een (eigen) auto. Artikel7.2Reiskosten (partieel) leerplichtige kinderen 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten van leerplichtige kinderen, indien: geen sprake is van bijzonder leerlingenvervoer; en geen vergelijkbaar onderwijsinstituut dichter bij huis is waar het leerplichtige kind onderwijs kan volgen. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het toepasselijke openbaar vervoertarief voor de tweede klasse, niet zijnde een toeslagtrein, rekening houdend met het gebruik van een eventuele kortingskaart. Hoofdstuk8.Overige kostensoorten Artikel8.1Legeskosten verblijfsvergunning 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke legeskosten voor het verkrijgen dan wel verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor de gezinsleden in het kader van gezinshereniging. 2.Het college verleent geen bijzondere bijstand aan belanghebbende voor de kosten van leges in verband met de verblijfsvergunning regulier die belanghebbende moet verkrijgen dan wel moet verlengen of wijzigen. 3.Het college kan in de situaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van: inschrijving in de Basisregistratie Personen; vertaling van relevante officiële documenten door een beëdigd vertaler. 4.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de werkelijke kosten en wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt. Artikel8.2Kleding en schoeisel 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke aanschafkosten van kleding en schoeisel 2.Noodzakelijke kosten worden aanwezig geacht indien belanghebbende: meer dan 12 maanden in detentie heeft verbleven; vanwege een medische oorzaak een grote verandering heeft ondergaan in het lichaamsgewicht; vanwege medische redenen is aangewezen op extra kleding dan wel speciale kleding; de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren en hiervan een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 1:28a van het Burgerlijk Wetboek overlegt. 3.Onder de kosten van kleding kunnen ook speciale bh’s, tops of een badpak worden verstaan voor belanghebbenden met een borstprothese. 4.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de richtprijzen, genoemd in bijlage 1 van deze beleidsregels. Artikel8.3Meerkosten dierenarts hulphonden 1.Het college kan aan een belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke meerkosten voor de dierenarts, indien sprake is van een medische of psychosociale indicatie voor het hebben en houden van een hulphond. 2.Onder meerkosten worden niet de reguliere kosten van de dierenarts verstaan. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijke noodzakelijke meerkosten. Indien een gehele of gedeeltelijke vergoeding voor deze kosten bestaat op grond van een andere regeling, wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt. Artikel8.4Uitvaartkosten 1.Het college kan aan een belanghebbende die als erfgenaam wordt of kan worden aangemerkt bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke uitvaartkosten voor zover de nalatenschap hiervoor geen of onvoldoende middelen bevat of nog niet bekend is of dat het geval zal zijn. 2.De bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste € 4.300, -. In aanvulling op dit bedrag kan het college bijzondere bijstand verstrekken voor de mortuariumkosten tot ten hoogste € 750,-. Artikel8.5Kosten bewindvoering 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten voor bewindvoering. 2.Onder kosten voor bewindvoering worden verstaan: kosten die worden gemaakt op basis van een beschikking van de kantonrechter en verband houden met: curatele; beschermingsbewind; mentorschap. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. 4.De kosten voor beheer van het persoonsgebonden budget door bewindvoerders zijn geen noodzakelijke kosten, tenzij de aanvrager aantoont dat in diens specifieke geval de keuze voor Zorg in Natura niet mogelijk is. 5.In afwijking van artikel 3.1, derde lid, onderdeel c, mogen de kosten voor bewindvoering voldaan zijn op het moment van aanvragen. Artikel8.6Schulden 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als gevolg van: belastingschulden; energieschulden; huurschulden; of overige schulden. 2.Het college beoordeelt eerst of het treffen van een schuldregeling mogelijk is. 3.Indien het problematische schulden betreft en het treffen van de schuldregeling, niet mogelijk is, wijst het college de aanvrager op de mogelijkheden van een schuldsanering. 4.In het geval een schuldregeling niet mogelijk is en dit belanghebbende niet te verwijten valt, kan op grond van zeer dringende redenen bijzondere bijstand voor schuldsanering worden verstrekt als: de hulpverlener een positief advies geeft tot sanering van de schulden; een verlenging van de reguliere aflossingstermijn op grond van de persoonlijke situatie of gezinssituatie geen oplossing biedt; en afwijzing van de sanering niet verantwoord is gelet op de persoonlijke situatie of gezinssituatie. 5.In het geval van een aanvraag om bijzondere bijstand voor een belastingaanslag dient de aanvrager, indien mogelijk, een kwijtscheldingsverzoek in. 6.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor een belastingschuld als, in geval van partneralimentatie, hierover nog geen of onvoldoende inkomstenbelasting is betaald. 7.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de verschuldigde heffingsrente als er sprake is van: een te lage of geen afdracht van loonheffing; een te hoge voorlopige teruggaaf voor: de minst of niet verdienende partner; de alleenstaande ouder; de alleenstaande. 8.De bijzondere bijstand wordt rechtstreeks betaald aan de schuldeiser. 9.Het college verbindt aan de bijzondere bijstand voor een energieschuld of huurschuld de verplichting dat deze vaste lasten rechtstreeks van de bijstandsuitkering worden doorbetaald. 10.Het college kan eenmalig aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar, voor zover dit noodzakelijk is voor de acceptatie van de aanvrager voor het VGZ Rotterdampakket. Het tweede tot en met vierde lid zijn hierop niet van toepassing. 11.De bijzondere bijstand in dit artikel wordt als lening verstrekt. Artikel8.7Terugvordering ALO-kop 1.Wanneer de over een lopend of voorgaand kalenderjaar verstrekte ALO-kop door de Belastingdienst wordt teruggevorderd, kan voor de betreffende belastingschuld bijzondere bijstand om niet worden verstrekt, voor zover de belanghebbende in die periode voldeed aan de volgende voorwaarden: de alleenstaande ouder is 18 jaar of ouder; diens inkomen is lager dan de toepasselijke bijstandsnorm, verhoogd met het maximumbedrag van de ALO-kop omgerekend naar een maandbedrag; en komt niet in aanmerking voor de ALO-kop, omdat hij een toeslagpartner heeft. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand staat gelijk aan het bedrag dat aan ALO-kop wordt teruggevorderd. Hoofdstuk9.Bestedingscontrole en terugbetaling leenbijstand Artikel9.1Bestedingscontrole bijzondere bijstand 1.Het college controleert de besteding van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten of stofferingskosten als bedoeld in artikel 4.8, op basis van de eigen verklaring. 2.De eigen verklaring wordt binnen 1 maand na de datum waarop de bijzondere bijstand is toegekend op voorgeschreven wijze ingeleverd bij het college. 3.Belanghebbende is verplicht de aankoopbewijzen 12 maanden na de datum waarop de bijzondere bijstand is toegekend te bewaren en desgevraagd aan het college te overleggen. 4.Het college is bevoegd de bestedingscontrole op een andere wijze uit te voeren dan bedoeld in het eerste lid, indien de individuele situatie daartoe aanleiding geeft. Artikel9.2Terugvordering bijzondere bijstand 1.Het college kan de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten of stofferingskosten terugvorderen, indien verantwoording door middel van de eigen verklaring niet, niet volledig, of niet tijdig wordt gedaan. 2.Het college kan de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten of stofferingskosten tevens terugvorderen indien deze: niet volledig is besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend; is besteed voor een ander doel dan waarvoor deze is toegekend. 3.Het college gaat niet over tot terugvordering van de bijzondere bijstand in het geval, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, indien uit het aankoopbewijs of de aankoopbewijzen blijkt dat het daadwerkelijk besteedde bedrag niet meer dan 10% afwijkt van de toegekende bijzondere bijstand, met een maximum van € 100,-. 4.De eventuele terugvordering wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de toegekende bijzondere bijstand en het bedrag dat volgens het aankoopbewijs of de aankoopbewijzen is besteed aan inrichtingskosten of stofferingskosten 5.Indien de bijzondere bijstand die is verstrekt voor de aanschaf van nieuwe witgoedartikelen is besteed aan tweedehands witgoedartikelen, dan gaat het college over tot terugvordering van de bijzondere bijstand van het volledige bedrag dat is verstrekt voor de witgoedartikelen. Artikel9.3Terugbetaling leenbijstand 1.Indien bijzondere bijstand in de vorm van een lening is verstrekt en de belanghebbende na het toekenningsbesluit in totaal 36 maanden een deel naar vermogen heeft afgelost, wordt het restant van de lening omgezet in bijzondere bijstand om niet. 2.Het college stelt het aflossingsbedrag vast waarmee belanghebbende volledig naar vermogen aflost. Indien een tussentijdse wijziging van het inkomen heeft plaatsgevonden, waardoor meer had kunnen worden afgelost, maar belanghebbende die wijziging niet bij het college heeft gemeld, is geen sprake van volledig aflossen naar vermogen in de zin van het eerste lid. 3.Het eerste lid is niet van toepassing in die gevallen waarin de bijzondere bijstand met toepassing van artikel 48, tweede lid, van de wet als lening is verstrekt. Hoofdstuk10.Draagkrachtregels Artikel10.1Algemene beleidsuitgangspunten 1.Het drempelbedrag, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet is niet van toepassing. 2.De individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de wet, wordt niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht. 3.De ALO-kop wordt niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht. 4.Bij de vaststelling van het inkomen blijven de middelen, bedoeld in artikel 31, tweede lid, met uitzondering van onderdeel c, voor de persoon die jonger is dan 27 jaar en het bijzonder inkomen, bedoeld in artikel 33, vijfde lid, van de wet, buiten beschouwing. 5.Het college kan de verschuldigde eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg aanmerken als buitengewone uitgave die van de vastgestelde draagkracht wordt afgetrokken. 6.Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand af, indien de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten naar het oordeel van het college kunnen worden bekostigd uit de toepasselijke bijstandsnorm of een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. 7.Voor de draagkrachtberekening geldt de toepasselijke bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 of 24 van de wet. Het college houdt daarbij geen rekening met kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a van de wet of verlagingen als bedoeld in de artikelen 27 of 28 van de wet. 8.Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het college uit van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over het in aanmerking te nemen inkomen of vermogen. 9.Indien en zolang de belanghebbende die is toegelaten tot een wettelijk of minnelijk schuldhulpverleningstraject voldoet aan de voorwaarden van dat traject, wordt geacht dat belanghebbende niet kan beschikken over het inkomen of vermogen. Artikel10.2Draagkrachtperiode inkomen en vermogen 1.Het college stelt de draagkrachtperiode vast voor 12 maanden. De draagkrachtperiode vangt aan met ingang van de eerste dag van de eerste maand waarin de aanvraag wordt ingediend. 2.In afwijking van het eerste lid, kan het college de draagkrachtperiode voor een kortere periode vaststellen als daar in het individuele geval of gelet op de kostensoort aanleiding voor is. 3.Een eenmaal vastgestelde draagkracht kan uitsluitend tijdens het draagkrachtjaar worden gewijzigd als naar het oordeel van het college sprake is van een ingrijpende wijziging in de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende. 4.Indien een aanvraag wordt ingediend binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode, wordt geen nieuwe draagkrachtperiode vastgesteld. 5.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het eventuele verschil tussen de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten en de draagkracht. Artikel10.3Draagkracht en inkomen 1.Indien het inkomen lager is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm, bedoeld in artikel 10.1, zevende lid, heeft belanghebbende geen draagkracht. 2.Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 2, van deze beleidsregels wordt het inkomen voor zover het gelijk is aan of lager is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm niet aangemerkt als draagkracht. Het draagkrachtpercentage is in dat geval 0%. 3.Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 2, van deze beleidsregels wordt 50% van het inkomen aangemerkt als draagkracht, voor zover dit inkomen meer bedraagt dan 110% doch minder dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm. 4.Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 2, van deze beleidsregels wordt het inkomen volledig aangemerkt als draagkracht, voor zover dit inkomen meer bedraagt dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm. 5.Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 3, van deze beleidsregels wordt het inkomen volledig aangemerkt als draagkracht, voor zover dit inkomen meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm. 6.Indien binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit inkomen vast op basis van de resterende draagkracht in die draagkrachtperiode binnen het van toepassing zijnde draagkrachtregime, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, respectievelijk het vijfde lid. 7.Bij samenloop van kostensoorten als bedoeld in bijlagen 2 en 3, van deze beleidsregels binnen dezelfde draagkrachtperiode, kan de te verrekenen draagkracht uit inkomen tezamen nooit hoger zijn dan de in die periode vastgestelde draagkrachtruimte in het inkomen. Artikel10.4Draagkracht en vermogen 1.Het college merkt het vermogen, voor zover dat meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, volledig aan als draagkracht. 2.Voor zover het vermogen betrekking heeft op de tegoeden op de spaar- en betaalrekeningen van de aanvrager, wordt daarvan ten hoogste eenmaal de toepasselijke bijstandsnorm niet in aanmerking genomen, in verband met de kosten van levensonderhoud voor de maand waarin de aanvraag gedaan is. 3.Indien binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit vermogen vast op basis van de draagkrachtruimte uit vermogen die eerder nog niet met het recht op bijzondere bijstand kon worden verrekend. Artikel10.5Incidentele en periodieke verstrekkingen 1.Indien het college incidentele bijzondere bijstand verstrekt, dan wordt de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode voor zover mogelijk in één keer verrekend. 2.Indien het college periodieke bijzondere bijstand verstrekt, dan wordt de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode eerst geheel verrekend. 3.Het college wijst de aanvraag om periodieke bijzondere bijstand af, indien de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke periodieke kosten per maand minder bedragen dan de vastgestelde draagkracht. Hoofdstuk11.Slot- en overgangsbepalingen Artikel11.1Bevoegdheid college In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. Artikel11.2Intrekking en overgangsrecht 1.De Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 worden ingetrokken, maar blijven van toepassing op bijzondere bijstand verstrekt op grond van die beleidsregels en op aanvragen om bijzondere bijstand die voor 1 mei 2024 zijn ingediend. 2.Indien voor 1 mei 2024 op grond van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 een draagkrachtperiode is vastgesteld die doorloopt tot na 1 mei 2024, blijft de hieraan ten grondslag liggende draagkrachtberekening van toepassing. Artikel11.3Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 mei
- Artikel11.4Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 Aldus vastgesteld op 23 april 2024Het college van burgemeester en wethouders,namens deze:R.C. van AsDirecteur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk van het cluster Maatschappelijke OntwikkelingBijlage1:Prijslijsten als bedoeld in hoofdstuk 4 Prijslijst inrichting – losse artikelen Meubilair/diversen Prijs Tafel 4-6 persoons € 118 Stoelen per stuk € 38 Fauteuil € 86 Zitbank
(3p)€ 320 Salontafel € 48 Tv-meubel € 52 Boekenkast € 40 Dressoir/vitrinekast € 100 Kapstok € 10 Stofzuiger € 65 Strijkplank € 18 Strijkijzer € 18 (Wekker)radio € 13 Televisie € 250 Laptop € 225 Keuken en witgoed Prijs Koelkast (koel- en vriescombinatie) € 400 Koelkast tafelmodel € 200 Elektrisch fornuis € 450 Elektrische kookplaat € 100 Wasmachine excl. Aansluitkosten € 450 Magnetron € 85 Keukengerei (servies, waterkoker, koffiezetapparaat) € 100 Pannenset € 35 Keukentrap € 30 Slaapkamer Prijs Bedframe 1-persoons € 70 Bedframe 2-persoons € 130 Stapelbed € 150 Seniorenbedframe € 250 Lattenbodem per persoon € 35 matras: 1 persoons € 70 2 persoons € 150 hang-/legkast: 2 deurs € 80 3 deurs € 160 hoeslaken: 1 persoons € 8 2 persoons € 15 dekbedovertrek: 1 persoons € 15 2 persoons € 30 dekbed: 1 persoons € 20 2 persoons € 45 matrasdeken: 1 persoons € 8 2 persoons € 15 Lampen Prijs Huiskamerlamp € 12,50 Slaapkamerlamp € 7,50 Ganglamp € 7,50 Keukenlamp € 7,50 Badkamerlamp € 7,50 Staande lamp € 15,00 Prijslijst stoffering– losse artikelen Raambekleding Prijs gordijnrail compleet per meter € 4,50 overgordijnstof per m2 raamoppervlak € 7,00 rolgordijn 60-100 cm breed € 18,50 rolgordijn 100-140 cm breed € 30,00 Stoffering Prijs Vloerbedekking (tapijt), 4 m breed, per strekkende m € 24,00 vinyl (zeil) keuken, 2 m breed, per strekkende m € 12,00 behang per rol € 10,00 lakverf per liter € 12,00 muurverf per liter € 3,00 gang- en deurmat € 2,50 Globaliseringstabel Huishoudgrootte Inrichtingskosten Stofferingskosten Totaal 1 volwassene, geen kind € 2.341 € 1.200 € 3.541 1 volwassene, 1 kind € 2.677 € 1.253 € 3.930 1 volwassene, 2 kinderen € 3.014 € 1.253 € 4.267 1 volwassene, 3 kinderen € 3.350 € 1.530 € 4.880 1 volwassene, 4 kinderen € 3.686 € 1.530 € 5.216 2 volwassenen, geen kind € 2.741 € 1.253 € 3.994 2 volwassenen, 1 kind € 3.077 € 1.253 € 4.330 2 volwassenen, 2 kinderen € 3.414 € 1.530 € 4.943 2 volwassenen, 3 kinderen € 3.750 € 1.530 € 5.279 2 volwassenen, 4 kinderen € 4.086 € 1.749 € 5.835 1 volwassene, kamerbewoner € 1.171 € 600 € 1.770 Kleding – Losse artikelen Herenkleding Prijs Broek € 30 Overhemd € 32 Trui € 37 Pyjama € 20 Jas € 50 Onderkleding € 4 Kamerjas € 20 Dameskleding Prijs Jurk € 23 Rok € 18 Blouse € 20 Trui € 41 Broek € 25 Pyjama € 16 Jas € 40 Onderkleding € 5 Kamerjas € 20 Schoenen Prijs Dames € 54 Heren € 51 Kinderen € 26 Kleding – kledingpakket Kledingpakket Prijs Kledingpakket heren incl. schoenen p/jaar € 465 Kledingpakket dames incl. schoenen p/jaar € 517 Kledingpakket jongen incl. schoenen p/jaar € 290 Kledingpakket meisje incl. schoenen p/jaar € 321 Babypakket aantal maanden aantal stuks Prijs luiers 6 € 124 rompertjes 6 € 10 badje 1 € 10 kruik 1 € 6 matrasje 1 € 35 slaapzakje 2 € 30 lakentjes 3 € 11 babydraagzak 1 € 48 zeiltjes 3 € 16 hydrofiele doekjes 15 € 15 thermometer 1 € 5 fles 1 € 5 speen 5 € 10 Totaal € 325 Het bedrag van € 325 bestaat uit bovengenoemde bedragen. Ook voor deze losse artikelen kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Baby-uitzet Prijs box € 60 kinderstoel € 42 kinder-/wandelwagen € 312 babyledikant € 48 commode € 89 totaal € 551 Het bedrag van € 551 bestaat uit bovengenoemde bedragen. Ook voor deze losse artikelen kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Bijlage2:Overzicht van kostensoorten waarop het draagkrachtregime, bedoeld in artikel 10.3 tweede tot en met vierde lid, van toepassing is (de staffel-regeling) Kostensoort Draagkracht Aware-systeem Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Bijzondere reiskosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Dieetkosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Extra warmtetoeslag Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Kinderopvang Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Kleding, beddengoed en waskosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Kleding en schoeisel Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Medische behandelingen Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Meerkosten dierenarts hulphonden Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Bril of contactlenzen Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Eigen bijdrage zorgverzekering Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Medische voorzieningen Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Leges- en vertaalkosten bij gezinshereniging Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Rechtsbijstand Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Uitvaartkosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Verhuis- en inrichtingskosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Griffierecht Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Energiekosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel 10.3, tweede tot en met vierde lid. Bijlage3:Overzicht van kostensoorten waarop het draagkrachtregime, bedoeld in artikel 10.3, vijfde lid, van toepassing is (100%-regeling) Kostensoort Draagkracht Overbrugging 100% van de draagkrachtruimte Woonkostentoeslag 100% van de draagkrachtruimte Doorbetaling vaste lasten 100% van de draagkrachtruimte Bijstand voor jongmeerderjarigen 100% van de draagkrachtruimte Schulden 100% van de draagkrachtruimte Bijstand voor schuldsanering 100% van de draagkrachtruimte Woningontruiming 100% van de draagkrachtruimte Onverzekerde ziekenhuisopname 100% van de draagkrachtruimte Brandschade 100% van de draagkrachtruimte Bijstand voor bewindvoering 100% van de draagkrachtruimte TOELICHTING Algemeen deel Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Draagkracht Draagkracht is het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de aanvrager moet gebruiken om zelf in de kosten te voorzien waarvoor recht bestaat op bijzondere bijstand. Om toe te komen aan de verrekening van draagkracht, moet dus eerst zijn vastgesteld dat de kosten zich daadwerkelijk voordoen, in het individuele geval noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden (zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2007:BA0163). De draagkracht wordt vastgesteld op een percentage van de draagkrachtruimte. De regels over draagkracht zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van deze beleidsregels. Er kan zowel sprake zijn van draagkracht uit inkomen, als van draagkracht uit vermogen. Draagkrachtruimte Hier is het begrip draagkrachtruimte gedefinieerd. Zoals aangegeven is de draagkracht waarmee rekening wordt gehouden vervolgens een percentage van de aanwezige draagkrachtruimte. Draagkrachtloos inkomen Om de eventuele draagkrachtruimte in het inkomen te bepalen, moet de hoogte van het inkomen waarbij nooit sprake is van draagkracht, duidelijk zijn. Dit wordt aangeduid als draagkrachtloos inkomen. Draagkrachtregime Voor draagkracht uit inkomen gelden verschillende draagkrachtregimes. Welk regime van toepassing is, hangt af van de kostensoort waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Momenteel gelden er twee draagkrachtregimes, te weten: de staffel (als bedoeld in art. 10.3, tweede tot en met vierde lid en bijlage 2 bij deze beleidsregels); de 100%-draagkracht (als bedoeld in art. 10.3, vijfde lid en bijlage 3 bij deze beleidsregels). Eigen verklaring Met het oog op een meer efficiënte werkwijze en de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende aan wie bijzondere bijstand wordt toegekend wordt voor de bestedingscontrole gebruik gemaakt van de zogeheten eigen verklaring. Deze wordt administratief gecontroleerd (zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels). Inkomen Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het college uit van het inkomensbegrip in de wet. Voor de bijzondere bijstand geldt, net als voor algemene bijstand, dat de middelen bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet niet meetellen bij de berekening, met uitzondering van de jonggehandicaptenkorting voor de persoon die jonger is dan 27 jaar. Zie hoofdstuk 10 van deze beleidsregels voor de berekening van draagkracht uit het inkomen. Woning Bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor een woonkostentoeslag is het van belang of er sprake is van een zelfstandige woning. De wet bepaalt niet wat onder een woning wordt verstaan, maar wel dat onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen of een woonschip (art. 3, zesde lid, van de wet). Volgens de jurisprudentie wordt met een woning een zelfstandige woning bedoeld die is voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld (ECLI:NL:CRVB:2015:79). Woonkosten Voor de berekening van de woonkostentoeslag blijven de woonkosten die iemand altijd geacht wordt zelf uit zijn inkomen te moeten betalen (de basishuur), buiten beschouwing. Dat geldt ook voor eigen woningbezitters. Artikel 1.2 Reikwijdte Deze beleidsregels wijken af van de artikelen 13, 15 en 44 van de wet. In artikel 4.13 van deze beleidsregels wordt afgeweken van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de wet door verstrekking van bijzondere bijstand tijdens detentie mogelijk te maken. In hoofdstuk 5 van deze beleidsregels wordt in diverse artikelen afgeweken van artikel 15, eerste lid, van de wet door verstrekking van bijzondere bijstand voor medische kosten mogelijk te maken. In artikel 3.1, derde lid, van deze beleidsregels wordt afgeweken van artikel 44, eerste lid, van de wet door verstrekking van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk te maken. Artikel 1.3 Advisering Eerste lid Bij het vaststellen van de noodzaak en/of hoogte van de bijzondere bijstand is het college niet altijd ter zake kundig. In die gevallen heeft het college de bevoegdheid om deskundigenadvies advies in te winnen. Tweede lid Het spreekt voor zich dat belanghebbende zijn medewerking moet verlenen aan het onderzoek (art. 17, tweede lid, van de wet dan wel op grond van art. 55 van de wet). Het is niet altijd nodig dat belanghebbende persoonlijk verschijnt bij de adviseur. Soms kan de medische noodzaak voor de kosten worden vastgesteld op basis van dossieronderzoek en het raadplegen van een deskundige in de behandelende sector of de huisarts. Daarnaast zal belanghebbende toestemming moeten verlenen zodat de adviseur in staat is volledig advies aan het college uit te mogen brengen. Dat betekent dat niet snel met succes een beroep kan worden gedaan op het zogeheten verschoningsrecht (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2015:955). Derde lid In het derde lid is opgenomen wanneer het college in ieder geval om advies vraagt. Er kunnen zich dus ook andere situaties voordoen waarbij het college deskundigenadvies inwint. Vierde lid In het vierde lid is neergelegd in welke gevallen een advies achterwege kan blijven. Dat is bijvoorbeeld het geval als de medische noodzaak duidelijk is bijvoorbeeld door het vaststellen daarvan door een arts of specialist. Ook kan uit een eerder advies blijken dat een herbeoordeling niet nodig wordt geacht. Verder wordt invulling gegeven aan een doelmatigheidsoverweging (kosten). Uit de genoemde onderdelen blijkt wanneer een advies feitelijk niets toevoegt en daarmee onnodig belastend is voor de belanghebbende. Hoofdstuk 2. Algemene uitgangspunten Artikel 2.2 Uitzondering op reserveringsplicht Op basis van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep zijn in het tweede lid kostensoorten opgenomen die in ieder geval als incidenteel of periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt (ECLI:NL:CRVB:2014:3221, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7543 en ECLI:NL:CRVB:2010:BO4643). Hiermee is dus geen limitatief overzicht bedoeld. Deze uitzondering op de reserveringsplicht wil niet zeggen dat er geen sprake kan zijn van draagkracht. Hoofdstuk 3. De aanvraag Artikel 3.1 Indienen aanvraag Tweede lid Dit lid bepaalt de hoofdregel. In het algemeen geldt dat de aanvraag moet worden ingediend voor het moment waarop, eenvoudig gezegd, de betalingsverplichting voor de betreffende kosten ontstaat (bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:2715 en ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875). Derde lid Dit lid bepaalt dat het college kan afwijken van de hoofdregel. Er kan op grond van dit lid met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verstrekt, mits de kosten niet langer geleden dan 6 maanden voor de aanvraag zijn opgekomen én de nota’s niet ouder zijn 3 maanden. Het college beoordeelt of de aanvraag op tijd is ingediend en of de kosten daadwerkelijk in rekening zijn gebracht aan de hand van de nota. Voor het recht op bijzondere bijstand moet het college nog wel de noodzaak van de kosten kunnen vaststellen én of het om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten gaat. Hoofdstuk 4. Kosten in verband met wonen Artikel 4.1 Woonkostentoeslag huurders Eerste lid Als hoofdregel geldt dat de Wet op de huurtoeslag (Wht) als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening wordt aangemerkt (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1740). Ook in geval de rekenhuur te hoog is geldt de Wht als voorliggende passende en toereikende voorziening (ECLI:NL:CRVB:2016:77). De Wht kan niet in alle gevallen als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt, omdat de huurtoeslag bijvoorbeeld wordt verstrekt met ingang van de eerste van de maand (ECLI:NL:CRVB:2014:1945). De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningssystematiek van de Wht. Vijfde lid Als hoofdregel geldt dat de bijzondere bijstand (in het geval de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens) voor maximaal 24 maanden kan worden toegekend. Het college kent steeds voor maximaal 12 maanden toe. Belanghebbende kan na afloop van de periode waarvoor bijzondere bijstand is verstrekt een nieuwe aanvraag indienen. Het college zal bij de nieuwe aanvraag moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Is dat het geval, dan kan het college de bijzondere bijstand verlengen (toekennen), totdat de maximale periode van 24 maanden is bereikt. Daarnaast legt het college wederom de verhuisplicht op onder toepassing van artikel 55 van de wet. Die bestaat er onder meer uit dat belanghebbende zijn inschrijving als woningzoekende moet handhaven. Zesde en zevende lid Het zesde lid bepaalt de hoofdregel in het geval belanghebbende zich niet of niet voldoende heeft gehouden aan de zogeheten verhuisplicht. Het college is bevoegd de aanvraag om verlenging af te wijzen op grond van artikel 15 van de wet (ECLI:NL:CRVB:2016:77 en ECLI:NL:CRVB:2011:BT1740). In de hier genoemde uitspraken hanteert het college, volgens de CRvB, buitenwettelijk begunstigend beleid. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die als bijzondere redenen kunnen worden gekwalificeerd. Bijzondere redenen Hoewel er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van de verhuisplicht, kan er een grond zijn om de aanvraag om verlenging van de woonkostentoeslag niet af te wijzen indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Belanghebbende kan desgevraagd of uit eigen beweging een beroep doen op bijzondere redenen. Het college heeft de plicht om belanghebbende te bevragen naar bijzondere redenen. Belanghebbende zal een beroep op bijzondere redenen nader moeten onderbouwen. Het college kan bij de beoordeling van de aanvraag ook feitelijk tot de conclusie komen dat hier (impliciet) een beroep op wordt gedaan. Het moet in voorkomende gevallen gaan om specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin die het college vaststelt. Daarbij zijn twee situaties te onderscheiden. Belanghebbende (of diens) gezin zijn: bekend bij andere hulpverlenende instanties, waar ondersteuning is of zal worden toegekend of op korte termijn wordt toegekend of opgestart; nog niet bekend bij andere hulpverlenende instanties, terwijl ondersteuning naar verwachting een oplossing zal bieden voor de aanwezige problematiek. Ad. 1 Bij situaties als bedoeld onder 1 kan gedacht worden aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject, een aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Het niet honoreren van de aanvraag zou in voorkomende gevallen onredelijk kunnen zijn omdat het college daarmee de noodzaak van de (te bieden) ondersteuning zou miskennen of (de voortzetting, dan wel het welslagen van) die ondersteuning juist ondermijnen. In deze situatie kan het college de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening onder toepassing van de reguliere verhuisplicht. Let wel, deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject betekent niet dat het college de bijzondere bijstand niet als lening zou mogen verstrekken. Verder worden, naast de reguliere verhuisplicht, extra nadere verplichtingen verbonden aan de bijzondere bijstand, namelijk dat belanghebbende zich in voorkomende gevallen houdt aan de voorwaarden die verbonden (kunnen) zijn aan de hier bedoelde ondersteuning. Dat gebeurt dan ook onder toepassing van artikel 55 van de wet. Bij een volgende aanvraag om woonkostentoeslag (verlenging) zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(
- n)is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere redenen. Ad. 2 Bij de situaties bedoeld onder 2 zou gesteld kunnen worden dat belanghebbende, gelet op diens specifieke problematiek, de weg naar de hier bedoelde ondersteuning (nog) niet heeft kunnen vinden. Daaronder kan bijvoorbeeld ook een beroep op cliëntondersteuning van MEE Rotterdam Rijnmond worden verstaan. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het hier gaat om situaties waarin het zich niet houden aan de voorwaarden van de verhuisplicht wel aan belanghebbende te verwijten is. Bij de bedoelde problematiek kan gedacht worden aan personen die een beperkte sociale steunstructuur hebben en een gering vermogen tot eigen regie voeren vanwege het hebben van beperkingen. Denk bijvoorbeeld aan personen met een licht verstandelijke handicap, niet aangeboren hersenletsel of GGZ-problematiek. Het afwijzen van de aanvraag zou bijvoorbeeld tot gevolg kunnen hebben dat een huurschuld ontstaat die mogelijk tot uitzetting zal leiden. In deze situatie kan het college ook de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening en daar tevens de voorwaarde aan verbinden dat belanghebbende nader te bepalen ondersteuning zoekt. Dat gebeurt dan onder toepassing van artikel 55 van de wet. Deze verplichting is aanvullend op de reguliere verhuisplicht die aan de bijzondere bijstand wordt verbonden. Bij een volgende aanvraag om woonkostentoeslag zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(
- n)is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere redenen. Achtste lid Is de huurder binnen een half jaar voor de peildatum huurtoeslag verhuisd naar een woning waarvan de rekenhuur hoger is dan de aftoppingsgrens, dan vraagt de Belastingdienst-Toeslagen advies aan de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting of de betreffende woning als ‘passend’ kan worden aangemerkt. Als deze ‘passendheidsverklaring’ negatief is, dan zal de huurtoeslag geweigerd worden. In dat kader speelt de voorzienbaarheid van het duur wonen een rol bij de beoordeling. De hoge woonkosten kunnen weliswaar als noodzakelijk worden gekwalificeerd, maar vloeien gelet op de voorzienbaarheid niet voort uit bijzondere omstandigheden. Negende en tiende lid Personen jonger dan 23 jaar met of zonder kinderen, die een woning bewonen met een rekenhuur boven de toepasselijke maximum huurgrens, komen niet in aanmerking voor huurtoeslag. Het college is bevoegd om de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 15 van de wet (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1740). Een uitzondering geldt in de situaties, bedoeld in het negende lid. Indien de huur onder de algemene maximum huurgrens van de Wht ligt, kan een woonkostentoeslag worden toegekend op basis van de berekening van de gewone huurtoeslag voor personen ouder dan 23 jaar. De woonkostentoeslag op grond van het negende lid eindigt zodra de persoon de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, per welke datum de aanspraak op huurtoeslag ontstaat. Artikel 4.2 Woonkostentoeslag woningeigenaren Eerste lid Dit lid bepaalt dat het college bij het verlenen van een woonkostentoeslag aan eigen woningbezitters aansluit op de systematiek van de Wht. Uit ECLI:NL:CRVB:2014:4242 blijkt dat de Centrale Raad van Beroep van oordeel is dat het college voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag in redelijkheid heeft mogen aansluiten bij het systeem van de Wht. Ook voor woningeigenaren geldt dat zij niet te duur mogen blijven wonen (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1676). Tweede lid Aangenomen kan worden dat, bezien van uit de systematiek van de Wht, de te hoge woonkosten voor woningeigenaren niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten aangemerkt hoeven te worden. Net als bij huurders kan daar toch een uitzondering voor gelden. De bijstandsverlening is in voorkomende gevallen wel beperkt tot een maximale periode. Vierde lid Het college zal bij de opvolgende aanvraag moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Is dat het geval, dan kan het college de bijzondere bijstand met maximaal 12 maanden verlengen (toekennen), totdat de maximale periode van 24 maanden is bereikt. Daarnaast legt het college wederom de verhuisplicht op onder toepassing van artikel 55 van de wet. Vijfde lid Dit lid bepaalt de hoofdregel in het geval belanghebbende zich niet of niet voldoende heeft gehouden aan de zogeheten verhuisplicht. Het college is dan bevoegd de aanvraag om verlenging af te wijzen (ECLI:NL:CRVB:2015:1689). De aanvraag wordt in voorkomende gevallen afgewezen op de grond dat geen sprake (meer) is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de wet (ECLI:NL:CRVB:2016:2652 en ECLI:NL:CRVB:2012:BX1676). Er kunnen zich omstandigheden voordoen die als bijzondere redenen kunnen worden gekwalificeerd. Bijzondere redenen Omdat de beoordeling van de bijzondere redenen voor huurders en eigen woningbezitters niet verschilt, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4.2, zesde lid, van deze beleidsregels. Zesde lid Indien de bijzondere redenen worden vastgesteld, dan kan het college de bijzondere bijstand verlengen met maximaal 12 maanden, totdat de maximale periode van 24 maanden is bereikt. De grondslag om de bijzondere bijstand in de vorm van een lening te verstrekken berust op artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de wet. Daarnaast legt het college wederom de zogeheten verhuisplicht op onder toepassing van artikel 55 van de wet. Artikel 4.3 Vaststellen hoogte woonkostentoeslag woningeigenaren Eerste lid, onderdeel i en j Voor het bepalen van het maximumbedrag dat geldt voor zakelijke lasten die op de onroerende zaak drukken, wordt aansluiting gezocht bij de normbedragen van Stimulansz. Derde lid De voorlopige teruggave inkomstenbelasting wordt op grond van artikel 32, eerste lid, van de wet als inkomen toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Het college betrekt deze bij de berekening van de bijzondere bijstand en brengt deze in mindering op de totale woonkostentoeslag (ECLI:NL:CRVB:2014:2384). Artikel 4.4 Verhuisplicht Eerste lid Het college heeft op grond van artikel 55 van de wet een discretionaire bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Deze verplichtingen strekken in dit geval tot vermindering of beëindiging van bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag maakt het college in principe gebruik van deze bevoegdheid omdat betrokkenen, in relatie tot de hoogte van hun inkomen, niet te duur mogen wonen. Dat geldt voor huurders (ECLI:NL:CRVB:2016:190 en ECLI:NL:CRVB:2016:77) maar ook voor ook woningeigenaren (ECLI:NL:CRVB:2013:1957 en ECLI:NL:CRVB:2014:4242). Waar de zogeheten verhuisplicht op is gericht, is in dit lid algemeen omschreven en voor huurders en woningeigenaren nader uitgewerkt in respectievelijk artikel 4.5 en 4.6 van deze beleidsregels. Tweede lid Zijn de kosten hoger dan de maximaal subsidiabele huurgrens, dan geldt als hoofdregel dat de verhuisplicht wordt opgelegd. Hierop zijn wel een aantal uitzonderingen. Tweede lid, aanhef en onderdeel a In deze situatie gaat het om aanpassingen van de woning die bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015 of daaraan voorafgaande wetgeving zijn aangebracht. De Wet op de huurtoeslag (Wht) kent in deze situatie ook afwijkende regels. Tweede lid, aanhef en onderdeel b In de situatie genoemd in dit onderdeel zal het college deskundigenadvies moeten inwinnen. Tweede lid, aanhef en onderdeel d Na het bereiken van het zogeheten kredietplafond beoordeelt het college of belanghebbende naar verwachting voor langere tijd op algemene bijstand zal zijn aangewezen. Is dat het geval, dan legt het college de verhuisplicht op. Dat is overigens in overeenstemming met het complementaire karakter van bijstand. Daar past het in stand houden van eigen woningbezit niet bij. Tweede lid, aanhef en onderdeel e Voor zelfstandigen als bedoeld in dit onderdeel is alleen een woonkostentoeslag zonder verhuisplicht mogelijk in combinatie met een uitkering in het kader van het Bbz 2004. De verhuisplicht geldt dus wel voor zelfstandigen die hun bedrijf beëindigen. Derde lid Omdat de bijstandsverlening in het geval van de verhuisplicht is gemaximeerd, wordt benadrukt dat zolang de verhuisplicht niet is opgelegd er geen gemaximeerde periode geldt. Artikel 4.5 Verhuisplicht: voorwaarden huurders Eerste lid aanhef De inhoud van de verhuisplicht heeft betrekking op een inspanningsverplichting die van de belanghebbende gevergd mag worden. Het gaat immers om verplichtingen die in de praktijk strekken tot beëindiging van woonkostentoeslag. Het eerste lid spreekt over ‘in ieder geval’. Dat wil zeggen dat het college in het individuele geval ook bevoegd is om andere concrete zaken in de beschikking te benoemen die binnen het bereik van de verhuisplicht vallen (zie ook lid 4). Eerste lid, aanhef en onderdelen a en b Om in aanmerking te komen voor een passende woning of woonruimte zal belanghebbende de twee concrete activiteiten moeten verrichten die onder a. en b. staan genoemd. Daarbij geldt gedurende de gehele periode van bijstandsverlening (maximaal 24 maanden) dat belanghebbende de inschrijving als woningzoekende in die periode handhaaft. Eerste lid, aanhef en onderdeel c De voorwaarden van de verhuisplicht strekken zich vanzelfsprekend uit over de gehele periode van bijstandsverlening, met dien verstande dat de nadere verplichtingen pas kunnen gelden nadat het besluit bekend is gemaakt (zie vierde lid van dit artikel). De verplichting bestaat er in ieder geval uit dat belanghebbende zijn inschrijving als woningzoekende handhaaft. In die periode van bijstandsverlening zal belanghebbende zich verder aantoonbaar moeten inspannen. Tweede en derde lid Het tweede lid geeft concreet invulling aan wat in ieder geval onder de activiteiten wordt verstaan. Zeker niet onredelijk is om twee reacties per maand op woningen te verlangen. Het derde lid omschrijft wat onder een passende woning moet worden verstaan. Aantoonbaar en verifieerbaar De activiteiten moeten aantoonbaar en voor het college verifieerbaar zijn zodat het college daaruit af kan leiden of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Dat is van groot belang indien belanghebbende opnieuw een aanvraag voor de woonkostentoeslag indient. Passende woning of woonruimte Ook is vereist dat op passende woningen of woonruimten wordt gereageerd. In eerste instantie is daarbij de hoogte van de woonkosten van belang. Die moet vanzelfsprekend lager zijn dan de maximale huurgrens. Verder heeft het criterium ‘passend’ betrekking op de gezinssituatie. Afhankelijk daarvan kan een kleinere of andersoortige woonruimte, dan die belanghebbende wenst, in de ogen van het college toch passend zijn. Reageert een alleenstaande alleen op eengezinswoningen wordt dat niet als passend aangemerkt. Voor gehuwden met kinderen of alleenstaande ouders ligt dat anders. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat minderjarige kinderen tot een bepaalde leeftijd een slaapkamer delen. Dus het alleen reageren op (hele) grote eengezinswoningen zou ook voor hen door het college als niet passend (kunnen) worden aangemerkt. Aanbod Daarnaast heeft het criterium passend betrekking op het concrete aanbod waarop moet worden gereageerd. Beperkt belanghebbende de aantoonbare activiteiten tot bijvoorbeeld slechts één wijk in Rotterdam, dan is dat in het algemeen niet passend. Verwacht wordt dat ook op woningen in andere wijken of buiten Rotterdam wordt gereageerd. Daarbij kan het college ervan uitgaan dat maximaal 25% van de woningen waarop is gereageerd, binnen hetzelfde postcode(cijfer)gebied of specifieke wijk mag vallen. Of wordt voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht zal het college moeten beoordelen aan de hand van de vraag of: is gereageerd op voldoende woningen (aantal); gedurende de gehele periode van bijstandsverlening is gereageerd; en is gereageerd op passende woningen. Vierde lid Omdat nadere verplichtingen niet van rechtswege gelden moet het college de verplichting bij besluit opleggen en tevens aangeven welke concrete activiteiten van belanghebbende worden verlangd. Daarbij worden ook de gevolgen aangegeven als de verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen en belanghebbende dat te verwijten valt. Artikel 4.6 Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren Eerste lid, aanhef De inhoud van de verhuisplicht bij eigen woningbezitters heeft, net als bij huurders, ook betrekking op een inspanningsverplichting die door het college van de belanghebbende gevergd mag worden. Het gaat immers om verplichtingen die in de praktijk strekken tot beëindiging van woonkostentoeslag. Het eerste lid spreekt over ‘in ieder geval’. Dat wil zeggen dat het college in het individuele geval ook bevoegd is om andere concrete zaken in de beschikking te benoemen die binnen het bereik van de verhuisplicht vallen. Eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c In de verhuisplicht bij de woonkostentoeslag aan de eigen woningbezitters zit de verplichting besloten om de eigen woning te koop aan te bieden. Daar zal belanghebbende als eerste voor moeten zorgen (onderdeel b). De makelaar behoort daarbij via de geëigende kanalen de woning aan de markt aan te bieden. Totdat de woning daadwerkelijk is verkocht zal belanghebbende alles moeten nalaten wat aan die verkoop in de weg kan staan. Denk bijvoorbeeld aan het weghalen van het bord of posters waarmee de woning te koop wordt aangeboden of het belemmeren van bezichtigingen door belangstellenden. Er zijn uiteraard meer voorbeelden te bedenken. Tweede lid Het spreekt voor zich dat de vraagprijs van de woning redelijk moet zijn: in verhouding tot de waarde van de woning (zie ook eerste lid, onderdeel c). Wat een redelijke vraagprijs is valt op voorhand niet te zeggen. Als uitgangspunt hanteert het college de WOZ-waarde met een opslag van 20%. Afwijking hiervan kan op goede gronden worden geaccepteerd. Het zal dan doorgaans om een hogere marktwaarde gaan waarop de belanghebbende zich beroept. Denk bijvoorbeeld aan een woning die gelet op een (recente) verbouwing of bijzondere voorzieningen meer waard is dan de WOZ-waarde met een opslag van 20%. Als belanghebbende van mening is dat de vraagprijs hoger kan zijn dan de WOZ-waarde met een opslag van 20%, ligt het op zijn weg om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld met een taxatieverslag, waarvan de kosten voor rekening van belanghebbende komen. Het kan zijn dat het vragen van een onredelijke prijs de verkoop van de woning bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Derde lid, aanhef Strikt genomen is de koopovereenkomst tot stand gekomen op het moment dat beide partijen (kopen en verkoper) deze hebben ondertekend. Daarbij wordt opgemerkt dat daarna nog bedenktijd geldt voor de (potentiële) koper, alsmede mogelijke ontbindingsclausules. Vanaf het moment dat is ondertekend, zal belanghebbende direct moeten omzien naar passende, vervangende woonruimte. De verdere voorwaarden van de verhuisplicht, het zorgen voor vervangende woonruimte, gelden vanaf dit moment. Derde lid, aanhef en onderdelen a en b Om in aanmerking te komen voor een passende woning of woonruimte zal belanghebbende de twee concrete activiteiten moeten verrichten die in de onderdelen a en b staan genoemd. In tegenstelling tot bij huurders geldt voor woningeigenaren dat de activiteiten gericht op het verkrijgen van een passende woning of woonruimte pas gelden nadat de (ver)koopovereenkomst is getekend. Derde lid, aanhef en onderdeel c Deze voorwaarden van de verhuisplicht strekken zich vanzelfsprekend uit over de resterende periode van bijstandsverlening, met dien verstande dat de nadere verplichtingen pas kunnen gelden nadat het besluit bekend is gemaakt (zie zesde lid van dit artikel). In die periode zal belanghebbende zich dus aantoonbaar moeten inspannen. Vierde lid Voor nadere toelichting, zie de toelichting bij artikel 4.5, tweede en derde lid. Zesde lid Omdat de in dit kader bedoelde nadere verplichtingen niet van rechtswege gelden moet het college de verplichting bij besluit opleggen en tevens aangeven welke concrete activiteiten van belanghebbende worden verlangd. Daarbij worden ook de gevolgen aangegeven als de verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen en belanghebbende dat te verwijten valt. Artikel 4.7 Verhuiskosten Algemeen In principe heeft iedereen recht op zelfstandige huisvesting. De kosten, die dat met zich meebrengt, zijn algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Dit zijn kosten met een voorzienbaar karakter. Dat wil zeggen dat verhuis- en (her)inrichtingskosten uitsluitend in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Daarvan kan sprake zijn bij een niet-voorziene verhuizing op grond van een medische of sociale noodzaak. Het college stelt daarvoor de noodzaak van de verhuizing vast, alsmede de periode waarin de verhuizing voor belanghebbende voorzienbaar was. De Wmo 2015 kan voor de wet gelden als een voorliggende toereikende en passende voorziening. Dat is onder meer voor verhuiskosten het geval. Ondervindt de belanghebbende bijvoorbeeld beperkingen in het normale gebruik van de woning (zelfredzaamheid) waardoor de verhuizing noodzakelijk is, dan wordt de Wmo 2015 als voorliggende voorziening aangemerkt. Kan belanghebbende krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst aanspraak maken op een tegemoetkoming in verhuiskosten door de werkgever, dan geldt dat als voorliggende voorziening. Ook kan de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie gelden als voorliggende voorziening. Op grond van deze regeling kan een tegemoetkoming worden verkregen. Eerste en tweede lid Het gaat in dit artikel om kosten die direct verband houden met de verhuizing. Het gaat om de kosten van de eerste maand huur en de (volledige) kosten in verband met het aangaan van de huurovereenkomst (administratiekosten of waarborgsom) en de met de verhuizing gemoeide transportkosten. Deze kosten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat het voorzienbare kosten zijn waarvoor de reserveringsplicht geldt (ECLI:NL:CRVB:2014:3407 en ECLI:NL:CRVB:2016:898). Het college zal dan ook eerst de noodzaak van de verhuizing moeten vaststellen. In het geval belanghebbende verhuist naar een passende woning omdat aan hem de verhuisplicht is opgelegd, staat de noodzaak van de verhuizing in ieder geval vast. Opgemerkt wordt dat daarmee niet zonder meer het recht op bijstand vaststaat. De belanghebbende die zijn eigen woning heeft verkocht kan daardoor bijvoorbeeld over in aanmerking te nemen middelen beschikken. Daarnaast dient vastgesteld te worden of de noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Artikel 4.8 Inrichtingskosten en stofferingskosten Algemeen Onder inrichtingskosten worden ook duurzame gebruiksgoederen verstaan in de zin van artikel 51 van de wet. Derde en vierde lid Het college hecht er aan goede voorlichting te geven. Aan belanghebbenden wordt voorlichting gegeven over de wijze waarop de tweedehands goederen gekocht kunnen worden. Voor witgoedartikelen geldt dat advies wordt gegeven over de aanschaf van nieuwe en energiezuinige apparaten. Het college verplicht de belanghebbende om bij verstrekking van bijzondere bijstand voor losse witgoedartikelen, dan wel bij verstrekking van bijzondere bijstand voor volledige (her)inrichting, nieuwe witgoedartikelen aan te schaffen. Indien een aanvraag wordt ingediend voor losse witgoedartikelen, of voor een volledig inrichtingspakket, dan is belanghebbende bij de aanvraag verplicht om middels een offerte of proforma factuur aan te tonen welke witgoedartikelen aangeschaft zullen worden. De bedragen van de witgoedartikelen mogen niet de richtbedragen die worden gehanteerd in bijlage 1 overschrijden. Onder witgoedartikelen wordt in ieder geval verstaan: Koelkast of tafelkoelkast; Elektrische kookplaat; Wasmachine; Magnetron. Artikel 4.9 Babypakket De kosten van een babypakket vallen onder algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan en moeten daarom in beginsel bestreden worden uit het eigen inkomen. De reserveringsplicht is van toepassing op deze kosten. Artikel 4.11 Personenalarmering In het geval van een medische noodzaak komen de kosten voor vergoeding in aanmerking op grond van de Zorgverzekeringswet. Voor personenalarmering in verband met ouderdom, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Thuiszorg of een andere aanbieder kan de alarmeringsapparatuur leveren. Artikel 4.13 Doorbetaling huur verblijf in detentie Eerste lid In afwijking van artikel 13, eerste lid onder a, van de wet kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een alleenstaande voor de doorbetaling van de huur van een woning of een kamer. De eigen woningbezitter is uitgesloten van bijstandsverlening. Verder geldt de voorwaarde dat de detentie in Nederland wordt uitgezeten gelet op het territorialiteitsbeginsel. Daarnaast geldt dat de detentieperiode meer dan 1 maand moet bedragen. Het college beoordeelt of er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot bijstandsverlening. Voorts is bepaald dat slechts eens per 5 jaar bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Onderdeel d schrijft voor dat er een positief advies moet zijn voor het aanhouden van de woning. Het advies van Team Detentie en Re-integratie is daarbij leidend. Daarvan kan het college slechts met redenen omkleed afwijken. In dat geval wordt daarvan een terugkoppeling gegeven. Tweede lid De periode waarin het college bijzondere bijstand kan verlenen is begrensd. Op voorhand staat echter niet altijd vast hoe lang de detentieperiode zal zijn. Ook kan het voorkomen dat er meerdere vonnissen worden uitgesproken. Verder is het zo dat bij de vaststelling van de periode rekening moet worden gehouden met de voorwaardelijke invrijheidstelling. De periode van het voorarrest wordt ook meegeteld bij de vaststelling van de detentieperiode. Vierde lid In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de beleidsregels bepaalt dit lid wanneer de aanvraag om bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de huur bij verblijf in detentie wordt ingediend. De belanghebbende zal de aanvraag dus na aanvang van de detentieperiode moeten indienen echter wel binnen een periode van 2 maanden na de ingangsdatum van detentie. De ratio hiervan is dat na 2 maanden sprake zal zijn van een betalingsachterstand die als schuld wordt aangemerkt. En voor schulden mag op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de wet geen bijstand worden verstrekt. Vijfde lid De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt. Huurkosten zijn algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Aangezien detentie het gevolg is van verwijtbaar gedrag, acht het college het onwenselijk de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Zesde lid Het kan voorkomen dat een gedetineerde die in aanmerking komt voor bijzondere bijstand in de zin van artikel 4.13, eerste lid, onder bewind staat. In dat geval is het alleen via de bewindvoerder mogelijk de doorbetaling van huur te laten geschieden tijdens detentie. Voor deze bewindvoerderskosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt als bedoeld in artikel 8.5. Artikel 4.14 Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling Eerste lid Bij de beoordeling of er recht kan bestaan op bijzondere bijstand is het van belang of in de woning personen (blijven) wonen in het geval belanghebbende tijdelijk wordt opgenomen in een instelling. Is dat niet het geval, dan zal de noodzaak van de doorbetaling van de vaste lasten worden beoordeeld. Daarbij speelt de tijdelijke aard van de opname een belangrijke rol, maar ook de hoogte van het inkomen. Is de bijstandsnorm bijvoorbeeld omgezet naar de zak- en kleedgeldnorm als bedoeld in artikel 23 van de wet, dan zal duidelijk zijn dat van dat inkomen de vaste lasten niet betaald kunnen worden. Derde lid Dit lid bepaalt de maximale periode van bijstandsverlening. In de gevallen na 12 maanden kan niet meer gesproken worden van een tijdelijk karakter. Het ligt voor de hand dat belanghebbende permanent in een instelling zal verblijven op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Vierde lid Uit dit lid blijkt al meer dat de aard van het verblijf in de instelling permanent zal zijn. Zodra belanghebbende de hoge bijdrage is verschuldigd is de periode van bijstandsverlening beperkt tot ten hoogste 3 maanden. Artikel 4.15 Jongmeerderjarigen Eerste lid Voor jongmeerderjarigen die (bijzondere) bijstand aanvragen geldt dat zij eerst een beroep moeten doen op de ouders die met het ouderlijk gezag belast zijn. Daaronder worden ook stiefouders verstaan. Die zijn namelijk tot 21 jaar onderhoudsplichtig voor hun kinderen. Het kan voorkomen dat de ouders slechts deels aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen omdat de middelen niet toereikend zijn. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt daar dan op afgestemd. Tweede lid In dit lid is bepaald wanneer het college er in ieder geval vanuit gaat dat de jongmeerderjarige zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(
- s)redelijkerwijs niet te gelde kan (of hoeft) te maken. Hiermee is geen limitatief overzicht beoogd. Hoofdstuk 5. Kosten van medische aard Artikel 5.1 Extra kosten wassen en kledingslijtage De meerkosten van waskosten en kledingslijtage (ook schoeisel) kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, mits de noodzaak middels een (medisch) advies is vastgesteld. Dergelijke meerkosten kunnen bijvoorbeeld het gevolg zijn van incontinentie, het veelvuldig gebruik van medisch noodzakelijke zalf of het gebruik van een prothese. Artikel 5.2 Extra warmtekosten In het algemeen zijn warmtekosten algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Er kan een noodzaak voor hogere warmtekosten zijn, indien daar een medische noodzaak voor is. Belanghebbende kan een aandoening hebben waardoor de eigen lichaamstemperatuur niet op peil kan worden gehouden. In die gevallen zijn de meerkosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Of er meerkosten als gevolg van een medische noodzaak zijn, moet in eerste instantie blijken uit het medisch advies. Indien uit het medisch advies blijkt dat er sprake is van een medische aandoening, dan wordt aangenomen dat belanghebbende meerkosten maakt door een hoger stookverbruik. Maandelijks wordt een forfaitair bedrag verstrekt van € 40,-. Het college acht dit bedrag passend, gelet op de omgerekende gemiddelde verstrekking warmtetoeslag per persoon in de periode 2021-2023. Door de bijzondere bijstand voor extra warmtekosten maandelijks te verstrekken, geeft het college invulling aan de uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2023:1047). Hiermee kan belanghebbende maandelijks voorzien in hogere stookkosten. De bijzondere bijstand wordt maandelijks verstrekt voor een periode van 12 maanden. Hierna kan de bijzondere bijstand telkens opnieuw worden verstrekt, mits nog wordt voldaan aan de voorwaarden. Artikel 5.4 Kosten na aanschaf gehoorapparaat De kosten voor een gehoorapparaat komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Belanghebbende kan echter na de aanschaf van een gehoorapparaat een nazorgcontract voor onderhoud en reparatie afsluiten. Die kosten komen wel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Het spreekt voor zich dat als enige kosten onder de garantiebepalingen vallen, het op de weg van belanghebbende ligt daar naar volle vermogen een beroep op te doen. In het eerste lid is daarom bepaald dat kosten in dat verband niet in aanmerking komen voor vergoeding. Het tweede lid bepaalt de gemaximeerde vergoeding per gehoortoestel. Artikel 5.5 Maaltijdvoorziening Iedereen heeft kosten in verband met zijn maaltijdvoorziening, die moeten dan ook bestreden worden uit het eigen inkomen. Voor de meerkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Die meerkosten kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld de bezorgkosten. Artikel 5.6 Alternatieve relatiebemiddeling Tweede lid Of bijzondere bijstand voor deze kosten kan worden verstrekt wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria. Een van de belangrijkste, ook voor de beoordeling van de verlengingsaanvraag is of er indicatie bestaat voor deze diensten (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2013:736). Dergelijke diensten worden bijvoorbeeld geboden door de Stichting Alternatieve Relatie bemiddeling (SAR). Artikel 5.7 Bijzondere bijstand bril of contactlenzen Indien de aanvrager verzekerd is op grond van het Rotterdampakket, kan hij ook tussentijds bijzondere bijstand krijgen voor de vervanging van zijn bril of contactlenzen. Dit is het geval indien er binnen de in het Rotterdampakket geldende termijn van 3 jaar toch de noodzaak bestaat de bril/lenzen te vervangen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de ogen zo snel voor- of achteruitgaan, dat de sterkte van de glazen niet meer voldoet. Onder een noodzakelijke vervanging van een bril of lenzen wordt bijvoorbeeld een verandering van sterkte van ten minste 0,25 (+/-) verstaan. De wijziging moet blijken uit een pro forma-nota van de opticien of een voorschrift van de oogspecialist. De voorgeschreven sterkte kan worden vergeleken met de eerste aanschaf dan wel vorige vervanging van brillenglazen of lenzen. Het college beoordeelt vanzelfsprekend ook of geen vergoeding kan worden verkregen op grond van een andere regeling. De hoogte van de bijzondere bijstand is in ieder geval gemaximeerd tot de vergoeding die normaal gesproken kan worden verkregen op grond van het Rotterdampakket. Daarnaast speelt de goedkoopst adequate oplossing een rol bij de hoogte van de bijzondere bijstand. Zo kunnen in de meeste gevallen nieuwe brillenglazen in het bestaande montuur worden gezet. Artikel 5.8 Kosten eigen bijdragen uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak Dit artikel gaat over de mogelijkheid tot bijzondere bijstandsverlening voor zogeheten gebitsprotheses als bedoeld in artikel 2.7, vijfde lid, onderdeel b, van het Besluit zorgverzekering. Eerste lid Dit lid bepaalt de voorwaarden op grond waarvan het college bijzondere bijstand kan verlenen. Het gaat om twee situaties waarin de aanvrager nog geen gebruik kan maken van het Rotterdampakket. Tweede lid Er zijn situaties denkbaar waarin de aanvrager op korte termijn zal worden toegelaten tot het Rotterdampakket. In dat geval kan van de aanvrager worden verwacht dat het maken van de kosten wordt uitgesteld. Dat beoordeelt het college aan de hand van de individuele situatie. Hoofdstuk 6. Eigen bijdragen Artikel 6.1 Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten Eerste lid De datum waarop de toevoeging is afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand, is het moment dat de kosten voor eigen bijdrage rechtsbijstand opkomen. Derde lid Indien belanghebbende door wijziging van diens inkomen in aanmerking kan komen voor een lagere eigen bijdrage rechtsbijstand door het indienen van een verzoek om peiljaarverlegging, wordt de aanvrager hiertoe in de gelegenheid gesteld. Vijfde lid Voor de kosten van het griffierecht geldt dat de datum waarop een betrokkene het beroepschrift of hoger beroepschrift indient bij de bestuursrechter, het moment is dat de kosten opkomen. Met de indiening van het beroepschrift staat namelijk in beginsel de verschuldigdheid van het griffierecht vast. De hoogte van het griffierecht is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en het vermogen van de rechtzoekende. Zesde lid Voor aanvragen die zien op kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand is het van belang om vast te stellen of de kosten zich daadwerkelijk voordoen voor de aanvrager van de bijzondere bijstand. Daarom dient naast een toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand ook een nota voor de eigen bijdrage (de factuur van de advocaat) ingeleverd te worden. Alleen in die gevallen dat de toevoeging dateert van een tijdstip dat gelegen is in een periode van 6 maanden of langer voor de datum van de aanvraag hoeft geen nota ingeleverd te worden, omdat automatisch niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat de kosten niet langer geleden dan 6 maanden voor de datum van de aanvraag zijn gemaakt. Artikel 6.2 Eigen bijdrage kinderopvang Eerste lid De GGD kan in voorkomende gevallen een sociaal-medische indicatie vaststellen. De ouder(
- s)zijn nog wel een eigen bijdrage verschuldigd voor de kinderopvangkosten. Daar kan bijzondere bijstand voor worden verstrekt. Ook het CJG kan een indicatie afgeven voor VVE, namelijk voor extra spelen en leren. Bijzondere bijstand kan verstrekt worden voor de eigen bijdrage, uitsluitend voor zover de ouder deze daadwerkelijk is verschuldigd en hier niet op andere wijze is voorzien. Tweede en derde lid Uitgangspunt is dat werk de beste weg is om uit armoede te komen. Voor ouders is kinderopvang vaak een voorwaarde om te kunnen werken. De hoge kosten van die kinderopvang in de vorm van een eigen bijdrage vormen soms een drempel voor degene met een laag inkomen. De ouder(
- s)die uitstroomt/uitstromen kan op aanvraag een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. Artikel 6.3 Eigen bijdrage zorgverzekeringswet Het college kan één keer per kalenderjaar bijzondere bijstand verstrekken, voor de eigen bijdrage in het kader van de Zorgverzekeringswet. Hierbij moet het gaan om facturen van (eventueel bij elkaar opgeteld) ten minste € 50. Er wordt niet meer dan € 200 aan bijzondere bijstand verstrekt. Hoofdstuk 7. Reiskosten Artikel 7.1 Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden Eerste en tweede lid Dit artikel bevat de regels voor het verlenen van bijzondere bijstand voor reiskosten die worden gemaakt voor het bezoeken van gezinsleden en naaste familieleden. Daaronder worden verstaan: de partner van de aanvrager of diens eerste of tweede graad bloedverwanten. In het algemeen geldt dat iedereen reiskosten heeft of kan hebben in verband met verplaatsingen die verband houden met het afleggen van bezoeken. Dat zijn algemene voorkomende kosten van het bestaan die niet noodzakelijk zijn in de zin van de wet dan wel niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dergelijke kosten moet iemand in beginsel zelf uit zijn inkomen bekostigen (CRVB:2005:AT6294, CRVB:2014:172 en CRVB:2011:BR4915). Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die meebrengen dat reiskosten noodzakelijk zijn én kunnen voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Indien er sprake is van een voorliggende voorziening die passend en toereikend wordt geacht, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Is belanghebbende beperkt in zijn mobiliteit, dan geldt de Wmo 2015 als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de wet. Is er geen sprake van een voorliggende voorziening dan moeten de kosten, conform artikel 35 van de wet, zich voordoen, noodzakelijk zijn én ook voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het spreekt voor zich dat dit mede afhankelijk is van de aard van de familierelatie, dat geldt overigens ook voor de frequentie van de bezoeken die als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt (zie het zesde lid). Het dagelijks bezoeken van een minderjarig kind zal in het algemeen noodzakelijk kunnen zijn, terwijl voor een meerderjarige die in detentie verblijft volstaan zou kunnen worden met een bezoek van 1 keer per maand. Aanvullende zorgverzekering en Rotterdampakket Of belanghebbende aanspraak heeft op bijzondere bijstand voor de reiskosten voor het bezoek aan gezinsleden en naaste familieleden die in het ziekenhuis liggen, is afhankelijk van het beschikken over een aanvullende zorgverzekering en of die verzekering de kosten (deels) vergoed. In dat geval geldt het Rotterdampakket als voorliggende voorziening. Het ligt overigens niet voor de hand dat zich in dat geval aanvragen bijzondere bijstand zullen voordoen. In andere gevallen zal de polis van het gezinslid of naast familielid (ook) beoordeeld moeten worden. Het is namelijk meestal zo dat degene die wordt bezocht een vergoeding kan krijgen van de hier bedoelde reiskosten. Derde lid, onderdeel a Dit onderdeel heeft betrekking op de reiskosten in verband met het afleggen van bezoeken aan de personen zoals genoemd in het eerste lid die in het ziekenhuis verblijven. Een dergelijk verblijf is naar zijn aard kortdurend waardoor er in principe geen sprake is van structurele kosten (ECLI:NL:CRVB:2005:AT6294). Dat is slechts anders indien en voor zover het afleggen van die bezoeken langer dan vier weken voortduurt. Het ligt op de weg van de belanghebbende om aan te tonen dat er in de eerste 4 weken reiskosten zijn gemaakt. Vanaf de vierde week kunnen de reiskosten pas in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Ook indien op voorhand duidelijk is dat de ziekenhuisopname vier weken of meer gaat duren, verstrekt het college in principe pas bijzondere bijstand nadat feitelijk vaststaat dat dit het geval is én de kosten vanzelfsprekend gemaakt worden. Daarnaast geldt onverkort dat het reizen van uitsluitend twee OV-zones geen noodzakelijke kosten zijn (zie verder het vierde lid). Indien echter meer dan twee zones wordt gereisd, dan komen de volledige gemaakte reiskosten in aanmerking voor bijzondere bijstand. Verder geldt uiteraard ook dat de aard van de relatie en de frequentie van de bezoeken bepalend zijn voor het vaststellen van de noodzaak. Derde lid, onderdeel e In dit onderdeel staat de mogelijkheid om reiskosten te vergoeden voor het bezoeken van een gezinslid of naast familielid in het geval van calamiteiten in Nederland. Daaronder worden bijvoorbeeld niet de reiskosten verstaan in verband met het overlijden van een bloedverwant die in het buitenland woonachtig is. Vierde lid Reiskosten die niet meer dan twee zones bedragen zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid van de wet. De ratio hiervan is dat deze afstand ook te voet of per fiets kan worden afgelegd. Het is een keuze van belanghebbende daar wel of geen gebruik van te maken. Kosten die voortkomen uit een eigen keuze zijn geen noodzakelijke kosten (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2010:BP0229). Er geldt een uitzondering in het geval ouders bezoeken afleggen aan hun kind in verband met het verblijf in een instelling op grond van de Jeugdwet of de Wet langdurige zorg. In die gevallen gaat het college uit van de reis van huis naar de instelling en weer terug. Vijfde lid Voor reiskosten die meer dan twee zones bedragen geldt dat het uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet zijn. Het spreekt voor zich dat ook de eerste twee zones dan voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Dit betekent dat de volledige gemaakte reiskosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Zesde lid Dit lid bepaalt waar het college de hoogte van de bijzondere bijstand op kan baseren. De noodzakelijke bezoekfrequentie bedraagt in principe maximaal twee keer per week. Het college kan daar gemotiveerd van afwijken als bijzondere omstandigheden daar aanleiding voor geven. Die kunnen betrekking hebben op de aard van de relatie. Denk bijvoorbeeld aan een ouder en een minderjarig kind. In ECLI:NL:CRVB:2012:BV1249 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de reiskosten voor een bezoek aan een gedetineerd kind extra kosten zijn die kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Als hoofdregel geldt het tarief van het OV volgens de 2de klasse rekening houdend met een eventuele kortingskaart. De kosten van een toeslagtrein komen niet voor vergoeding in aanmerking. Zevende lid Als belanghebbende daar om verzoekt kan ook een kilometervergoeding worden verstrekt. Dit gebeurt alleen indien belanghebbende naar oordeel van het college geen gebruik kan maken van het OV. Het tarief van € 0,23 is afgestemd op het tarief, dat de Belastingdienst hanteert wanneer reiskosten worden opgevoerd als aftrekpost voor de Inkomstenbelasting. In voorkomende gevallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gebaseerd op de (kortste) reisafstand volgens de ANWB-routeplanner. Alleen reiskosten worden vergoed, dus overige kosten zoals de kosten van parkeren komen niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel 7.2 Reiskosten (partieel) leerplichtige kinderen Eerste lid Het kan voorkomen dat (partieel) leerplichtige kinderen niet in aanmerking komen voor bijzonder leerlingenvervoer en toch verder moeten reizen naar het onderwijsinstituut. Om die reden moeten de ouders daar dan kosten voor maken. Bijvoorbeeld omdat het leerplichtige kind niet op het dichtstbijzijnde onderwijsinstituut geplaatst kan worden. In het algemeen kan de bijzondere bijstand gedurende het schooljaar (± 10 maanden) verstrekt worden. Hoofdstuk 8. Overige kostensoorten Artikel 8.1 Legeskosten verblijfsvergunning Eerste lid Voor asielgerechtigden met BRP-code 26/27 en 33 met document III of IV kan in verband met gezinshereniging wel bijzondere bijstand worden verstrekt. Derde lid Dit lid bepaalt de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen. In het geval van vertaalkosten geldt de voorwaarde dat de vertaling door een beëdigde vertaler moet zijn uitgevoerd. Artikel 8.2 Kleding en schoeisel Eerste lid De kosten van kleding en schoeisel vallen onder de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. In dit artikel zijn een aantal uitzonderingen opgenomen wanneer toch bijzondere bijstand mogelijk is. Tweede lid Dit lid bepaalt de uitzonderingen. In het geval van detentie kan het zijn dat belanghebbende bijna over geen kleding beschikt. Er moet concreet worden aangegeven welke kleding er nodig is. Beschikt belanghebbende nog wel over enige kleding, dan wordt de hoogte van de bijstand daarop afgestemd. Om de aanvraag voor de onderdelen b en c te beoordelen kan het aangewezen zijn dat het college deskundigenadvies inwint. Derde lid In deze situatie vraagt het college geen deskundigenadvies. Artikel 8.3 Meerkosten dierenarts hulphonden Eerste lid Kosten die verband houden met het bezit van bijvoorbeeld een hond als huis- of gezelschapsdier – waaronder kosten van de dierenarts – behoren tot de algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan (ECLI:NL:CRVB:2016:318 en zie ook ECLI:NL:CRVB:2004:AR6217). Het kan echter voor komen dat er toch een noodzaak bestaat tot het vergoeden van de noodzakelijke meerkosten van de dierenarts in het geval sprake is van een hulphond. Het ligt niet voor de hand dat het college zelf de medische of psychosociale indicatie kan vaststellen. Daarom sluit het college aan bij die hulphonden die op grond van de Regeling Zorgverzekering als zodanig worden erkend. Van meerkosten is sprake als de (medische) kosten voor de hulphond zo hoog oplopen dat deze de reguliere kosten, die zijn verbonden aan het hebben van en de zorg voor een hond, overstijgen. Het is in een dergelijk geval aan de aanvrager aannemelijk te maken dat sprake is van noodzakelijke meerkosten, dat deze kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en dat zij niet uit het beschikbare inkomen kunnen worden voldaan. Tweede lid Dit lid bepaalt dat de (reguliere) dierenartskosten die verband houden met de zorg van een huis- of gezelschapsdier niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van diverse inentingen, jaarlijkse controles e.d. Die kosten heeft immers iedereen. Derde lid Het spreekt voor zich dat het college rekening houdt met (gedeeltelijke) vergoedingen die verkregen kunnen worden op grond van andere regelingen. Zo kan bijvoorbeeld een vrijwillige verzekering voor huis- of gezelschapsdieren (een deel van) de kosten vergoeden. Het afsluiten van zo’n verzekering kan niet verplicht worden gesteld. Artikel 8.4 Uitvaartkosten Eerste lid De kosten van de uitvaart vallen toe aan de nalatenschap van de overledene. Indien belanghebbende de nalatenschap vol heeft aanvaard is hij verantwoordelijk voor die kosten. In het geval van meerdere erven dan zijn alle erfgenamen naar rato verantwoordelijk. Het kan echter enige tijd duren voordat bekend is of de nalatenschap vol wordt aanvaard omdat bijvoorbeeld niet bekend is of er schulden zijn. Tweede lid Het college mag afwijken van het vastgestelde bedrag indien daar gegronde redenen voor zijn. In dat geval kan een hoger bedrag dat is vastgesteld aan bijzondere bijstand worden toegekend. Artikel 8.5 Kosten bewindvoering Algemeen Problematische schulden of verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De noodzaak voor de toekenning van bijzondere bijstand wordt aangetoond door middel van overlegging van de beschikking van de kantonrechter tot deze beschermingsmaatregel. De gemeente kan gedurende de toekenning van de bijzondere bijstand voor bewindvoering op ieder moment aanvullende gegevens opvragen bij de bewindvoerder. Daarbij wordt beoordeeld of de uit de bewindvoering voortvloeiende werkzaamheden zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Het is aan de bewindvoerder om aan te tonen dat de uit de bewindvoering voortvloeiende werkzaamheden zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Met betrekking tot schulden heeft de gemeente Rotterdam samenwerkingsafspraken met beschermingsbewindvoerders vastgelegd in een convenant. (Externe link: https://www.rotterdam.nl/werken-leren/bewindvoerders/) Alternatief aanbod Gedurende de looptijd van een minnelijke schuldregeling kan de gemeente (in overleg met de klant, KBR en de bewindvoerder) informeren of een andere vorm van schulddienstverlening (budgetbeheer, coaching etc.) passender is in het individuele geval. Vierde lid De kosten van bewindvoering die verband houden met het beheer van een persoonsgebonden budget (pgb) zijn feitelijk te vermijden door voor zorg in natura te kiezen. Dit betekent dat het geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet (ECLI:NL:CRVB:2015:1654). Daarbij wordt ook opgemerkt dat in het kader van het trekkingsrecht voor pgb’s de Sociale verzekeringsbank het feitelijk beheer van dat pgb op zich neemt (Jeugdwet, Wet langdurige zorg en Wmo 2015). Er kan uitsluitend bijzondere bijstand worden toegekend voor deze kosten indien de aanvrager aantoont dat in zijn specifieke geval redelijkerwijs geen sprake was van een keuze voor zorg in natura. Artikel 8.6 Schulden Tweede en derde lid Het treffen van een schuldregeling of het wijzen op de mogelijkheden van een schuldsanering heeft in het algemeen prioriteit omdat deze opties kunnen bijdrage aan een nieuwe start voor de aanvrager. Vierde lid Alleen in geval van zeer dringende reden kan het college overgaan tot bijstandsverlening voor schuldsanering als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de onderdelen a tot en met c van dit lid. Of het niet verantwoord is de schuldsanering af te wijzen beoordeelt het coll