← Nederland

Gemeenschappelijke regeling Avres 2024 (Gorinchem)

Gemeenschappelijke regeling Avres 2024De raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Gorinchem, Molen-landen en Vijfheerenlanden, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd: In aanmerking nemende en overwegende dat: Samenwerking op het beleidsterrein van werk en inkomen tussen de gemeenten binnen de regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden gewenst is; Deze samenwerking tussen gemeenten tot 1 januari 2016 haar basis heeft gevonden in enerzijds de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep en anderzijds in de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden; De raden en de colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten binnen de regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, in verband met de inwerkingtreding van de Participatiewet per 1 januari 2015, in het najaar van 2015 hebben besloten beide gemeenschappelijke regelingen te laten fuseren tot één organisatie; De fusieorganisatie een juridische basis diende te krijgen in de vorm van een openbaar lichaam met het karakter van een gemeenschappelijke regeling; Mede vanwege voortdurende wettelijke, juridische en financiële omstandigheden, de gemeenschappelijke regeling voor de nieuwe organisatie diende voort te bouwen op de juridische structuur van de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep; Met het oog op het voortbouwen op genoemde juridische structuur, de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep met ingang van 1 januari 2016 is gewijzigd; De nieuwe naam van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap Ave-lingen Groep met ingang van 1 januari 2016 luidt: “Gemeenschappelijke regeling Avres”; De gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden met ingang van 1 januari 2016 is opgeheven en is geliquideerd; Alle rechten en plichten vanuit de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden met ingang van 1 januari 2016 zijn overgaan naar de gemeenschappelijke regeling Avres; De gemeenschappelijke regeling Avres is belast met de uitvoering van taken en bevoegdheden op grond van de Participatiewet, de Wet sociale werkvoorziening, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet gemeentelijke schulddienstverlening, alsmede met de uitvoering van taken en bevoegdheden die behoren bij een (gemeentelijke) kredietbank; Met ingang van 1 januari 2015 de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen in werking is getreden, welke is gevolgd door een nieuwe wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen die in werking is getreden op 1 juli 2022, waarbij gemeenschappelijke regelingen de mogelijkheid is geboden om de regeling tot uiterlijk 1 juli 2024 in overeenstemming te brengen met de wet; Het in overeenstemming brengen met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regeling ingaande 1 juli 2022, leidt tot de vijfde wijziging van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres. Besluiten: De gemeenschappelijke Regeling Avres te wijzigen, zodat deze komt te luiden als volgt: Hoofdstuk1:Algemene Bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: Wet: De Wet gemeenschappelijke regelingen. Regeling: De gemeenschappelijke regeling Avres. Openbaar lichaam: Het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze ge- meenschappelijke regeling. Gemeenten: de gemeenten Gorinchem, Molenlanden en Vijfheerenlanden. Deelnemers: de raden en de colleges van de gemeenten Gorinchem, Molenlanden en Vijfheerenlanden. Raden: de gemeenteraden van de gemeenten. Colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten. Gedeputeerde staten: Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland en de provincie Utrecht. Wsw: De Wet Sociale werkvoorziening. Directeur: de door het dagelijks bestuur benoemde directeur van het openbaar lichaam. Personeel: Ambtelijk personeel in openbare dienst aangesteld bij het openbaar lichaam en medewerkers in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij het openbaar lichaam, danwel medewerkers in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij een van de direct aan Avres gelieerde privaatrechtelijke rechtspersonen. Cliëntenraad: De cliëntenraad van Avres ingesteld op grond van artikel 47 van de Participatiewet. 2.Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of enig andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, worden in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, onderscheidenlijk gelezen: de regeling, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van de regeling. Artikel2Openbaar lichaam 1.Er is een openbaar lichaam, genaamd Avres. 2.Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam is gevestigd in Gorinchem. 3.Het rechtsgebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de in artikel 1, eerste lid, sub d van deze regeling genoemde gemeenten. Hoofdstuk2:Belang, doelstelling, taken en bevoegdheden Artikel3Belang/doelstelling Het openbaar lichaam behartigt de gemeenschappelijke en afzonderlijke belangen van de deelnemers op het gebied van uitkeringsverstrekking (waaronder het minimabeleid), gesubsidieerde arbeid, arbeids(re)integratie en -participatie, sociale activering, schuldhulpverlening, sociale kredietverstrekking, kinderopvang in het kader van sociaal medische indicatie en overige van belang zijnde aspecten op het beleidsterrein van werk en inkomen. Het draagt zorg voor een zo doelmatige mogelijke uitvoering van taken en uitoefening van bevoegdheden op de voornoemde terreinen. Artikel4De taken van het openbaar lichaam 1.Ter bereiking van het belang waartoe zij is opgericht, richt het openbaar lichaam zich in ieder geval op de volgende taken: Het verstrekken van uitkeringen, danwel inkomensondersteunende voorzieningen op grond van, krachtens of in het kader van: De Participatiewet; Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen; De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers; De Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; De bijzondere bijstand; en Het minimabeleid. Het zijn van werkgever voor personen die op grond van de Wet sociale werkvoorziening daarvoor in aanmerking komen; het aanbieden van passende arbeid aan en de bevordering van de re-integratie van personen die tot de doelgroep van de Wet Sociale werkvoorziening behoren en van arbeidsgehandicapten; en de uitvoering van andere wettelijke regelingen op het terrein van de gesubsidieerde arbeid en/of arbeidsintegratie. Het verstrekken van voorzieningen, waaronder loonkostensubsidies, gericht op arbeidstoeleiding, arbeidsdeelname en/of sociale activering op grond van, krachtens of in het kader van: De Participatiewet; Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen; De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers; en De Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Op grond van, krachtens of in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet financieel toezicht, en/of de Wet op het consumentenkrediet, voor zover van toepassing met in achtneming van de Wet schuldsanering natuurlijke personen: Het verlenen van hulp aan burgers die door hun schuldenlast in maatschappelijke problemen zijn of kunnen komen, door het verrichten van bemiddelende, sanerende, voorlichtende en nazorg activiteiten; Het afgeven van verklaringen op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen; Het op een maatschappelijk verantwoorde wijze voorzien in de behoefte aan een krediet, dan wel het verstrekken van een geldlening; Het in stand houden van en het uitoefenen van de taken en bevoegdheden die aan een kredietbank zijn verbonden. Het verrichten van alle overige handelingen die met schuldhulpverlening verband houden of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn. Het verstrekken van (financiële) tegemoetkomingen in het kader van kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie; 2.Het openbaar lichaam heeft mede een taak met betrekking tot een deel van de opvang en verzorging van slachtoffers in het kader van de (regionale) rampenbestrijdingsplannen van de deelnemende gemeenten Met het oog op de taak van het openbaar lichaam in het kader van de rampenbestrijding maken het openbaar lichaam en de betrokken gemeenten daartoe nadere afspraken. 3.De taken zoals genoemd in het eerste lid, worden waar mogelijk en gewenst uitgevoerd in samenwerking met de deelnemers, het Uwv-werkbedrijf, zorg- en welzijnsorganisaties en overige instanties die belast zijn met de uitvoering van taken binnen het sociale domein. Artikel5Overdracht van taken en bevoegdheden 1.Alle taken en alle bevoegdheden die bij of krachtens de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, en de daarbij behorende of aanverwante algemeen verbindende voorschriften, aan de raad of het college van burgemeester en wethouders zijn opgedragen, inclusief het vaststellen van verordeningen, die op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet sociale werkvoorziening, en de daarbij behorende of aanverwante algemeen verbindende voorschriften aan de raden of colleges van de deelnemende gemeenten toekomen, danwel inclusief de planverplichting die op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening aan de raden van de deelnemende gemeenten toekomt, worden, voor zover de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet inburgering en de daarbij behorende of aanverwante algemeen verbindende voorschriften het toelaat, aan Avres overgedragen. 2.De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten dragen aan Avres voorts over, voor zover wetgeving dit toelaat, alle taken en bevoegdheden van regeling en bestuur met betrekking tot het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. 3.De raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten dragen aan Avres op en over, voor zover wetgeving dit toelaat, het in stand houden van en het uitoefenen van alle taken en bevoegdheden behorende bij een kredietbank. 4.In afwijking van het bepaalde in het derde lid, stellen de raden van de deelnemende gemeenten, met het oog op de bedrijfsvoering van de kredietbank, een reglement op, waarin voor het aanbieden van krediet in het kader van het uitoefenen van haar publieke taak ten minste voorschriften staan opgenomen die overeenkomen met het ingevolge de afdelingen 4.2.1, 4.2.2, en 4.2.3, de artikelen 4:32 en 4:33, paragraaf 4.3.8.1. van de Wet op het financieel toezicht en de hoofdstukken IV en V van de Wet op het consumentenkrediet bepaalde. 5.Avres kan op verzoek van een van de deelnemers, indien het algemeen bestuur hiertoe besluit, binnen de overgedragen bevoegdheden, voor deze deelnemer een taak of een gedeelte van een taak uitvoeren, conform de eigen beleidsuitgangspunten van deze deelnemer. Een besluit hiertoe vermeldt alsdan de voorwaarden waaronder deze taak of gedeelte van deze taak wordt uitgevoerd, alsmede de eventuele wijze van kostenverrekening. 6.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, blijven, overeenkomstig hetgeen is gesteld in artikel 8 c van de Participatiewet, de taken en bevoegdheden op grond van het bepaalde in de paragrafen 7.1. en 7.3 van de Participatiewet, voorbehouden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten. Artikel6Meerjarenbeleidsplan 1.Ieder tweede jaar van de (reguliere) zittingsperiode van de gemeenteraden, ontwikkelt het dagelijks bestuur van Avres een concept meerjarenbeleidsplan. 2.Na bespreking van het concept-meerjarenbeleidsplan in het algemeen bestuur, waarbij een gevraagd advies van de cliëntenraad wordt betrokken, geleidt het dagelijks bestuur het concept-meerjarenbeleidsplan ter vaststelling - dit in afwijking van het bepaalde in artikel 5 eerste, tweede en derde lid van deze regeling - door naar de raden en colleges. Iedere deelnemer kan bij de vaststelling van het meerjarenbeleidsplan lokale beleidsaccenten aanbrengen. Artikel7Dienstverlening 1.Het openbaar lichaam is bevoegd tot het verrichten van bepaalde diensten voor een of meer deelnemers, voor bestuursorganen van gemeenten buiten het in artikel 2, lid 3 genoemde rechtsgebied, en/of andere organisaties, indien deze daarom verzoeken en het algemeen bestuur hier mee instemt. 2.De dienstverlening bedoeld in het eerste lid geschiedt op basis van overeenkomst, tussen het openbaar lichaam en de deelnemer of deelnemers, bestuursorganen van overige gemeenten, danwel organisaties die het aangaat. In deze overeenkomst wordt neergelegd welke prestaties het openbaar lichaam zal leveren, de kosten die bij de deelnemer of deelnemers, bestuursorganen van overige gemeenten, danwel andere organisaties in rekening worden gebracht, en de voorwaarden waaronder tot dienstverlening wordt overgegaan. Hoofdstuk3:Bestuursorganen Artikel8Organen Het openbaar lichaam kent de volgende organen: Het algemeen bestuur; Het dagelijks bestuur; De voorzitter; De door het bestuur ingestelde bestuurscommissies ter behartiging van bepaalde belangen, ook wel bestuurscommissies genoemd. Hoofdstuk4:Het algemeen bestuur Artikel9Samenstelling 1.Het algemeen bestuur bestaat uit 6 leden. 2.De raden van de gemeenten Gorinchem, Molenlanden en Vijfheerenlanden wijzen bij aanvang van de nieuwe zittingsperiode in hun vergadering uit hun midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders, ieder twee leden aan. 3.De raden wijzen voor de leden van het algemeen bestuur, uit hun midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders plaatsvervangende leden aan. 4.De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van 4 jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode de betreffende raad een besluit neemt tot aanwijzing van de leden en de plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. 5.Wanneer het lidmaatschap van de raad of het college van burgemeester en wethouders eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het algemeen bestuur. 6.Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door mededeling aan het algemeen bestuur en aan de raad die het lid heeft aangewezen. 7.Indien tussentijds de plaats van een (plaatsvervangend) lid vacant komt, wijst de daartoe bevoegde raad zo spoedig mogelijk een nieuw (plaatsvervangend) lid aan. 8.Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen. 9.Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één der gemeenten, dan wel door of vanwege het bestuur van Avres aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld zij die bij één der gemeenten of bij Avres werkzaam zijn op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, danwel die door één der gemeenten of Avres worden ingehuurd als freelancer of als zelfstandige zonder personeel om werkzaamheden te verrichten 10.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden. Artikel10Werkwijze 1.Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement, alsmede een wijziging daarvan, wordt ter kennisname aan de raden gezonden. 2.Het reglement van orde bevat bepalingen over de mogelijkheid van digitaal vergaderen 3.Het reglement van orde bevat bepalingen over de mogelijkheid voor ingezetenen en andere belanghebbenden hun mening kenbaar te maken over een voorstel op de agenda van het algemeen bestuur. 4.Het algemeen bestuur vergadert minimaal twee maal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordelen, of wanneer een derde deel van de leden van het algemeen bestuur dit onder opgave van redenen schriftelijk verzoekt. In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken na het gedane verzoek plaats. 5.De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. Tegelijkertijd met de oproep brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende stukken worden tegelijkertijd met de oproep op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd, dit met uitzondering van stukken waaromtrent conform de wettelijke bepalingen geheimhouding is opgelegd. 6.De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een derde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 7.In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan niet worden beraadslaagd of worden besloten over: de vaststelling en wijziging van de begroting; de vaststelling van de rekening; een voorstel tot het wijzigen van een gemeenschappelijke regeling; de vaststelling van het liquidatieplan; het verlenen van ontslag aan een lid van het dagelijks bestuur; de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan. 8.Derden kunnen worden uitgenodigd aan de beraadslagingen van het algemeen bestuur deel te nemen. Artikel11Taken en bevoegdheden 1.De taken en bevoegdheden die Avres bij of krachtens de wet en deze regeling toegekend heeft gekregen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in deze regeling anders is bepaald. 2.Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren in ieder geval: Het vaststellen van de begroting en de jaarrekening, als bedoeld in artikel 34 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, met in achtneming van respectievelijk het bepaalde in artikel 35 en artikel 34 b van de Wet gemeenschappelijke regelingen; Het bij verordening vaststellen van regels, als bedoeld in de artikelen 8, 8a, 8b en 47 van de Participatiewet; Het bij verordening vaststellen van regels, als bedoeld in artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers; Het bij verordening vaststellen van regels, als bedoeld in artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Het bij verordening vaststellen van regels, als bedoeld in artikel 2, lid 3 van de Wet sociale werkvoorziening; Het vaststellen van het plan op grond van artikel 2, lid 1 van de Wet gemeentelijke schuld-hulpverlening; Het vaststellen van kadernota’s en strategische nota’s. 3.Alvorens het algemeen bestuur overgaat tot het vaststellen van hetgeen is bepaald in artikel 11, lid 2, sub b. t/m g. van deze regeling, zendt het dagelijks bestuur tien weken voordat de betreffende conceptverordening, danwel het betreffende conceptplan, danwel de betreffende conceptnota aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, deze toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende genoemde tien weken schriftelijk hun zienswijzen over de betreffende conceptverordening, danwel het betreffende conceptplan, danwel de betreffende concept-nota bij het dagelijks bestuur naar voren brengen. 4.Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is door het algemeen bestuur, stelt het dagelijks bestuur de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze als bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het dagelijks bestuur daaraan verbindt. 5.Tegelijkertijd met het verzoek om een zienswijze bij de raden, vraagt het dagelijks bestuur om advies bij de cliëntenraad van Avres, over de onderwerpen zoals bepaald in lid 2, met uitzondering van sub e. Lid 3 en lid 4 zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel12Oprichten en deelname in privaatrechtelijke rechtspersonen 1.Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. 2.Het algemeen bestuur van Avres oefent alle rechten uit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Avres Diensten BV en Avres SW BV, danwel haar rechtsvoorganger(s), hetgeen ook geldt, tenzij anders is bepaald in de statuten, voor mogelijk toekomstig door Avres op te richten rechtspersonen. 3.Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet genomen dan nadat de raden van de ge-meenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam te brengen. Artikel13Besluitvorming 1.Ieder lid van het algemeen bestuur komt één stem toe. 2.De besluitvorming vindt plaats bij gekwalificeerde meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen. Voor het vaststellen van de vereiste meerderheid, vindt zo nodig een afronding naar boven plaats. 3.Indien bij de totstandkoming van een besluit de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. 4.Het algemeen bestuur vergadert en besluit slechts indien twee/derde van het totaal aantal stemmen dat de leden van het algemeen bestuur gezamenlijk bezitten, aanwezig is. 5.Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in het vierde lid niet aanwezig is bij een vergadering, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering, welke binnen twee weken dient plaats te vinden. 6.Het algemeen bestuur kan bij toepassing van het vijfde lid over alle onderwerpen beraadslagen en besluiten nemen ongeacht het aantal aanwezige leden, echter niet als de aanwezige leden slechts één gemeente vertegenwoordigen. Artikel14Geheimhouding Het algemeen bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet open overheid, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Hoofdstuk5:Het dagelijks bestuur Artikel15Samenstelling 1.Het dagelijks bestuur bestaat uit een voorzitter en twee leden, zijnde de vicevoorzitter en de tweede vicevoorzitter. 2.Iedere deelnemer is met één lid vertegenwoordigd in het dagelijks bestuur. Artikel16Zittingsduur 1.Het algemeen bestuur wijst in de eerste vergadering van elke zittingsperiode uit haar midden de leden van het dagelijks bestuur aan. 2.De leden van het dagelijks bestuur treden als lid van dat bestuur af op de dag, waarop de zittingsperiode van de leden van het algemeen bestuur afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen totdat in hun opvolging is voorzien. 3.Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant komt, wijst het algemeen bestuur een nieuw lid aan. Artikel17Werkwijze 1.Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter oordeelt of tenminste twee leden de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed hierom verzoeken. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden. 2.De artikelen 53, 54 en 56 tot en met 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing 3.In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelen de leden van het dagelijks bestuur onderling de werkzaamheden, onverminderd het bepaalde in artikel 33 c van de wet. Artikel18Taken en bevoegdheden 1.Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met: Het voeren van het dagelijks bestuur van Avres, voor zover niet bij of krachtens de wet of deze regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; Het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en, voor zover van toepassing, ter beslissing zal worden voorgelegd; Het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur; Het behartigen van de belangen van Avres bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is; Het vrijgeven van voorgenomen besluiten van het algemeen bestuur voor zienswijzen, bedenkingen of reacties door colleges, respectievelijk de raden, danwel voor advies door de cliëntenraad, indien wetgeving of deze regeling voorschrijft dat colleges, respectievelijk de raden, danwel de cliëntenraad daartoe gelegenheid moeten hebben of het bestuur dat nodig acht; Het houden van toezicht op het functioneren van Avres; De zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van Avres; De zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; Het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie van Avres; Het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel. Het besluiten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31 a van de wet; Het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. 2.Het dagelijks bestuur is voorts opgedragen de uitoefening van alle taken en bevoegdheden, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet, die de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten toekomen, op grond van de in de artikel 5, eerste lid van deze regeling genoemde wetten, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen en de daarbij behorende of aanverwante algemeen verbindende voorschriften, en welke bij het treffen van deze regeling door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan Avres zijn overgedragen. 3.Het dagelijks bestuur is voorts opgedragen de uitvoering van alle taken en bevoegdheden, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet, die het college van burgemeester en wethouders toekomen in verband met het in stand houden van een kredietbank en welke bij het treffen van deze regeling door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan Avres zijn overgedragen. 4.Het algemeen bestuur kan besluiten nog andere dan de in artikel 18, lid 1, 2 en 3 van deze regeling genoemde bevoegdheden aan het dagelijks bestuur over te dragen, met uitzondering van: Hetgeen in artikel 11, lid 2 van deze regeling is bepaald. Het oprichten van of deelnemen in een stichting, maatschap, vennootschap, vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan. Hoofdstuk6De voorzitter Artikel19Aanwijzing 1.Het algemeen bestuur wijst in de eerste vergadering van elke zittingsperiode uit haar midden de voorzitter, de vicevoorzitter en de tweede vicevoorzitter aan. 2.Bij verhindering of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen door de vicevoorzitter, of bij verhindering of ontstentenis van de vicevoorzitter door de tweede vicevoorzitter. 3.Het bepaalde in artikel 16, tweede en derde lid van deze regeling, is op de voorzitter, respectievelijk de vicevoorzitter en de tweede vicevoorzitter van overeenkomstige toepassing. Artikel20Taken en bevoegdheden van de voorzitter 1.De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur. 2.Hij draagt zorg voor een spoedige afhandeling van zaken. Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de voorzitter ondertekend. 3.De voorzitter vertegenwoordigt Avres in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde. 4.De voorzitter kan de vertegenwoordiging aan de vicevoorzitter of de tweede vicevoorzitter, dan wel, met instemming van het dagelijks bestuur, een andere gemachtigde opdragen. In rechtsgedingen tussen Avres en de gemeente, waarvan de voorzitter lid van het bestuur is, wordt de voorzitter vervangen door de vicevoorzitter of de tweede vicevoorzitter. Hoofdstuk7:Regionale raadsadviescommissie, bestuurscommissies, adviescommissies en burgerparticipatie Artikel21regionale raadsadviescommissie 1.Na een besluit van de raden van de deelnemende gemeenten eensluidend ter zake, stelt het algemeen bestuur een gemeenschappelijke adviescommissie in die het algemeen bestuur van advies kan voorzien, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de regeling kan voorbereiden en/of de raden van advies kan voorzien. 2.Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de raadsadvies-commissie, nadat het de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid heeft gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. 3.De commissie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden worden aangewezen. Een raad kan besluiten geen lid of leden aan te wijzen. 4.Het lidmaatschap van de gemeenschappelijke adviescommissie eindigt van rechtswege op het moment dat men ophoudt lid te zijn van de raad uit wiens midden men is aangewezen. 5.Artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing op de commissie. 6.De leden van de gemeenschappelijke adviescommissie kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De hoogte van de vergoeding staat in redelijke verhouding tot de aan het lidmaatschap van de gemeenschappelijke adviescommissie verbonden werkzaamheden, mede rekening houdende met de vergoeding voor werkzaamheden welk het lid ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van de raad. De artikelen 96, tweede en derde lid, tweede zin, 98 en 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regels, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel22Bestuurscommissies 1.Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, onverminderd het bepaalde in artikel 25 van de wet. 2.Een lid van het dagelijks bestuur is voorzitter van een commissie als bedoeld in het eerste lid. Artikel23Commissies van advies 1.Het algemeen bestuur kan besluiten commissies van advies in te stellen, onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet. 2.De instelling van commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter, geschiedt door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter, onverminderd het bepaalde in artikel 24, derde lid, van de wet. Artikel24Burgerparticipatie 1.Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling slechts betrokken, voor zover dat bij of krachtens wet is vereist, of voor zover in deze regeling of door het algemeen bestuur is beaald. 2.De door het algemeen bestuur op grond van artikel 47 van de Participatiewet ingestelde cliëntenraad is in ieder geval een van de vormen waarmee invulling wordt gegeven aan burgerparticipatie. Hoofdstuk8Inlichtingen, informatievoorziening, verantwoording en terugroeping Artikel25Dagelijks bestuur / algemeen bestuur 1.Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2.Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3.Onverminderd het bepaalde in de Wet open overheid regelt het algemeen bestuur van welke besluiten van het dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. 4.Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel26Avres / raden 1.Het bestuur van Avres verstrekt zo spoedig mogelijk, schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2.De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd 3.Het bestuur van Avres verstrekt schriftelijk aan de colleges en raden alle inlichtingen die de colleges en de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Artikel27Lid algemeen bestuur / raden 1.Het lid van het algemeen bestuur is aan de raad, die dit lid heeft aangewezen, verantwoording schuldig over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 2.Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan de raad die hem heeft aangewezen de door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van die raad of schriftelijk verstrekt. 3.De raad kan een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur, indien dit lid het vertrouwen van de raad niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. Artikel28Informatievoorziening 1.Met het oog op het versterken van de relatie tussen de deelnemers en het openbaar lichaam en het borgen van de verantwoordingsrelatie tussen de leden van het algemeen bestuur en de deelnemers die zij vertegenwoordigen, voorziet het algemeen bestuur van Avres de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten periodiek van informatie. 2.De in het eerste lid bedoelde informatievoorziening bestaat in ieder geval uit: Het jaarlijks organiseren van een tot twee thema-avonden; Het jaarlijks periodiek verstrekken van bestuurs- en financiële rapportages; en Het jaarlijks verstrekken van twee tot vier raadsinformatiebrieven. 3.Het dagelijks bestuur draagt zorg dat uiterlijk één week voor de vergadering van het algemeen bestuur de agenda en bijbehorende stukken en de verslagen en besluitenlijsten van het algemeen bestuur worden gepubliceerd op de website van Avres. Hoofdstuk9Personeel en organisatie Artikel29(De taken en bevoegdheden van) de secretaris/directeur 1.De bestuursorganen van het openbaar lichaam worden bijgestaan door een directeur. Hij vervult de functie van secretaris van het algemeen en het dagelijks bestuur. Waar in deze regeling verder gesproken wordt van directeur, wordt daarmee tevens de functie van secretaris bedoeld. 2.De directeur woont in de hoedanigheid van ambtelijk secretaris, voor zover het algemeen bestuur, respectievelijk het dagelijks bestuur niet anders beslist, de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bij. Hij heeft daarin een adviserende stem. 3.De directeur is verantwoording verschuldigd aan het bestuur van het openbaar lichaam. 4.De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. 5.De directeur is belast met de dagelijkse leiding van Avres. 6.De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. 7.De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, ieder voor wat betreft de eigen bevoegdheid. 8.Het dagelijks bestuur kan besluiten bepaalde bevoegdheden die de directeur toekomen, ook in (onder)mandaat - en onder handhaving van de verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur - te verlenen aan derden. Artikel30Het personeel 1.Met het oog op het uitvoeren van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft het openbaar lichaam personeel in dienst, danwel maakt zij daartoe gebruik van personeel dat bij haar is gedetacheerd of wordt ingehuurd. Het personeel wordt aangestuurd onder verantwoordelijkheid van de secretaris/directeur. 2.Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur en het personeel. 3.Het dagelijks bestuur kan de bevoegdheid voor wat betreft het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel, niet zijnde de directeur, verlenen aan de voorzitter en/of de secretaris/directeur. Hoofdstuk10Financiële bepalingen Artikel31Voorlopige jaarrekening en financiële kaders Het dagelijks bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel32Begroting 1.Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting van het openbaar lichaam op in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient, overeenkomstig het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 2.Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en -begrotingswijzigingen, minimaal twaalf weken, voordat deze door het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken. 3.De ontwerpbegroting en -begrotingswijziging wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 4.Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten voorafgaand aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5.Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin de(

  1. ze)zienswijze is vervat, samen met het oordeel hierover en de conclusies die het daaraan verbindt, bij de ontwerpbegroting, zoals deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur worden aangeboden. 6.Het algemeen bestuur stelt de begroting vast vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient. 7.Nadat de begroting is vastgesteld door het algemeen bestuur, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting met de daarbij behorende zienswijzen, aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8.Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 9.Besluiten tot het wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen. 10.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een wijziging in de bijdragen van de deelnemers buiten de vastgestelde gemeentebegrotingen, direct worden vastgesteld door het algemeen bestuur. 11.Tegelijkertijd met het toezenden aan de raden van de deelnemende gemeenten van de ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen, om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze uit te brengen, verzoekt het dagelijks bestuur de cliëntenraad advies uit te brengen over de ontwerpbegroting respectievelijk de ontwerpbegrotingswijziging. Het tweede, vierde, vijfde en het tiende lid van dit artikel zijn daarbij van overeenkomstige toepassing Artikel33Rekening 1.Het dagelijks bestuur stelt elk jaar de voorlopige jaarrekening, als bedoeld in artikel 31, met een jaarverslag van het voorgaande jaar op. 2.Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag tien weken, voordat deze door het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken 3.Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten voorafgaand aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4.Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de(
  2. ze)zienswijze is vervat, samen met het oordeel hierover en de conclusies die het daaraan verbindt, bij de voorlopige jaarrekening, zoals deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5.Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast vóór 15 juli van het jaar volgend op het verslagjaar. 6.Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde jaarrekening en jaarverslag vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de jaarrekening geldt, toe aan gedeputeerde staten en de raden. 7.Tegelijkertijd met het toezenden aan de raden van de deelnemende gemeenten van de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag, om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze uit te brengen, verzoekt het dagelijks bestuur de cliëntenraad advies uit te brengen over de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag. Het tweede tot en met het derde lid zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Artikel34Financiële voorschriften 1.Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. 2.Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: waardering en afschrijving van activa; algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening. 3.Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 4.Het algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 31 genoemde jaarrekening. 5.De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen met betrekking tot de jaarrekening aan het algemeen bestuur. 6.De verordeningen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, worden na vaststelling gezonden aan gedeputeerde staten en aan de colleges en raden van de gemeenten. 7.Het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Artikel35Financiële gegoedheid / garantstelling 1.De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat Avres te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2.Iedere deelnemer verbindt zich om de volledige rijksbijdragen die de betreffende gemeente ontvangt ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 4 van deze regeling genoemde taken en van de in artikel 5 genoemde overgedragen taken en bevoegdheden, direct door te betalen aan het openbaar lichaam. 3.Indien aan het dagelijks bestuur blijkt dat één van de deelnemers weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het dagelijks bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet. Artikel36Bijdragen deelnemers, toerekening kosten, financiële verdeelsleutel 1.In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam. 2.De kosten die het openbaar lichaam aan de deelnemers toerekent, bestaan uit en directe kosten en overhead 3.Overhead zijn de kosten waartoe behoren: De kosten van het personeel voor zover overhead; De kosten van huisvesting voor zover overhead; De kosten van automatisering voor zover overhead; en Alle overige indirecte kosten voor zover overhead.. De overheadkosten worden overeenkomstig de bepalingen van de financiële beheersverordening aan de directe kosten doorbelast. 4.Het saldo van de directe kosten (= kosten beleidstaken + uitgaven bedrijfsvoering) vermeerderd met de opslag ter financiering van alle overheadkosten en verminderd met de gemeentelijke middelen waarvoor rijksfinanciering is ontvangen, worden per deelnemer op basis van een financiële verdeelsleutel doorbelast. 5.De financiële verdeelsleutel als bedoeld in het vierde lid wordt op voorstel van het dagelijks bestuur vastgesteld door het algemeen bestuur. Alvorens het algemeen bestuur overgaat tot het vaststellen van de financiële verdeelsleutel, zendt het dagelijks bestuur, tien weken voordat het ontwerp van de financiële verdeelsleutel aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, het ontwerp van de financiële verdeelsleutel toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende genoemde tien weken hun zienswijze over het ontwerp van de financiële verdeelsleutel bij het dagelijks bestuur naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij het ontwerp van de financiële verdeelsleutel, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 6.Tot de directe kosten behoren: Uitkeringskosten, kosten van voorzieningen, kosten in verband met het werkgeverschap voor personen die op grond van de Wet sociale werkvoorziening daarvoor in aanmerking komen, leningen en andere verstrekkingen die voortvloeien uit de uitvoering van de in artikel 4 van deze regeling genoemde taken en van de in artikel 5 genoemde overgedragen taken en bevoegdheden, onder aftrek van ontvangsten uit vorderingen; en Alle extra kosten van de dienst die voortvloeien uit een kennelijke ontoereikende uitvoering van de taken en bevoegdheden. De kosten voor de bedrijfsvoering niet zijnde overhead 7.De toerekening van de directe kosten aan de deelnemers als bedoeld in het zesde lid, is gebaseerd op het solidariteitsprincipe. 8.Met betrekking tot de directe kosten als bedoeld in het zesde lid, voor zover deze hun dekking vinden uit het zogeheten BUIG-budget, is naast het bepaalde in het zevende lid voorts het volgende van toepassing: Indien na verrekening van overschotten en tekorten tussen de deelnemers, aan het einde van het boekjaar een tekort resteert, beziet het openbaar lichaam of dit tekort kan worden gedekt uit de reserves als bedoeld in artikel 38 van deze regeling. Eerst dan verrekent het openbaar lichaam het tekort met de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur op grond van artikel 37 van deze regeling daartoe anders besluit. Indien na verrekening van overschotten en tekorten tussen de deelnemers, aan het einde van het boekjaar een overschot resteert, voegt het openbaar lichaam dit overschot in beginsel toe aan de reserves als bedoeld in artikel 38 van deze regeling. Indien deze toevoeging leidt tot een overschrijding van de maximale reserve als bedoeld in artikel 38 van deze regeling, keert het openbaar lichaam het meerdere uit aan de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur op grond van artikel 38 van deze regeling daartoe anders besluit. 9.In afwijking van het bepaalde in het zevende lid, worden de directe kosten als bedoeld in het zesde lid, voor zover deze betrekking hebben op de bijzondere bijstand en het minimabeleid, toegerekend aan de betreffende deelnemer waarop deze kosten betrekking hebben. 10.In afwijking van het bepaalde in het zevende lid, worden de directe kosten als bedoeld in het zesde lid, althans voor zover deze voortvloeien uit het afwijken van het algemene beleid van het openbaar lichaam en voor zover daaraan een besluit van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 5, vijfde lid van deze regeling ten grondslag ligt, toegerekend aan de betreffende deelnemer voor wie dat afwijkende beleid van toepassing is. Dit lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de indirecte kosten ter zake. Artikel37Betaling aan het openbaar lichaam, voorschotbetaling en verrekening voorschotten 1.Het openbaar lichaam brengt de kosten als bedoeld in artikel 36 in rekening bij de deelnemers. 2.De bevoorschotting door de deelnemers gebeurt per 1e van iedere maand. 3.In de rekening wordt het werkelijke bedrag opgenomen dat elk van de deelnemers verschuldigd is. 4.Verrekening van het verschil tussen de reeds verrichte betalingen en het werkelijk verschuldigde bedrag vindt uiterlijk en onmiddellijk plaats na de kennisgeving aan de deelnemers van de vaststelling van de rekening. Artikel38Reserve en voorzieningenbeleid 1.Winsten en verliezen van het openbaar lichaam worden in beginsel jaarlijks verrekend met de algemene reserve van het openbaar lichaam 2.Het algemeen bestuur is bevoegd ter zake een maximum te stellen aan de hoogte van de algemene reserve. 3.Het algemeen bestuur is tevens bevoegd ter zake een minimum te stellen aan de hoogte van de algemene reserve. 4.Bij het vaststellen van de jaarrekening kan het algemeen bestuur besluiten tot een andere bestemming van de winst of dekking van een verlies dan is bepaald in het eerste lid van dit artikel. 5.Het algemeen bestuur kan besluiten naast de algemene reserve ook andere reserves of voorzieningen te treffen en daaraan voorwaarden te verbinden met betrekking tot het maximum, het minimum of de verrekening daarvan. Hoofdstuk11Het archief Artikel39Archiefbescheiden en archiefbewaarplaats 1.Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam oveeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan Gedeputeerde Staten moet worden meegedeeld 2.Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op de krachtens het eerste lid aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden overeenkomstig artikel 33 van de Archiefwet 1995. 3.De directeur van het openbaar lichaam is belast met het beheer van de archiefbescheiden. 4.De archivaris van de gemeente Gorinchem oefent toezicht uit op het in het derde lid genoemde beheer. 5.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Gorinchem. Deze archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de gemeente Gorinchem. 6.Na uittreding door een deelnemer, danwel opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de archiefbescheiden van de deelnemende gemeente, respectievelijk het openbaar lichaam, althans voor zover de archiefbescheiden niet noodzakelijk zijn voor de continuering van de dienstverlening en ondersteuning door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n), overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Gorinchem. Indien archiefbescheiden wel noodzakelijk zijn voor continuering van de dienstverlening en ondersteuning door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n), vindt de overdracht hiervan plaats aan de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n). Overdracht van archiefbescheiden kan ook plaatsvinden aan een door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(
  3. n)aan te wijzen derde, echter niet nadat hiertoe eerst door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(
  4. n)schriftelijke toestemming is verleend. 7.De bepalingen bij en krachtens de Archiefwet 1995 gesteld voor gemeenten, zijn van overeenkomstige toepassing op Avres, tenzij in dit hoofdstuk anders is voorzien. Waar in die bepalingen gesproken wordt over de gemeente, de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, wordt daarvoor respectievelijk in de plaats gesteld Avres, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. 8.Zodra het wetsvoorstel tot vervanging van de Archiefwet 1995 door de Archiefwet 2021 tot wet is verheven, worden verwijzingen naar de Archiefwet 1995 geacht te zijn gedaan naar overeenkomstige bepalingen van de Archiefwet 2021. Hoofdstuk12Toetreding, Artikel40Toetreding 1.De raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die wenst toe te treden, richten een verzoek ter zake aan het algemeen bestuur, dat vergezeld gaat met daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van de raad en het college van de gemeente die wenst toe te treden. 2.Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden door aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding. 3.Toetreding tot de regeling door een andere gemeente kan plaatsvinden indien de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten gezamenlijk daartoe eensluidend besluiten. 4.Het algemeen bestuur kan aan de toetreding nadere voorwaarden verbinden, waaronder een storting door de toetredende gemeente van een financieel kapitaal in de reserve(
  5. s)van Avres, de betaling door de toetredende gemeente van een vergoeding voor de kosten die gepaard gaan met de feitelijke invlechting in Avres; en de betaling van de jaarlijkse bijdragen overeenkomstig het bepaalde in artikel 36 van de regeling 5.De toetreding gaat in met ingang van de datum, genoemd in het gezamenlijke eensluidende besluit, bedoeld in het derde lid. 6.De raad van de toegetreden gemeente gaat zo spoedig mogelijk na het gezamenlijke eensluidende besluit als bedoeld in het derde lid, over tot het aanwijzen van (plaatsvervangende) leden in het algemeen bestuur. 7.Het besluit tot toetreding wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem toegezonden aan het college van gedeputeerde staten. Hoofdstuk13Uittreding Artikel41Aanvang uittredingsprocedure 1.Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende eensluidende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. 2.Het dagelijks bestuur zendt het besluit tot uittreding van een deelnemer na ontvangst aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 3.De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur de besluiten heeft ontvangen. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december te 24:00 uur van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van de besluiten tot uittreding in kennis is gesteld, tevens zijnde op 1 januari te 00:00 uur van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van de besluiten tot uittreding in kennis is gesteld. 4.Het dagelijks bestuur inventariseert in opdracht van het algemeen bestuur de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan en moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. 5.Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 6.Indien het algemeen bestuur, op basis van een rapportage vanuit het dagelijks bestuur, constateert dat de besluiten tot uittreding van een raad en college en de gevolgen daarvan de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling Avres redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de colleges en de raden van de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Avres, als bedoeld in artikel 49, eerste lid gemeenschappelijke regeling Avres. 7.Indien een van de deelnemers uittredingsbesluiten neemt, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, en er door ter minste één ander college van de overige deelnemers, alsmede door de raad van diezelfde deelnemer, gedurende de effectueringsperiode van de eerst ontvangen uittredingsbesluiten, ook besluiten tot uittreding worden genomen, danwel besluiten worden genomen houdende een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Avres, vindt opheffing van de regeling plaats. De besluiten tot uittreding van beide deelnemers, danwel de besluiten tot uittreding samen met de besluiten houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, worden alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. Een besluitvormingsproces als bedoeld in het derde lid van artikel 49 blijft in dat geval achterwege. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie. 8.Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 9.Het algemeen bestuur zendt een afschrift van het ontvangen besluit tot uittreding naar het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid Holland. Artikel42Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1.Na ontvangst van het in het eerste lid van artikel 41 bedoelde besluiten, stelt het dagelijks bestuur - mede op basis van de inventarisatie als bedoeld in artikel 41 vierde lid en met in achtneming van de bepalingen in hoofdstuk 13 van deze regeling - in opdracht van het algemeen bestuur een concept uittredingsplan op. 2.Het concept uittredingsplan bevat de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer aan het openbaar lichaam, resulterend in de calculatie van de concept uittreedsom en houdt verder in de uitwerking van de voorwaarden waaronder de uittreding kan plaatsvinden en andere aspecten die het gevolg zijn van de uittreding. 3.Met het oog op het bepalen van de inhoud van het concept uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen, die in opdracht van het dagelijks bestuur het opstellen van een concept-uittredingsplan voorbereid. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer. 4.Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de GR Avres. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 5.Tenminste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het concept uittredingsplan met daarin de concept uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert (de berekening van) de concept uittreedsom op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Het concept uittredingsplan wordt vervolgens ter zienswijze aangeboden aan de gemeenten, waarbij de raden en colleges gedurende tien weken in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het concept uittredingsplan kenbaar te maken aan het algemeen bestuur. Na ontvangst van de zienswijzen stelt het algemeen bestuur het definitieve uittredingsplan vast - waarbij het algemeen bestuur de uitkomsten van de ontvangen zienswijzen betrekt -, met daarin opgenomen de concept uittreedsom, dit laatste onder verwijzing van het bepaalde in het zevende lid van dit artikel. 6.Alvorens het algemeen bestuur het concept uittredingsplan voor zienswijzen aanbiedt aan de gemeenteraden en de colleges, stelt het dagelijks bestuur de ondernemingsraad van Avres in de gelegenheid om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het concept uittredingsplan, conform de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden. Met de inhoud van dit advies wordt rekening gehouden bij het opstellen van het concept uittredingsplan. Indien het dagelijks bestuur tijdens het opstellen van het concept uittredingsplan vaststelt dat de uittreding een verlies van 20 of meer arbeidsplaatsen tot gevolg heeft of kan hebben, treedt het dagelijks bestuur in overleg met de bij de sector betrokken vakbonden om te bepalen of het opstellen van een sociaal plan noodzakelijk is. De conclusies van dit overleg worden alsdan opgenomen in het voorstel waarmee het algemeen bestuur het concept uittredingsplan ter zienswijze aanbiedt aan de gemeenteraden en de colleges. 7.Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uit-treedsom op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding, zijnde het jaar T-1 per 1 januari 00:00 uur, als bedoeld in artikel 41, derde lid. 8.Het algemeen bestuur biedt de uittredende deelnemer de keuze om de definitieve uitstroom som te betalen in een aantal termijnen of om de definitieve uittreedsom in een keer te betalen. Deze keuze wordt opgenomen in het besluit van het algemeen bestuur tot vaststelling van de definitieve uittreedsom, als bedoeld in het zevende lid. Artikel43Berekening van de te vergoeden kosten 1.De berekening en de vaststelling van de voorlopige, respectievelijk de berekening en de vaststelling van de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten die de uittredende deelnemer toekomen. Bij de berekening van de frictiekosten en de desintegratiekosten worden de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting in acht genomen. 2.Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 3.Onder frictiekosten, wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 4.Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s inbegrepen, zowel ontstaan als direct gevolg van de uittreding, als ontstaan als direct gevolg van de uittreding binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding. 5.Onder baten wordt in ieder geval verstaan het financiële aandeel van de uittredende deelnemer in het vermogen/de reserves van het openbaar lichaam, waarbij het aandeel is gebaseerd op de financiële verdeelsleutel bedrijfsvoering. Na uittreding en (eventuele) uitbetaling van / verrekening met het aandeel in het vermogen / de reserves aan / ten behoeve van de uittredende deelnemer, bepaalt het algemeen bestuur voor de achterblijvende deelnemers de nieuwe omvang van het vermogen / de reserves onder gelijktijdige vaststelling van een nieuwe verdeelsleutel. Artikel 36, vijfde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing. 6.De afbouw binnen het openbaar lichaam van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s inbegrepen, behelst een periode van vijf jaar. De jaarlijkse kosten die gepaard gaan met de afbouw worden in het uittredingsplan - en daarmee in de definitieve uittreedsom - voor het eerste jaar na de uittreding op 100 % gesteld, met een toepassing van een staffel voor de daarop volgende jaren. Het voorgaande leidt vervolgens tot het volgende schema van betaling van de kosten van de afbouw: In het eerste jaar na de uittreding: betaling van 100 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; In het tweede jaar na de uittreding: betaling van 80 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; In het derde jaar na de uittreding: betaling van 60 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; In het vierde jaar na de uittreding: betaling van 40 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer; In het vijfde jaar na de uittreding: betaling van 20 % van de kosten afbouw door de uittredende deelnemer. 7.Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. Artikel44Peildatum van de feiten en omstandigheden 1.De berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 2.Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittredsom, tenzij de uitgetreden deelnemer, dan wel het algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uit-treedsom anders zou zijn bepaald indien: De wederpartij inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt; De wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uitreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de wederpartij redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Artikel45Overige aspecten met betrekking tot de kostenbepaling 1.Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredings-kosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 2.De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 3.Het uitgangspunt zoals benoemd in het tweede lid, is voor de uittredende deelnemer van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van Avres die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. 4.De vertegenwoordigers van de uittredende deelnemer in het algemeen bestuur houden gedurende de periode vanaf het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging in en besluitvorming door het algemeen bestuur rekening met de belangen van het openbaar lichaam zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig onthouden deze vertegenwoordigers zich van beraadslaging en besluitvorming tenzij dit strijdig is met de belangen van hun gemeenten. Artikel46Wijziging gemeenschappelijke regeling naar aanleiding van uittreding Gelijktijdig met het opstellen van het van het concept uittredingsplan stelt het algemeen bestuur - indien dit noodzakelijk is gelet op de uittreding - een voorstel voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling en van de daarop gebaseerde besluiten op. Dit voorstel wordt samen met concept uittredingsplan aan de deelnemers toegezonden voor besluitvorming. Artikel47Archiefoverdracht bij uittreding De archiefbescheiden van de uittredende deelnemer die noodzakelijk zijn voor continuering van dienstverlening en ondersteuning door de uittredende deelnemer richting haar inwoners, worden door de gemeenschappelijke regeling overgedragen aan de uittredende deelnemer, danwel aan een door de uittredende deelnemer aan te wijzen derde partij, dit laatste evenwel alleen na gegeven schriftelijke toestemming. Hoofdstuk14Wijziging van de gemeenschappelijke regeling Artikel48Wijziging 1.Zowel het algemeen bestuur, als de raad en het college van burgemeester en wethouders van een deelnemer in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. 2.Een voorstel als bedoeld in het eerste lid dat uitgaat van de raad en het colleges van burgemeester en wethouders van een deelnemer, dient te worden ondersteund door een aantal deelnemers dat tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in de vergadering van het algemeen bestuur vertegenwoordigt. 3.Het algemeen bestuur legt het voorstel tot wijziging ter beslissing voor aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. 4.Wijziging van de regeling vindt plaats indien de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten in gezamenlijkheid daartoe eensluidend besluiten. 5.Het besluit tot wijziging wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem toegezonden aan het college van gedeputeerde staten. Hoofdstuk15Opheffing Artikel49Aanvang van de opheffingsprocedure. 1.Zowel het algemeen bestuur als de raad en het college van burgemeester en wethouders in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling. 2.Het algemeen bestuur legt het voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling ter beslissing voor aan de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten. Een dergelijk voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling gaat in ieder geval van het algemeen bestuur uit, indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van een raad college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 41, eerste lid van deze regeling de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling nog wel mogelijk is. 3.Opheffing van de regeling vindt plaats indien de colleges en de raden in gezamenlijkheid, die tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in het algemeen bestuur vertegenwoordigen, daartoe besluiten. 4.In afwijking van het bepaalde in het derde lid, vindt opheffing van de regeling eveneens plaats indien een van de deelnemers uittredingsbesluiten neemt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de gemeenschappelijke regeling en er door ten minste één ander college van de overige deelnemers, alsmede door de raad van diezelfde deelnemer, gedurende de effectueringsperiode van de eerst ontvangen uittredingsbesluiten, ook besluiten tot uittreding worden genomen, danwel besluiten worden genomen houdende een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Avres. De besluiten tot uittreding van beide deelnemers, danwel de besluiten tot uittreding samen met de besluiten houdende een voorstel tot opheffing van de regeling worden alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. De besluitvormingsprocedure als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie. 5.Indien het algemeen bestuur binnen zes maanden na ontvangst van besluiten van een deelnemer houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, van een andere deelnemer eveneens besluiten ontvangt houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, worden deze besluiten alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. De besluitvormingsprocedure als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie. Artikel50Besluit tot liquidatie en opstellen liquidatieplan 1.Ingeval van een besluit tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het algemeen bestuur daartoe, met in achtneming van de bepalingen in dit hoofdstuk, een concept liquidatieplan op. 2.Het concept liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur ter zienswijze aangeboden aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. 3.Het liquidatieplan wordt, nadat de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten gedurende een termijn van tien weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op het concept liquidatieplan uit te brengen, vastgesteld door het algemeen bestuur. 4.Alvorens het algemeen bestuur het concept liquidatieplan voor zienswijzen toezendt aan de colleges en de gemeenteraden, stelt het de ondernemingsraad van Avres in de gelegenheid om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het concept liquidatieplan, conform de bepalingen in de Wet op de ondernemingsraden. Met de inhoud van dit advies wordt rekening gehouden in het concept liquidatieplan. 5.Alvorens het algemeen bestuur het concept liquidatieplan voor zienswijzen toezendt aan de colleges en de gemeenteraden treedt het algemeen bestuur bovendien in overleg met de bij de sector betrokken vakbonden om te bepalen of bij het opstellen van het concept liquidatie-plan een sociaal plan noodzakelijk is. De conclusies van dit overleg worden opgenomen in het voorstel waarmee het concept liquidatieplan ter zienswijze wordt aangeboden aan de colleges en de gemeenteraden. 6.Het besluit tot liquidatie wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem samen met het vastgestelde liquidatieplan toegezonden aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid Holland. Artikel51Inhoud van het liquidatieplan Het liquidatieplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen: Het tijdstip van liquidatie van de gemeenschappelijke regeling; Een beschrijving van de aanleiding tot liquidatie van de gemeenschappelijke regeling; Een beschrijving van de wijze waarop taken voorafgaand aan en na afloop van de liquidatie zullen worden afgehandeld; Een beschrijving van de wijze waarop de overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden dient plaats te vinden; Een beschrijving van de wijze waarop de dienstverlening en ondersteuning na de liquidatie zullen worden gecontinueerd; Een beschrijving van de lopende (financiële) verplichtingen en de wijze van afwikkeling hiervan; Een beschrijving van de wijze van toerekening en toedeling van een positief of negatief saldo van de gemeenschappelijke regeling aan de deelnemers, alsmede de wijze van toerekening en toedeling van de kosten die gepaard gaan met de opheffing. In geval van een negatief saldo bevat het plan tevens regels voor de wijze waarop de gemeenten zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van Avres. Een beschrijving van de wijze waarop de gevolgen van de opheffing voor het personeel worden geregeld; Een beschrijving van de wijze waarop de opheffing van de gemeenschappelijke regeling zal worden gecommuniceerd. Artikel52Uitgangspunt voor wijze van toerekening en toedeling saldi en kosten 1.Bij de toerekening en toedeling van een positief of negatief saldo, alsmede bij de toerekening en toedeling van de kosten van de opheffing, is de financiële verdeelsleutel van toepassing, zoals is opgenomen in de begroting van Avres van het jaar waarin het algemeen bestuur het li-quidatieplan vaststelt. 2.Voor de berekening van de toerekening en toedeling van de saldi, alsmede bij de berekening van de toerekening en toedeling van de kosten van de opheffing, kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige inschakelen. Het bepaalde in artikel 42, lid 3 en lid 4 is van overeenkomstige toepassing. Artikel53Het dagelijks bestuur als vereffenaar 1.Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie en treedt op als vereffenaar. 2.Het bestuur van Avres blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid. Artikel54Het archief na liquidatie Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, voor zover de archiefbescheiden niet noodzakelijk zijn voor de continuering van de dienstverlening en ondersteuning door de (voormalig(e)) deelnemende gemeenten, overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Gorinchem. Indien archiefbescheiden wel noodzakelijk zijn voor continuering van de dienstverlening en ondersteuning door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n), vindt de overdracht hiervan plaats aan de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(n). Overdracht van archiefbescheiden kan ook plaatsvinden aan een door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(
  6. n)aan te wijzen derde, echter niet nadat hiertoe eerst door de (voormalig(e)) deelnemende gemeente(
  7. n)schriftelijke toestemming is verleend. Hoofdstuk16Geschillenbeslechting Artikel55Geschillen Geschillen omtrent de toepassing van de regeling, in de ruimste zin, tussen besturen van de gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van Avres, worden, overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regeling, beslist door gedeputeerde staten. Artikel56Klachten Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het algemeen bestuur een voorziening getroffen. Hoofdstuk17Evaluatie en rekenkameronderzoek Artikel57Evaluatie 1.Eenmaal in de vier jaar evalueert Avres haar functioneren en de samenwerkingsrelatie met de deelnemers en brengt daarvan verslag uit aan de colleges en de raden van de gemeenten, vergezeld van conclusies en aanbevelingen. De eerstvolgende evaluatie zal in 2026 worden uitgevoerd. 2.Voorafgaand aan de evaluatie wordt door het dagelijks bestuur in het jaar voorafgaande aan de evaluatie een onderzoeksvraagstelling geformuleerd, welke vervolgens voor advies aan de deelnemers zal worden voorgelegd. Na ontvangst van de adviezen stelt het algemeen bestuur de onderzoeksvraagstelling vast. Artikel58Rekenkameronderzoek De door de aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende raden ingestelde rekenkamers of rekenkamercommissies zijn afzonderlijk of in samenwerking bevoegd bij de door of vanwege de gemeenschappelijke regeling ingestelde organen of commissies nadere inlichtingen in te winnen en de beschikking te krijgen over alle informatie of deze te vorderen die nodig is voor de uitoefening van de in artikel 184 van de Gemeentewet omschreven taken, waaronder het instellen van een onderzoek. Hoofdstuk18Overgangs- en slotbepalingen Artikel59Overgangsbepaling 1.De gemeenschappelijke regeling Avres is bij haar oprichting als fusieorganisatie sinds 1 januari 2016 een voortzetting van de gemeenschappelijke regeling “Wvs De Avelingen Groep” en de gemeenschappelijke regeling “Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden”. 2.Met het oog op voortdurende wettelijke, juridische en financiële omstandigheden is de gemeenschappelijke regeling Avres voortgebouwd op de juridische structuur van de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep en is de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden per 1 januari 2016 geliquideerd en heeft vereffening plaatsgevonden. 3.Op grond van de gemeenschappelijke regeling Avres 2016, is het openbare lichaam gemeenschappelijke regeling Avres, met ingang van 1 januari 2016 in de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechten en plichten van de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard /Vijfheerenlanden getreden, voor wat betreft de in artikel 4, 5 en 6 van de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden omschreven belangen, taken en bevoegdheden. Artikel60Inwerkingtreding 1.De regeling is een voortzetting van de regeling “gemeenschappelijke regeling Avres 2016”. 2.De voortgezette regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 30 juni 2024 . 3.Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem draagt zorg voor tijdige bekendmaking van de regeling in alle deelnemende gemeenten in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad . 4.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding. Artikel61Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Avres 2024”. Vijfde wijziging: Aldus genomen te Gorinchem 30-05-2024;Aldus genomen te Molenlanden 22-04-2024;Aldus genomen te Vijfheerenlanden 21-03-2024Algemene toelichting 1.Inleiding Sinds de fusie tussen de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (RSD) en het werkvoorzieningsschap de Avelingen Groep - en daarmee de oprichting van Avres per 1 januari 2016 -, is dit de vijfde wijziging (van de tekst) van de gemeenschappelijke regeling. Deze wijziging van de (tekst van
  8. de)gemeenschappelijke regeling - vanwege voortdurende wettelijke, juridische en financiële omstandigheden een voortzetting van de Gemeenschappelijke regeling Avelingen Groep, waarin de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de voormalige RSD zijn ingevlochten - is wat meer elementair dan de voorgaande vier wijzigingen. De vorige wijzigingen vonden met name hun oorzaak in regionale ontwikkelingen (uittredingen van deelnemende gemeenten (Hardinxveld-Giessendam en Lingewaal) en gemeentelijke herindelingen (Molenwaard en Giessenlanden en Leerdam. Zederik en Vianen), en in de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra). De aanleiding voor de huidige wijziging daarentegen is een meer fundamentele wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr); de organieke wet waar ook Avres haar grondslag aan ontleent. Deze laatste wijziging van de wet - zo beschrijft het wetsvoorstel - heeft als voornaamste doelstelling de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken. Daartoe is een aantal wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen opgenomen. De belangrijkste wijzigingen - voor zover van toepassing en directe doorwerking voor Avres - zijn: Langere termijnen planning en control cyclus (= begroting); Reactie op zienswijze ontwerp begroting(swijziging); Zienswijzen op andere besluiten dan ontwerpbegroting; Actieve informatieplicht van het bestuur van het samenwerkingsverband / de gemeenschappelijke regeling; Regionale raadsadviescommissie; Betrokkenheid ingezetenen bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid; Verplichte opneming van een uitgebreidere uittredingsregeling; en Verplichte opneming van een evaluatiebepaling. Een deel van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is op 1 juli 2022 in werking getreden. Dit geldt dan in het bijzonder voor de langere doorlooptijden bij het vaststellen van de begroting. Het overgrote deel van de overige wijzigingen treedt op 1 juli 2024 in werking. Dit biedt de gemeenschappelijke regelingen en de gemeenten de mogelijkheid om de wijzigingen tijdig formeel en feitelijk te vertalen en te implementeren in (de tekst van) de gemeenschappelijke regelingen. In het proces van het opstellen van de gewijzigde tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres heeft er diverse malen overleg plaatsgevonden met de griffies van alle drie deelnemende gemeenten. De inventarisatie van de wijzigingen uit het wetsvoorstel in relatie tot datgene wat hieromtrent reeds in de “oude” tekst of nadere regelgeving geregeld was, de uitkomst van de gesprekken met de griffies en nog enige (andere) actualiseringsaspecten, hebben geleid tot de thans voorliggende tekst. In het volgende hoofdstuk zal kort en op hoofdlijnen worden ingaan op welke wijze de wijzigingen zijn verwerkt. 2. De doorgevoerde wijzigingen in de tekst van de GR Avres Langere termijnen planning en control cyclus. De langere termijnen planning en control cyclus, hebben betrekking op de ruimere doorlooptijden bij het besluitvormingsproces rondom de begroting(swijzigingen). Onder de werking van de “oude” wet moest de vastgestelde begroting vóór 15 augustus bij de provincie zijn ingediend. Na de wetswijziging is deze datum verschoven naar 15 september. Tegelijkertijd is de termijn van de wettelijke verplichte zienswijzeprocedure op de ontwerp begroting verruimd van acht naar twaalf weken. Deze verschuiving valt voor een (groot deel) in de periode van het zomerreces, een periode waarin besluitvormingsprocessen gewoonlijk stilliggen. De verruiming biedt echter wel de mogelijkheid voor de raden om het hele traject van zienswijze vóór het zomerreces (7-15 juli) af te ronden. De vaststelling van de begroting door het AB wordt dan over het zomerreces heen getild (31 augustus – 14 september), in plaats dat deze vaststelling plaatsvindt - zoals voorheen gebruikelijk was - vóór het zomerreces. (artikel 32 GR Avres) Overigens geldt de verruiming van de termijn van het besluitvormingsproces niet voor de jaarrekening. Deze moet - net als voorheen - vóór 15 juli bij de provincie zijn ingediend. De niet wettelijke zienswijzeprocedure - hiervoor is bij de totstandkoming van Avres in 2016 gekozen (zie ook zienswijze op andere besluiten dan ontwerpbegroting) - en de vaststelling moeten dan ook vóór het zomerreces zijn afgerond. Wel is de termijn van de zienswijzeprocedure voor de jaarrekening iets uitgebreid: van acht naar tien weken. (artikel 33 GR Avres) Reactie op zienswijze ontwerpbegroting. Na het doorlopen van de zienswijzeprocedure en de vaststelling van de begroting (en rekening) door het algemeen bestuur, was het binnen Avres al gebruikelijk om een reactie op de uitgebrachte zienswijze(
  9. n)naar de gemeenten te sturen. Het versturen van een reactie op de zienswijzen is nu ook wettelijk verankerd en heeft om die reden ook een plek gekregen in de GR Avres. Afwijkend ten opzichte van de praktijk in het verleden is daarbij dat deze reactie niet meer na de vaststelling, maar voor de vaststelling moet worden verzonden. Ook dat is in de tekst van de GR verwerkt. (artikel 32 GR Avres) Zienswijzen op andere besluiten dan ontwerpbegroting Avres is een zogeheten gemengde raadsregeling waarbij zowel de raden als de colleges taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden hebben overgedragen aan Avres. Bij de totstandkoming van Avres in 2015 - 2016 is er reeds voor gekozen om de verbinding met de raden en de colleges zo maximaal mogelijk vorm te geven door in besluitvormingsprocessen zienswijzeprocedures in te bouwen. Dit betreft niet wettelijk verplichte zienswijzeprocedures voor (extern werkende) verordeningen (artikel 11, lid 3 GR Avres), de jaarrekening (artikel 33, lid 2 Gr Avres) en strategische en kadernota’s (artikel 11, lid 3 GR Avres). In vergelijking met de vorige (tekst van
  10. de)gemeenschappelijke regeling is de termijn waarbinnen deze zienswijzeprocedure lopen uitgebreid van acht naar tien weken. Naast de zienswijzeprocedures stellen de raden het meerjarenbeleidsplan van Avres vast (artikel 6 GR Avres) en het bankreglement (artikel 5, lid 4 GR Avres) De wijziging in de Wet gemeenschappelijke regelingen die de mogelijkheid biedt om ook zienswijzeprocedures toe te passen op andere besluiten dan de ontwerpbegroting heeft derhalve geen gevolgen voor de bestaande handelswijze omdat dit reeds in 2016 sinds de oprichting van Avres is geregeld. Actieve informatieplicht van het bestuur van het samenwerkingsverband / de gemeenschappelijke regeling. Een bepaling over de actieve informatieplicht is al sinds 2002 opgenomen in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Op grond van die bepaling dient het bestuur de raden en de colleges te voorzien van alle inlichtingen die de raden en/of de colleges nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. In de vorige tekst van de gemeenschappelijke regeling stond dit enkel geformuleerd voor het algemeen bestuur. Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen is dit verruimd. Niet langer geldt de actieve informatieplicht (alleen) voor het algemeen bestuur, maar voor het gehele bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Alle bestuursorganen binnen de gemeenschappelijke regeling, dat wil zeggen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter, hebben nu afhankelijk van hun taken en bevoegdheden binnen de gemeenschappelijke regeling een actieve informatieplicht. Dit wordt in de nieuwe bepaling vorm gegeven door het gebruik van het woord bestuur dat alle bestuursorganen omvat (artikel 26, lid 1 en lid 3 GR Avres). De informatieverstrekking ook als het vanuit de overige twee bestuursorganen betreft, gaat uit van het dagelijks bestuur (lid2), tenzij expliciet wordt verzocht dat deze informatie wordt verstrekt door het algemeen bestuur of de voorzitter. Hiervoor is gekozen omwille van de coördinerende rol die het dagelijks bestuur uitoefent rondom de informatievoorziening. In het kader van de informatievoorziening is verder in artikel 28, lid 3 van de tekst van de GR invulling gegeven aan de inwerking getreden bepalingen uit de Wet open overheid. Regionale raadsadviescommissie Een geheel nieuw instrument is de zogeheten regionale adviescommissie. De Wet gemeenschappelijke regeling geeft de gemeenteraden de mogelijkheid om het algemeen bestuur te verzoeken een regionale adviescommissie in te stellen. Omdat deze mogelijkheid al in de wet is opgenomen is het niet noodzakelijk om dit per se in de tekst van de gemeenschappelijke regeling op te nemen. Toch is dit in de nieuwe tekst van de GR gebeurd als “kapstokartikel”, om als daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, een wat meer directe borging van deze commissie in de governancestructuur van Avres te krijgen. De instelling van een raadsadviescommissie geschiedt door het algemeen bestuur op verzoek (=besluit) van de betrokken gemeenteraden. Alle raden moeten instemmen met de instelling van de raadsadviescommissie. Als dat gebeurt, dan is het voor het algemeen bestuur een verplichting om tot instelling hiervan over te gaan. Het kiezen van de leden van de commissie per gemeente is aan de betreffende raad. Een raad kan na haar genomen instemmend besluit tot instelling, ook besluiten om niet actief te participeren. Alleen raadsleden kunnen lid zijn. De doelstelling van de raadsadviescommissie is om raden met elkaar te laten overleggen bijvoorbeeld met het oog op het afstemmen van een uit te brengen zienswijze. De raadsadviescommissie is uitdrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. Besluitvorming blijft bij de individuele raden liggen. Daarnaast kan de raadsadviescommissie een advies geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Zoals hierboven al is aangegeven is in de tekst van de gemeenschappelijke regeling de mogelijkheid tot het instellen van een raadsadviescommissie als kapstokartikel opgenomen (artikel 21, lid 1 GR Avres). Of een dergelijke adviescommissie er bij Avres ook komt, is uiteindelijk afhankelijk van een besluit dat alsdan door alle raden eensluidend is genomen. Na een dergelijk instellingsbesluit moet het algemeen bestuur de bevoegdheden, de taken en werkwijze van de raadsadviescommissie regelen. Het algemeen bestuur kan de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van de raadsadviescommissie pas vaststellen, nadat de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen hieromtrent ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. (artikel 21, lid 2 GR Avres). De raadsadviescommissie heeft in de tekst van de gemeenschappelijke regeling een plek gekregen tussen de andere commissies die kunnen worden ingesteld: de bestuurscommissie (artikel 22 GR Avres) en de commissie van advies (artikel 23 GR Avres). De auditcommissie, die in de oude tekst van de GR was opgenomen onder artikel 23a, is geschrapt. Deze is bij de oprichting van Avres in de tekst opgenomen omdat toen slechts 3 van de 7 gemeenten vertegenwoordigd waren in het dagelijks bestuur. Op deze wijze - zo was de gedachte - konden de gemeenten die toen niet vertegenwoordigd waren in het DB, meer betrokken worden bij de financiële aspecten binnen Avres. Door middel van een praktische aanpassing van de werkwijze door het DB vlak na de oprichting van Avres, maar op dit moment ook en vooral omdat alle drie de deelnemende gemeenten op gelijke wijze in zowel in het DB als het AB zijn vertegenwoordigd, is de noodzaak voor een dergelijke auditcommissie verdwenen. Betrokkenheid ingezetenen bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Burgerparticipatie is een nieuw aspect dat in de gewijzigde wet is opgenomen. De Wet gemeenschappelijke regelingen loopt hiermee vooruit op een aanstaande wijziging van de Gemeentewet. Participatie van en door inwoners wordt steeds belangrijker gevonden. Om die reden is in de Wgr dan ook bepaald dat in de tekst van de gemeenschappelijke regeling moet worden opgenomen op welke wijze ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. In de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres is dit uitgewerkt in artikel 24. In het tweede lid van dit artikel is in het kader van de burgerparticipatie met name de rol (en positie) van de cliëntenraad van Avres benoemd. In de tekst van de gemeenschappelijke regeling is hieraan ook nog verder invulling gegeven in artikel 11, vijfde lid. Deze bepaling biedt de cliëntenraad, bij het uitbrengen van een advies aan het algemeen bestuur, een gelijkwaardige positie als de gemeenteraden bij het uitbrengen van een zienswijze. Overigens is in het tweede lid van artikel 24 uitdrukkelijk gekozen voor de formulering dat de door het algemeen bestuur op grond van artikel 47 van de Participatiewet ingestelde cliëntenraad in ieder geval een van de vormen is waardoor invulling wordt gegeven aan burgerparticipatie. Ook inspraak tijdens de vergadering van het algemeen bestuur (artikel 10, lid 3, tekst GR Avres) en bijvoorbeeld opiniepeilingen zijn vormen waarmee invulling en inhoud kan worden gegeven aan burgerparticipatie. Verplichte opneming van een uitgebreidere uittredingsregeling Sinds haar oprichting in 2016 heeft Avres moeten inspelen op twee uittredingen (gemeente Hardinxveld-Giessendam en de voormalige gemeente Lingewaal). Daarnaast waren er ook twee gemeentelijke herindelingen (gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik, en Molenwaard en Giessenlanden). In dat licht heeft het algemeen bestuur al in 2016 een uitgebreidere uitgewerkte uittredingsregeling vastgesteld, later gevolgd door een gecombineerde uittredings-/opheffingsregeling. Deze uitgewerkte regeling voldoet inhoudelijk nog steeds, echter op grond van de bepalingen in de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen, mag een dergelijke uitwerking niet meer in een nadere regeling plaatsvinden, maar moet dit onderdeel zijn van de tekst van de gemeenschappelijke regeling zelf. Om die reden is de bestaande tekst van de uittredings-/opheffingsregeling inhoudelijk zoveel mogelijk één op één verplaatst naar de tekst van de gemeenschappelijke regeling (artikel 41 t/m 47 en artikel 49 t/m 54, tekst GR Avres). Wel zijn daarbij enkele artikelen tot nieuwe artikelen samengevoegd en zijn de artikelen passend gemaakt aan de huidige situatie van drie deelnemende gemeenten. Eén nieuw element is daarbij toegevoegd. Dit nieuwe element betreft artikel 43, zesde lid van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres en behelst de toepassing van een zogeheten staffel bij de afbouw binnen het openbaar lichaam van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s inbegrepen. De toepassing van een dergelijke staffel is door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid Holland als verplichting (aan Avres) opgelegd in een uitspraak naar aanleiding van een procedure van administratief beroep tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld Giessendam en het algemeen bestuur van Avres (uitspraak GS provincie Zuid Holland d.d. 04-07-2017). Het staffelprincipe is ook toegepast bij de latere uittreding van de voormalige gemeente Lingewaal. Van de gelegenheid tot aanpassing van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres is ook gebruik gemaakt tot het invoegen van een drietal nadere aspecten bij de toetreding van een nieuwe deelnemer. Deze aspecten hebben betrekking op de storting van een kapitaal in de reserves, de kosten die gepaard gaan met de “invlechting” van de nieuwe deelnemer en de aanpassing van de financiële verdeelsleutel (artikel 40, lid 4, tekst GR Avres). Verplichte opneming van een evaluatiebepaling. Tijdens het totstandkomingsproces van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen werd geconstateerd dat in heel veel gemeenschappelijke regelingen een bepaling rondom evaluatie ontbrak. In de oude tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres was een dergelijke bepaling al wel opgenomen. De laatste evaluatie van Avres is in 2021 ter bespreking aangeboden aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 57 van de tekst van de gemeenschappelijke regeling betreft de evaluatiebepaling. Deze is geactualiseerd. Overige aspecten. In deze nieuwe versie van de tekst van de gemeenschappelijke regeling is verder een aantal technische en tekstuele wijzigingen doorgevoerd die beter aansluiten bij de situatie met drie deelnemers, inspelen op het feit dat Avres reeds acht jaar bestaat (bijvoorbeeld considerans, overgangsrecht en algemene toelichting) en rekening houden met wijzigingen in overige wet- en regelgeving. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In artikel 1, eerste lid onder e, wordt met het begrip deelnemers nogmaals benadrukt dat het hier een regeling betreft tussen zowel de raden, als de colleges van burgemeester en wethouders. Het hanteren van alleen het begrip gemeente of deelnemende gemeente in dit verband zou tot verwarring kunnen leiden, immers de burgemeester als orgaan is bijvoorbeeld niet bij de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling betrokken. Door deelnemers te definiëren als in de begripsbepaling is vermeld, wordt op die plaatsen in de tekst benadrukt dat het de raden en de colleges zijn als gemeentelijke organen met wie de verbinding tussen de gemeenten en het openbare lichaam tot stand is gebracht. Verder wordt in artikel 1, eerste lid, onder h bij het college van gedeputeerde staten gesproken over de colleges van de provincie Zuid-Holland en Utrecht. Het rechtsgebied van onderliggende gemeenschappelijke regeling is provincie-overschrijdend. De gemeenten Gorinchem en Molenlanden behoren tot de provincie Zuid-Holland. De gemeente Vijfheerenlanden behoort tot de provincie Utrecht. In de Wgr is in artikel 29 het uitgangspunt opgenomen dat het college van gedeputeerde staten van de provincie waar de plaats van vestiging van de gemeenschappelijke regeling is gelegen, de bevoegdheden uit de wet uitoefent die de provincie toekomen. Bij deze gemeenschappelijke regeling is dat derhalve de provincie Zuid-Holland. Wel vloeit uit de tweede en derde volzin uit artikel 29 Wgr voort, dat het college van GS bij het uitoefenen van haar bevoegdheden overleg voert met het andere college van GS en dat besluiten die moeten worden medegedeeld aan het college van gedeputeerde staten van de provincie waar de gemeenschappelijke regeling is gevestigd, ook aan gedeputeerde staten van die andere provincie moet worden medegedeeld. Artikel 2 Openbaar lichaam Een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam is de “zwaarste” vorm van een gemeenschappelijke regeling. Op grond van artikel 8, lid 1, tweede volzin Wgr bezit dit lichaam rechtspersoonlijkheid. De gemeenschappelijke regeling kan hierdoor zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer en bijvoorbeeld overeenkomsten afsluiten, maar ook besluiten om personeel in dienst te nemen. Op de vrijheid tot deelname aan het rechtsverkeer is één beperking van toepassing. In artikel 31 a van de Wgr is opgenomen dat het oprichten en/of deelnemen in een privaatrechtelijke rechtspersoon slechts mogelijk is als de regeling daarin voorziet, “dat (…deelname en/of oprichting…) in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang” én dat een besluit niet eerder wordt genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en de raden in de gelegenheid zijn gesteld om hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen, Hoofdstuk 2: Belang, doelstelling, taken en bevoegdheden Artikel 3 Belang/doelstelling In artikel 3 wordt gevolg gegeven aan artikel 10, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin staat aangegeven dat het belang waartoe de gemeenschappelijke regeling is getroffen, in de gemeenschappelijke regeling moet staan vermeld. Het belang van de gemeenschappelijke regeling kan ook worden beschouwd als de doelstelling van de organisatie. Artikel 4 De taken van het openbaar lichaam In het eerste lid van dit artikel worden taken opgesomd waarop het openbaar lichaam zich richt. Omdat deze gemeenschappelijke regeling de juridische basis vormt voor de fusieorganisatie van de Avelingen Groep en de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, worden in dit lid taken opgesomd die voorheen al door beide organisaties werden uitgevoerd. Overigens blijkt uit de woorden “in ieder geval”, dat in dit lid niet alle taken limitatief worden opgesomd. Een dergelijke limitatieve taakopsomming zou te gedetailleerd worden, met het gevaar dat wellicht een specifieke taak vergeten zou worden. Uit de jurisprudentie en de literatuur blijkt dat de beschrijving van het belang/de doelstelling - en de uitwerking daarvan in de taken - niet te algemeen mag zijn, maar ook niet tot op detailniveau hoeft plaats te vinden. De taakopsomming die in dit lid wordt gegeven is derhalve een opsomming op hoofdlijnen die verder reikt dan een algemene beschrijving, zonder dat deze tegelijkertijd te gedetailleerd is. Zij moet dan ook vooral worden beschouwd als een verdere uitbouw van hetgeen is gesteld in artikel 3, onder het belang / de doelstelling, waartoe de gemeenschappelijke regeling is getroffen. Overigens betekent de formulering van “het richten op” nog niet dat daarmee de taken ook daadwerkelijk zijn overgedragen. De juridische basis voor de overdracht van de taken (en bevoegdheden) door de deelnemers aan het openbaar lichaam is geregeld in artikel 5. De formulering in artikel vijf - in de vorm van “alle taken” - maakt bovendien dat de opsomming sluitend is geworden. In het tweede lid is een bepaling opgenomen over de taken die de organisatie toekomen in het kader van de (regionale) rampenbestrijding. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van de gemeenten om bij rampen aan de burgers in de regio een bepaalde ondersteuning te geven. Omdat in 2015 de structuur en de organisatie bij rampenbestrijding zijn gewijzigd, zullen die taken kleinschaliger zijn dan in het verleden. De afspraken die de betrokken gemeenten en het openbare lichaam daarover gaan maken, zullen daarop worden afgestemd. Artikel 5 De overdracht van taken en bevoegdheden In dit artikel wordt de formele overdracht van de taken en bevoegdheden door de raden en de colleges van burgemeester en wethouders aan Avres geregeld (= delegatie). Het betreft hier een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een gemengde raadsregeling. Dit betekent dat zowel de colleges van burgemeester en wethouders als de raden deze regeling treffen. Zij hebben derhalve als gemeentelijk bestuursorgaan in 2015 dus ook ieder afzonderlijk een besluit over deze gemeenschappelijke regeling genomen, en daarmee tevens - voor zover het de eigen bevoegdheden van de raad en het college betreft - ook een afzonderlijk besluit over de overdracht van de taken en de bevoegdheden. In de formulering van artikel 5 komt dit ook tot uitdrukking omdat wordt gesproken over de bevoegdheden die aan de raad of aan het college van burgemeester en wethouders zijn opgedragen/toekomen. Daar waar het een expliciete bevoegdheid van de raad of het college betreft is dit ook tot uitdrukking gebracht, bijvoorbeeld met betrekking tot het Bijstandsbesluit zelfstandigen, op grond waarvan slechts het college bevoegdheden bezit (lid 2) of het vaststellen van het plan schulddienstverlening, dat op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening toekomt aan de raad (lid 1). De bijzondere bijstand en het minimabeleid - voor zover dat gerelateerd is aan de bijzondere bijstand - worden in dit artikel niet expliciet benoemd. Zij maken als zodanig namelijk onderdeel uit van de (uitvoering) van de Participatiewet waarvan de overdracht van de taken en bevoegdheden al geregeld is. Het verstrekken van (financiële) tegemoetkomingen in het kader van kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie is overigens niet opgenomen in de overdracht van taken en bevoegdheden, omdat deze zijn grond vindt in de eigen bevoegdheid van het bestuur van de Regionale Sociale Dienst. Bij het lezen en de interpretatie van de tekst van de gemeenschappelijke regeling is daarnaast ook artikel 11 van belang (de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur en de zienswijzeprocedure); artikel 18 (taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur en de overdracht van de bevoegdheden via de regeling door het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur). In het derde lid is bepaald dat een van de taken van Avres is, het in stand houden van een kredietbank. Omdat het hier een voortzetting van de kredietbank betreft die was ondergebracht bij de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, en Avres moet worden beschouwd als haar rechtsopvolger, wordt in dit lid gesproken over “het in stand houden” van een kredietbank. Het vierde lid geeft inhoud en gevolg aan het bepaalde in artikel 4.37 van de Wet op het financieel toezicht. Daarin wordt bepaald dat in het geval een kredietbank is ingesteld bij het treffen van een gemeenschappelijke regeling, de raden de bevoegdheid hebben om het bankreglement vast te stellen. Overigens wordt hier wellicht ten overvloede vermeld, dat het toezicht bij een kredietbank die door een gemeenschappelijke regeling is getroffen, op grond van het bepaalde in de Wet financieel toezicht wordt uitgevoerd door het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Uitgangspunt binnen deze gemeenschappelijke regeling is zoveel mogelijk inhoud, vorm en uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op basis van gezamenlijkheid, gemeenschappelijkheid en solidariteit. Een en ander neemt niet weg dat er voor ieder van de deelnemers de mogelijkheid moet blijven bestaan om binnen het verband van de gemeenschappelijke regeling eigen beleidsaccenten aan de uitvoering te geven. Tijdens het wijzigingsproces van deze gemeenschappelijke regeling bij de fusie in 2015, is afgesproken dat dit in de tekst van de gemeenschappelijke regeling tot uitdrukking komt. In het vijfde lid wordt hier aan tegemoet gekomen. De afspraak is dat bij geringe afwijkingen van het gezamenlijke beleid die binnen “de contributie” blijven, dat wil zeggen niet al te grote gevolgen hebben voor de effectiviteit en de efficiency van de bedrijfsvoering, dergelijke beleidsaccenten zondermeer mogelijk zijn. Bij grote afwijkingen van het beleid en die door die afwijking “buiten de contributie” vallen, blijft dit nog steeds mogelijk, maar kan het bestuur hieraan nadere voorwaarden en een eventuele kostentoerekening verbinden. Overigens dient nog vermeld te worden dat op grond van artikel 8 c van de Paticipatiewet één uitzondering is gemaakt met betrekking tot de overdracht van collegebevoegdheden richting een gemeenschappelijke regeling, namelijk de paragrafen 7.1 en 7.3. Deze paragrafen hebben betrekking op de financieringsstromen en het leveren van verantwoordingsinformatie. De Rijksuitkeringen worden namelijk nooit rechtstreeks aan een gemeenschappelijke regeling toegekend, maar aan de individuele gemeenten, omdat de landelijke verdeelmodellen uitgaan van alle afzonderlijke gemeenten in Nederland. Als gevolg hiervan dient ook de verantwoording per gemeente plaats te vinden. Indien derhalve in de tekst van deze gemeenschappelijke regeling wordt gesproken over alle taken van het college, moet dit in samenhang gelezen worden met het bepaalde van artikel 8 c van de Participatiewet. In het zesde lid van artikel 5 is dit nogmaals expliciet aangegeven. Artikel 6 Meerjarenbeleidsplan. Om de sturing op kaders en hoofdlijnen door de colleges en de raden te waarborgen wordt in deze gemeenschappelijke regeling het instrument van het meerjarenbeleidsplan geïntroduceerd. Dit meerjarenbeleidsplan is een beleidsplan met het beleidsperspectief voor de komende vier a vijf jaar. Het meerjarenbeleidsplan wordt (ambtelijk) gezamenlijk voorbereid door de gemeenten én Avres en wordt zoals eerder is aangegeven vastgesteld door de colleges en de gemeenteraden. Met betrekking tot het vaststellen van het meerjarenbeleidsplan vindt derhalve geen delegatie of overdracht van bevoegdheden plaats. Dit is het meerjarig beleidskader, (mede) vanuit de gemeenten, dat door de colleges en de gemeenteraden wordt vastgesteld. Als uitwerking van het meerjarenbeleidsplan zal jaarlijks een jaarplan worden ontwikkeld, waarin de uitgangspunten van het meerjarenbeleidsplan voor ieder begrotingsjaar worden geconcretiseerd. Dit jaarplan zal als zodanig in de verschillende programma’s van de begroting worden verwerkt. Artikel 7 Dienstverlening Dit artikel schept de mogelijkheid voor de deelnemers om bepaalde diensten van Avres af te nemen. Bij dienstverlening gaat het om de uitvoering van feitelijke werkzaamheden door het openbaar lichaam ten behoeve van de deelnemers. Er is bij dienstverlening geen overdracht van bevoegdheden van de deelnemende gemeente(
  11. n)aan het openbaar lichaam. Wel kan er sprake zijn van bevoegdheidsuitoefening. De gemeenschappelijke regeling Avres is niet alleen bevoegd om diensten te verlenen aan de deelnemers. Ook bestuursorganen van gemeenten en andere organisaties die niet deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling kunnen in principe diensten afnemen van de gemeenschappelijke regeling. De dienstverlening geschiedt op basis van een dienstverleningsovereenkomst. In de dienstverleningsovereenkomst wordt in ieder geval opgenomen welke prestaties er geleverd moeten worden, welke kosten hiervoor in rekening worden gebracht en de voorwaarden waaronder tot dienstverlening wordt overgegaan. Uiteraard zullen dienstverleningsovereenkomsten worden gesloten met inachtneming van de reguliere regels en procedures die voortvloeien uit de Wet markt en overheid, de Aanbestedingswet en Europese regelgeving. Hoofdstuk 3: Bestuursorganen Artikel 8 Organen In dit artikel zijn de organen in deze gemeenschappelijke regeling genoemd. Het algemeen bestuur bekleedt daarbij de positie die vergelijkbaar is met die van de gemeenteraad. De taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur zijn vergelijkbaar met die van het college van burgemeester en wethouders. Ook de positie van de voorzitter is opgenomen. Deze is slechts deels vergelijkbaar met die van de burgemeester. Afgezien van de benoemingswijze (de burgemeester is immers kroonbenoemd) zit het verschil inhoudelijk met name in de bevoegdheden. Vanuit de Gemeentewet kent de burgemeester een aantal specifieke bevoegdheden, in het bijzonder op het terrein van de openbare orde en veiligheid, die de voorzitter van een gemeenschappelijke regeling niet toekomen. De belangrijkste bevoegdheden van een voorzitter van een gemeenschappelijke regeling beperken zich tot het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeenschappelijke regeling, het leiding geven aan de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling en het ondertekenen van de correspondentie die van het algemeen en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling uitgaat. Als laatste orgaan worden de bestuurscommissies genoemd. Op grond van de Wgr kunnen er drie commissies worden onderscheiden. Een raadsadviescommissie, een commissie van advies en een commissie ter behartiging van bepaalde belangen (= bestuurscommissie). De raadsadviescommissie wordt door het algemeen bestuur na een eensluidend verzoek van de raden van de deelnemende gemeenten ingesteld. Na een dergelijk verzoek moet het algemeen bestuur hier gevolg aan geven en de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van deze commissie regelen, echter niet nadat de raden hieromtrent in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken. De commissies van advies kunnen door het algemeen bestuur voor de volgende drie organen worden ingesteld: voorzitter, dagelijks bestuur of algemeen bestuur. Voor het dagelijks bestuur en de voorzitter gebeurt dit op voordracht. Een commissie ter behartiging van bepaalde belangen wordt door het algemeen bestuur ingesteld. Een mogelijkheid daartoe moet in de regeling zijn opgenomen en het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een dergelijke commissie alvorens de raden van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen hierover ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. In onderliggende gemeenschappelijke regeling is de mogelijkheid tot het instellen van een commissie ter behartiging van bepaalde belangen opgenomen. Alleen de commissie ter behartiging van bepaalde belangen (= bestuurscommissie) is overigens als een orgaan aan te merken (lid 4). De raadsadviescommissie en de commissie van advies zijn derhalve geen organen. Hoofdstuk 4: Het Algemeen Bestuur Artikel 9 Samenstelling Gelet op de overgedragen bevoegdheden (artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling), is deze gemeenschappelijke regeling een zogeheten gemengde raadsregeling. Deze regeling is gemengd van aard omdat er zowel raads- als collegebevoegdheden worden overgedragen. Artikel 13, lid 1, tweede volzin van de Wgr is dan van toepassing. “De leden van het algemeen bestuur worden door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders aangewezen”. Aan het begin van de raadsperiode, wijzen de raden derhalve de leden van het algemeen bestuur aan. De formulering van artikel 13, lid 1, tweede volzin van de Wgr, houdt de mogelijkheid open om zowel raads- als collegeleden aan te wijzen als lid van het algemeen bestuur. In de tekst van deze gemeenschappelijke regeling wordt dit bevestigd. . In de juridische literatuur rondom de Wet gemeenschappelijke regelingen is namelijk aangegeven dat de raad op voorhand niet beperkt mag worden in zijn keuze, door in de bepalingen van de tekst van de betreffende gemeenschappelijke regeling hier sturing aan te geven door de keuze bijvoorbeeld op voorhand al te beperken tot een wethouder met een bepaalde portefeuille. Overigens wordt als overweging ten overvloede nog het volgende meegegeven. Een belangrijke reden om juist een wethouder als lid van het algemeen bestuur aan te wijzen kan zijn gelegen in de verantwoordingsrelatie met betrekking tot het functioneren van de leden van het algemeen bestuur ten opzichte van de raden die zij vertegenwoordigen en daarmee deze verantwoordingsrelatie ook zo “zuiver” mogelijk te houden. De keuzeoptie om bij een gemengde raadsregeling ook raadsleden aan te wijzen is namelijk een monistisch element in de Wgr. De Gemeentewet daarentegen is geheel dualistisch van aard. Wethouders maken sinds de invoering van het dualistisch stelsel geen deel meer uit van de raad. Met betrekking tot de verantwoordingsrelatie tussen raad en college heeft dit een meer zuivere verhouding gecreëerd, op het moment dat het vertrouwen niet meer aanwezig is tussen raad en een lid van het college. Diezelfde verhouding is en blijft aanwezig in de context van de Wgr op het moment dat alleen collegeleden worden aangewezen als lid van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. In de situatie dat een raadslid lid is van het algemeen bestuur, kan de raad uiteraard ook het vertrouwen in dat raadslid opzeggen met betrekking tot zijn/haar functioneren in het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling, Echter, naast de mogelijkheid tot het verlenen van ontslag als lid van het algemeen bestuur (=terugroeping), heeft de raad ten opzichte van een collegaraadslid slechts beperkte mogelijkheden om het vertrouwensaspect aan de orde te stellen en indien gewenst daar een gevolguitspraak aan te verbinden. In de raad kan uiteraard een debat plaatsvinden met het raadslid dat is teruggeroepen, maar hij kan na een dergelijk debat met de raad – ook als het vertrouwen in hem/haar is opgezegd – zijn/haar werkzaamheden in de raad regulier voortzetten. Een bijkomend argument om de voorkeur te geven aan een lid van het college is, dat als een raadslid, zijnde een lid van een algemeen bestuur wordt gekozen tot lid van het dagelijks bestuur, dit raadslid daarmee in feite collegebevoegdheden gaat uitoefenen. In het kader van het dualistisch stelsel is de vraag of dit in dat geval constitutioneel geheel zuiver is. Om het dualistisch stelsel ook te laten doorwerken in de vertegenwoordiging richting de gemeenschappelijke regeling, zou het om die reden wellicht meer in rede liggen om slechts collegeleden deel uit te laten maken van het algemeen bestuur. In deze gemeenschappelijke regeling bestaat het algemeen bestuur uit zes leden. De gemeenten Gorinchem, Molenlanden en Vijfheerenlanden wijzen per gemeente ieder twee leden en twee plaatsvervangende leden aan. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden, het dagelijks bestuur uit drie leden (zie artikel 15 van de GR). Daarmee is tevens aangesloten bij het primaire uitgangspunt van het bepaalde in artikel 14, lid 3 van de Wet gemeenschappelijke regeling, dat de leden van het dagelijks bestuur nimmer de meerderheid van het algemeen bestuur mogen uitmaken. In het negende lid is nog een bepaling opgenomen omtrent de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van het algemeen bestuur en de betrekking van ambtenaar, danwel een overeenkomstige positie in een van de deelnemende gemeenten. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn indien het een parttime wethouder betreft. Artikel 10 Werkwijze In artikel 22, eerste lid van de Wgr, is geregeld dat het algemeen bestuur een reglement van orde vaststelt. In het reglement van orde worden minimaal regels opgenomen met betrekking tot: Vaststellen van het vergaderschema; Opstellen agenda, uitnodiging c.q. kennisgeving vergadering en verslaglegging; Wijze van behandeling van voorstellen en besluitvorming; Handhaven van de orde tijdens de vergadering; Besloten- c.q. openheid van vergadering. In beginsel zijn de vergaderingen openbaar. Onder voorwaarden kan besloten worden tot een besloten vergadering. De onderwerpen waarover niet in een besloten vergadering kan worden beraadslaagd of besloten, zijn limitatief opgesomd in de Wgr en ook vermeld in het zevende lid. Nieuw in deze laatste wijziging van de tekst van de gemeenschappelijke regeling zijn het tweede en het derde lid. Het tweede lid schept de mogelijkheid tot het digitaal vergaderen, waarbij uiteraard wel aan de beginsele

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.