Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Tubbergen 2024Burgemeester en wethouders van Tubbergen; Gelet op de artikelen 4.9 derde lid, 4.11 tweede en achtste lid, 5.5 zesde lid, 5.6 zesde lid, 6.3 tweede lid en 7.2 eerste lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024; gelet op artikel 4.4 zesde lid van de Verordening jeugdhulp gemeente Tubbergen 2024; overwegende dat het gewenst is de bedragen die gelden en nadere regels vast te stellen ter uitvoering van deze verordeningen; Besluit vast te stellen: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Tubbergen 2024 HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.In dit Financieel besluit wordt verstaan onder: Verordening Wmo 2015: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024; Verordening jeugdhulp: Verordening jeugdhulp gemeente Tubbergen 2024; Nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Tubbergen 2024; Reserveringstoeslag: een toeslag die de cliënt verschuldigd is voor een reservering van de maatwerkvoorziening collectief vervoer die ná 21.00 uur wordt gedaan voor de volgende dag, tenzij het een retourrit betreft die gereserveerd wordt in het ziekenhuis bij een taxipoint. 2.Alle begrippen die in dit Financieel besluit worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordeningen Wmo 2015 en Jeugdhulp, de Nadere regels en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). HOOFDSTUK2MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel2.1Rolstoel, vervoersvoorziening en woonvoorziening 1.Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel, een vervoersvoorziening en/of een woonvoorziening wordt bekend gemaakt in het toekenningsbesluit, waaronder ook de eventuele instandhoudingskosten en/of de WA-verzekering. 2.Onder een rolstoel kan tevens zijn inbegrepen een orthese of een kinderduwwagen, niet zijnde een algemeen gebruikelijke buggy. 3.Onder een vervoersvoorziening als bedoeld in dit artikel valt niet de maatwerkvoorziening collectief vervoer. 4.Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget vaststellen op basis van de afschrijvingstermijn door het maandbedrag te vermenigvuldigen met het aantal kalendermaanden. 5.Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget vaststellen op basis van de duur van de indicatie door het maandbedrag te vermenigvuldigen met het aantal kalendermaanden. 6.Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een traplift of een andere huislift vaststellen voor een periode van 10 jaar inclusief de instandhoudingskosten. Artikel2.2Huishoudelijke ondersteuning 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ondersteuner die in dienst is bij een professionele instelling bedraagt € 29,22 per uur. 2.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ondersteuner anders dan een persoon genoemd in het eerste lid, wordt vastgesteld op basis van het uurloon van de hoogste periodiek behorend bij hulp bij het huishouden van de geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Op basis hiervan gelden de volgende bedragen gelden vanaf: 1 januari 2024 € 19,80 per uur; 1 maart 2024 € 20,39 per uur; 1 oktober 2024 € 20,99 per uur. Artikel2.3Begeleiding individueel 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ondersteuner die in dienst is bij een professionele instelling of als ZZP’er werkzaam is, bedraagt: € 0,88 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 A; € 0,90 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 B; € 0,94 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 C; € 0,94 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 A; € 0,96 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 B; € 1,02 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 C. 2.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een andere ondersteuner dan genoemd in het eerste lid bedraagt € 24,44 per uur dan wel een bedrag naar rato hiervan (minuten). Dit lid vervalt op 1 januari 2025. 3.Per 1 januari 2025 wordt het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een andere ondersteuner dan genoemd in het eerste lid vastgesteld op basis van het uurloon van de hoogste periodiek bij FWG30, volgens de geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Artikel2.4Groepsgewijze begeleiding en vervoer 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ondersteuner die in dienst is bij een professionele instelling of als ZZP’er werkzaam is, bedraagt: € 37,24 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 A; € 39,12 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 B; € 42,24 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 C; € 41,93 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 A; € 44,10 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 B; € 47,24 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 C. 2.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een andere ondersteuner dan genoemd in het eerste lid, die groepsgewijze begeleiding biedt aan meer dan één budgethouder tegelijk, bedraagt € 24,44 per dagdeel. 3.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk, die de geïndiceerde groepsgewijze begeleiding individueel biedt, bedraagt € 24,44 per dagdeel op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan het uurloon wordt betaald, maar niet meer dan het bedrag per (geïndiceerd) dagdeel genoemd in de eerste zin van dit lid. 4.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ZZP’er, die de geïndiceerde groepsgewijze begeleiding individueel biedt, bedraagt niet meer dan het bedrag genoemd in het eerste lid op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan een uurloon wordt betaald maar niet meer dan het bedrag per (geïndiceerd) dagdeel. 5.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor het noodzakelijk vervoer van en naar de locatie waar de groepsgewijze begeleiding wordt geboden, wordt in het toekenningsbesluit bekend gemaakt. Artikel2.5Wonen en verblijf (kortdurend verblijf) 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ondersteuner die als professional wordt aangemerkt bedraagt: € 69,35 per etmaal; € 118,90 per etmaal als er sprake is van een Licht Verstandelijke Beperking (LVB). 2.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of die niet als professional wordt aangemerkt, die kortdurend verblijf biedt aan meer dan één budgethouder tegelijk, bedraagt € 24,44 per etmaal. 3.Tot 1 januari 2025 bedraagt het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of die niet als professional wordt aangemerkt, die het kortdurend verblijf aan één budgethouder biedt, € 24,44 per etmaal op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan een uurloon wordt betaald maar niet meer dan het bedrag per (geïndiceerd) etmaal genoemd in de eerste zin van dit lid. 4.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ZZP’er, die het kortdurend verblijf aan één budgethouder biedt, bedraagt niet meer dan het bedrag genoemd in het eerste lid op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan een uurloon wordt betaald maar niet meer dan het bedoelde bedrag per (geïndiceerd) dagdeel. 5.Per 1 januari 2025 wordt het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan personen bedoeld in het eerste en tweede lid vastgesteld op basis van het uurloon van de hoogste periodiek bij FWG30, volgens de geldende cao VVT te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Artikel2.6Financiële tegemoetkoming 1.De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt: € 0,23 per kilometer voor het gebruik van een (eigen) auto voor deelname aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 4.10 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024; niet meer dan de geldende maximumtarieven volgens de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer (maatwerkvoorziening collectief vervoer); per 1 januari 2024 maximaal € 7.156 en per 29 februari 2024 maximaal € 7.428 gebaseerd op het bedrag van de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie. Het betreft de kosten in verband met het primaat van verhuizen als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024. 2.Als de cliënt aannemelijk maakt dat het bedrag als bedoeld in het eerste lid onder c niet toereikend is voor de noodzakelijke (her)inrichting van de woning, dan hanteert het college de bedragen die gelden voor de bijzondere bijstand. 3.Voor sanering van de woning komt slechts het deel niet afgeschreven deel van goederen voor een tegemoetkoming in de kosten in aanmerking. 4.De financiële tegemoetkoming voor huurderving als bedoeld in artikel 4.11 tweede lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024 bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten tot een maximum van het huurbedrag waarvoor huurtoeslag kan worden toegekend. Daarbij geldt dat: over de eerste maand geen kosten worden vergoed; over de tweede en derde maand 100% van de kosten worden vergoed; over de vierde en vijfde maand 75% van de kosten worden vergoed; over de zesde maand 50% van de kosten worden vergoed; ná de zesde maand 100% van de kosten worden vergoed indien vaststaat dat binnen drie maanden de woning verhuurd kan worden aan een persoon die tot de doelgroep van de wet behoort. 5.In de pilot met Woningstichting Tubbergen met betrekking tot het aanhouden van woningen voor inwoners met ernstig medische beperkingen geldt de volgende financiële tegemoetkoming voor Woningstichting Tubbergen voor huurderving als bedoeld in artikel 4.11 tweede lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2024 (enkel voor de looptijd van de pilot): over de eerste maand worden geen kosten vergoed; over de tweede tot en met zesde maand worden 100% van de kosten vergoed. Artikel2.7Bezoekbaar maken van de woning De maximale tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning bedraagt € 1.500,00. Artikel2.8Ritbijdrage en Reserveringstoeslag 1.Voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gelden de volgende ritbijdragen: opstaptarief (starttarief) € 1,083; en het tarief per afgelegde kilometer: € 0,223. 2.De hoogte van de reserveringstoeslag bedraagt € 3,00. Artikel2.9Tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening De hoogte van de tegemoetkoming voor de aanschaf van een sportvoorziening bedraagt niet meer dan € 2.700,00 per 3 jaar. HOOFDSTUK3JEUGDHULP Artikel3.1Individuele jeugdhulp 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een jeugdhulpverlener die in dienst is bij een professionele instelling of als ZZP’er werkzaam is bedraagt: € 0,91 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 A; € 0,93 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 B; € 0,99 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 C; € 0,98 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 A; € 1,00 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 B; € 1,05 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 C. 2.Het persoonsgebonden budget voor jeugdhulp als bedoeld in het eerste lid dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een andere hulpverlener dan genoemd in het eerste lid bedraagt € 24,44 bruto per uur dan wel een bedrag naar rato hiervan (minuten). 3.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een jeugdhulpverlener die in dienst is bij een professionele instelling of als ZZP’er werkzaam is bedraagt: € 1,20 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 3 A; € 1,28 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 3 B; € 1,30 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 3 C; € 1,60 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 4 A; € 1,63 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 4 B; € 1,82 per minuut bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 4 C. Artikel3.2Groepsgewijze jeugdhulp en vervoer 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een jeugdhulpverlener die in dienst is bij een professionele instelling of als ZZP’er werkzaam is bedraagt: € 55,85 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 A; € 58,68 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 B; € 63,34 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 1 C; € 62,88 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 A; € 66,15 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 B; € 70,87 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 2 C; € 130,48 per dagdeel bij de indicatie ondersteuningsbehoefte 3 C. 2.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een andere hulpverlener dan genoemd in het eerste lid, die groepsgewijze jeugdhulp biedt aan meer dan één jeugdige tegelijk, bedraagt € 24,44 per dagdeel. 3.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een andere hulpverlener dan genoemd in het eerste lid, die de geïndiceerde groepsgewijze jeugdhulp individueel biedt, bedraagt € 24,44 per dagdeel op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan het uurloon wordt betaald maar niet meer dan het tarief per (geïndiceerd) dagdeel genoemd in de eerste zin van dit lid. 4.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ZZP’er, die de geïndiceerde groepsgewijze jeugdhulp individueel biedt, bedraagt niet meer dan het toepasselijke tarief genoemd in het eerste lid op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan een uurloon wordt betaald maar niet meer dan het bedoelde tarief per (geïndiceerd) dagdeel. 5.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor het noodzakelijk vervoer van en naar de locatie waar de groepsgewijze jeugdhulp wordt geboden, wordt in het toekenningsbesluit bekend gemaakt. Artikel3.3Wonen en verblijf 1.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een jeugdhulpverlener die in dienst is van een professionele instelling of als ZZP’er werkzaam is, bedraagt: € 131,74 per etmaal bij een indicatie O-B (gezinshuizen); € 69,35 per etmaal bij een indicatie Dakje 1; € 118,90 per etmaal bij een indicatie Dakje 2; € 168,43 per etmaal bij een indicatie Dakje 3. 2.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk of een persoon die niet als persoon genoemd in het eerste lid kan worden aangemerkt, die wonen en verblijf biedt aan meer dan één jeugdige tegelijk, bedraagt € 24,44 per etmaal. 3.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk, die het geïndiceerde wonen en verblijf individueel biedt, bedraagt € 24,44 per etmaal op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan het uurloon wordt betaald, maar niet meer dan het tarief per etmaal genoemd in de eerste zin van dit lid. 4.Het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een ZZP’er, die het geïndiceerde wonen en verblijf individueel biedt, bedraagt niet meer dan het toepasselijke tarief genoemd in het eerste lid op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst. In de overeenkomst staat een tijdsindicatie op grond waarvan een uurloon wordt betaald maar niet meer dan het bedoelde tarief per (geïndiceerd) etmaal. 5.Indien er naar oordeel van het college sprake is van een noodzaak tot vervoer als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet, dan wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget vastgesteld op basis van een offerte en in het toekenningsbesluit bekend gemaakt. Artikel3.4Vervoer wonen en verblijf door ouders Indien naar oordeel van het college het vervoer van de jeugdige niet binnen de eigen mogelijkheden en het oplossend vermogen van de ouders valt en er sprake is van een noodzaak tot vervoer als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet, dan kan het college aan de ouders een tegemoetkoming verstrekken voor het gebruik van: een (eigen) auto ter hoogte van € 0,23 per kilometer; het verschuldigde OV-tarief voor de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.