1.Het Algemeen bestuur geeft aan de colleges, de raden van de deelnemende gemeenten en de verenigde vergaderingen van de deelnemende waterschappen gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. Deze inlichtingen worden schriftelijk of mondeling verstrekt. 2.Het Algemeen bestuur stelt nadere regels over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt. 3.Het Algemeen Bestuur maakt vergaderstukken en verslagen van het Algemeen Bestuur actief openbaar. 4.Het Dagelijks Bestuur maakt agenda’s en besluitenlijsten van het Dagelijks Bestuur actief openbaar. 5.Het openbaar maken van de stukken, zoals genoemd onder lid 3 en lid 4, geschiedt zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee weken na vaststelling of ontvangst van de informatie. Bevoegdheden van het algemeen bestuur Artikel13 Alle bevoegdheden die in de regeling niet expliciet aan het dagelijks bestuur, de voorzitter of een ander bestuursorgaan zijn toegekend, komen toe aan het algemeen bestuur. Artikel14 Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren onder meer: het vaststellen en wijzigen van de begroting; het vaststellen van de jaarrekening; het vaststellen van de bijdragen van de deelnemers; de benoeming, schorsing en ontslag van de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter. HOOFDSTUK5:HET DAGELIJKS BESTUUR De samenstelling Artikel15 1.Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden. 2.Eén lid wordt aangewezen uit de door het hoogheemraadschap van Delfland aangewezen leden van het algemeen bestuur; één lid wordt aangewezen uit de door het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard aangewezen leden van het algemeen bestuur en één lid wordt aangewezen uit de door de gemeenten aangewezen leden van het algemeen bestuur. 3.De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het nieuw gekozen algemeen bestuur. 4.Het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of anderszins openvallen, vindt plaats uiterlijk twee maanden nadat deze zijn opengevallen. 5.Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. 6.Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen, blijft zijn functie waarnemen totdat in zijn opvolging is voorzien. 7.Verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt terstond verlies van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur mee. Werkwijze Artikel16 1.Het dagelijks bestuur vergadert vier keer per jaar en zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste één ander lid van het dagelijks bestuur daarom verzoekt. 2.De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. 3.De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald. 4.In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten, indien tenminste twee leden aanwezig zijn. 5.Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering. Artikel17 Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden. Bevoegdheden van het dagelijks bestuur Artikel18 1.Het dagelijks bestuur oefent zijn bevoegdheden uit met inachtneming van het gestelde in het op deze regeling gebaseerde prestatiecontract, die de deelnemers aangaan met de RBG. 2.Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse bestuurlijke aangelegenheden van de RBG, tenzij de voorzitter bij of krachtens de wet of krachtens deze regeling daarmee is belast. 3.Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht. 4.Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluitvorming van het algemeen bestuur. Artikel19 Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met: de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van de RBG en de personele aangelegenheden; het beheer van de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de RBG; de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de RBG en de belastingdeurwaarder; het houden van toezicht op al wat de RBG aangaat; het behartigen van de belangen van de RBG bij andere overheden en andere instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de RBG van belang is; het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die de RBG voor de deelnemers uitvoert te beslissen tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de RBG. Artikel20 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot: het nemen van alle conservatoire maatregelen, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit; het instellen van beroep in cassatie bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het gerechtshof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, tenzij het algemeen bestuur daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft genomen; het spoedshalve instellen van beroep of het maken van bezwaar, alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, tot het verzoeken om schorsing van het aangevochten besluit of om voorlopige voorziening ter zake, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de RBG of aan het bestuur van de RBG hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt. Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken indien het algemeen bestuur de beslissing van het dagelijks bestuur tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet hetzij in zijn eerstvolgende vergadering, hetzij binnen drie maanden bekrachtigt; uitoefenen van de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken, zijn toegekend aan de Minister van Financiën, respectievelijk de colleges. 2.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van de RBG. 3.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het regelen van de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel met inachtneming van het bepaalde in artikel 29, vijfde lid, van deze regeling. 4.Het dagelijks bestuur is bevoegd een of meer ambtenaren van de RBG aan te wijzen als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar. 5.Het dagelijks bestuur is bevoegd een of meer ambtenaren van de RBG of een gerechtsdeurwaarder als bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet aan te wijzen als belastingdeurwaarder. 6.Het dagelijks bestuur is bevoegd een of meer ambtenaren aan te wijzen als ambtenaar van de RBG. 7.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van instructies en uitvoeringsregels voor de heffingsambtenaar, voor de invorderingsambtenaar, voor de ambtenaar van de RBG en voor de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden. 8.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het stellen van nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening. 9.Het dagelijks bestuur is bevoegd de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar te verklaren. 10.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het afhandelen van administratief beroep tegen afwijzingsbesluiten op verzoeken om kwijtschelding. 11.Het dagelijks bestuur is bevoegd om te besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten, binnen de kaders die de begroting daaraan stelt. 12.Het dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen van de RBG. 13.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het doen van aangifte van alle strafbare feiten waarvan het kennis heeft genomen.
1.Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden geeft aan het algemeen bestuur de door één of meer leden van dit bestuur gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het algemeen belang. 2.Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden legt op verzoek van een of meer leden van het algemeen bestuur verantwoording af over het door het dagelijks bestuur of door hem gevoerde bestuur. 3.Het dagelijks bestuur geeft de vertegenwoordigende organen mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen. HOOFDSTUK6:DE VOORZITTER Verkiezing Artikel22 1.Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan. 2.Het algemeen bestuur wijst uit de in artikel 15, eerste lid, bedoelde leden van het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter aan, die de voorzitter bij afwezigheid vervangt. De taken en bevoegdheden van de voorzitter Artikel23 1.De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 2.De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. 3.De voorzitter vertegenwoordigt de RBG in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging met instemming van het dagelijks bestuur aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen. 4.Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is in een geding waarbij de RBG is betrokken, oefent de plaatsvervangend voorzitter, bedoeld in artikel 23, tweede lid, de in het derde lid bedoelde bevoegdheid uit.
1.De voorzitter geeft aan het algemeen bestuur de door één of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het algemeen belang. 2.De voorzitter legt op verzoek van één of meer leden van het algemeen bestuur verantwoording af over het door hem gevoerde beleid. 3.De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen. HOOFDSTUK7:DE HEFFINGSAMBTENAAR, DE INVORDERINGSAMBTENAAR, DE AMBTENAAR VAN DE RBG EN DE BELASTINGDEURWAARDER Artikel25 1.De heffingsambtenaar heeft, ter zake van de belastingen en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels en beleidsregels van het dagelijks bestuur in acht. Artikel26 1.De invorderingsambtenaar heeft, ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers. 2.De invorderingsambtenaar zal bij het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg, hoger beroep en in cassatie de deelnemers via de periodieke verslaglegging op de hoogte stellen. 3.Bij de uitoefening van de bevoegdheden, als bedoeld in het eerste en het tweede lid van dit artikel, neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemers en de nadere regels en beleidsregels van het dagelijks bestuur in acht. 4.De invorderingsambtenaar is bevoegd het dagelijks bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 20, negende lid. Artikel27 1.De ambtenaar van de RBG heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder p en q en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel d, van de Waterschapswet en artikel 231, tweede lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van de RBG de nadere regels en beleidsregels van het dagelijks bestuur in acht. Artikel28 1.De belastingdeurwaarder heeft, ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet, zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder van de deelnemers. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels en beleidsregels van het dagelijks bestuur in acht. HOOFDSTUK8:DE DIRECTEUR EN DE AMBTELIJKE ORGANISATIE Artikel29 1.De RBG heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur. De directeur is tevens secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 2.De directeur handelt in overeenstemming met de door het dagelijks bestuur vastgestelde instructie. 3.De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taken terzijde. Hij is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. 4.Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de directeur mede ondertekend. 5.De Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) zijn van toepassing op het personeel van de RBG. 6.De RBG heeft ten behoeve van de medezeggenschap van de werknemers een ondernemingsraad op basis van de Wet op de ondernemingsraden. HOOFDSTUK9:FINANCIËN EN ADMINISTRATIE Begroting Artikel30 1.Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient: de kadernota; de voorlopige jaarrekening; aan de verenigde vergaderingen van de deelnemende waterschappen en raden van de deelnemende gemeenten. 2.Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en de algemene besturen van de deelnemende waterschappen. 3.De colleges van de deelnemende waterschappen en gemeenten dragen zorg voor het voor een ieder ter inzage leggen van de ontwerpbegroting. 4.De raden van de deelnemende gemeenten en de algemeen besturen van de deelnemende waterschappen kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5.Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam stelt de algemeen besturen van de deelnemende waterschappen en de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, en van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 6.De vaststelling van de begroting geschiedt, in afwijking van artikel 11, derde lid, op basis van een unaniem genomen besluit. 7.Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststellen en voor 15 september aan Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland . 8.Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de algemeen besturen van de deelnemende waterschappen en de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 9.In afwijking van het onder het tweede lid vermelde, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de deelnemersbijdragen, direct worden vastgesteld door het algemeen bestuur. Artikel31 1.In de begroting worden de algemene en bijzondere bijdragen aangegeven die elke deelnemer verschuldigd is in het jaar waarop de begroting betrekking heeft. 2.De deelnemers betalen jaarlijks in enkele voorschotten de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bijdragen. De wijze en frequentie van betaling zijn geregeld in het in deze regeling bedoelde prestatiecontract. 3.De deelnemers dragen er zorg voor dat de RBG over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 4.De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door de RBG af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in het eerste lid bedoelde bijdragen op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing verschuldigd is. Jaarrekening Artikel32 1.Van de inkomsten en uitgaven van de RBG over het afgelopen jaar wordt door het dagelijks bestuur verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden. 2.Het dagelijks bestuur voegt bij de jaarrekening een accountantsverklaring en een verslag van bevindingen van de accountant. Artikel33 1.Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. De vaststelling van de jaarrekening geschiedt, in afwijking van artikel 11, derde lid, op basis van een unaniem genomen besluit . 2.Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling door het algemeen bestuur, doch in ieder geval vóór 15 juli met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de vertegenwoordigende organen. 3.De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ten aanzien van het daarin verwoorde financieel beheer. Artikel34 1.In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 2.Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 31, eerste lid, bepaalde en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de kennisgeving aan de deelnemers van de vaststelling van de jaarrekening. Administratie en controle Artikel35 1.Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de (financiële) administratie en van het beheer van vermogenswaarden. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. Artikel36 1.De RBG houdt de administratie voor de opgelegde aanslagen en ingevorderde belastinggelden gescheiden van de administratie voor de bedrijfsvoering van de RBG. 2.De ingevorderde belastinggelden worden beheerd op een uitsluitend daartoe bestemde rekening. 3.Het is de RBG niet toegestaan te ontvangen of ontvangen belastinggelden te verrekenen met bijdragen van de deelnemers aan de RBG. Artikel37 1.Ingevorderde belastinggelden worden periodiek overgemaakt naar een rekening van de desbetreffende deelnemer. De wijze en frequentie van deze betaling zijn geregeld in het in deze regeling bedoelde prestatiecontract. 2.Het dagelijks bestuur zendt periodiek aan de colleges van de deelnemers een overzicht van de te heffen, geheven, in te vorderen en ingevorderde belastinggelden als mede een overzicht van de kwijtscheldingen. De frequentie van deze informatievoorziening is geregeld in het in deze regeling bedoelde prestatiecontract. Artikel38 1.Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden. De regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst. 2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien onder meer in de aanwijzing van een of meer accountants als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek belast met het onderzoek van de jaarrekening, alsmede met het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de jaarrekening bevindingen bevat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan de eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid. HOOFDSTUK10:GESCHILLENBEHANDELING Artikel39 Over geschillen tussen de deelnemers onderling of tussen deelnemers en het bestuur van de RBG over de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling wordt beslist door gedeputeerde staten, zoals bepaald in artikel 28 van de wet. Voorafgaand daaraan wordt het geschil ter advisering voorgelegd aan een door het algemeen bestuur samengestelde geschillencommissie. Nadat advies is uitgebracht neemt het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een besluit. HOOFDSTUK11:TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING Toetreding Artikel40 1.Het dagelijks bestuur van een waterschap of het college van een gemeente dat wenst toe te treden tot de regeling dient het verzoek tot toetreding met inbegrip van de verkregen toestemming van het algemeen bestuur van dat waterschap of de gemeenteraad van die gemeente, in bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur legt het verzoek ter advisering voor aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur zendt het verzoek tot toetreding met het advies van het algemeen bestuur aan de colleges en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de verzochte toetreding. Van hun besluit stellen de deelnemers het algemeen bestuur, binnen 3 maanden na het verzoek daartoe, schriftelijk in kennis. 2.Het dagelijks bestuur van het waterschap of het college van de gemeente treedt toe tot de regeling indien de colleges van alle deelnemende overheden na verkregen toestemming van hun vertegenwoordigende organen hebben ingestemd met de verzochte toetreding. 3.Het algemeen bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent de toetreding van nieuwe bestuursorganen. 4.De toetreding gaat in op de eerste dag van het jaar volgend op het jaar waarin de in het tweede lid vermelde instemming tot de toetreding is verleend. 5.Toetreding van een nieuwe deelnemer als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geschiedt gelijktijdig met een wijziging van deze regeling die voorziet in de gevolgen van die toetreding voor de RBG. 6.Het toegetreden bestuursorgaan doet zo spoedig mogelijk de nodige benoemingen op basis van artikel 7 van deze regeling. Uittreding Artikel41 1.Een college kan uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad of algemeen bestuur. 2.In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel. 3.Een college zendt het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het Algemeen Bestuur het besluit heeft ontvangen. 4.Tenzij het Algemeen Bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum. 5.Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot uittreding van een college aan de colleges van de overige deelnemers. 6.De colleges van de overige deelnemers kunnen gedurende een periode van 3 maanden na de toezending als bedoeld in het vorige lid een zienswijze toezenden aan het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur betrekt de zienswijzen bij het opstellen van het uittredingsplan. 7.Indien een college besluit om een gedeelte van de taken welke zijn overgedragen aan de RBG niet langer over te dragen, vindt eerst een gezamenlijk overleg plaats tussen het betreffende college en de RBG over de impact van dit voornemen. Het college en de RBG bereiden een voorstel voor het AB waarin de impact wordt beschreven. Als in dit overleg geen gezamenlijk voorstel wordt geformuleerd dat de goedkeuring van het Algemeen Bestuur krijgt, wordt dit voornemen gelijkgeschakeld aan gedeeltelijk uittreden en treden de uittredingsbepalingen in werking. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het vanaf een bepaalde datum niet langer afnemen van diensten van c.q. niet langer over dragen of delegeren van tot dan toe overgedragen of gedelegeerde taken en bevoegdheden aan de gemeenschappelijke regeling. Uittredingsplan Artikel42 1.Het Algemeen bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding. 2.Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële -, juridische -, personele - en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3.Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 4.De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt, als bedoeld in artikel 45, lid
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.