Beleidsregel normaal maatschappelijk risico en vergoeden van schade bij rechtmatig overheidshandelen (horend bij de Verordening nadeelcompensatie gemeente Groningen 2024)Het college van burgemeester en wethouders van Groningen, gelet op artikelen 1:3 lid 4 en 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besluit de volgende regeling vast te stellen: Beleidsregel normaal maatschappelijk risico en vergoeden van schade bij rechtmatig overheidshandelen (horend bij de Verordening nadeelcompensatie gemeente Groningen 2024), Inleiding De overheid kan rechtmatig handelen, maar toch schade veroorzaken. Denk aan werkzaamheden aan de weg, waardoor een bedrijf (tijdelijk) minder goed bereikbaar is en inkomsten misloopt. Of waardevermindering van eigendom van een onroerende zaak door het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een appartementencomplex. Het gaat in dus niet alleen om schade veroorzaakt door rechtmatige besluiten, maar ook om schade veroorzaakt door rechtmatige feitelijke handelingen. Deze beleidsregel heeft betrekking op aanvragen om nadeelcompensatie op grond van de Awb en op grond van de Omgevingswet voor zover het directe schade betreft en geeft (onder meer) invulling aan de omvang van het begrip normaal maatschappelijk risico. Normaal maatschappelijk risico bij indirecte schade op grond van de Omgevingswet valt buiten deze beleidsregel, omdat dit al bij wet is geregeld in artikel 15.7 Omgevingswet. Artikel 4:126 Awb regelt het recht op nadeelcompensatie. Het bepaalt in het eerste lid dat indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, de benadeelde desgevraagd een vergoeding wordt toegekend. Het gaat om schade die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico. Deze beleidsregel geeft invulling aan het begrip normaal maatschappelijk risico. Naast de hierboven genoemde regeling in de Awb is in de Omgevingswet in afdeling 15.1 een specifiek op het omgevingsrecht toegesneden nadeelcompensatieregeling opgenomen, die enkele aanvullende regels bevat ten opzichte van de algemene regeling over nadeelcompensatie van titel 4.5 van de Awb. Er is in artikel 15.1 Omgevingswet sprake van een limitatieve opsomming van schadeoorzaken. Als een schadeoorzaak binnen het omgevingsrecht hier niet onder valt, kan niet alsnog via de Awb om schadevergoeding worden verzocht. In artikel 15.7 is het normaal maatschappelijk risico bij indirecte schade bepaald op 4% van de waarde van de onroerende zaak. Deze regel uit de Omgevingswet heeft voorrang boven de regels uit de Awb. Artikel1Toepassingsbereik 1.Deze beleidsregel heeft betrekking op aanvragen om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 4.126 eerste lid Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 Omgevingswet; 2.Deze beleidsregel heeft geen betrekking op het normaal maatschappelijk risico voor indirecte schade op grond van de Omgevingswet bestaande uit waardevermindering van een onroerende zaak. Artikel2Ontvangstbevestiging 1.Het college stuurt de in artikel 3 Verordening nadeelcompensatie bedoelde aanvrager binnen twee weken na ontvangst van zijn aanvraag een ontvangstbevestiging waarin de aanvrager op de hoogte wordt gesteld van de te volgen procedure en, onder vermelding van het rekeningnummer van de gemeente, van de verplichting het recht als bedoeld in artikel 2 Verordening nadeelcompensatie tijdig over te maken. 2.Indien de verstrekte gegevens of bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid zijn aanvraag binnen vier weken aan te vullen. 3.Het college kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de aanvrager eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. Artikel3Opdrachtverstrekking 1.Het college verstrekt onverwijld na het ontvangen van het recht als bedoeld in artikel 2 van de Verordening nadeelcompensatie opdracht aan de adviseur om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij de aanvraag moet worden aangevuld. In dat geval geschiedt opdrachtverstrekking binnen twee weken nadat de ontbrekende informatie alsnog is ontvangen. 2.De opdracht aan de adviseur betreft het bepalen of naar zijn mening de aanvrager ten gevolge van een rechtmatig besluit of handeling schade lijdt die redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven. Hij vermeldt het resultaat van onderzoek met de beweegredenen in een advies. 3.Leidt dit onderzoek tot een bevestigende beantwoording, dan berekent de adviseur de betreffende schade en de billijke schadevergoeding. Artikel4Wraking van de adviseur 1.Tegelijk met de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 3 stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c Omgevingswet schriftelijk op de hoogte dat advies is gevraagd aan de adviseur. 2.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c Omgevingswet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere leden van de adviseur bij het college indienen. 3.Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking en wijst zo nodig een andere adviseur aan. Artikel5Behandeling aanvraag om nadeelcompensatie Awb en infrastructurele maatregelen 1.De adviseur stuurt het conceptadvies naar de aanvrager, het college en eventuele belanghebbenden. 2.De adviseur stelt de aanvrager, het college en eventuele belanghebbenden in de gelegenheid schriftelijk een zienswijze in te dienen over het conceptadvies. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt vier weken. Deze termijn kan op verzoek van de aanvrager, het college en/of de belanghebbende met maximaal twee weken verlengd worden. 3.In het geval tijdig reacties zijn ingediend brengt de adviseur binnen vier weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn een advies uit aan het college waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 4.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend brengt de adviseur binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn een advies uit aan het college. Artikel5aBehandeling aanvraag nadeelcompensatie Omgevingswet 1.De adviseur organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de ambtelijke vertegenwoordiger van het college in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur kenbaar te maken. 2.Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c Omgevingswet worden eveneens in de gelegenheid gesteld tijdens die hoorzitting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.