Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2024Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Participatiewet (PW), de Wet inkomensondersteuning oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Integrale Verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde; besluit vast te stellen de hieronder beschreven: 'Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2024' Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1.1.Begrippen In de volgende hoofdstukken wordt verstaan onder: arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met een arbeidsovereenkomst wordt gelijkgesteld, een aanstelling op grond van het ambtenarenrecht en een overeenkomst waarbij de belanghebbende gedetacheerd wordt bij een organisatie in de collectieve of marktsector; belanghebbende: degene die een aanvraag doet als bedoeld in de Participatiewet, de loaw, de loaz of degene die een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, loaw of de loaz, dan wel bijzondere bijstand of een inkomens- of studietoeslag of enige vorm van ondersteuning bij de re-integratie in de arbeid als bedoeld in de Participatiewet, de loaw of de loaz. beleidsregels: Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2024; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar belanghebbende woonachtig is, onderscheidenlijk de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde; draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de bijzondere kosten te voorzien; draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van de belanghebbende wordt vastgesteld; gift: een bijdrage of meerdere bijdragen met een onverplicht karakter, zonder eraan verboden wederdienst, als bedoeld in artikel 31 tweede lid, onderdeel n van de Participatiewet grondslag: de voor de werkloze werknemer dan wel gewezen zelfstandige toepasselijke grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ; inkomstenvrijlating: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n dan wel r dan wel y van de Participatiewet, artikel 8 lid 2 dan wel lid 5 van de IOAW en artikel 8 lid 3 dan wel lid 9 van de IOAZ; inkomsten uit arbeid: inkomsten uit arbeid waarop loonbelasting of inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet dan wel andere wettelijk verplichte bijdragen ingehouden en afgedragen zijn aan de aangewezen uitvoeringsorganen; inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 1 7 lid 1 Pw, artikel 1 3 lid 1 van de IOAW, artikel 1 3 lid 1 van de IOAZ en artikel 30c, lid 2 en 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waarbij belanghebbende onverwijld en uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of recht op bijstand; minimum inkomen: inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; SMI: afkorting voor sociaal medische indicatie in het kader van kinderopvang structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie. structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen. Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bijvoorbeeld bij: mantelzorg; een gebroken been of arm; kortdurende beperkingen; beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken. verordening: de Integrale Verordening Sociaal Domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde; wet: Participatiewet; woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een koopwoning, woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 van de Participatiewet. woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud; woonkostentoeslag: bij een huurwoning de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag bij een eigen woning de tot een bedrag per maand omgerekende som van: de hypotheekrente na aftrek van de hiermee verband houdende belastingteruggaaf; de inverband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten waaronder in ieder geval begrepen de waterschapslasten, de rioolrechten, de onroerendgoedbelasting (eigenarendeel), de premie voor een brand/opstalverzekering en de erfpachtcanon; een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. Wtos: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel1.2.Overige begrippen In deze beleidsregels wordt onder de overige begrippen verstaan datgene wat daar onder in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, alsmede de Algemene wet bestuursrecht en in artikel 2.1. van de Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde, wordt verstaan. Hoofdstuk2Re-integratie 2.1.Algemene bepalingen Artikel2.1.1Re-integratietraject/ Plan van aanpak 1.Richting belanghebbende wordt goede en begrijpelijke informatie verschaft over alle regels, rechten, plichten en voorzieningen die onderdeel kunnen zijn van een re-integratietraject. 2.Het college organiseert de ondersteuning en voorzieningen zodanig dat een samenhangend aanbod van arbeidstoeleiding ontstaat, die recht doet aan de diversiteit van de doelgroep en de vraag van de markt. 3.Bij het bieden van ondersteuning bij arbeidsinschakeling wordt in samenspraak met de belanghebbende de inhoud van het re-integratietraject bepaald met als doel de kortste weg naar betaald werk te realiseren en uitstroom uit de uitkering te bewerkstelligen; 4.De wederzijdse afspraken worden schriftelijk vastgelegd en aan belanghebbende kenbaar gemaakt. 2.2.Ondersteuning bij arbeidsinschakeling Artikel2.2.1Bepalingen over voorzieningen 1.Belanghebbende kan aanspraak maken op re-integratievoorzieningen die bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling. 2.Indien belanghebbende niet of niet behoorlijk aan de verplichtingen van de wet voldoet, kan het college bepalen geen re-integratievoorzieningen beschikbaar te stellen of lopende re-integratievoorzieningen te beëindigen. 3.Als een re-integratievoorziening is gestart, moet belanghebbende deze afronden. Alleen indien de belanghebbende duurzame arbeid heeft verworven en/of toestemming heeft gehad van het college, kan hij de re-integratievoorziening voortijdig beëindigen. 4.Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen, naast re-integratiebedrijven, afspraken maken met derden, waaronder werkgever. Artikel2.2.2Participatieplaats 1.Aan belanghebbende kan een participatieplaats aangeboden worden als onderdeel van een re-integratietraject. 2.De voorziening participatieplaats wordt ingezet voor belanghebbenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.De participatieplaats kenmerkt zich door: Het werken met behoud van uitkering; Het werken bij een publiek/privaat bedrijf of instelling; Er wordt geen arbeidsovereenkomst overeengekomen en er wordt geen (tijdelijke) loonkostensubsidie verstrekt en geen jobcoaching; Niet de waarde van de activiteiten voor de onder b. genoemde organisatie staat centraal, maar het opdoen van arbeidsmarktrelevante kennis, competenties en werkervaring; Er is een maximale duur van 12 maanden, met een verlengingsmogelijkheid van l 2 maanden extra als dit de kans op inschakeling in het arbeidsproces aanzienlijk verbetert. 4.Het college beoordeelt na een periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of de participatieplaats de kans op inschakeling in het arbeidsproces voor belanghebbende heeft vergroot. Indien dat niet het geval is wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd. 5.De premie, bedoeld in artikel 1 0a lid 6 van de wet: bedraagt€ 300,00 per zes maanden, als voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Wanneer de belanghebbende korter dan zes maanden actief is in de participatieplaats, maar naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces, wordt de premie naar rato toegekend. Artikel2.2.3Proefplaatsing Het instrument proefplaatsing is voor uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die onder de banenafspraak vallen. Een proefplaatsing kan voor de duur van 2 maanden aangeboden worden als onderdeel van een re-integratietraject. De proefplaatsing kan in uitzonderlijke gevallen verlengd worden met 2 maanden tot een maximum van 6 maanden, als dit in het belang van de re-integratie van de belanghebbende is en de duurzame uitstroom naar werk bevordert; Een proefplaatsing heeft als doel: Het opdoen van werkervaring bij een werkgever met als doel te onderzoeken in hoeverre de plaatsing kan worden omgezet in een arbeidscontract bij deze werkgever; Vaststelling van de loonwaarde van belanghebbende voor de loonkostensubsidie. Bij een proefplaatsing, als bedoeld in lid 3, onder ais het de intentie van werkgever om aansluitend een dienstverband zonder proeftijd aan te gaan, minimaal voor de duur van een half jaar; Voorafgaand aan de proefplaatsing wordt met de werkgever en de bijstandsgerechtigde een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin de werkzaamheden, begeleiding, taken en verplichtingen, duur en omvang worden vastgelegd. Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een participatieplaats als bedoeld in artikel 2.2.2 is ingezet. Artikel2.2.4Beschut werk 1.Plaatsing op een beschutte werkplek loopt via het sociaal ontwikkelbedrijf. 2.In afwijking van lid 1 kan het college zelf tot plaatsing van een werkplek overgaan indien er al een werkplek in beeld is en de noodzakelijke begeleiding kan organiseren. 3.Bij de uitvoering van Beschut Werken wordt invulling gegeven aan de principes 'zo regulier mogelijk' en 'zo lokaal mogelijk'. 4.Indien het college heeft voldaan aan het aantal ten minste te realiseren dienstbetrekkingen beschut werk zoals vastgelegd in de ministeriële regeling tot vaststelling van de aantallen beschut werk zal voor nieuwe indicaties beschut werk een wachtlijst gelden. 5.Personen die tot de doelgroep jongeren behoren hebben voorrang op de wachtlijst, tenzij het beschikbare beschut werk niet aansluit op hun persoonlijke arbeidsmogelijkheden. 6.Belanghebbenden die op de wachtlijst staan, kunnen in aanmerking komen voor de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zoals opgenomen in de verordening. Artikel2.2.5Loonkostensubsidie 1.Bij een dienstverband met loonkostensubsidie wordt de loonwaarde op de werkplek vastgesteld. 2.De loonkostensubsidie is in principe niet gebonden aan een termijn en kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. 3.De loonwaarde en de loonkostensubsidie worden minimaal één keer per drie jaar opnieuw beoordeeld, tenzij voor alle betrokken partijen duidelijk is dat dit geen meerwaarde zal hebben. Wordt de loonkostensubsidie ingezet bij de voorziening beschut werk, dan worden de loonwaarde en loonkostensubsidie minimaal eenmaal per drie jaar vastgesteld. 4.Ten behoeve van een persoon met een uitkering WW van het UWV, die is opgenomen in het doelgroepenregister van het UWV, kan het college een structurele loonkostensubsidie beschikbaar stellen. 5.Boven op de loonkostensubsidie wordt daarnaast een bedrag voor vergoeding van werkgeverslasten opgenomen, waarbij gedacht kan worden aan premies werknemersverzekering, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremie. Het subsidiepercentage is bij ministeriële regeling vastgesteld. 6.De hoogte van de subsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Wanneer de werknemer een cao-loon heeft dat hoger is dan het Wettelijk Minimumloon, dan zijn de meerkosten voor rekening van de werkgever. Artikel2.2.6Persoonlijke voorziening 1.Op aanvraag van een belanghebbende kan een persoonlijke voorziening worden aangeboden, die nodig is om het werk goed kunnen verrichten; 2.Een voorziening wordt verleend indien en zolang de inzet hiervan noodzakelijk en doelmatig is. Hierbij kan een medisch of arbeidsdeskundig advies worden gevraagd; 3.Een persoonlijke voorziening kan bestaan uit het feitelijk beschikbaar stellen daarvan of vergoeding van de kosten; 4.Aan de toekenning van een persoonlijke voorziening kunnen voorwaarden worden verbonden die gericht zijn op een goed gebruik ervan voor het doel waarvoor deze is verleend; 5.Er wordt een drempelbedrag gehanteerd overeenkomstig de normbedragen voorzieningen van het UWV. Voorzieningen die minder dan dit bedrag kosten, worden niet vergoed. Meerdere aangevraagde voorzieningen die ieder minder kosten dan het drempelbedrag kunnen worden opgeteld en vergoed. 6.Een voorziening moet adequaat en passend zijn en de kosten van de voorziening proportioneel. 7.Belanghebbenden met een visuele beperking of zij die een tolkvoorziening nodig hebben kunnen een aanvraag voor een werkvoorziening indienen bij het UWV. Artikel2.2.7Persoonlijke ondersteuning bij werk 1.Persoonlijke ondersteuning bij werk kan op de volgende manieren worden ingezet. Jobcoaching in natura vanuit een gecontracteerde partij door de gemeente. Jobcoaching door een externe partij naar keuze. Jobcoaching (via een subsidie) ingehuurd door of in dienst bij de werkgever. Door interne werkbegeleiding of mentor (via een subsidie) in dienst bij de werkgever. 2.De keuze voor de in te zetten jobcoach of werkbegeleider wordt bepaald door de gemeente in samenspraak met de werkgever en werknemer, met inachtneming van artikel 2.2.9, lid 2. 3.Er zijn twee elementen van belang bij de keuze voor de soort jobcoach of werkbegeleider: Jobcoaching of werkbegeleiding is een werknemersvoorziening. De voorziening wordt toegekend voor de werknemer. De werknemer moet zich goed, veilig en vertrouwd voelen bij de jobcoach of werkbegeleider, zodat de kans op succes vergroot wordt. Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk jobcoaches per werkgever. Indien een werknemer zowel jobcoaching als werkbegeleiding nodig heeft kan de gemiddelde subsidie niet meer bedragen dan het tarief wat gekoppeld is aan het begeleidingsregime zwaar zoals in artikel 2.2.9 lid 7 is genoemd. 4.Het college kan met een werkgever, die vanuit sociaal ondernemerschap meerdere werknemers in dienst heeft waarvoor persoonlijke ondersteuning bij werk noodzakelijk is, specifieke afspraken maken over de invulling en subsidiëring van individuele of groepsgewijze ondersteuning. De gemiddelde subsidie per werknemer kan niet meer bedragen dan het tarief wat gekoppeld is aan het begeleidingsregime zwaar zoals in artikel 2.2.9 lid 7 is genoemd. Artikel2.2.8Onderscheid tussen jobcoaching en werkbegeleiding 1.Jobcoaching is gericht op baanbehoud en zelfstandig functioneren van een kandidaat. Daarnaast kan jobcoaching gericht zijn op begeleiding van de werkgever met als doel de directe collega’s van de kandidaat en zijn direct leidinggevende zodanig te coachen dat zij na afloop zelfstandig de begeleiding kunnen verzorgen. 2.Werkbegeleiding is gericht op begeleiding op de werkplek door een collega die getraind is in het begeleiden van de werknemers met een arbeidsbeperking. De focus ligt alleen op de werkplek en niet ook op andere leefgebieden, zoals bij jobcoaching. Deze vorm wordt ingezet als er vooral behoefte is aan constante begeleiding op de werkplek en minder aan ondersteuning op de andere leefgebieden. Artikel2.2.9Jobcoaching 1.Bij een 0-urenovereenkomst wordt geen subsidie toegekend. 2.Het college biedt een jobcoach in natura aan, tenzij de werkgever of belanghebbende een interne of externe jobcoach wenst in te zetten. 3.Bij de aanvraag voor externe jobcoaching dient de aanvrager aan te tonen dat de beoogde jobcoach voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen zoals genoemd in bijlage l van de verordening. 4.Voor de intensiteit van jobcoaching gelden drie regimes: Begeleidingsniveau Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Licht 3% 3% 3% Midden 6% 5% 3% Zwaar 10% 7,5% 6% 5.De toekenning van het regime in natura vindt plaats op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar met de volgende maximale vergoeding: Begeleidingsniveau Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Licht 32 uur 16 uur 16 uur Midden 52 uur 26 uur 16 uur Zwaar 76 uur 40 uur 32uur 6.Voor externe jobcoaching via een subsidie geldt een tarief van€ l 03,24 per uur. Dit betreft een all-in tarief exclusief BTW waarin onder andere de reiskosten en reistijd zijn opgenomen. 7.Voor interne jobcoaching gelden de volgende maximumbedragen op basis van een 36-uur per week, bij minder uren is de vergoeding naar rato. Begeleidingsniveau Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Licht € 3.277,55 € 1.699,47 € 1.699,47 Midden € 5.583,98 € 2.791,99 € 1.699,47 Zwaar € 8.254,58 €4.127,29 € 3.277,55 8.De tarieven worden jaarlijks door het college vastgesteld. 9.Minimaal iedere 12 maanden beoordeelt het college of voortzetting wenselijk is. 10.De aanvrager stelt het college terstond in kennis van een wijziging van de bestaande dienstbetrekking. Dit kan leiden tot een tussentijdse heroverweging van het verleende subsidiebedrag. 11.Een jobcoach wordt niet langer ingezet dan voor de duur van de proefplaatsing of voor de duur van een arbeidsovereenkomst met een maximum van 3 jaar. Artikel2.2.10Interne werkbegeleiding 1.Bij een 0-urenovereenkomst wordt geen subsidie toegekend. 2.De begeleidende medewerker: heeft een training gevolgd om iemand met een afstand tot de arbeidsmarkt te begeleiden op de werkplek. ervaring met het geven van werkinstructies. ervaring met de werkzaamheden die de werknemer gaat uitvoeren is voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld is om de begeleiding op zich te kunnen nemen. 3.De subsidie is bedoeld als compensatie voor het productieverlies van de begeleidende medewerker. 4.De subsidie bedraagt€ 1699,47 op jaarbasis bij een dienstverband van 36 uur, bij minder uren is de vergoeding naar rato. 5.Wordt voor een werknemer zowel jobcoaching (in natura of subsidie) als interne werkbegeleiding ingezet, dan kan het totale vergoeding voor een werknemer niet meer bedragen dan het maximumtarief wat gekoppeld is aan het begeleidingsregime zwaar zoals in artikel 2.2.9 lid 7 is genoemd. 2.3.Arbeids Ontheffingen Het college kan op individuele basis in de onderstaande gevallen (tijdelijk) ontheffing verlenen van de arbeidsplicht en/of de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie. Artikel2.3.1Tijdelijke ontheffing vanwege dringende redenen van medische of sociale aard 1.Het college verleent, conform artikel 9, tweede lid van de wet, of artikel 37a, eerste lid IOAW/IOAZ tijdelijk ontheffing van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde met ernstige medische of sociale belemmeringen die als gevolg hiervan niet of nauwelijks in staat kan worden geacht om de arbeidsplicht na te komen. De ontheffing staat in relatie tot de arbeidsmogelijkheden. 2.Van dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de wet, is sprake indien een of meerdere acute en/of verslechterende klachten en beperkingen bij belanghebbende de inschakeling in het arbeidsproces onmogelijk maken. 3.De medische of sociale belemmeringen, alsmede de arbeidsmogelijkheden worden in beginsel door een onafhankelijk extern deskundige beoordeeld. Alleen als al wordt beschikt over bewijsstukken die voldoende aantonen dat belanghebbende niet in staat is om te werken door medische of sociale belemmeringen kan worden afgeweken van het inwinnen van advies bij een onafhankelijk extern deskundige. 4.Het college verleent een ontheffing voor de duur van de beperkingen tot maximaal twaalf maanden. Indien er na deze periode nog steeds sprake is van belemmeringen zoals genoemd in het eerste lid, kan ontheffing worden verleend voor de duur van maximaal 36 maanden. 5.De re-integratieplicht, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b, van de wet, blijft gedurende de periode van ontheffing van kracht. Artikel2.3.2Ontheffing alleenstaande ouder 1.Het college verleent, op grond van artikel 9a van de wet of artikel 38, eerste lid, van de IOAW/IOAZ, een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar - op verzoek van de betrokkene - eenmalig een ontheffing van de de arbeidsplicht; 2.De re-integratieplicht, in artikel 9, eerste lid onder b, van de wet, blijft van kracht. 3.Het college stelt binnen uiterlijk 6 maanden na het verzoek tot ontheffing door de alleenstaande ouder een plan van aanpak op, zoals bedoeld in artikel 9a, zevende lid, van de Participatiewet of artikel 38, zevende lid, van de IOAW/IOAZ. 4.Het college verricht iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het plan van aanpak opgenomen voorziening en de naleving hiervan door de alleenstaande ouder. 5.Wanneer niet wordt meegewerkt aan een plan van aanpak, of dit plan wordt niet nageleefd, dan vervalt de ontheffing en is de arbeidsplicht weer van toepassing. 6.Het college verleent een tijdelijke ontheffing van de arbeidsplicht aan een alleenstaande ouder met een zorgplicht voor een kind jonger dan 12 jaar zo lang passende kinderopvang en voldoende scholing ontbreekt en als gevolg hiervan de belastbaarheid van de ouder in redelijkheid geaccepteerde arbeid in de weg staat. Artikel2.3.3Ontheffing personen verblijvend in Wlz-instelling 1.Het college verleent in individuele gevallen een ontheffing van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde die in een Wlz-instelling woont. 2.De ontheffing wordt verleend voor de duur van het verblijf in de instelling met een maximum van 36 maanden. Artikel2.3.4Ontheffing vanwege dringende redenen vanwege werkzaamheden als mantelzorger 1.Het college verleent in individuele gevallen een ontheffing van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde die noodzakelijke mantelzorg verricht voor een zorgbehoevende bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad met een indicatie van acht uur of meer per week, zo lang hierin niet op andere wijze kan worden voorzien. 2.De ontheffing geldt maximaal voor de duur dat de mantelzorg noodzakelijk is en duurt maximaal 12 maanden. De ontheffing kan vanwege individuele omstandigheden verlengd worden. 3.De re-integratieplicht, in artikel 9, eerste lid onder b, van de wet, blijft gedurende de ontheffingsperiode voor de mantelzorger van kracht. 4.Het college verleent geen ontheffing indien het de verrichte mantelzorg niet in redelijke verhouding staat tot de arbeids- en/of re-integratieplicht van betrokkene. 5.Het college kan een onafhankelijke externe deskundige om advies vragen inzake de noodzaak van het aantal uren waartoe de ontheffing noodzakelijk is, evenals de duur van de ontheffing en eventuele verlenging. Artikel2.3.5Ontheffing bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid 1.Het college verleent, conform artikel 9, vijfde lid van de wet, volledige en permanente ontheffing van de arbeidsplicht, de re-integratieplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 2.De toetsing aan artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt gebaseerd op een geneeskundig- en arbeidskundig onderzoek, uitgevoerd door een onafhankelijke externe deskundige. 3.Het geneeskundig- en arbeidskundig onderzoek gaat in alle gevallen uit van algemeen geaccepteerde arbeid en de tegenprestatie naar vermogen. Artikel2.3.6Hercontrole en intrekken ontheffing 1.Wanneer er sprake is van een ontheffing op grond artikel 2.3.l tot 2.3.5 dan vindt er minimaal jaarlijks een contactmoment of hercontrole plaats. 2.Het college kan besluiten een eerder verleende ontheffing in te trekken indien de gronden waarop de ontheffing is verleend zijn gewijzigd. Hoofdstuk3Inkomensondersteuning 3.1.Regels over lnkomstenvrijlating Artikel 3.1.1 lnkomstenvrijlating 1.Aanvaarding van betaalde werkzaamheden gedurende de bijstandsperiode wordt in beginsel geacht bij te dragen aan arbeidsinschakeling. 2.De inkomstenvrijlating is van toepassing op inkomsten uit arbeid die na de ingangsdatum van de uitkering zijn aangevangen. 3.Bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid bij aanvang van de uitkering geldt de inkomstenvrijlating vanaf het moment dat er sprake is van een structurele urenuitbreiding. 4.Als inkomsten uit arbeid in deeltijd worden mede aangemerkt: doorbetaling van loon door de werkgever tijdens ziekte; een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met zwangerschap en bevalling; een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met ziekte als gevolg van zwangerschap of bevalling; inkomsten uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep als deeltijdzelfstandige. 5.Voor toepassing van de inkomstenvrijlating op de inkomsten, als bedoeld in lid 4 onder d, dient een uitkeringsgerechtigde door het college aangemerkt te zijn als deeltijd- of marginaal zelfstandige. 6.Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk. 7.De inkomstenvrijlatingen zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n, r, y, zen aa van de Participatiewet kunnen worden opgeschort gedurende de maanden dat er geen inkomsten worden verworven. 8.Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat één keer per bijstandsperiode. 9.Als de uitkeringsperiode ten minste 6 maanden wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op de inkomstenvrijlating. 10.De inwoner heeft geen recht op inkomstenvrijlating als hij inkomsten uit arbeid heeft en deze inkomsten niet gemeld heeft. De inwoner heeft dan niet voldaan aan de in Iichtingenplicht. 3.2.Middelentoets Artikel3.2.1Giften 1.Giften tot een totaalbedrag van maximaal€ 1 .200,00 per kalenderjaar worden vrijgelaten. 2.Giften boven de€ 1.200,00 per kalenderjaar worden individueel beoordeeld. Hierbij wordt bezien of de hoogte en de reden van de gift vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. 3.Giften in de vorm van verstrekkingen van erkende charitatieve instellingen - waaronder de Voedselbank, Kledingbank, Speelgoedbank, Stichting Urgente Noden, Stichting Leergeld en diaconale of vergelijkbare voorzieningen - worden vrijgelaten. 4.Giften met een specifieke bestemming worden vrijgelaten, indien belanghebbende, wanneer hij de gift niet had ontvangen, aanspraak had gemaakt op bijzondere bijstand op grond van de wet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. 5.Belanghebbende dient desgevraagd aan te kunnen tonen dat de gift is besteed aan de in het vierde lid bedoelde bestemming. 6.Voor alle giften geldt een meldingsplicht. Artikel3.2.2Voedingsgeld Voedingsgeld, waaraan een Wlz-indicatie ten grondslag ligt, dat door een instelling structureel aan belanghebbende wordt overgemaakt ter compensatie van eten, drinken en wassen op grond van de Wlz, wordt niet als middel in aanmerking genomen. Artikel3.2.3Materiële en immateriële schadevergoeding 1.De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt. 2.Indien de schadevergoeding voor immateriële schade meer bedraagt dan€ 5.000, wordt 2/3 deel van het meerdere van het bedrag in aanmerking genomen als vermogen. Er moet altijd een individuele afweging plaatsvinden om vast te stellen of een hoger bedrag moet worden vrijgelaten. Daarnaast blijft de vermogensvrijlating als genoemd in artikel 34, derde lid van de wet van toepassing. 3.Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft. Artikel3.2.4Erfenissen 1.Erfenissen worden in lijn met giften behandeld en komen in aanmerking voor de vrijlating beschreven in artikel 3.1, eerste lid van de beleidsregels. Het meerdere wordt in aanmerking genomen als vermogen. 2.Voor erfenissen geldt altijd een meldplicht vanaf het moment van overlijden van de erflater of vanaf het moment dat belanghebbende redelijkerwijs kon weten dat hij aanspraak heeft op een erfenis. De hoogte van de erfenis is bij de melding (nog) niet van belang en hoeft dus ook niet bekend te zijn. 3.Een toename van het vermogen als gevolg van een erfenis wordt meegenomen vanaf de datum van overlijden van de erflater. Is het vermogen na een erfenis hoger dan de van toepassing zijnde vermogensgrens dan wordt de te veel betaalde bijstand netto teruggevorderd rekening houdend met de successierechten. Artikel3.2.5Normwijziging bij verblijf in inrichting 1.Belanghebbenden die een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen en (tijdelijk) worden opgenomen in een inrichting behouden hun dan geldende bijstandsnorm, gedurende de maand van opname, plus de daaropvolgende twee maanden. Vervolgens wordt de norm per eerste dag van de derde maand omgezet naar de inrichtingsnorm. 2.Voor iemand die geen woonlasten heeft geldt de norm inrichting vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de opname heeft plaatsgevonden. Artikel3.2.6Vermogen in eigen woning 1.Het vermogen in de eigen woning, voor zover hoger dan de vermogensgrens, bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d van de wet, wordt niet vrijgelaten. Voor zover het vermogen in de eigen woning hoger is dan de vermogensgrens wordt deze volledig als vermogen aangemerkt. 2.Bij de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de geldende WOZ-waarde minus het saldo van de hypotheek die op de woning rust. Dit geldt ook bij een spaarhypotheek. Artikel3.2.7Waarde voertuigen bij vermogensvaststelling I.De waarde van een vervoermiddel wordt voor het vaststellen van het vermogen als volgt in aanmerking genomen en vastgesteld: bij een waarde tot of gelijk aan€ 5.000,00 wordt een vervoermiddel als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten bij de vermogensvaststelling; als de totale waarde van de vervoermiddelen (auto's, motoren, scooters en brommers) tezamen meer bedraagt dan€ 5.000,00, wordt het meerdere in aanmerking genomen bij de vermogensvaststelling; De BOVAG/ANWB koerslijst wordt gehanteerd bij de waardebepaling. De waarde wordt gebaseerd op de inruilwaarde; Wanneer de waarde niet bepaald kan worden door de BOVAG/ANWB koerslijst, wordt de waarde bepaald door middel van aankoopbewijzen, leeftijd, opgegeven onderhoudstoestand en vergelijkingen in aanbiedingen op websites voor tweedehands auto's (Autotrack). Dit is de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 lid l onder a, PW). 2.Wanneer het gaat om een voertuig dat aantoonbaar om medische redenen is aangepast en gelet op de persoon noodzakelijk is, wordt de gehele waarde vrijgelaten. 3.Caravans, campers, vrachtwagens, tractoren, boten, jachten en dergelijke worden niet als algemeen gebruikelijk aangemerkt en volledig als vermogen in aanmerking genomen volgens de waarde in het economisch verkeer zoals beschreven onder lid l onder d. Artikel3.2.8Reservering uitvaartkosten Een ieder wordt geacht een verzekering afgesloten te hebben voor de kosten van een uitvaart. De waarde van de uitvaartverzekeringen voor de kosten van een uitvaart tot €10.000 per verzekerde worden in beginsel vrijgelaten. Reserveringen voor de uitvaart tot €10.000 worden niet als middelen in aanmerking genomen op voorwaarde dat het tegoed niet vrijelijk besteed kan worden en slechts alleen bij overlijden kan worden opgenomen door een gemachtigde. Artikel3.2.9Bijzondere bezittingen I.Van de hieronder genoemde overige bezittingen dienen altijd bewijsstukken te worden ingeleverd: onroerend goed in het binnen en/of buitenland; e-wallet (bijvoorbeeld Paypal); inhoud gehuurde bankkluis; cryptomunten; aandelen; effecten; overige bijzondere bezittingen. 2.De actuele waarde van deze bezittingen wordt tot het vermogen gerekend. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer. Als de waardevermeerdering van de onder dit artikel genoemde bezittingen tijdens de bijstand het resterend vrij te laten vermogen overschrijdt dient belanghebbende deze wijziging binnen 14 dagen door te geven. 3.3.Inlichtingenplicht Artikel3.3.1Onverwijld uit eigen beweging 1.Het college verstaat onder 'onverwijld uit eigen beweging' als bedoeld in artikel l 7, eerste lid PW en artikel l 3, eerste lid van de IOAW en IOAZ, dat belanghebbende zonder dat het college daar gericht naar moet vragen, alle wijzigingen die van belang zijn voor het recht op uitkering verstrekt. 2.Er wordt tijdig voldaan aan de inlichtingenplicht als de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen een termijn van uiterlijk 14 dagen gerekend vanaf het moment waarop het te melden feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan dan wel kenbaar werd. Hoofdstuk4Bijzondere bijstand 4.1Algemene bepalingen Bijzondere bijstand is maatwerk op het gebied van de bijzondere noodzakelijke kosten die niet door belanghebbende zelf uit diens draagkracht kunnen worden betaald. Aan de bijzondere bijstand zijn de in artikel 35 van de Wet genoemde voorwaarden verbonden. Artikel4.1.1Drempelbedrag Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een drempelbedrag voor de bijzondere bijstand toe te passen. Artikel4.1.2Beoordeling noodzakelijkheid 1.Bijzondere bijstand dient in beginsel te worden aangevraagd vóórdat de kosten zijn opgekomen, of binnen een termijn van 3 maanden nadat de kosten zijn opgekomen. 2.Bij de beoordeling van de bijzondere bijstand moet, naast de voorwaarden zoals benoemd in artikel l l tot en met 16 van de Wet, worden vastgesteld of aan de volgende voorwaarden is voldaan: De kosten doen zich voor; De kosten zijn in het individuele geval noodzakelijk; De kosten vloeien voort uit bijzondere individuele omstandigheden; De kosten kunnen niet worden voldaan uit de aanwezige middelen. 3.Indien de bijzondere bijstand is aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt, dan wordt de aanvraag voor bijzondere bijstand in behandeling genomen als: Deze wordt ingediend tot en met drie maanden na het moment waarop de kosten zich hebben voorgedaan, en; De noodzakelijkheid van de kosten kan worden vastgesteld; De aanvraag moet voldoen aan dezelfde voorwaarden als lid 2, b t/m d. 4.Op dit artikel is een overgangsperiode van toepassing en treedt in werking per l januari 2024. De termijn waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend ligt tot l januari 2024 op l 2 maanden. Artikel4.1.3Termijn periodieke bijzondere bijstand 1.De termijn van de periodieke bijzondere bijstand is gekoppeld aan de duur van de voorziening waarvoor bijstand wordt gevraagd, voor zover en zolang noodzakelijk. 2.Bij een periode langer dan 12 maanden vindt jaarlijks ter beoordeling van de rechtmatigheid van de verstrekking een toets plaats op de nog aanwezige noodzaak, de hoogte van de kosten, het inkomen en vermogen alsmede naar de woon- of leefsituatie. 3.In afwijking van lid 2 zal beoordeling van de rechtmatigheid eenmaal in de drie jaar plaatsvinden indien er geen draagkracht is en de verwachting is dat de inkomens en vermogenssituatie niet wijzigt. Artikel4.1.4Hoogte van de bijzondere bijstand 1.De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit de hoogte van de bijzonder noodzakelijke kosten verminderd met de vastgestelde draagkracht. 2.De hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst mogelijke adequate voorziening, waarbij gekeken moet worden naar overname binnen het netwerk of tweedehands artikelen. 3.Tenzij anders vermeld in deze beleidsregels, wordt de hoogte van de noodzakelijke kosten vastgesteld op basis van de maximale bedragen van de Nibud prijzengids. Indien de gevraagde kosten niet staan vermeld in deze Nibud prijzengids, wordt de hoogte op individuele basis vastgesteld. 4.Bijzondere bijstand is niet bedoeld voor kosten die algemeen gebruikelijk zijn. De bijstand wordt in het geval dat dit van toepassing is dan ook lager vastgesteld of zelfs helemaal afgewezen als de kosten volledig als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken. 4.2Draagkracht Artikel4.2.1Algemene bepalingen draagkracht 1.De draagkracht die in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld met inachtneming van de middelen als bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet. 2.Bij de bepaling van aanwezige draagkracht wordt in ieder geval rekening gehouden met de draagkrachtperiode, het vermogen en het inkomen. 3.Voor de vaststelling van de draagkracht zijn eveneens de bepalingen zoals benoemd in Hoofdstuk 3 van deze beleidsregels van toepassing. 4.Het college laat voor de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing: het inkomen in de vorm van een particuliere oudedagsvoorziening, zoals bedoeld in artikel 33, vijfde lid van de wet; de middelen zoals genoemd in artikel 31, lid 2 van de wet; de voor de persoon of het gezin algemeen gebruikelijke bezittingen in natura als bedoeld in artikel 34, tweede lid, sub a van de wet; Het vermogen in de eigen woning, bedoeld in artikel 50 lid 1 van de wet, voor zover dit vermogen minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 34 lid 2 sub d van de wet. 5.Bij een vermogen hoger dan de geldende vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, lid 3 van de wet, is er geen recht op bijzondere bijstand. Artikel4.2.2Draagkracht in inkomen 1.In het inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, is geen draagkracht aanwezig. De kostendelersnorm wordt niet toegepast. 2.Van het inkomen tussen de 120% en 1 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt 30% van het meerinkomen aangemerkt als draagkracht. 3.Bij het inkomen boven de 1 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag is geen recht op bijzondere bijstand. 4.1 00% van het meerinkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt aangemerkt als draagkracht bij: aanvullende bijstand voor levensonderhoud aan jongeren; een woonkostentoeslag. 5.De draagkracht wordt vastgesteld op basis van het feitelijk besteedbare inkomen in geval één of meer van de volgende situaties van toepassing is: de aanvrager een traject in het kader van de Wet schuldsanering volgt; er sprake is van beslaglegging; er sprake is van een minnelijke regeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, er sprake is van inhouding inzake een bestuursrechtelijke premie; 6.Indien de vastgestelde draagkracht minder dan€ 25 per jaar bedraagt, past het college deze draagkracht niet toe. Artikel4.2.3Vaststellen vermogen en maandinkomen 1.Als vermogen wordt in ogenschouw genomen het vermogen op de dag waarop de in aanmerking komende kosten zijn opgekomen. 2.Als maandinkomen wordt in ogenschouw genomen het inkomen over de maand voorafgaand aan de maand waarin de in aanmerking komende kosten zijn opgekomen. 3.Bij wisselende inkomsten wordt voor het vaststellen van het maandinkomen het gemiddelde genomen van het inkomen over de maand voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn opgekomen alsmede de onmiddellijk daaraan voorafgaande twee maanden. Artikel4.2.4Draagkrachtperiode 1.De draagkracht in het inkomen wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de in aanmerking komende kosten opkomen en eindigt precies één jaar later. De draagkracht in het vermogen wordt vastgesteld per de datum dat de kosten opkomen. 2.Voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in het vorige lid wordt de draagkracht die is vastgesteld per maand, toegerekend naar een periode van 1 2 maanden. 3.De vastgestelde draagkracht als bedoeld in lid 2 wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten. 4.In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht als bedoeld in lid 2 gespreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten. 5.Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend. Artikel4.2.5Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt vastgesteld vanaf de eerste van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en geldt in beginsel voor de gehele draagkrachtperiode. 2.Als tijdens de draagkrachtperiode wijzigingen voordoen in de vastgestelde financiële, woon- en/of leefsituatie waaraan niet kan worden voorbijgegaan, kan de draagkracht in afwijking van de bepaling in het eerste lid tussentijds opnieuw worden vastgesteld. 3.Niet voorbij gegaan kan worden aan een stijging of daling van het inkomen van tenminste 20 %. Artikel4.2.6Overgangsperiode Draagkracht 1.Als de kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, zien op de periode vanaf l september 2023, wordt de draagkracht vastgesteld met toepassing van deze beleidsregel. 2.Vóór l september vastgestelde draagkrachtperiodes blijven van kracht voor het recht op bijzondere bijstand binnen die draagkrachtperiode op grond van het draagkrachtbeleid zoals dat gold vóór l september 2023. 4.3Algemene kosten Artikel4.3.1Aanvullende bijstand voor levensonderhoud voor jongeren 1.Het college verstrekt, met inachtneming van artikel 12 van de wet, bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten verbonden aan zelfstandig wonen aan de jongere tot 21 jaar die zelfstandig woont, als de ouderlijke onderhoudsplicht niet te gelde kan worden gemaakt. 2.De jongere als bedoeld in lid l wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als: de middelen van de ouder(
- s)niet toereikend zijn of; de ouder(
- s)is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen en daar onbereikbaar zijn; de belanghebbende in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van zijn ouder(
- s)is geplaatst; er sprake is van een aantoonbaar vastgestelde ernstig verstoorde relatie met de ouder(s). 3.De hoogte van de bijzondere bijstand van de alleenstaande of gehuwde jongere is maximaal het verschil tussen de toepasselijke bijstandsnorm voor personen jonger dan 21 jaar, inclusief vakantiegeld, en de bijstandsnorm voor personen vanaf 21 jaar, inclusief vakantiegeld. Artikel4.3.2Overbruggingsuitkering 1.Ter overbrugging van de eerste maandbetaling van de algemene bijstand kan bijzondere bijstand worden verleend in de noodzakelijke kosten van het bestaan. 2.De hoogte van de in lid l bedoelde bijzondere bijstand bedraagt, onder aftrek van alle eventueel aanwezige middelen, maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. 3.De te overbruggen periode bedraagt maximaal een maand. Artikel4.3.3Woonkostentoeslag 1.Woonlasten behoren in beginsel tot de algemene kosten van bestaan en dienen uit het periodieke inkomen te worden voldaan. In bijzondere omstandigheden kan een woonkostentoeslag worden verstrekt als belanghebbende niet in staat is de woonlasten uit het beschikbare inkomen te voldoen. 2.De belanghebbende komt in aanmerking voor woonkostentoeslag wanneer belanghebbende een eigen woning of een huurwoning bewoont waarbij geen aanspraak kan worden gemaakt op een (volledige) bijdrage op grond van de Wet op de huurtoeslag. 3.De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand: Bij een huurwoning met een huur onder de maximale huurgrens is de hoogte van de toeslag gelijk aan de gemiste huurtoeslag; Bij een huurwoning met een huur boven de maximale huurgrens geldt de vergoeding zoals omschreven in sub a. Daarnaast kan een aanvullende toeslag worden toegekend. Deze aanvullende toeslag bedraagt het verschil tussen de voor vergoeding in aanmerking komende woonlasten en de maximale huurgrens; Bij een eigen woning wordt de hoogte bepaald aan de hand van een huurwoning met vergelijkbare woonlasten en de daarbij gemiste huurtoeslag zoals bedoeld in sub a en sub b. 4.Aan de belanghebbende aan wie de woonkostentoeslag wordt verstrekt, wordt op grond van artikel 55 van de wet een inspanningsverplichting opgelegd om de woonlasten in overeenstemming te brengen met zijn financiële middelen. De daartoe behorende verplichtingen worden individueel beoordeeld en vastgelegd in de toeken ningsbesch ikki ng. 5.De woonkostentoeslag wordt in beginsel toegekend voor zes maanden en gaat op zijn vroegst in op de eerste van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Verlenging met (steeds) dezelfde periode is toegestaan, mits de belanghebbende zich voldoende heeft ingespannen om de woonlasten in overeenstemming te brengen met zijn financiële middelen. 6.Wanneer de belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning, waarvan de overwaarde de vrijlating zoals bedoeld in artikel 34, lid 2, sub d van de wet overschrijdt, wordt de woonkostentoeslag toegekend in de vorm van een geldlening. Artikel4.3.4Vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting 1.Tijdens een tijdelijk verblijf in een inrichting (artikel l f Pw.) kan voor een belanghebbende die algemene bijstand ontvangt, of zou moeten ontvangen indien deze niet in een inrichting zou verblijven, gedurende maximaal 6 maanden bijzondere bijstand worden verleend voor de doorbetaling van de vaste lasten in verband met het aanhouden van de woning. De hoogte van deze bijzondere bijstand bedraagt 65% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2.Het college kan de termijn van de doorbetaling vaste lasten verlengen met maximaal 6 maanden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. 4.4Bijzondere kosten Artikel4.4.1Verhuis- en inrichtingskosten 1.De kosten voor verhuis- en inrichtingskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en moeten van het eigen inkomen of uit het vermogen worden betaald. Belanghebbende moet voor deze kosten geld reserveren door vooraf te sparen of door achteraf te lenen. Voor deze kosten wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt. 2.In de onderstaande situaties wordt in afwijking van de hoofdregel wel bijzondere bijstand verstrekt: er sprake is van een noodzakelijke verhuizing die onvoorzienbaar is, waardoor de belanghebbende aantoonbaar niet heeft kunnen reserveren; of er is sprake van een eerste verhuizing na het verlaten van het AZC; of indien individuele bijzondere omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 3.Een geldlening bij de kredietbank voor de verhuis- en inrichtingskosten wordt, tot de hoogte van deze lening, als toereikende en passende voorliggende voorziening beschouwd. 4.De volgende kosten vallen in beginsel onder de verhuiskosten: transportkosten binnen de gemeente of naar een andere gemeente; kosten voor één maand dubbele huur binnen de gemeente; kosten voor een waarborgsom binnen de gemeente. 5.De bijzondere bijstand in de administratiekosten en eerste huurlasten, onder aftrek van de te verwachten huurtoeslag, wordt verleend om niet. De bijzondere bijstand in de waarborgsom, inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een lening. 6.De hoogte van bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van een volledige inrichting van een kamer bedraagt maximaal 25% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids staat vermeld per inventarispakket naar huishoudtype. 7.De hoogte van bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van een volledige inrichting van een woning bedraagt maximaal 60 % van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids staat vermeld per inventarispakket naar huishoudtype. Artikel4.4.2Duurzame gebruiksgoederen 1.Duurzame gebruiksgoederen behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen uit het periodieke inkomen te worden voldaan. Eventueel door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf. Alleen wanneer een persoon door bijzondere omstandigheden voor hem noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen niet kan aanschaffen kan bijzondere bijstand verleend worden. 2.Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening. 3.Bij de verlening van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen hanteert het college 50% van de richtprijzen uit de NIBUD-Prijzengids, tenzij de daadwerkelijke kosten lager zijn dan 50% van deze richtprijzen. Artikel4.4.3Babyuitzet 1.Kosten voor een babyuitzet behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen uit het periodieke inkomen te worden voldaan. Alleen wanneer een persoon door bijzondere omstandigheden de babyuitzet niet kan aanschaffen, kan bijzondere bijstand verleend worden. 2.De aanvraag voor een babyuitzet wordt gedaan voor de vermoedelijke bevallingsdatum, waarbij een zwangerschapsverklaring van de verloskundige of huisarts noodzakelijk is. 3.Bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet wordt verleend in de vorm van een geldlening. 4.Bij de verlening van bijzondere bijstand voor een babyuitzet hanteert het college 50% van de richtprijzen uit de NIBUD-Prijzengids, tenzij de daadwerkelijke kosten lager zijn dan 50% van deze richtprijzen" Artikel4.4.4Extra kosten van bewassing en kledingslijtage 1.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor extra waskosten en extra kosten voor slijtage van kleding of schoeisel, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten en deze niet kunnen worden bekostigd uit een voorliggende voorziening zoals de WMO, Wlz of Zvw. 2.Onder deze kosten worden de kosten verstaan die zich voordoen wanneer vanwege een medische oorzaak meer slijtage van de kleding, schoeisel of beddengoed dan wel extra bewassing noodzakelijk is ten opzichte van wat gebruikelijk is. 3.Indien uit het deskundigenadvies blijkt dat een medische noodzaak voor extra was en slijtagekosten aanwezig is, wordt het bestaan van meerkosten aangenomen. 4.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van de NIBUD-prijzengids. Artikel4.4.5Extra Warmtekosten 1.Het college kan aan belanghebbende bijzondere bijstand verstrekken voor extra warmtekosten, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke meerkosten. 2.Hieronder worden de kosten verstaan die zich voordoen wanneer uit een deskundigenadvies blijkt dat er op medische gronden een hogere woningtemperatuur noodzakelijk is dan wat gebruikelijk is. 3.Het daaruit voortkomende hogere verbruik is het verschil tussen het werkelijke verbruik, zoals opgenomen in de meest recente jaarafrekening van de leverancier, en het gemiddelde verbruik per jaar conform de Nibud-prijzengids. 4.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van de hoogte van de kosten van het hogere verbruik. 5.De bijzondere bijstand voor extra warmtekosten wordt maandelijks verstrekt op basis van een geschat verbruik. Op vertoon van de jaar- of eindafrekening wordt het bedrag definitief vastgesteld. Artikel4.4.6Dieetkosten i.Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor dieetkosten indien belanghebbende om medische redenen is aangewezen op een bepaald dieet en de kosten van dat dieet meerkosten met zich meebrengen. 2.Het college stelt het recht van de bijzondere bijstand vast op basis van een deskundigenadvies. 3.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van de meerkosten van het te volgen dieet, zoals vastgesteld in de NIBUD-prijzengids. Artikel4.4.7Maaltijdvoorziening 1.In de kosten van een maaltijdvoorziening kan bijzondere bijstand worden verleend indien: de kosten van de maaltijden aantoonbaar, onvoorzien en noodzakelijk zijn (om de noodzaak vast te stellen moet een indicatie worden overlegd door een indicatieorgaan of huisarts); de kosten van de maaltijden niet via een andere zorgwet (bijv. WMO of zorgverzekeringswet) of subsidieregeling kunnen worden verstrekt. 2.De kosten per maaltijd worden vergoed tegen een gangbaar tarief voor een thuisbezorgde maaltijd onder aftrek van de kosten volgens NIBUD-norm van een zelf bereide warme maaltijd. Artikel4.4.8Personenalarmering Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor aansluitkosten en de abonnementskosten van personenalarmering, indien deze om medische of sociale redenen noodzakelijk is en niet wordt vergoed vanuit een voorliggende voorziening. Artikel4.4.9Medische en paramedische kosten 1.Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor medische en paramedische kosten. Het uitgangspunt voor medische en paramedische kosten is dat een ieder zich kan verzekeren op het voorzieningenniveau van de basis- en aanvullende verzekering. 2.De Zorgverzekeringswet, WMO en de Wet langdurige zorg zijn passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische kosten op grond waarvan deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als bedoeld in artikel 1 5 van de PW. Kosten die onder deze regelingen vallen, maar waarvoor geen (volledige) vergoeding wordt gegeven, komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 3.In afwijking van het eerste lid kan het college bijzondere bijstand om niet verlenen voor medisch noodzakelijke kosten of behandelingen onder de volgende drie voorwaarden: gebleken is dat zorgverzekeraars belanghebbende wegens schulden niet accepteren voor een aanvullende of collectieve zorgverzekering; belanghebbende werkt op het moment mee aan de aanvraag voor of volgt een schuldhulpverleningstraject; voorafgaande aan de behandeling overlegt de belanghebbende aan het college een kostenopgave van de betreffende behandeling. 4.In aanvulling op lid drie wordt bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand aangesloten bij de vergoedingen zoals deze worden gegeven bij deelname aan het uitgebreide pakket van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Artikel4.4.10Reiskosten 1.Reiskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 2.In afwijking van lid 1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor onvermijdelijke bijzondere noodzakelijke reiskosten in Nederland in verband met; bezoek aan ziek gezins- of familielid tot en met de tweede graad die is opgenomen in een inrichting als er geen vergoeding mogelijk is vanuit een voorliggende voorziening; bezoek aan uithuisgeplaatst kind; bezoek aan een gedetineerd gezinslid als de gedetineerde geen recht heeft op verlof en de instelling buiten de gemeente is gelegen; 3.De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van het reguliere openbaar vervoer tarief 2e klas voor het goedkoopst mogelijke traject of op basis van de kortste route per auto volgens de ANWB-routeplanner met een kilometervergoeding van€ 0,23 per kilometer. Er wordt geen vergoeding verstrekt als de enkele reisafstand minder dan 1 5 kilometer bedraagt. 4.Bijzondere bijstand voor de reiskosten betreft maximaal: eenmaal per week voor een ziek gezins- of familielid als bedoeld in lid 2 sub a; eenmaal per twee weken dan wel aan de hand van de bezoekregeling die is opgesteld door de instelling voor een uithuisgeplaatst kind als bedoeld in lid 2 sub b; eenmaal per vier weken voor een gedetineerde als bedoeld in lid 2 sub c; 5.In afwijking van lid 1 kan bijzondere bijstand verstrekt worden aan een ouder met een ten laste komend kind dat jonger is dan 1 8 jaar en tevens voldoet aan de volgende voorwaarden: het ten laste komend kind volgt onderwijs op een grote afstand van de woonplaats; de afstand van het woonadres tot de school bedraagt minimaal l 5 kilometer enkele reis; het volgen van onderwijs op een grote afstand van de woonplaats is redelijkerwijs noodzakelijk; er is geen recht op een voorliggende voorziening. Ondersteuning in de vorm van vervoer of een vergoeding op basis van leerlingenvervoer wordt in elk geval, maar niet uitsluitend aangemerkt, als voorliggend. 6.Voor gemeente Zeewolde is, in aanvulling op lid 5, voor scholieren die noodzakelijkerwijs buiten hun woonplaats, in Ermelo of Harderwijk, voortgezet onderwijs moeten volgen bijzondere bijstand mogelijk voor het gebruik van de pont/veerdienst in de maanden september tot en met juni. Artikel4.4.11Uitvaartkosten 1.Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor de kosten van een uitvaart. De kosten van een uitvaart behoren tot de incidentele, noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze kosten kan worden voorzien door de nalatenschap van de overledene en/of een uitvaart, levens- of ongevallenverzekering. De wettelijke of per testament bepaalde erfgenamen zijn aansprakelijk voor de kosten van de uitvaart. Elk van de erfgenamen voor een gelijk deel. 2.Voor de kosten van een uitvaart (begrafenis of crematie) kan bijzondere bijstand worden verleend aan de erfgenamen als hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om de kosten te dekken. Erfgenamen kunnen voor hun eigen aandeel in de kosten bijzondere bijstand aanvragen. 3.De volgende voorwaarden gelden voor verstrekking: Vergoeding is mogelijk voor een sobere uitvaart. Dit betekent dat voor bijzondere bijstandsverlening voor uitvaartkosten wordt uitgegaan van een vergoeding van maximaal€ 4.300, - (naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen). De kosten voor een uitvaart zijn uitgesplitst in de prijzengids van het Nibud. Als de kosten lager zijn, dan wordt het factuurbedrag uitgekeerd; Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor kosten waarvoor aanvrager een wettelijke verplichting heeft; Alleen de in Nederland gemaakte uitvaartkosten worden vergoed. 4.5Bijzondere financiële regelingen Artikel4.5.1Tegemoetkoming eigen bijdrage Kinderopvang Voor de eigen bijdrage van reguliere kinderopvang wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. De wettelijke regeling kinderopvangtoeslag en eventueel de Wet kinderopvang worden aangemerkt als passende en toereikende voorliggende voorziening. In afwijking van het eerste lid kan het college een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang verstrekken aan: een ouder als bedoeld in artikel 1.6 onder e en j van de Wet kinderopvang, of; een ouder met een sociaal medische indicatie als bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze beleidsregels, of; belanghebbende die vanuit de bijstand uitstroomt naar werk; Een tegemoetkoming wordt slechts verstrekt wanneer het gezinsinkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm en het de vermogensgrens als bedoeld in artikel 4.2.1. van de beleidsregels niet overschrijdt. De tegemoetkoming betreft een aanvulling op de kinderopvangtoeslag tot 1 00% van het uurtarief van de kinderopvang. De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt beperkt tot het maximum aantal uren zoals aangegeven in artikel 8a eerste lid van het Besluit kinderopvangtoeslag en is nooit meer dan het aantal uren dat wordt afgenomen. De tegemoetkoming voor de persoon die uitstroomt naar werk wordt verstrekt voor maximaal 12 maanden. Artikel4.5.2Kosten beschermingsbewind, mentorschap en curatele 1.In de kosten van beschermingsbewind, mentorschap en curatele kan bijzondere bijstand worden verleend overeenkomstig de beschikking van de rechtbank; 2.Bijzondere bijstand wordt verleend voor de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren genoemde kosten en de kosten van griffierecht. 3.Bijzondere bijstand wordt verstrekt vanaf de eerste van de maand of de zestiende van de maand, afhankelijk van de datum waarop de bewindvoerder, curator of mentor is benoemd, tenzij een andere datum in de beschikking wordt benoemd. 4.Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de extra te maken kosten zoals vermeld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren mits de rechter akkoord is gegaan en hiervoor een machtiging heeft verstrekt. 5.De kosten van beschermingsbewind voor het beheer van een persoonsgebonden budget komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking, tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat hij aangewezen is op zorg in de vorm van een PGB. Artikel4.5.3Eigen bijdrage rechtsbijstand 1.Voor de kosten van de eigen bijdrage voor een advocaat en het griffierecht kan bijzondere bijstand worden verleend, indien de belanghebbende een door de Raad voor Rechtsbijstand toegevoegde advocaat heeft en de kosten niet op andere wijze kunnen worden vergoed. 2.Indien er geen sprake is van een toevoeging door de Raad van Rechtsbijstand, kan bijzondere bijstand worden toegekend als belanghebbende de gestelde noodzakelijkheid van de procedure kan aantonen. 3.De noodzakelijke kosten voor de eigen bijdrage rechtsbijstand worden vastgesteld op basis van de verschuldigde eigen bijdrage verminderd met de verlaging, als bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, die belanghebbende redelijkerwijs had kunnen krijgen. 4.In geval van toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand kunnen naast de te betalen eigen bijdrage rechtsbijstand de volgende kosten (limitatief) voor bijstandsverlening in aanmerking komen: griffierechten; getuigen en deskundigen; uittreksels uit de openbare registers; internationale telefax en internationale telefoongesprekken; verschotten van de procureur voor zover die kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van de onderdelen a tot en met d. 5.Indien belanghebbende wordt veroordeeld in de proceskosten, verleent het college voor deze kosten geen bijzondere bijstand. 6.Kosten die via de gerechtelijke procedure aan belanghebbende worden vergoed, dienen aan de gemeente te worden terugbetaald, indien en voor zover hiervoor bijzondere bijstand is verstrekt 4.6Categoriale bijzondere bijstand Artikel4.6.1Collectieve zorgverzekering Minima (CZM) 1.Het college kan, op grond van artikel 35 lid 3 van de Participatiewet, categoriale bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een Collectieve Zorgverzekering Minima. 2.De Collectieve Zorgverzekering Minima is een collectieve zorgverzekering bestaande uit de basisverzekering en aanvullende verzekering, waarvoor het college een overeenkomst heeft afgesloten met een zorgverzekeraar. 3.Belanghebbende komt in aanmerking voor de Collectieve Zorgverzekering Minima als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: belanghebbende is l 8 jaar of ouder, woonachtig in de gemeente Ermelo, Harderwijk of Zeewolde en is verzekeringsplichtig op grond van de Zorgverzekeringswet; belanghebbende heeft een inkomen tot maximaal l 20% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; belanghebbende heeft een vermogen tot maximaal de geldende vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet; belanghebbende verblijft niet in detentie; belanghebbende heeft geen premieschuld bij zijn huidige zorgverzekeraar en/of valt niet onder de regeling wanbetalers van het CAK; belanghebbende maakt geen gebruik van de tegemoetkoming aanvullende zorgverzekering zoals benoemd in artikel 4.6.2 van deze beleidsregels. 4.De tegemoetkoming op de premie van de aanvullende zorgverzekering bedraagt maandelijks €1 5,00. Het college betaalt de tegemoetkoming rechtstreeks uit aan de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar brengt de tegemoetkoming in mindering op de premie van de aanvullende zorgverzekering van de deelnemer. 5.Belanghebbende die voldoet aan de in lid 3 genoemde voorwaarden kan zonder medische selectie en wachttijden deelnemen aan de Collectieve Zorgverzekering Minima, nadat hij/zij tijdig is aangemeld. 6.De aanvraag voor deelname aan de Collectieve Zorgverzekering Minima verloopt via een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Deelname gaat in per l januari van het volgende kalenderjaar. 7.In tegenstelling tot het gestelde in lid 6, kan belanghebbende op elk moment een aanvraag indienen voor deelname aan de Collectieve Zorgverzekering Minima indien belanghebbende: geen zorgverzekering heeft op grond van de Zorgverzekeringswet of; een aanvullende zorgverzekering van Zilveren Kruis heeft en nog niet is aangemeld voor de Collectieve Zorgverzekering Minima. Deelname start per eerstvolgende mogelijkheid na acceptatie door de Zorgverzekeraar. 8.Deelname aan de Collectieve Zorgverzekering Minima wordt beëindigd zodra belanghebbende niet meer voldoet aan de voorwaarden zoals benoemd in lid 3, maar niet eerder dan op de eerstvolgende wijzigingsdatum l januari daaropvolgend. Bij overlijden of verhuizing naar een andere gemeente of het buitenland geldt als beëindigingsdatum de mutatiedatum in de Basisregistratie Personen. Artikel4.6.2Tegemoetkoming aanvullende zorgverzekering (TAZ) 1.Het college kan, op grond van artikel 35 lid 3 van de wet, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tegemoetkoming in de premie voor de aanvullende zorgverzekering. 2.Belanghebbende komt in aanmerking voor de tegemoetkoming in de aanvullende zorgverzekering als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: Belanghebbende is 1 8 jaar of ouder, woonachtig in de gemeente Ermelo, Harderwijk of Zeewolde en is verzekeringsplichtig op grond van de Zorgverzekeringswet; belanghebbende heeft een inkomen tot maximaal 1 20% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; belanghebbende heeft een vermogen tot maximaal de geldende vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, lid 3 van de wet; belanghebbende heeft voor het geldende jaar een aanvullende zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet; belanghebbende maakt geen gebruik van de collectieve zorgverzekering minima zoals benoemd in artikel 4.6.1 van deze beleidsregels. 3.Het aanvragen van de tegemoetkoming geschiedt per verzekerd kalenderjaar. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 4.De tegemoetkoming voor de aanvullende zorgverzekering bedraagt maximaal €1 5,00 per persoon per maand en wordt jaarlijks in één keer uitbetaald op basis van volledige maanden. De tegemoetkoming is nooit hoger dan de kosten van de aanvullende verzekering. 5.Het aantal maanden waarover de tegemoetkoming wordt toegekend wordt vastgesteld per ingangsdatum dat belanghebbende verzekeringsplichtig is en/of belanghebbende in de gemeente woonachtig is. 6.Op dit artikel is een overgangsperiode van toepassing. Tot 31 december 2024 kan de tegemoetkoming aanvullende zorgverzekering tot 12 maanden terug worden toegekend, indien belanghebbende daar om verzoekt en belanghebbende voldoet aan de voorwaarden zoals benoemd in lid 2 van dit artikel. Vanaf 1 januari 2025 wordt de tegemoetkoming enkel toegekend per kalenderjaar zoals benoemd in lid 3 van dit artikel. Hoofdstuk5Studietoeslag Artikel5.1Voorwaarden studietoeslag 1.Er bestaat recht op studietoeslag als belanghebbende: als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven; studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder; geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong. 2.Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij: mantelzorg; een gebroken been of arm; kortdurende beperkingen; beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken. Artikel5.2Aanvraag Studietoeslag 1.De aanvraag voor studietoeslag wordt digitaal dan wel schriftelijk ingediend via het door het college vastgestelde aanvraagformulier studietoeslag. 2.Belanghebbende verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken: een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS; bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt 3.Belanghebbende kan bij aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom de belanghebbende niet kan werken naast de studie. Artikel5.3Medisch advies 1.Het college is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking. 2.In afwijking van het eerste lid kan het college alleen in deze situaties een medisch advies achterwege laten als: direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de aard van de structurele medische beperking; vaststaat dat belanghebbende geen studiefinanciering op grond van de WSF of tegemoetkoming op grond van de WTOS wordt ontvangen; belanghebbende recht heeft op een Wajong uitkering; belanghebbende werkt naast de studie, niet zijnde een stage. 3.Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken. Artikel5.4Toekennen en uitbetalen 1.Als door het college is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 2.In afwijking van het eerste lid wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als: belanghebbende daarom verzoekt; en belanghebbende over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag. 3.In afwijking van het tweede lid wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen: voor 1 april 2022; 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende aanvraag om studietoeslag heeft ingediend. 4.De studietoeslag wordt toegekend voor de periode dat belanghebbende aan de voorwaarden voldoet. 5.De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. 6.De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald. Artikel5.5Hoogte van de studietoeslag 1.De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet. 2.Als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de studietoeslag geldt in de maand waarin een belanghebbende jarig wordt, het bedrag dat hoort bij de leeftijd die belanghebbende op de verjaardag heeft bereikt. 3.In overeenkomst met artikel 36 b, vijfde lid van de Pw vermindert de hoogte van de studietoeslag met het bedrag aan inkomsten uit de stage voor zover dat het een bij AMvB te bepalen bedrag te boven gaat. Hoofdstuk6Sociaal medische indicatie kinderopvang Artikel6.1Doelgroep Voor een tegemoetkoming voor kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie komen in aanmerking: ouder(
- s)en/of wettelijke verzorgers met kinderen van O tot 4 jaar en/of kinderen die basisonderwijs volgen, én; volgens het BRP woonachtig in de gemeenten Ermelo, Harderwijk of Zeewolde, én; waarbij aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: De betrokken ouder behoort tot de categorie personen met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en ten behoeve van wie is komen vast te staan dat één of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken; er is vastgesteld dat de veiligheid van het kind in gedingis; er is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het betreffende kind noodzakelijk is; er is vastgesteld dat er sprake is van een crisissituatie waardoor de ouder tijdelijk niet in staat is de verzorging op zich te nemen. Artikel6.2Voorliggende voorziening Het college weigert de tegemoetkoming indien er sprake is van een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn, tenzij een aanvulling op de voorliggende voorziening noodzakelijk is. Tot een voorliggende voorziening wordt gerekend: opvangmogelijkheden bij de basisschool, familie of sociaal netwerk; voorzieningen voor de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en peuteropvang; kinderopvangtoeslag van de belastingdienst; mogelijkheden van partner om ouderschaps- of zorgverlof op te nemen; een voorziening op grond van de Jeugdwet of Wmo; een voorziening op grond van de Wet langdurige zorg. Artikel6.3Voorwaarden en duur van de tegemoetkoming 1.De (sociaal/medische) noodzaak voor kinderopvang op basis van de Sociaal medische indicatie wordt, door middel van een indicatiestelling, vastgesteld door: het centrum van Jeugd en Gezin in gemeente Ermelo en Harderwijk, of; Team Jeugd in gemeente Zeewolde, of; Klantmanagers Meerinzicht. 2.In de indicatiestelling geeft het CJG, klantmanager Meerinzicht of team Jeugd aan: wat de noodzaak is van de indicatiestelling; hoeveel uren per week opvang noodzakelijk is; voor welke termijn kinderopvang noodzakelijk is, en; waarom voorliggende voorzieningen niet mogelijk of onvoldoende zijn. 3.Tegelijk met de indicatiestelling wordt door het CJG, klantmanager Meerinzicht of team Jeugd met de ouder(
- s)een integraal plan van aanpak voor het hele gezin opgesteld om de situatie waarvoor de afgifte van de sociaal medische indicatie noodzakelijk is op te lossen. Het plan vermeldt ook de verwachte tijdsplanning en concrete afspraken met de ouders met betrekking tot te ondernemen acties. 4.De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als professionele begeleiding, via het Jeugdteam of andere bij het gezin betrokken professionals, wordt ingezet om de problematiek weg te nemen of te verminderen. Het niet meewerken of stopzetten van de professionele begeleiding is een reden om de tegemoetkoming te weigeren of te stoppen. 5.De indicatie en bijbehorende vergoeding wordt verleend voor de duur de periode van maximaal l 2 maanden, maar niet langer dan dat kinderopvang op basis van de sociaal medische indicatie noodzakelijk is. 6.Op basis van de sociaal medische indicatie is op aanvraag éénmaal verlenging van de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang mogelijk op basis van indicatie van het Centrum Jeugd en Gezin of Team Jeugd. Verlenging vindt alleen plaats als de ouder(
- s)heeft meegewerkt of in voldoende mate meewerkt aan hulpverlening om de situatie te verbeteren en de noodzaak van kinderopvang weg te nemen. De duur van die verlenging is maximaal 6 maanden. 7.In uitzonderlijke situaties kan van de gestelde termijnen in lid 5 en 6 gemotiveerd worden afgezien. 8.De kinderopvang wordt verzorgd door een in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) geregistreerde kinderopvangorganisatie. Artikel6.4Tijdelijke indicatie 1.Indien niet gewacht kan worden op de indicatiestelling kan door het CJG of team Jeugd of een daartoe aangewezen medewerker van Meerinzicht een tijdelijke indicatie worden gesteld voor een maximale termijn van 3 maanden, in de situatie waarin gevreesd moet worden dat hierdoor het herstel van de gewenste situatie in ernstige mate wordt belemmerd, of omdat sprake is van een crisissituatie waarin directe maatregelen genomen moeten worden. 2.Binnen de termijn als bedoeld in lid l dient de indicatie alsnog door het CJG of team Jeugd te worden gesteld. Indien het CJG of team Jeugd van oordeel is dat opvang op basis van een sociaal medische indicatie niet van toepassing is, eindigt de vergoeding van de kinderopvang bij afloop van de tijdelijke termijn. 3.Er vindt geen terugvordering plaats van de eerder verstrekte bijdragen. Artikel6.5Hoogte en omvang van de tegemoetkoming 1.De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van: het aantal uren kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd, mits niet hoger dan dat naar het oordeel van het college op basis van de sociaal medische indicatie noodzakelijk is en betreft maximaal 230 uur per kind per maand. de werkelijke uurprijs van de kinderopvang tot een maximum van de maximale uurprijs welke door de Belastingdienst-Toeslagen wordt gehanteerd voor de berekening van de kinderopvangtoeslag van het desbetreffende kalenderjaar; de op de aanvraagdatum geldende Kinderopvangtoeslagtabel van de Belastingdienst, behorend bij artikel 6 van het Besluit Kinderopvangtoeslag. De ouder blijft een eigen bijdrage betalen in de kosten van de kinderopvang. De eigen bijdrage is afhankelijk van het toetsingsinkomen. eventuele vergoedingen voor de kosten van kinderopvang, waaronder de kinderopvangtoeslag, peuteropvang of VVE. 2.Bij een verlenging zoals bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, is voor de vaststelling van de tegemoetkoming het bepaalde onder het eerste lid van toepassing. Ten aanzien van het inkomen en de toepassing van de Kinderopvangtoeslagtabel is het inkomen en de Kinderopvangtoeslagtabel van de eerdere aanvraag van toepassing, onder voorwaarde dat die aanvraag niet langer dan 12 maanden geleden is gedaan. Artikel6.6Ingangsdatum van de tegemoetkoming 1.De tegemoetkoming wordt toegekend vanaf de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming in ontvangst is genomen. 2.De tegemoetkoming kan, met inachtneming van het eerste lid, niet eerder worden verleend dan de ingangsdatum van de overeenkomst tot het afnemen van kinderopvang. Artikel6.7Betaling tegemoetkoming 1.Het college betaalt, na ontvangst van de factuur van de kinderopvang, de maandelijkse tegemoetkoming op declaratiebasis uit aan de ouders aan wie SMI is toegekend. 2.In tegenstelling tot het eerste lid, kan de ouder aan wie SMI is toegekend het college verzoeken de tegemoetkoming rechtstreeks aan de kinderopvang uit te betalen. Deze betaling vindt op declaratiebasis na ontvangst van de factuur plaats. Artikel6.8Aanvraag Sociaal Medische Indicatie 1.Een aanvraag voor een Sociaal Medische Indicatie en de tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang wordt ingediend bij een door het college opgesteld aanvraagformulier. 2.Een aanvraag bevat de volgende gegevens: naam, adres, Burgerservicenummer, geboortedatum van de ouder(s); indien van toepassing: naam, Burgerservicenummer en geboortedatum van de partner en indien dit een ander adres is, het adres van de partner; naam, adres, Burgerservicenummer en geboortedatum van het kind of kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft; een offerte of niet ondertekende overeenkomst van de kinderopvangorganisatie waar de kinderopvang plaatsvindt waarin is aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind per maand; het uurtarief; de ingangsdatum van de kinderopvang; indicatieadvies waaruit de noodzakelijkheid en duur blijkt; overige gegevens die het college noodzakelijk acht om te kunnen besluiten Artikel6.9Inlichtingenplicht 1.De ouder aan wie SMI is toegekend verstrekt aan het college alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak en de hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn. 2.De inlichtingen en gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden binnen 14 dagen verstrekt aan het college. De ouder of partner meldt gegevens die aanleiding geven tot een lagere dan de vastgestelde tegemoetkoming onmiddellijk na het bekend worden daarvan aan het college. Artikel6.10Intrekking tegemoetkoming en terugvordering 1.De tegemoetkoming kan worden ingetrokken afwijkend van het door het college vastgestelde besluit indien: de ouder(
- s)niet voldoet aan de verplichtingen die vastgelegd zijn in het integraal plan van aanpak door CJG, klantmanager Meerinzicht of Team Jeugd; de ouder(
- s)niet voldoet aan de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 6.9. van deze beleidsregel; kind(eren) en/of ouder(
- s)niet meer woonachtig zijn in de gemeente; de ouder(
- s)na toekenning gebruik kunnen maken op een voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 6.2. 2.Het college kan de tegemoetkoming terugvorderen wanneer: de omvang van de opvang is vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige verstrekte inlichtingen door de ouder(
- s)zoals bedoeld in artikel 6.9; zonder toestemming van het college niet of niet volledig gebruik is gemaakt van de kinderopvang. Hoofdstuk7Hardheidsclausule en overgangsbepalingen Artikel7.1Hardheidsclausule In voorkomende gevallen van bijzondere omstandigheden kan van deze regels worden afgeweken op grond van artikel 4:84 Awb. Artikel7.2Intrekking oude beleidsregels en overgangsbepalingen 1.De volgende beleidsregels worden ingetrokken bij inwerktreding van dit besluit: Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2023, van september 2023. 2.Aanvragen en verzoeken die zijn ingediend vóór 1 mei 2024 waarop nog niet is beslist worden op grond van de beleidsregels geldend per 1 mei 2024 afgehandeld voor zover dit voor belanghebbende gunstiger is en niet anders is bepaald in deze beleidsregels. 3.Bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de vorige beleidsregels worden beoordeeld op grond van dit besluit. Indien belanghebbende hierdoor in een nadeliger positie zou worden gebracht, vindt toetsing alsnog plaats op basis van de vorige beleidsregels. Artikel7.3Inwerkingtreding en citeertitel 1.Dit besluit treedt in werking per 1 mei 2024. 2.Dit besluit wordt aangehaald als: 'Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2024.' Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde d.d. 16 april 2024, Zeewolde,Burgemeester en Wethouders voornoemd,de secretaris, K.C. Hamstra de burgemeester,G.J. GorterToelichting beleidsregels Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen van de Participatiewet, de IOAW, IOAZ, en de Algemene wet bestuursrecht alsook de Integrale verordening Sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde. Hoofdstuk 2 Re-integratie 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2. 1. 1 Re-integratietraject/ Plan van aanpak Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. 2.2Ondersteuning bij arbeidsinschakeling Artikel 2.2.1 Bepalingen over voorzieningen Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Artikel 2.2.2 Participatieplaats Een participatieplaats biedt de werknemer de mogelijkheid om langere tijd (maximaal 2 jaar) onbetaald werkervaring op te doen. Een participatieplaats is bedoeld voor mensen die een heel kleine kans op werk hebben. Bij een participatieplaats werkt de werknemer onbetaald. Deze verricht aanvullende werkzaamheden, geen regulier werk. Begrip additionele werkzaamheden Onder 'additionele werkzaamheden' wordt op grond van artikel 1 0a lid 2 Participatiewet verstaan: primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van de Participatiewet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De zinsnede 'naast of in aanvulling op reguliere arbeid' is bedoeld om duidelijk te maken dat de werkzaamheden niet mogen leiden tot concurrentievervalsing (zie TK 2006-2007, 30 650, nr. 24). Regulier of additioneel: werkzaamheden boven de formatie en met speciale begeleiding. Een functie is niet per definitie regulier of additioneel. Ook bij vrijwilligerswerk is niet altijd sprake van additionele werkzaamheden. (zie https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI: NL:CRVB:201 5:3 300) Het gaat om de wijze waarop activiteiten worden verricht binnen een bepaalde functie. Een functie die binnen een organisatie niet regulier voorkomt, kan met ondersteuning vanuit de organisatie en de gemeente als additioneel worden gecreëerd om te worden ingezet als participatieplaats. Een functie die binnen een organisatie regulier voorkomt kan ook een participatieplaats zijn, maar alleen als deze functie boven de formatie is en alleen met speciale begeleiding kan worden verricht. Het maakt niet uit of het al dan niet een functie is in een commercieel bedrijf (zie de Antwoorden van 18-08-2008 van de staatssecretaris op kamervragen). Artikel 2.2.3 Proefplaatsing Een proefplaatsing kan worden ingezet zodat werkgever en werknemer elkaar wederzijds kunnen leren kennen. Na een proefplaatsing weten beide partijen wat ze van de ander mogen verwachten, dit vergroot de kans op het succesvol aangaan van een arbeidsovereenkomst. In de periode van de proefplaatsing kan ook de loonwaarde van de persoon worden gemeten. Op deze manier kan vóór het aangaan van een arbeidsovereenkomst op een objectieve manier vastgesteld worden hoe hoog de inzet van loonkostensubsidie moet zijn. Artikel 2.2.4 Beschut werk Beschut werk is werk in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden. Beschut werk is bedoeld voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking. Mensen die alleen kunnen werken in een 'beschutte' omgeving, onder aangepaste omstandigheden. Zij hebben meer begeleiding en aanpassing van hun werkplek nodig dan van een reguliere werkgever is te verwachten, al zijn er soms werkgevers die mensen in Beschut werk aannemen of op detacheringsbasis Beschut werk bieden. Het UWV beoordeelt in opdracht van de gemeente of op verzoek van betrokkene zelf of de betreffende persoon voor een beschutte werkplek in aanmerking komt. Geeft het UWV een advies Beschut werk af, dan kan de gemeente een indicatie beschut werk afgeven en op zoek gaan naar een passende werkplek. De gemeente heeft contractafspraken met het sociaal ontwikkelbedrijf om de plaatsing te realiseren omdat zij hier de juiste expertise en ook voor velen over een passende infrastructuur beschikken. Bij de uitvoering van Beschut Werken wordt invulling gegeven aan de principes 'zo regulier mogelijk' en 'zo lokaal mogelijk'. Dat kan bij een reguliere werkgever zijn, maar kan ook in de beschutte infrastructuur van het sociaal ontwikkelbedrijf zijn. Beschut werk heeft altijd de vorm van een dienstbetrekking. Op een dienstbetrekking voor beschut werk is het arbeids- of ambtenarenrecht van toepassing. Andere vormen van activering zonder dienstbetrekking, zoals werken met behoud van uitkering, vrijwilligerswerk en (arbeidsmatige) dagbesteding vallen niet onder de definitie van beschut werk volgens de Participatiewet. De gemeente krijgt jaarlijks een taakstelling en financiële middelen om een x aantal beschut werkplekken te realiseren. Zodra de gemeente de taakstelling gerealiseerd heeft komen nieuwe geïndiceerden op een wachtlijst. Zodra er ruimte in de taakstelling komt komen jongeren met voorrang in aanmerking voor een werkplek, tenzij er geen passende werkplek voor betrokkene beschikbaar is. Om de kansen van de geïndiceerden te vergroten kan het college re-integratievoorzieningen inzetten gedurende de tijd dat deze op de wachtlijst staat. Artikel 2.2.5 Loonkostensubsidie Met ingang van 1 juli 2023 kan de aanvraag voor loonkostensubsidie (LKS) worden ingediend tot zes maanden na aanvang van het dienstverband. Zowel een werkgever als een werknemer kunnen een aanvraag LKS indienen. Een aanvraag kan ook worden gestart bij de aanvang van een proefplaatsing. De loonkostensubsidie is in principe niet gebonden aan een termijn en kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. De loonwaarde en de loonkostensubsidie worden jaarlijks opnieuw beoordeeld, tenzij voor alle betrokken partijen duidelijk is dat dit geen meerwaarde zal hebben. Wordt de loonkostensubsidie ingezet bij de voorziening beschut werk, dan worden de loonwaarde en loonkostensubsidie eenmaal per drie jaar vastgesteld Bovenop de loonkostensubsidie wordt daarnaast een bedrag voor vergoeding van werkgeverslasten opgenomen, waarbij gedacht moet worden aan premies werknemersverzekering, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremie. Het vergoedingspercentage is bij ministeriële regeling vastgesteld. Artikel 2.2.6 Persoonlijke voorzieningen Voor de doelgroep loonkostensubsidie kunnen persoonlijke voorzieningen worden ingezet. Onder persoonlijke voorzieningen verstaan we een vervoersvoorziening om een werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te bereiken, een noodzakelijke intermediaire activiteit ingeval er sprake is van een motorische beperking of een meeneembare voorziening voor de inrichting van de werkplek, de productie-en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of de opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Zie hiervoor artikel l 0e van de Participatiewet. Voor tolkvoorzieningen en werkvoorzieningen visueel beperkten is het UWV verantwoordelijk (zie artikel l 0e en respectievelijk artikel 1 Oh van de Participatiewet. Artikel 2.2.7 Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om goed te functioneren en de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Persoonlijke ondersteuning bij werk bevat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Jobcoaching wordt in principe in natura aangeboden, tenzij de werkgever of werknemer dit niet wil. Dan kan een jobcoach naar keuze worden aangeboden, mits deze voldoet aan de kwaliteitseisen zoals in de integrale verordening sociaal domein is vastgesteld. In het geval dat de werkgever een eigen jobcoach in dienst heeft of dat er sprake is van een interne werkbegeleider is dan verstrekken wij de vergoeding in de vorm van een subsidie. Artikel 2.2.8 Onderscheid tussen jobcoaching en werkbegeleiding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 2.2.9 Jobcoaching Bij een 0-urencontract wordt geen subsidie toegekend, omdat niet bepaald kan worden hoeveel uren iemand werkt. Het uitgangspunt voor jobcoaching is een arbeidsduur van minimaal l 2 uur per week. Voor de intensiteit van jobcoaching gelden drie regimes, te weten licht, midden en zwaar, met daarin een afbouw na het l e jaar. Jaarlijks vindt er een beoordeling plaats of het regime nog passend is. De totale ondersteuning is maximaal 3 jaar. Is daarna nog ondersteuning nodig, dan is de vraag of de werkplek wel passend is voor deze persoon en naar een andere werkplek gezocht moet worden. Het kan ook zijn dat de voorziening beschut werk beter aansluit op de mogelijkheden van de betrokkene. De toekenning van de regimes vindt plaats op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar met een maximum aantal uren of een maximale vergoeding. Uitgangspunt bij de berekening is een werkweek van 36 uur en een arbeidsjaar is 48 weken. Rekenvoorbeeld voor jobcoaching in natura of een jobcoach naar keus van de werkgever Uurtarief:€ l 03,24 (tarief 2024), dit is een all-in tarief exclusief BlW waarin o.a. de reiskosten en reistijd zijn opgenomen. Rekenvoorbeeld jaar l : Contractomvang van 26 uur per week en vallend onder een midden tarief dan worden de uren als volgt te berekend: 6% x 26 uur x 48 weken= 74,88 uur. We vergoeden echter maximaal 52 uur. De totale Jobcoachingsvergoeding over het eerste jaar is dan 52 uur x €103,24 = € 5.368,48 Rekenvoorbeeld voor interne jobcoaching (subsidie) Contractomvang van 26 uur. Betrokkene valt onder het middentarief. Dan is de berekening van de subsidie (op basis van de tarieven 2024) als volgt : € 5.583,98/ 36 uur x 26 uur=€ 4.032,87. Artikel 2.2. 10 Interne werkbegeleiding Bij een 0-uren contract wordt geen subsidie toegekend, omdat niet bepaald kan worden hoeveel uren iemand werkt. Het uitgangspunt voor jobcoaching is een arbeidsduur van minimaal 1 2 uur per week en een werkweek van 36 uur. Bij minder uren of een korter dienstverband wordt de subsidie naar rato verstrekt. Inzet van jobcoaching en interne werkbegeleiding tegelijkertijd heeft niet de voorkeur. Van een jobcoach wordt in principe verwacht dat deze samen met de werkgever kijkt hoe het werk zo ingericht wordt dat betrokkene zelfstandig de taken kan uitvoeren. Indien blijkt dat de inzet van zowel een jobcoach als een intern werkbegeleider nodig is, dan kan de totale totale vergoeding voor een werknemer niet meer bedragen dan het maximumtarief dat gekoppeld is aan het begeleidingsregime zwaar voor jobcoaching. 2.3Arbeidsontheffingen Met de komst van de Participatiewet is het niet langer mogelijk ontheffing te verlenen van de re-integratieplicht. Volledige ontheffing is alleen nog mogelijk als iemand volledig duurzaam arbeidsongeschikt is. Alleen op grond van dringende redenen kan tijdelijk ontheffing worden verleend van de arbeidsplicht. Het is dus ook louter (ontheffing van) de arbeidsplicht waarop deze beleidsregel betrekking heeft. De begrippen "dringende redenen" en "tijdelijk" in het tweede lid van artikel 9 van de Participatiewet bieden het college enige beleidsvrijheid. Het is de bedoeling dat het college kritisch is bij de beoordeling of een belanghebbende al dat niet in aanmerking komt voor ontheffing van de arbeidsplicht. Minder acute medische belemmeringen mogen als zodanig in de meeste gevallen geen aanleiding zijn voor een ontheffing. Eventuele aanwezige belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren kunnen worden weggenomen door het aanbieden van individueel toegesneden voorzieningen. Om een juiste individuele beoordeling te garanderen, verdient het aanbeveling zo veel mogelijk gebruik te maken van de vastgestelde indicaties en adviezen van deskundigen. Onder een deskundige wordt in dit kader een medisch specialist, professionele hulpverlener of een door het college aangewezen medisch adviseur verstaan. Het verlenen van een ontheffing is uiteindelijk maatwerk en afhankelijk van individuele omstandigheden. De belanghebbende die ontheffing wordt verleend kan verplicht worden om zich, conform artikel 55 Participatiewet en op advies van een arts, te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard. Artikel 2.3. 1. Tijdelijke ontheffing vanwege dringende redenen van medische of sociale aard Medische en/of sociale belemmeringen op zich zijn geen reden voor ontheffing. Algemene factoren (bijvoorbeeld leeftijd of slechte arbeidsmarkt) kunnen nooit als een grond van ontheffing gelden. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden een uitkeringsgerechtigde wél heeft om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. Hierbij moet rekening gehouden worden met de belemmeringen (bijvoorbeeld rugsparende arbeid of aanpassing van de werkplek). Om zeker te zijn van een juiste, individuele beoordeling maakt het college in de regel gebruik van de adviezen van onafhankelijke externe deskundigen. In sommige gevallen is de individuele beoordeling naar de arbeidsmogelijkheden van een uitkeringsgerechtigde zo voor de hand liggend en duidelijk dat geen onafhankelijk extern deskundige geraadpleegd hoeft te worden. We noemen hier als voorbeelden: Extreme (drugs-)verslaving, of terminale ziekte. In gevallen waarbij sprake is van een tijdelijke opname of verslaving wordt ontheffing verleend, waarbij aan de uitkeringsgerechtigde, conform artikel 55 van de wet, nadere verplichtingen worden gesteld die strekken tot arbeidsinschakeling. Te denken valt aan het zich onder behandeling laten stellen van een arts, psycholoog of afkickcentrum. Als advies is gevraagd aan een onafhankelijke extern deskundige is de duur van de ontheffing in principe gelijk aan de periode die is aangegeven in het medisch advies, doch maximaal één jaar. Na één jaar moet een herbeoordeling plaatsvinden. Bij het eerstvolgende onderzoek naar de verleende ontheffing(
- en)toetst het college opnieuw of er (nog) sprake is van dringende redenen. Artikel 2.3.2. Ontheffing alleenstaande ouder lid 1 / 5 Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar oud Alleenstaande ouders die de (volledige) zorg hebben voor kinderen tot 5 jaar kunnen een verzoek indienen voor vrijstelling van de arbeidsplicht en inschrijving bij het UWV. Dit staat in artikel 9a van de wet en artikel 38 van de IOAW/IOAZ. Het betreft een 'voor wat, hoort wat'-regeling. Het is niet de bedoeling dat de vrijstelling een eenzijdige aangelegenheid is. In combinatie met de zorg voor het kind moet de alleenstaande ouder zorgen dat zijn/haar positie op de arbeidsmarkt verbetert, dan wel niet verslechtert. De re-integratieplicht blijft daarom wel gelden. De re-integratieplicht bestaat bijvoorbeeld uit het volgen van scholing of een opleiding tot startkwalificatieniveau. Binnen zes maanden na het ontheffingsverzoek stelt het college in een plan van aanpak vast hoe de alleenstaande ouder de re-integratieplicht gaat invullen. Het college beoordeelt de voortgang van het plan elke zes maanden. Het college geeft geen ontheffing of trekt de ontheffing in als uit houding en gedraging van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de re-integratieplicht niet wil nakomen. De maximale ontheffingsduur is vijf jaar, ongeacht het aantal kinderen, de duur en frequentie van de bijstandsverlening. Perioden waarin het college eerder een ontheffing verleende, bijvoorbeeld bij een eerdere bijstandsverlening of bij een verhuizing, telt het college bij elkaar op. Het college houdt de start van de ontheffingsperiode en de eventuele onderbrekingen bij in het dossier van de betreffende alleenstaande ouder. Bij co-ouderschap is maatwerk aan de orde. Voor de dagen dat de alleenstaande ouder niet de volledige zorg heeft, blijft de plicht tot arbeidsinschakeling voor hem/haar gelden. Na de periode van vijf jaar ontheffing of als het jongste kind vijf jaar is geworden, gaat de arbeidsplicht gelden. lid 6. Zorgplicht alleenstaande ouders In artikel 9, tweede lid, van de wet en in artikel 37a, eerste lid, van de IOAW/IOAZ staat dat het college een uitkeringsgerechtigde om individuele redenen tijdelijk een ontheffing verleent van de plicht tot arbeidsinschakeling of een tegenprestatie indien daar dringende redenen voor zijn. Zorgtaken kunnen als dringende reden worden aangemerkt voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van het bieden van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de Wet. Een van de uitgangspunten van de Participatiewet, IOAW en IOAZ is het leveren van maatwerk aan de individuele belanghebbende. Er dient een individuele beoordeling vooraf te gaan aan de beslissing om ontheffing te verlenen op grond van dit artikel en deze ontheffing dient schriftelijk te worden vastgelegd en ook als zodanig aan belanghebbende kenbaar te worden gemaakt. Het college maakt een afweging tussen de arbeidsplicht en de zorgtaak van de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar en/of kinderen van 12 tot 18 jaar met een handicap. Het college maakt in deze situaties een individuele afweging en kan daarbij bepalen dat sommige vormen van arbeid niet aangenomen hoeven te worden vanwege de individuele situatie. Bijvoorbeeld als de werktijden en reistijden niet te combineren zijn met de zorg voor kinderen en dit niet op te lossen is door het aanbieden van een voorziening, zoals kinderopvang, of aangepaste werktijden. Om alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar te verplichten om algemeen geaccepteerde arbeid te accepteren moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dat is te lezen in artikel 9, vierde lid, van de Participatiewet en artikel 37a, tweede lid, van de IOAW/IOAZ. Aandachtspunten zijn: Passende kinderopvang, tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang en de aansluiting op de schooltijden. Opvang is passend als er binnen de gemeentegrenzen of in de plaats waar de alleenstaande ouder werkt opvang aanwezig is. Uiteraard rust op de ouder(
- s)een inspanningsverplichting om kinderopvang, tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang te realiseren. Artikel 2.3.3. Ontheffing personen verblijvend in Wlz-instelling Wlz-instellingen zijn instellingen of woonvormen die intensieve zorg, toezicht en begeleiding bieden aan personen met een ernstige geestelijke en/of lichamelijke beperking. Aan de opname in een Wlz-instelling gaat een strenge indicatie vooraf, waarvan medische keuringen deel uitmaken. Het college is van mening dat uit de praktijk gebleken is dat een dergelijke begeleiding en/of behandeling dusdanig intensief is dat de mogelijkheid tot re-integratie erg beperkt is. Als gevolg daarvan wordt aan deze doelgroep ontheffing verleend van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voor zolang het verblijf in de Wlz-instelling duurt. Artikel 2.3.4. Ontheffing vanwege dringende redenen vanwege werkzaamheden als mantelzorger Mantelzorgers zijn mensen die langdurig, intensief en onbetaald zorgen voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende persoon uit hun omgeving. Mantelzorg is geen vrijwilligerszorg en is informeel van aard. De verplichtingen tot arbeidsinschakeling gelden onverkort voor uitkeringsgerechtigden die taken als mantelzorger uitvoeren, tenzij er redenen zijn voor een tijdelijke ontheffing van de arbeidsplicht. Vastgesteld moet worden dat het verlenen van zorg niet kan worden gecombineerd met de verplichting tot het verrichten van arbeid voor de duur en het aantal uren waarvoor de mantelzorg noodzakelijk is. Dit is alleen het geval indien: de mantelzorg wordt geboden aan (inwonende) bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad; en er sprake is van een zodanige hulpbehoevendheid dat het ontbreken van zorg sociaal en medisch onverantwoord moet worden geacht; en er geen of onvoldoende voorzieningen zijn (bijv. thuiszorg, PGB ). Indien het college de verrichtte mantelzorg niet in redelijke verhouding vindt staan tot de arbeids- en/of re-integratieplicht van betrokkene, kan het college besluiten de ontheffing niet te verlenen. In dat geval dient het college zich wel te vergewissen van een voorhanden zijnde adequaat alternatief voor hulp die de mantelzorger verleent. Het college kan een onafhankelijke externe deskundige om advies vragen inzake de noodzaak van het aantal uren waartoe de ontheffing noodzakelijk is, evenals de duur van de ontheffing. Ook kan hiervoor gebruikgemaakt worden van andere indicatiestellingen. De ontheffing vindt in redelijkheid plaats, waarbij de uren die moeten worden besteed aan zorgtaken in relatie moeten staan tot de resterende arbeidsuren, waarbij uitgegaan wordt van een 36-urige werkweek. Artikel 2.3.5. Ontheffing bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid Conform artikel 9, lid 5 van de wet zijn de verplichtingen, zoals bedoeld artikel 9, lid 1, a t/m van de wet, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt: Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevallen duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. 2.3.B In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterde situatie. 2.3.C Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het betreft hier een permanente ontheffing. Hoofdstuk 3 Inkomensondersteuning 3.1lnkomstenvrijlating Artikel 3.1.1 lnkomstenvrijlating In dit artikel zijn de belangrijkste voorwaarden opgenomen die het recht op een vrijlating bepalen. Ten eerste is dit de beoogde doelstelling van de wetgever: het stimuleren van aanvaarding van gehele of gedeeltelijke arbeid door belanghebbenden. Aangenomen wordt dat hier altijd sprake van is, tenzij (ten tweede) de aanvaarding van arbeid niet tijdig gemeld wordt door belanghebbende. Belanghebbenden kunnen natuurlijk niet met terugwerkende kracht gestimuleerd worden om keuzes in het verleden te maken. Als er sprake is van verzwegen inkomsten of fraude kan belanghebbende nu voorgehouden worden dat: hij zich enerzijds te laat (of niet) heeft gemeld; dat het toekennen van een inkomstenvrijlating niet doelmatig is; dat er blijkbaar voldoende stimulans aanwezig was om arbeid te accepteren en geen gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening. De vrijlating mag niet worden toegepast op de onderdelen uit het inkomen die niet onder de middelen vallen. Niet tot de middelen worden onder andere gerekend de door de werkgever betaalde reiskostenvergoeding, de kilometervergoeding, fietsgeld, koffiegeld, gereedschapsvergoeding, telefoonkostenvergoeding, wasvergoeding t.b.v. uniformen, overalls, e.d., en de maaltijdvergoeding. Wel tot de middelen worden gerekend: het door de werkgever betaalde loon in natura, de winstuitkering en de bonus. Tot de middelen worden ook gerekend de zelf verworven inkomsten van marginaal zelfstandigen en cliënten die af en toe een op geld waardeerbare dienst/klus/opdracht uitvoeren (inkomsten op bescheiden schaal), ongeacht of deze een duurzaam karakter hebben. Personen die bijstand ontvangen en een inkomen (gaan) ontvangen dat net boven de norm uitkomt, zal het college de vrijlating eerst in mindering moeten brengen op de inkomsten. Bedragen de inkomsten na de vrijlating minder dan de norm, dan blijft het recht op (aanvullende) bijstand bestaan. Is het inkomen na de vrijlating gelijk aan of hoger dan de norm, dan bestaat er geen recht meer op bijstand. 3.2. Middelentoets Artikel 3.2. 1 Giften De Participatiewet bepaalt in artikel 31, lid 2, onder m, dat giften niet tot de middelen worden gerekend voor zover deze 'naar het oordeel van het college' uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Het kabinet wil een giftenvrijlating van€ 1.200 realiseren. Hiermee hebben giften tot€ 1 .200 geen gevolgen voor de bijstand. Deze giftenvrijlating zou in 2024 in de wet moeten staan. Maar op dit moment heeft het college al de bevoegdheid om giften buiten beschouwing te laten als deze vanuit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Veel gemeenten hebben hierbij al een vrijlatingsgrens van€ 1 .200 of hoger. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen roept gemeenten op om in ieder geval een vrijlating van€ l .200 te hanteren. De gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde geven gehoor aan deze oproep. Wanneer een bijstandsgerechtigde een gift ontvangt, kan dit invloed hebben op de hoogte van de bijstand. Afhankelijk van het karakter van de gift kan een gift zowel als inkomen of als vermogen worden gezien. Indien de gift niet in aanmerking komt voor een volledige vrijstelling of indien een gift boven het bedrag van de vrijlating komt, wordt een gift met een periodiek karakter aangemerkt als inkomen en een gift met een incidenteel karakter als vermogen. Geldt de gift als inkomen dan wordt deze verrekend met de hoogte van de bijstand. Geldt de (incidentele) gift als vermogen dan wordt deze opgeteld bij het vrij te laten vermogen. Door de giften niet volledig in aanmerking te nemen wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Uitgangspunt is dat er ruimte gegeven wordt aan religieus en particulier initiatief. Gezien het minimumbehoefte karakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van de gift geldt dat het in de rede ligt om de gift in aanmerking te nemen voor zover cumulatie daarvan met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is. Wanneer giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Het is onmogelijk om alle scenario's vast te leggen in beleidsregels. Het uitgangspunt bij de vrijlating van giften is dat er maatwerk geleverd kan worden en dat er gekeken wordt naar de situatie van de belanghebbende. Artikel 3.2.2 Voedingsgeld. Het kan voorkomen dat een belanghebbende met een Wlz-indicatie voedingsgeld ontvangt. Dit kan voorkomen bij personen die in een inrichting wonen, of personen die zorg thuis ontvangen (Volledig pakket thuis Wlz). Dit is ter compensatie voor eten, drinken en wassen waar iemand op grond van de Wlz recht op kan hebben. Dit wordt niet altijd in natura verstrekt. Of voedingsgeld voor de bijstand als inkomen moet worden aangemerkt, kunnen meerdere visies worden verdedigd. Het college overweegt dat voedingsgeld ontvangen vanuit een Wlz-indicatie niet wordt aangemerkt als middel voor de bijstand indien een instelling niet voorziet in voeding in natura. Het uitgangspunt bij de inrichtingsnorm is dat de instelling voorziet in de voedingskosten. In sommige gevallen stelt de instelling hier een bedrag voor beschikbaar aan belanghebbende in plaats van het verstrekken van voeding in natura. Als de instelling wel zou voorzien in voeding wordt dit ook niet aangemerkt als inkomen in natura. Artikel 3.2.3 Materiële en Immateriële schadevergoeding Bij een schadevergoeding wordt onderscheid gemaakt tussen materiële en immateriële schadevergoedingen. Een materiële schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakte kosten zijn, verlies van inkomen of kosten die nog gemaakt moeten worden. Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Binnen de bijstandsuitkering moet worden gekeken naar de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Is de vergoeding exorbitant hoog, of heeft deze een loondervend karakter, dan kan dat deel wel als middel in aanmerking worden genomen. Voor het gedeelte van de immateriële schadevergoeding dat door de gemeente wordt vrijgelaten, is het aan de belanghebbende om te bepalen waar de vrijgelaten immateriële schadevergoeding voor wordt gebruikt. Invulling geven aan het hervinden van levensvreugde is immers een persoonlijke kwestie. Artikel 3.2.4 Erfenissen lid 1. Eerste lid: Erfenissen zijn geen giften als bedoeld in onderdeel m van de Participatiewet. Het behandelen van erfenissen als zodanig betreft bovenwettelijk begunstigend beleid. Gezien erfenissen en giften zonder specifieke bestemming allebei ter vrije besteding is, worden deze op eenzelfde wijze behandeld. lid 2. De bijstandsgerechtigde is te allen tijde verplicht om een erfenis te melden bij de gemeente. Ook in de situatie dat de hoogte van de erfenis nog niet is vastgesteld, dient er een melding gemaakt te worden dat er mogelijk recht is op een erfenis. Artikel 3.2.5. Normwijziging verblijf in inrichting Artikel 23 Participatiewet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Van verblijf in een inrichting is sprake vanaf het moment van opname in een inrichting. Bij opname van een belanghebbende in een inrichting wordt de bijstandsnorm gehandhaafd tot en met de laatste dag van de maand van opname, tenzij vooraf bekend is dat belanghebbende zijn woonruimte met ingang van een eerdere datum heeft opgezegd. In dat geval is het reëel de bijstandsnorm te wijzigen in de norm voor verblijf in een inrichting met ingang van de datum waarop de woning is opgezegd. Vanwege het praktische gegeven dat opnames in inrichting van (zeer) korte duur kunnen zijn en er, met name in het geval van opname in psychiatrische inrichting, sprake kan zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar, is het - mede gelet op de administratieve last - niet wenselijk om de norm (telkens) meteen om te zetten. Dit is eens te meer het geval als het wegvallen van belangrijke bestaanskosten voor belanghebbende niet of slechts in beperkte mate aan de orde is. Bovendien zou in voorkomende gevallen ook steeds bijzondere bijstandsverlening aan de orde kunnen zijn voor de doorlopende vaste lasten. Wanneer vooraf vaststaat dat de opname van de belanghebbende in een inrichting korter dan 2 maanden zal duren, wordt de bijstandsnorm daarom gehandhaafd. De bijstandsnorm wordt ook gehandhaafd wanneer vooraf vaststaat dat de belanghebbende die in een inrichting verblijft een of meerdere dagen per week thuis verblijft. De toelichting bij artikel 23 Participatiewet motiveert de lagere bijstandsnormen bij verblijf in een inrichting met de mededeling dat personen die ter verpleging of verzorging in een inrichting verblijven, niet geconfronteerd worden met een aantal belangrijke bestaanskosten. In voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke wordt voorzien door de inrichting. De daaraan verbonden kosten zijn begrepen in de verpleeg- of verzorgingsprijs, die over het algemeen uit andere hoofde wordt vergoed (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 51). In situaties waarin de genoemde bestaanskosten niet of slechts in beperkte mate wegvallen door het verblijf in een inrichting, is de motivering voor de toepassing van artikel 23 Participatiewet niet langer meer aan de orde en daarmee de strikte toepassing niet opportuun. Artikel 3.2.6 Vermogen in eigen woning Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Artikel 3.2.7 Waarde voertuigen bij vermogensvaststelling Op grond van artikel 34 Participatiewet worden bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn niet als vermogen aangemerkt. Het college vindt de totale waarde van auto's, motorfietsen, en dergelijke tot een waarde van€ 5.000,00 algemeen gebruikelijk (en worden dus niet als vermogen in aanmerking genomen). De waarde van een caravan of aanhanger wordt volledig in aanmerking genomen en als vermogen aangemerkt. De reden hiervan is dat het bezit van een caravan of aanhanger niet noodzakelijk is voor het verkrijgen van of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Daarvoor is één auto of één motorfiets voldoende. Voor de vaststelling van de waarde van de auto's, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de koerslijsten van de ANWB (inruilwaarde), zijnde de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 Participatiewet). Van deze goederen die wegens hun leeftijd niet meer in deze koerslijsten zijn opgenomen, wordt aangenomen dat hun waarde nihil is. Van deze uitgangspunten wordt afgeweken indien er aantoonbare verschillen zijn tussen het goed en de uitgangspunten van de koerslijsten, bijvoorbeeld enerzijds een schadeauto en anderzijds een oldtimer. In dat geval wordt de waarde van het voertuig geschat. Artikel 3.2.8 Reservering uitvaartkosten Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie wordt geacht algemeen gebruikelijk te zijn. Dit kan zowel een verzekering in natura zijn, een verzekering die in contanten uitkeert of een eigen reservering voor die kosten. Indien de verzekering of reservering echter zodanig van vorm is dat gesteld moet worden dat belanghebbende hier niet over kan beschikken, dan kan het college deze op grond van artikel 31 lid l Participatiewet niet als middel in aanmerking nemen. Dit zal zich met name voordoen bij uitvaartverzekeringen die in natura uitkeren. Een uitvaartverzekering die in natura uitkeert, wordt altijd vrijgelaten. In het kader van gelijke behandeling van belanghebbende met een verzekering die in natura en die in contanten uitkeert is het redelijk om ook in het tweede geval een bedrag buiten beschouwing te laten. Dit geldt ook wanneer een belanghebbende zelf geld reserveert voor de uitvaart dat niet eerder opvraagbaar is dan na het overlijden van belanghebbende. Artikel 3.2.9 Bijzondere bezittingen zoals aandelen, effecten, e-wallet, cryptomunten Cryptomunten (ofwel cryptocurrency of cryptovaluta) zoals bijvoorbeeld de bitcoin, zijn digitale munteenheden. Als een belanghebbende cryptomunten heeft, dan zijn dat bezittingen als bedoeld in artikel 34 lid l onderdeel a Participatiewet waarover belanghebbende beschikt. De cryptomunten dienen te worden toegerekend aan het vermogen van belanghebbende. Dit is alleen anders als sprake is van handel in bitcoins. Dan moeten de inkomsten daarvan worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32 Participatiewet. Om de waarde van de cryptomunten vast te stellen zal belanghebbende inzage moeten geven in het online transactieoverzicht van de cryptomunten. Onder de waarde moet worden verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt. 3.3. Inlichtingenplicht Artikel 3.3. 1 Onverwijld uit eigen beweging Artikel l 7 lid l Participatiewet, artikel l 3 lid l van de IOAW en IOAZ en artikel 30c lid 3 Wet SUWI schrijven voor dat de van belang zijnde informatie "onverwijld uit eigen beweging" gemeld moeten worden. Op grond hiervan is de belanghebbende slechts verplicht tot het verstrekken van die inlichtingen waarvan het hem 'redelijkerwijs duidelijk moet zijn' dat die van belang zijn voor het recht op uitkering. Het college moet bepalen binnen welke termijn deze informatie moet zijn ingeleverd om aan het vereiste van "onverwijld uit eigen beweging" te hebben voldaan. Wanneer de belanghebbende al een uitkering ontvangt, dient hij wijzigingen die van invloed kunnen zijn voor het recht op bijstand binnen 14 dagen melden. Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand 4.1 Algemene bepalingen Het onderdeel bijzondere bijstand is een uitgebreid en belangrijk onderdeel van deze beleidsregels. Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag inkomen. Bepalend is de draagkracht van de belanghebbende. Het inkomen wordt vergeleken met de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarbij wordt de kostendelersnorm buiten beschouwing gelaten. De bijzondere noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan. De middelen zoals genoemd in de artikelen 31 t/m 33 en een deel van de vermogensbestanddelen van artikel 34 van de Participatiewet worden bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking genomen. Bij het verstrekken van bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de belanghebbende. Het college bepaalt welk deel van het inkomen boven de bijstandsnorm bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen (artikel 35, lid l, van de Participatiewet). Artikel 4.1.2 Beoordeling noodzakelijkheid Door bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat een belanghebbende niet over voldoende inkomen of vermogen beschikt om aan bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten te voldoen. Wanneer de belanghebbende geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, de betreffende uitgaven noodzakelijk zijn en voortkomen uit bijzondere omstandigheden, kan bijzondere bijstand worden toegekend. Het gaat altijd om een individuele beoordeling, dus om maatwerk. Dit betekent dat uit de bijzondere individuele omstandigheden de noodzaak van de kosten moet blijken en dat in elke specifieke situatie een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Deze basisuitgangspunten gelden voor iedere aanvraag. Welke kosten daarvoor in aanmerking komen, hangt af van de individuele omstandigheden en wordt dan ook per aanvraag beoordeeld. Het kan hierbij om zeer diverse kostensoorten gaan. Enkele veel voorkomende kostensoorten zijn in hoofdstuk 4 van deze beleidsregels nader omschreven. Voor het verlenen van bijzondere bijstand is het geen vereiste dat belanghebbende algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt. Ook anderen, die een financiële positie hebben die niet toereikend is om de bijzondere en noodzakelijke kosten te betalen, kunnen een beroep op bijzondere bijstand doen. De Par