Nadere regels ondergrondse infrastructuur Gemeente ZandvoortNadere procedurele en uitvoeringsregels kabels en leidingen 1.Inleidende bepalingen 1.1.Begripsbepalingen De begripsbepalingen van de AVOI zijn op deze nadere regels van toepassing tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken. In deze nadere regels wordt verstaan onder: bijzondere verharding: waterdoorlatende, waterpasserende, natuursteen of sierbestrating; dagmaat: de vrije ruimte tussen kabels en leidingen; dekking: de afstand van het maaiveld tot de bovenkant van het net; elementenverharding: verhardingen van ongebonden elementen (tegels, klinkers en dergelijke); gereedmelding: een melding van de netbeheerder aan het college dat hij zijn werkzaamheden heeft voltooid; gesloten verharding: asfalt, beton, of een elementenverharding met cementgebonden funderingen; groenvoorzieningen: plantvakken, struiken, bermen en gazons grootschalig evenement: evenementen zoals benoemd in het Evenementenbeleid; halfverharding: een waterdoorlatende verharding van lichtgebonden materiaal. Halfverharding wordt altijd aangebracht op een waterdoorlatende, ongebonden fundering van menggranulaat; handhole: een ondergrondse behuizingsvoorziening die is geïnstalleerd om gemakkelijk toegang te verschaffen voor werkzaamheden aan kabels en leidingen. huisaansluiting: één of meer aansluitingen tussen een net en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken; leidingstrook: strook grond die primair is bestemd voor netten; leidingtracé: afgebakende lijn van een kabel of leiding geprojecteerd in de openbare ruimte; melding: melding als bedoeld in artikel 2.1 tweede lid van de AVOI. Het betreft een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard, waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is; small cell: een draadloos toegangspunt met klein bereik ten behoeve van draadloze connectiviteit (o.a. 5G); startmelding: een melding van de netbeheerder aan het college dat hij zijn werkzaamheden gaat aanvangen; werkput: een sleuf of lasgat. 1.2.Reikwijdte Deze nadere regels vormen een uitwerking van artikel 2.1 tweede en vierde lid, artikel 2.3 derde lid, artikel 2.4, artikel 2.5, artikel 3.1, artikel 3.2, artikel 4.2 derde lid van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI) gemeente Zandvoort 2024. 1.3.Afwijking van gestelde normen en voorschriften Afwijking van gestelde normen en voorschriften is enkel mogelijk na goedkeuring van het college. 1.4.Werkzaamheden van niet ingrijpende aard 1.Voor werkzaamheden die dusdanig beperkt zijn dat op grond van artikel 2.1. tweede lid van de AVOI geen vergunning of instemmingsbesluit noodzakelijk is, kan worden volstaan met een melding aan het college. Het betreft de volgende werkzaamheden in of op openbare gronden: het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter; het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter; het plaatsen van distributie- en mutatiepunten met een afmeting kleiner dan 30x30x30 cm (lxbxh); het maken van maximaal twee montagegat(
(96b); Standaard RAW-bepalingen. 3.9.Werktijden 1.Werkzaamheden worden uitgevoerd op werkdagen tussen 07:00 en 18:00 uur. 2.Het college kan afwijkende werktijden of dagen voorschrijven in het instemmingsbesluit of de vergunning. 3.10.Graaf- en breekverbod 1.Er geldt een graafverbod bij gesloten sneeuwdek of vorst in de grond. Dit ter beoordeling van het college. 2.Bij kans op vorst dient aan het einde van iedere werkdag de gehele kabelsleuf gedicht te zijn. 3.Er geldt een graafverbod als het college van oordeel is dat de veiligheid en bereikbaarheid in geding komt. 4.Er geldt een graafverbod op nationale feestdagen. 5.Er geldt een graafverbod op locaties en tijdstippen waarop een markt of een evenement plaatsvindt. 6.Er geldt een graafverbod tijdens het badseizoen van 1 april tot 1 oktober in de buurten aangegeven in de kaart van Zandvoort, kaart buurten Zandvoort en Haarlem Zuid strand Noord strand Boulevard noord Boulevard midden Boulevard zuid Centrum Stationsomgeving 7.Indien een graaf- en breekverbod geldt of wordt ingesteld op het moment dat er reeds werkzaamheden worden verricht, dan: wordt op plaatsen waar de wegverharding is opgebroken tijdelijke bestrating aangebracht en dient losliggend puin en overtollig zand te worden afgevoerd door de netbeheerder; dient opslag van materialen achter deugdelijk afgesloten bouwhekken plaats te vinden door de netbeheerder. mogen er nergens sleuven openliggen. Tijdens het badseizoen mogen er naast de voorgaande voorschriften geen materiaal en materieel binnen het aangewezen gebied aanwezig zijn. 8.Indien zich tijdens een ingesteld graafverbod een calamiteit of ernstige belemmering of storing voordoet in de dienstverlening, als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de AVOI, moet de procedure van artikel 2.3 worden gevolgd. 9.Als een netbeheerder in de gelegenheid is gesteld om tijdens werkzaamheden van de gemeente of een andere netbeheerder zijn kabels en/of leidingen aan te leggen, in stand te houden of te verwijderen, maar hier geen gebruik van maakt, dan kan het college een opschortende termijn vaststellen ten aanzien van werkzaamheden die door de desbetreffende netbeheerder, na afronding van de werkzaamheden van de gemeente of een andere netbeheerder, zijn aangevraagd dan wel extra voorschriften stellen aan het herstel in oude staat. 10.In de periode 1 april t/m 1 oktober mogen er geen graafwerkzaamheden plaatsvinden in het in het gebied aangegeven in bijlage …… 11. 3.11.Verkeersvoorzieningen en tijdelijke bebording 1.Tijdelijke bebording mag maximaal 72 uur voor aanvang van de werkzaamheden, met de voor- of beeldzijde afgedraaid van het verkeer, worden aangebracht. 2.Verkeersvoorzieningen en tijdelijke bebording mogen niet aan lichtmasten worden bevestigd en mogen het zicht op de overige bebording en eventuele camera’s niet ontnemen. 3.Verkeersvoorzieningen en tijdelijke bebording dienen op de dag van en voor aanvang van de werkzaamheden met de voor- of beeldzijde naar het verkeer te worden geplaatst. 4.Verkeersvoorzieningen en tijdelijke bebording die (tijdelijk) geen dienst (meer) doen dienen meteen verwijderd c.q. afgedraaid of afgedekt te worden tot het tijdstip dat deze weer nodig zijn. 5.Indien in een instemmingsbesluit of een vergunning de voorwaarde is gesteld dat een verkeersplan als bedoeld in artikel 2.2 lid 4 onder e moet worden aangeleverd, dan mogen de werkzaamheden niet eerder starten dan 15 dagen na goedkeuring van het verkeersplan. 3.12.Bereikbaarheid 1.De netbeheerder dient de bereikbaarheid voor hulpdiensten doorlopend te waarborgen, waarbij de hulpdiensten de gebouwen en werken op tenminste 40 m moeten kunnen benaderen. De minimale doorrijdbreedte bedraagt 3,5 m en de doorrijdhoogte 4,5 m. 2.Brandkranen, aansluitingen voor droge blusleidingen dienen te allen tijde zichtbaar en bereikbaar te zijn. 3.De netbeheerder is verantwoordelijk voor de bereikbaarheid van woningen, winkels, bedrijven en openbare gebouwen. 4.Alle (nood)uitgangen dienen over de volle breedte toegankelijk gehouden te worden. 5.De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden. 3.13.Bereikbaarheid voor personen met een functiebeperking Voor personen met een functiebeperking dient ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw over een weg, pad of steiger te lopen met: een breedte van ten minste 1,1 m, en bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m, een hellingbaan als bedoeld in afdeling 2.6. van het Bouwbesluit 2018. 3.14.Gereedmelding 1.De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen langs elektronische weg een gereedmelding bij het college via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem. 2.Bij de gereedmelding dient ook een opgave van zowel het opgebroken aantal m2 als het type verharding en/of groenvoorziening te worden gedaan. 3.15.Opname eindsituatie 1.Na de gereedmelding zal door of namens het college de eindsituatie worden opgenomen en beoordeeld of de werkzaamheden zijn uitgevoerd overeenkomstig (de voorwaarden van) de vergunning of het instemmingsbesluit. 2.Na de opname van de eindsituatie als bedoeld in het eerste lid levert de netbeheerder, indien de werkzaamheden niet conform (de voorwaarden van) de vergunning of het instemmingsbesluit zijn uitgevoerd, een aangepaste tracétekening aan, waarbij wordt aangetoond dat de aanleg conform artikel 4.2 lid 1 is uitgevoerd. 3.De gereedmelding wordt door het college akkoord bevonden als de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform (de voorwaarden van) de vergunning of het instemmingsbesluit dan wel als een aangepaste tracétekening is geaccordeerd en/of als er overeenstemming is over het herstel dan wel de kosten in de oude staat. 4.Technische bepalingen 4.1.Algemeen Het uitgangspunt bij de technische uitvoering van de fysieke werkzaamheden zijn de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen. Indien de uitvoering niet overeenkomstig deze bepalingen kan worden uitgevoerd, dient te allen tijde overleg te worden gepleegd met het college. 4.2.Herkenbaarheid Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen moeten zijn voorzien van een kenmerk, waarop duidelijk te zien is wie de beheerder van de voorziening is. 4.3.Tracébepaling algemeen 1.In het gehele beheergebied van de gemeente geldt bij plaatsbepaling van kabels en leidingen als uitgangspunt het Indicatief ideaalprofiel voor ondergronds ruimtebeslag en daarbij het overzicht van de gewenste en minimale afstanden, als bedoeld in bijlage 1. De netbeheerder stemt zijn werkzaamheden af conform het gestelde in de NPR 7171-2 of de herziening van deze norm. 2.Het uitgangspunt bij de plaatsbepaling is dat kabels en leidingen met een distributiefunctie zijn gesitueerd in het trottoir, kabels en leidingen met een transportfunctie zijn gesitueerd in het trottoir en aansluitleidingen zijn haaks gesitueerd op kabels en leidingen met een distributiefunctie. 3.Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met aanwezige objecten zoals langs liggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende kabels en leidingen, bomen, gebouwen etc.. 4.4.Tracébepaling energietransitie en digitale connectiviteit 1.Indien in het kader van de energietransitie het ruimtebeslag in de ondergrond door het aanleggen en/of verzwaren van elektriciteitskabels al dan niet in combinatie met de verwijdering van gasleidingen of door innovatieve elektriciteits- en/of warmtevoorzieningen afwijkt van gemeentelijke dwarsprofielen, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.2. 2.Indien in het kader van digitale connectiviteit een interlokale telecomkabel of een nieuw (glasvezel)net wordt aangelegd in openbare gronden van de gemeente, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.2. 4.5.Tracébepaling klimaatadaptatie en hittestress 1.Bij het bepalen van een tracé dient een netbeheerder rekening te houden met toekomstige locaties die ten behoeve van klimaatadaptatie dienst zullen doen voor waterberging of wateropvang. 2.Bij het bepalen van een tracé dient een netbeheerder rekening te houden met toekomstige locaties waar ten behoeve van klimaatadaptatie en hittestress bomen of groenvoorziening zullen worden geplaatst. 3.Indien een netbeheerder haar net aanlegt op een locatie als bedoeld in lid 1 en 2 dan moet het aan te leggen net technisch voldoen aan de toekomstige situatie. 4.Indien een netbeheerder haar net aanlegt op een locatie als bedoeld in lid 1 en 2 en het net voldoet technisch niet aan de toekomstige situatie, dan wordt bij een verzoek tot het nemen van maatregelen als bedoeld in de nadeelcompensatieregeling de schade geacht een gevolg te zijn van een omstandigheid die aan de netbeheerder kan worden toegerekend. 5.Het voornoemde in dit artikel geldt alleen indien de gemeente de locaties als bedoeld in lid 1 en 2 kenbaar heeft gemaakt. 4.6.Horizontale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de horizontale indeling de volgende algemene uitgangspunten: huisaansluitingen en tijdelijke aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het net aangelegd; bij het indelen van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met het beleid als bedoeld in NOR-B in artikel 4.4.1; Bij het kruisen van wegen en/of waterwegen worden kabels of leidingen zo veel mogelijk haaks middels een sleufloze techniek aangelegd. 4.7.Verticale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten: Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen; Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen; Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m; De uitvoering van de werkzaamheden door middel van sleufloze technieken wordt uitgevoerd overeenkomstig de ‘Handreiking sleufloze technieken’ als bedoeld in bijlage 2. Watergangen die beheerd worden door de gemeente dienen op ten minste 1,00 m onder de vaste bodem te worden gekruist. Kabels, die een watergang kruisen, dienen te worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien. 4.8.Bovengrondse voorzieningen 1.De locatie, het uiterlijk, de kleurstelling en de afmetingen van bovengrondse voorzieningen die verband houden met kabels en leidingen zoals transformator-, schakel- en verdeelstations, versterkers, etc., worden vooraf afgestemd met het college. 2.De netbeheerder is verantwoordelijk voor een goed beheer van de bovengrondse voorzieningen en dient op aanschrijven van het college bij beschadigingen, vervuiling en/of bekladding de bovengrondse voorzieningen binnen de door het college gestelde termijn te herstellen. 4.9.Handholes 1.De locatie van handholes wordt vooraf afgestemd met het college. 2.Handholes worden niet geplaatst: binnen de ruimte die gereserveerd is voor bestaande en toekomstige kabel- en leidingtracés; in de rijbaan; binnen de kroonprojectie van een boom; binnen 3 meter uit het hart van een boom. 4.10.Small cells 1.De locatie van small cells wordt vooraf afgestemd met de gemeente 2.Het college kan omwille van stedenbouwkundige of planologische doelstellingen colocatie of gedeeld gebruik opleggen. 3.Als uitgangspunt geldt dat voorzieningen ten behoeve van de werking van small cells zoals telecom- en/of elektriciteitskabels in één mantelbuis dan wel gebundeld worden aangelegd. 4.11.Uitnemen en terugplaatsen grond 1.De graafwerkzaamheden moeten overeenkomstig de CROW500 worden uitgevoerd op die wijze dat beschadiging van in de grond aanwezige kabels en leidingen en overige objecten wordt voorkomen. 2.De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de werkput de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt hersteld. 3.Bij het terugplaatsen van de grond dient het bodemprofiel zoveel mogelijk te worden hersteld. De werkput hoeft niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond. 4.De grond dient op zodanige wijze te zijn afgewerkt dat er na klink sprake is van een vlakke aansluiting op de ongeroerde grond. 5.De verdichting van de ondergrond wordt bij wateroverlast in een later stadium door de netbeheerder definitief hersteld. 6.Bevroren grond en sneeuw mag niet worden verwerkt in de aanvulling. 7.Materiaal dat vrijkomt en niet kan worden hergebruikt, waaronder bevroren grond en sneeuw, dient door de netbeheerder voor eigen rekening te worden afgevoerd naar een erkende gecertificeerde verwerker. 8.In die gevallen dat er sprake is van Pfas, vindt de afvoer hiervan plaats in overleg met het college. 4.12.Elementenverharding 1.Het opnemen en terugplaatsen van elementenverharding dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij schade zo veel mogelijk wordt voorkomen. 2.De uitgenomen elementenverharding dient altijd binnen de afzetting te worden opgeslagen. Verlies, vermissing of beschadiging tijdens de werkzaamheden van het materiaal is voor rekening van de vergunninghouder, tot het tijdstip waarop de werkzaamheden zijn opgeleverd aan de gemeente. 3.Herstel dient van dezelfde kwaliteit te zijn als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd. 4.In die gevallen dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om het herstel van de elementverharding in dezelfde kwaliteit uit te voeren als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd, dient de uitvoering en de daarbij behorende kostenverdeling van het herstel voorafgaande aan de werkzaamheden in overleg met of namens het college te zijn overeengekomen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat verharding met breuk niet teruggeplaatst mag worden en voor gelijkwaardig materiaal vervangen moet worden. 4.13.Gesloten verharding 1.Werkzaamheden aan kabels en leidingen onder gesloten verharding worden uitgevoerd met behulp van een sleufloze techniek. 2.Bij gebruik van een mantelbuis moet de mantelbuis minimaal 0,60 m buiten de fundering van de gesloten verharding uitsteken. De ruimten tussen de mantelbuis en kabel of leiding moeten aan de uiteinden volledig worden afgedicht volgens de daarvoor geldende normen. zoals bedoeld in artikel 3.8, lid 6. 3.Wanneer een sleufloze techniek niet mogelijk is, kan het college besluiten dat de gesloten verharding gedeeltelijk verwijderd mag worden. 4.Bij ingraving wordt, na verdichting van de sleuf en herstel van de funderingslaag de sleuf tijdelijk dicht geblokt met betonklinkers en wordt gehandeld overeenkomstig artikel 5 lid 2 sub 2. 4.14.Bijzondere verharding 1.Als uitgangspunt geldt dat leidingen niet worden gelegd onder bijzondere verharding. 2.In die gevallen dat aanleg onder bijzondere verharding onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met het college. 4.15.Verdichting van de sleuf: 1.Aanvullen onder straatwerk dient alleen met zand te gebeuren. 2.Het aanvullen dient laagsgewijs te gebeuren. Het verdichten mag met behulp van een mechanische stamper in lagen van max. 20 cm. 3.Bij het verdichten van de sleuf dient de indringingsweerstand ten minste gelijk aan 90% van de indringingsweerstand van de ongeroerde grondslag op die desbetreffende locatie te zijn. 5.Schaderegeling ingravingen 5.1.Uitgangspunten 1.Dit hoofdstuk is een nadere uitwerking van artikel 4.2 van de AVOI. 2.De kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden door of namens een netbeheerder worden in rekening gebracht bij de netbeheerder. 5.2.Uitvoering herstel en onderhoud 1.Het herstel en onderhoud gedurende de onderhoudstermijn van elementenverharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder. 2.Het tijdelijk herstel van gesloten verharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder door middel van het dichtblokken van de sleuf. Het definitieve herstel en onderhoud van gesloten verharding wordt uitgevoerd door de gemeente. Tot het moment dat de gesloten verharding definitief is hersteld wordt het onderhoud uitgevoerd door de netbeheerder. 3.Het tijdelijke herstel van bijzondere verharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder. Het definitieve herstel en onderhoud van bijzondere verharding wordt uitgevoerd door de gemeente. Tot het moment dat de bijzondere verharding definitief is hersteld wordt het onderhoud uitgevoerd door de netbeheerder. 4.Het herstel en onderhoud van groenvoorzieningen wordt uitgevoerd door de gemeente. De netbeheerder draagt zorg voor het opnieuw inzaaien van bermen en dat bermen vrij zijn van stenen en/of puin. 5.De onderhoudstermijn voor de werkzaamheden ten behoeve van herstel en onderhoud geldt gedurende een periode van twaalf maanden. 5.3.Tarieven 1.Voor elementverhardingen en bermen hanteert de gemeente voor alle netbeheerders de “Richtlijn tarieven (graaf-) werkzaamheden” van de VNG, die jaarlijks wordt geïndexeerd. 2.De kosten voor het herstel van gesloten verhardingen, halfverhardingen, bijzondere verhardingen of groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht. 5.4.Herstel overige schade Schade aan gemeentelijke eigendommen (bijvoorbeeld straatmeubilair, openbare verlichting, groenvoorziening en verkeerslichten) wordt verhaald op de netbeheerder. 6.Slotbepalingen 6.1.Inwerkingtreding Deze nader regels treden in werking op de dag na die van bekendmaking. 6.2.Citeertitel Deze nadere regels worden aangehaald als Nadere regels ondergrondse infrastructuur gemeente Zandvoort 2024. Aldus vastgesteld te Zandvoort op 28 mei 2024de griffier, de voorzitter,Bijlage1a:Indicatief ideaalprofiel voor ondergronds ruimtebeslag Bijlage1b.1:Minimale en gewenste maatvoering Kabels en leidingen betreft * min. (
- m)wens (
- m)Toelichting Vrije zone gevel - K&L dagmaat 0,2 0,4 Bij een vrije zone van 0,3m kan er een geveltuin worden gemaakt van max 0,3m breed Vrije zone t.b.v. huisaansluitingen dekking 0,55-0,85-mv Deze zone is uitsluitend bestemd voor kruisende (huisaansluiting)leidingen en moet te allen tijden vrij zijn van doorgaande leidingen Data kabelbed breedte 0,15 0,5 dekking 0,45-0,55-mv dekking 0,85-0,95-mv Bij een smalle strook voor data en meerdere aanbieders kan in twee lagen worden gelegd. Dit heeft echter niet de voorkeur en is tevens niet mogelijk als er middenspanning naast ligt Vrije zone tussen datakabel bundels dagmaat 0 0,1 Om onderscheid te maken tussen de kabels van verschillende aanbieders dienen de kabels gebundeld in de grond te worden gelegd. Aanvullend kan er worden gewerkt met verschillende kleuren Glasvezel-elektra LS dagmaat 0,1 0,25 Glasvezel-elektra MS dagmaat 0,5 Daar waar MS aanwezig is, mag geen glasvezel verdiept worden aangelegd Koperkabel-elektra dagmaat 0,5 Hou bij een kleinere afstand dan 0,5m rekening met storing. Om ruimte te creëren in de ondergrond kan worden afgesproken zoveel mogelijk koper te verwijderen en niet terug te plaatsen Elektra kabelbed breedte 0,15 0,5 Laagspanningskabels onderling dagmaat 0,1 0,1 Middenspanningkabels onderling dagmaat 0,3 0,5 Laagspanning-Middenspanning dagmaat 0 0,1 Middenspanning wordt dieper aangelegd. Deze mag bij uitzondering en in overleg met Liander ook ònder Laagspanning worden aangelegd in 8m profiel Laagspanning dekking 0,45-0,55-mv Middenspanning dekking 0,85-0,95-mv 0,9 Elektra MS-gas dagmaat 0,3 Elektra MS-warmte dagmaat 0,3 0,5 Houd bij stalen warmte leidingen rekening met beïnvloeding dekking = afstand van het maaiveld c.q. verharding tot de bovenkant van het net Bijlage1b.2:Minimale en gewenste maatvoering Kabels en leidingen betreft * min. (
- m)wens (
- m)Toelichting Gas-water dagmaat 0,25 Uitgangspunt bovenkant waterleiding ligt dieper dan of gelijk aan het hart van de gasleiding Gas-warmte dagmaat 0,25 Uitgangspunt bovenkant warmteleiding ligt dieper dan of gelijk aan het hart van de gasleiding Gas dekking 0,85 0,9 Water dekking 1 1,2 Om opwarming van waterleiding te voorkomen is het wenselijk deze dieper aan te leggen dan 1,0m Water-elektra MS dagmaat 0,3 0,5 Water-warmte dagmaat 1 1,5 Van de 1,5m kan worden afgeweken in specifieke gevallen. (plaatselijk, lage temperatuur, kleine diameter) altijd en uitsluitend in overleg met PWN Warmte dekking 0,85 1 Verhoogde band tussen weg en trottoir/groenstrook - K&L dagmaat 0,1 0,2 K&L-straatlantaarns dagmaat 0,3 Boom-K&L hart boom-buitenkant K&L 1,1 Een wortelscherm zorgt voor mitigerende maatregelen. De afstand voor het plaatsen van een wortelscherm moet altijd in overleg met de kabel- en leidingbeheerder en de groenbeheerder. Bijvoorbeeld bij smal wortelende bomen moet het scherm minimaal op 1m uit de boom geplaatst worden Wortelscherm-K&L dagmaat 0,1 Ondergrondse container-K&L dagmaat 0,25 Kolk-K&L dagmaat 0,25 Put-K&L dagmaat 0,5 Sleufstempeling riool - K&L dagmaat 0,3 Riolen onderling h op h afstand 800 1250 Riolen dekking 1,2m-mv Drainage dekking 1,4m-NAP dekking = afstand van het maaiveld c.q. verharding tot de bovenkant van het net Bijlage2:Handreiking Sleufloze technieken Inleiding Voor het aanbrengen van een kabel of leiding in de openbare ruimte door middel van een sleufloze techniek is een vergunning noodzakelijk. Om een sleufloze techniek te kunnen toetsen worden uitvoeringsvoorwaarden opgesteld, die dan kunnen worden beoordeeld door de vergunningverlener. Algemene eisen Sleufloze techniek 1. Kruising met een weg of watergang De kruising met een weg of watergang dient door middel van een sleufloze techniek te worden uitgevoerd. De kruising dient in principe loodrecht op de lengterichting van de weg of watergang uitgevoerd te worden. In sommige gevallen kan een diepe kruising onder een hoek met de weg of watergang worden gemaakt als een haakse kruising om technische, economische of planologische redenen niet mogelijk is. Hiervoor dient voorafgaand aan de aanvraag, middels vooroverleg toestemming te worden verkregen van de vergunningverlener. 2. Afstandseisen tot objecten In het algemeen geldt dat afstanden tot nabijgelegen objecten altijd in de vergunningstekening dienen te worden opgenomen. Naast de hiernavolgende eisen dienen tevens NEN 3650-1 hoofstuk 6 en NEN 3651 artikel 6.1 t/m 6.4 te worden aangehouden betreffende veiligheid. Informatie over objecten in de openbare ruimte van Zandvoort zijn via de opendata kaart te raadplegen. Hierbij de link opendata kaart. Voor de afstanden van leidingen of mantelbuizen, uitgevoerd middels een sleufloze techniek, tot objecten zoals bestaande en nieuwe boringen, damwanden, bruggen, funderingen, riolering en bomen geleden de volgende benoemde eisen. De eisen zijn uitgesplitst naar de verschillende typen sleufloze technieken. In het over het algemeen kan de richtlijn boortechnieken (van Rijkswaterstaat) worden gehanteerd voor de afstandseisen en maximaal toelaatbare afwijkingen. Deze zijn hieronder kort opgesomd aangevuld met een aantal gemeente specifieke afstandseisen. Door het Waterschap, Rijkswaterstaat en Prorail kunnen andere of aanvullende eisen worden gesteld dan door de gemeente. Aanbevolen wordt dan ook om contact op te nemen met betreffende beheerders van de te kruizen objecten om de vigerende afstandeisen voor de betreffende objectenop te vragen. De eisen van deze instanties is doorgaans leidend. HDD (Horizontaal gestuurde boring) Minimale diepteligging onder verhardingen Bij het kruisen van verhardingen bestaat de kans op opdrukken van de verharding. Om dat te voorkomen is een minimale dagmaat noodzakelijk tussen de bovenkant van de verharding en de boorgang. Daarnaast is het niet wenselijk om een deel van de HDD in de funderingslaag van het straatwerk te hebben liggen. Dit levert risico’s op bij onderhoudswerkzaamheden aan de bestrating. Om de risico’s te beperken zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Indien de dikte van de verhardingslaag (inclusief de [on]gebonden [steen]funderingslaag) niet bekend is en er geen aanwijzingen zijn dat de dikte van de verhardingslaag > 0,5 meter, dan dient voor deze dikte 0,5 meter aangehouden te worden. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met eventuele afwijkingen tijdens het uitvoeren van de boring. Voor de uitvoeringsafwijking dient 1,0 meter te worden aangehouden, tenzij wordt onderbouwd dat hier een kleinere waarde voor gehanteerd kan worden. Dagmaat bovenkant verharding en bovenkant boorbuis = verhardingslaag + gronddekking + uitvoeringsafwijking Voor HDD-boringen geldt dat de gronddekking ter plaatse van de verharding minimaal moet voldoen aan de volgende eis: In cohesieve grond: minimaal 1,5 meter; In niet-cohesieve grond: 6 x de buitendiameter van de aan te brengen leiding met een minimum van 1,5 meter. Een uitzondering geldt voor boringen van drukloze leidingen ≤ 160 mm ten behoeve van kabels. Hier geldt aan de rand van de weg een minimale gronddekking ≥ 1,5 meter ten opzichte van bovenkant maaiveld, waarbij geen rekening hoeft te worden gehouden met de verhardingslaag en uitvoeringsafwijking. De in- en uittredepunten (incl. eventuele ontgraving) dienen te liggen buiten de lijn welke op 1,0 meter van de rand verharding en onder een helling van 1:1,5 (vert:hor) naar beneden gaat. Minimale diepteligging onder de watergang Drukleidingen minimaal 10meter beneden de laagst gelegen waterbodem conform legger, doorvaar diepte vaarweg of daadwerkelijke ligging. Niet drukleidingen 2,0meter (geen scheepvaart) 4,0 meter (wel scheepvaart) beneden de laagst gelegen waterbodem conform legger, doorvaar diepte vaarweg of daadwerkelijke ligging. Minimale dagmaat tot bestaande en nieuwe boringen Een horizontaal gestuurde boring en de daarbij gebruikte boorspoeling zal de weg van de minste weerstand op zoeken, waardoor er een risico bestaat op wegvloeien van de boorspoeling en bij grote afwijkingen dat een nieuwe HDD een bestaande boring doorkruist. Deze risico’s worden met onderstaande voorwaarden beperkt. Minimale dagmaat bij een kruising met een bestaande HDD is 5.0 meter. Minimale dagmaat in zandgrond bij parallelligging tot een bestaande HDD is 5.0 meter. Minimale dagmaat in klei-/veengrond bij parallelligging tot een bestaande HDD is 10.0 meter Bij gelijktijdige uitvoering van meerdere HDD’s is het risico op schade minder groot omdat de ligging onderling beter bekend is en omdat kabels en leidingen nog niet in bedrijf zijn. In deze situatie kan de onderlinge dagmaat verkleind worden, zodanig dat stuurcorrecties onbelemmerd kunnen plaatsvinden. De vergunning aanvrager dient een afwijkende dagmaat te onderbouwen, waarbij aantoonbaar wordt gemaakt dat er geen risico ontstaat voor het weg of de watergang. Minimale dagmaat tot grondkerende constructies (bijvoorbeeld damwanden) Het kruisen met of parallelligging aan grondkerende constructie brengt risico’s met zich mee. Om de risico tot beschadigen te beperken zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Minimale dagmaat tussen wand boorgang en grondkerende constructie is 5,0 meter, vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (conform tabel 1) De als-uitgevoerd diepteligging van de grondkerende constructie dient bekend te zijn en op tekening te worden aangegeven De verankering van de grondkerende constructie dient bekend te zijn en op tekening te worden weergegeven. Er kan onderbouwd worden afgeweken van de genoemde minimale dagmaat. Hierbij dient te worden aangetoond dat de boring geen negatieve invloed heeft op de functie van de grondkerende constructie. Minimale dagmaat tot funderingen Het kruisen of parallelligging van funderingen brengt risico’s met zich mee. Om de risico tot beschadigen te beperken zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Minimale dagmaat tussen wand boorgang en (paal)fundering is 5,0 meter voor boring tot 500 meter lengte. Per 100 meter boorlengte dient de dagmaat met 1,0 meter te worden vergroot met een maximum van 10 meter. In beide gevallen dient deze dagmaat te worden vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (conform tabel 1). Voor fundering op staal geldt dat de plastische zone van de boring buiten het gebied van afdracht van het draagvermogen dient te vallen. Er kan onderbouwd worden afgeweken van de genoemde minimale afstand. Hierbij dient te worden aangetoond dat de plastische zone vermeerderd met de uitvoeringsafwijking van de boring buiten de invloedszone van de fundering valt. Indien nabij of onder een geluidsscherm wordt geboord dient nagegaan te worden hoe deze gefundeerd is. Er dient gekeken te worden of de beïnvloeding van de draagkracht van de fundering toelaatbaar is. Minimale dagmaat tot riolering Het kruisen met of parallelligging aan riolering en de daarbij horende putten brengt risico’s met zich mee. Om de risico tot beschadigen te beperken zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Minimale dagmaat ten opzichte van putten 5,0 meter Minimale dagmaat bij een parallelligging tot riolering is 1,0 meter intredepunt en 1,0 meter vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (Tabel 2) uittredepunt Parallelligging tot onderheid riool minimaal 5,0 meter Minimale dagmaat tot (civiele) kunstwerken (bruggen, tunnels e.d.) Om onderhoudswerkzaamheden te kunnen verrichten aan de kunstwerken is er ruimte nodig om eventueel damwanden te plaatsen om zo een werkterrein rondom het kunstwerk te creëren. Om dat te kunnen realiseren zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Minimale dagmaat tussen wand boorgang en een kunstwerk is 5.0 meter, vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (conform tabel 1). Minimale dagmaat tot bomen Binnen de kroonprojectie van bomen mag er geen open ontgraving plaatsvinden. Dit om te voorkomen dat er stabiliteitswortel worden beschadigd. Ook een sleufloze techniek mag de stabiliteit van een boom niet beïnvloeden. Onder de grondwaterstand zijn over het algemeen geen stabiliteitswortels meer aanwezig. Om beschadiging van boomwortels en de risico van weglekken van boorvloeistof te voorkomen zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Minimale dagmaat bij een kruising of parallelligging met een boom is 5,0 meter ten opzichte kroonprojecten en grondwaterstand. Uitvoeringsafwijking HDD Richting Maximale afwijking Verticaal +1/-1 m Horizontaal: - in lengterichting; t.p.v. uittredepunt +5/-2m - in dwarsrichting; t.p.v. uittredepunt +1/-1m - in dwarsrichting; tracé tussen in- en uittredepunt +5m/-5m Bochtstralen <10% Tabel 1 Persingen (OFT-Open front techniek & GFT-Gesloten front technieken) & Raketteren (Pneumatische boor techniek: Impact ramming en impact moling) Minimale diepteligging onder verhardingen Bij het kruisen van verhardingen middels een persing of raket bestaat de kans op grondbreuk, opbarsten e.d. van de verharding. Om dat te voorkomen is een minimale dagmaat noodzakelijk tussen de bovenkant van de verharding en de boorgang. Daarnaast is het niet wenselijk om een deel van de persing in de funderingslaag van het straatwerk te hebben liggen. Dit levert risico’s op bij onderhoudswerkzaamheden aan de bestrating. Om de risico’s te beperken zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Indien de dikte van de verhardingslaag (inclusief de [on]gebonden [steen]funderingslaag) niet bekend is en er geen aanwijzingen zijn dat de dikte van de verhardingslaag > 0,5 meter, dan dient voor deze dikte 0,5 meter aangehouden te worden. Diepteligging (bovenkant verharding tot bovenkant boorbuis) = verhardingslaag + gronddekking Voor OFT gelden de volgende eisen, waarbij de hoogste waarde maatgevend is: Diameter eis – Gronddekking = 1,0 meter + leidingdiameter Perslengte eis – Gronddekking = 1,0 meter + 0,01 x lengte Voor GFT gelden de volgende eisen: Diameter eis, afmeting < 1000 mm – Gronddekking = 1,0 meter + leidingdiameter Diameter eis, afmeting ≥ 1000 mm – Gronddekking = 2x leidingdiameter Voor Pneumatische boor techniek Impact ramming en impact moling Deze uitvoeringsmethodiek is niet toegestaan onder verharding bij een diameter kleiner dan 200mm of als de lengte van de kruising groter is dan 100 maal de diameter van de leiding. Gronddekking = 0,8m + 0,03 x lengte Minimale diepteligging onder de watergang OFT en raketteren mogen niet worden toegepast onder de waterbodem. Diepteligging GFT minimaal 1,0meter onder de laagst gelegen waterbodem conform legger, doorvaar diepte vaarweg of daadwerkelijke ligging. Minimale afstanden voor de pers- en ontvangstkuipen tot verharding: De afstand tussen de pers- of ontvangstkuip en de rand verharding bedraagt minimaal 1,5 keer het hoogteverschil (H) tussen de bovenkant verharding en de maximale ontgravingsdiepte in de kuip, gemeten op 1,0 meter vanaf de rand van de verharding. Indien damwanden worden toegepast dienen zettingen ter plaatse van de wegverharding ten gevolge van het inbrengen en trekken van deze damwanden te worden voorkomen. De afstand tussen rand pers- of ontvangstkuip en de rand van de wegverharding dient minimaal gelijk te zijn aan de 2/3 van de toegepaste damwandlengte Minimale afstanden voor de pers- en ontvangstkuipen tot watergang: Pers- en ontvangstkuip dienen minimaal 3m uit de waterlijn te worden geplaatst en 1,5m uit de bovenkant talud Minimale dagmaat tot overige persingen/raketteringen In geval de leidingen gelijktijdig (bijvoorbeeld binnen het hetzelfde project) worden aangebracht, geldt een hart-op-hartafstand van ten minste 2,0 meter vermeerderd met vijfmaal de grootste leidingmiddellijn; In het geval van ongelijktijdige aanleg dient een dagmaat van ten minste 10 meter te worden aangehouden; Indien kan worden aangetoond dat de persing geen negatieve invloed heeft op de naastliggende persing, kan de tussenruimte verkleind worden. Minimale dagmaat tot grondkerende constructies (bijvoorbeeld damwanden) Minimale dagmaat tussen wand boorgang en grondkerende constructie is 5,0 meter, vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (conform tabel 2) De als-uitgevoerd diepteligging van de grondkerende constructie dient bekend te zijn en op tekening te worden aangegeven De verankering van de grondkerende constructie dient bekend te zijn en op tekening te worden weergegeven. Er kan onderbouwd worden afgeweken van de genoemde minimale dagmaat. Hierbij dient te worden aangetoond dat de boring geen negatieve invloed heeft op de functie van de grondkerende constructie. Minimale dagmaat tot funderingen Minimale dagmaat tussen wand boorgang en (paal)fundering is 7,0 meter vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (conform tabel 2). voor fundering op staal geldt dat de plastische zone van de boring buiten het gebied van afdracht van het draagvermogen dient te vallen. er kan onderbouwd worden afgeweken van de genoemde minimale afstand. Hierbij dient te worden aangetoond dat de plastische zone vermeerderd met de uitvoeringsafwijking van de boring buiten de invloedszone van de fundering valt. Indien nabij of onder een geluidsscherm wordt geboord dient nagegaan te worden hoe deze gefundeerd is. Er dient gekeken te worden of de beïnvloeding van de draagkracht van de fundering toelaatbaar is. Minimale dagmaat tot riolering Het kruisen met of parallelligging aan riolering en de daarbij horende putten brengt risico’s met zich mee. Om de risico tot beschadigen te beperken zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Kruising onderlangs een put is niet toegestaan. Dagmaat tot put is 5,0m. Minimale dagmaat bij een parallelligging tot riolering is 2,0 meter vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (tabel 2) Parallelligging tot onderheid riool minimaal 5,0 meter Minimale dagmaat tot (civiele) kunstwerken (bruggen, tunnels e.d.) Om onderhoudswerkzaamheden te kunnen verrichten aan de kunstwerken is er ruimte nodig om eventueel damwanden te plaatsen om zo een werkterrein rondom het kunstwerk te creëren. Om dat te kunnen realiseren zijn onderstaande voorwaarden opgesteld. Minimale dagmaat tussen wand boorgang en een kunstwerk is 5,0 meter, vermeerderd met de uitvoeringsafwijking (conform tabel 2). Indien de damwandconstructie van de persing noodzakelijkerwijs achterblijft, dient deze op 5 meter uit het kunstwerk te worden geplaatst. Minimale dagmaat tot bomen Minimale dagmaat bij een kruising 1,0m onder de grondwaterstand Bij parallelligging met een boom is de minimale afstand de kroonprojectie vermeerderd met de uitvoeringsafwijking. Pers- en ontvangstkuip dienen minimaal 3,0meter buiten de kroonprojectie te worden geplaatst. Uitvoeringsafwijking Persingen Richting Maximale afwijking Verticaal naar boven >1% van geboorde lengte met max van 0,3m Verticaal naar beneden >2% van geboorde lengte Horizontaal: >2% van geboorde lengte Tabel 2 Boogzinker Voor boogzinkers gelden doorgaans dezelfde eisen als voor een HDD. Met daarbij aangevuld dat een boogzinker onder een watergang een bochtstraal van 10m moet hebben vanaf de snijpunt met het water. Indieningsvereisten sleufloze techniek Sleufloze techniek Overzichtstekening per boring/persing: ☐ Duidelijke situatietekening, schaal 1:500 met de volgende ondergronden: BGT (achtergrondvisualisatie) BGT (icoonvisualisatie) Klic (dunne lijnen, pastel kleuren of grijs) niet ouder dan 20 dagen ☐ Hoogte- lengteprofiel, schaal 1:100 of 1:200 ☐ Ligging van de bestaande situatie van het te kruisen object(
- en)☐ Aanduiding maaiveldniveau t.o.v. NAP, diepteligging t.o.v. NAP en gronddekking ☐ De RD coördinaten van het in- en uittredepunt ☐ Opgave diameter/ samenstelling van de bundel, wanddikte en materiaalkwaliteit van de leiding alsmede boorgatdiameter, doormiddel van dwarsdoorsnede bundel ☐ Aanduiding afstanden nabijgelegen objecten (boringen, damwanden, (civiele) kunstwerken, funderingen, riolering en bomen en overige K&L) ☐ Aanduiding van de in de maatvoering gebruikte uitvoeringsafwijking inclusief onderbouwing. ☐ Aanduiding profiel watergang conform legger, vaarweg en daadwerkelijk. Aantonen voldaan aan diepte eisen onder watergang. (let op diepte eisen gemeente kunnen afwijken van die van het waterschap!) ☐ Aanduiding tekeningnummer, datum en revisienummer ☐ De revisietekeningen van de naastliggende boringen en persingen die binnen een afstand van 5 meter uit het hart van de boring liggen (wanneer van toepassing) ☐ De indeling van het werkterrein HDD ☐ Intrede- en uittredehoek ☐ De te gebruiken boogstraal en lengte ☐ Afstanden knikpunten t.o.v. intredepunt ☐ De RD coördinaten van de in het horizontale vlak gelegen tangentpunten en midden boogpunt. ☐ De afstand van de boring met het te kruisen object ☐ Aanduiding lengte van de kruising met een eventuele uitlegstrook ☐ Aanduiding van de ontgraving voor de werkzaamheden, inrichting mud voorzieningen en opstelling boorstelling Persing ☐ Aanduiding eventuele pers- en ontvangst kuipen (incl. damwanden) en overige ontgravingen voor de werkzaamheden ☐ De plaats van de op te stellen apparatuur Het gaat hierbij alleen om de sleufloze techniek die in zijn geheel en/of gedeeltelijke in de openbare ruimte van de gemeente Zandvoort worden uitgevoerd.