Projectplan Herinrichting Hooge Raam en Halsche BeekInzagetermijn van 17 juni 2024 tot en met 29 juli
(2021), Ecologische streefbeelden watersysteem; Eisen voor ecologische inrichting en beheer & onderhoud.. Voor de Hooge Raam en Halsche Beek zijn deze inrichtingseisen afgestemd op de natuurfunctie van het gebied. Bij de inrichting wordt daarbij rekening gehouden met andere gebruiksfuncties zoals landbouw en bebouwing en de doelstellingen voor een robuust watersysteem (zie paragraaf 3.2). 6.4.1Oppervlaktewater Bij de uitwerking van het gebiedsplan Raam zijn de verschillende ontwerpopgaven (zie hoofdstuk 3) met betrekking tot de inrichting van het watersysteem hydrologisch getoetst aan de geldende normen en randvoorwaarden. Daarvoor is gebruik gemaakt van door het waterschap Aa en Maas ontwikkelde hydrologische modellen voor het oppervlaktewatersysteem (SOBEK). Met dit model zijn diverse varianten doorgerekend waarbij de volgende scenario’s zijn getoetst: Stationair: Gemiddelde zomerafvoer (10% van een maatgevende afvoer die één keer per jaar voorkomt) Stationair: Gemiddelde winterafvoer (30% van een maatgevende afvoer die één keer per jaar voorkomt) Stationair: T=1 (Maatgevende afvoer die één keer per jaar voorkomt) Dynamisch: T=25 (Klimaatscenario 2030: GHG90 bui) Toetsing robuust watersysteem De overstromingsanalyse laat zien dat de overstromingen langs de Hooge Raam en Halsche Beek, ondanks de kleiner gedimensioneerde beekloop, niet leiden tot extra knelpunten (figuur 6.1). De overstromingen blijven door efficiënt gebruik van het landschap vrijwel overal beperkt tot de aangewezen overstromingsgebieden, waarbij wordt voldaan aan de NBW-normen in het gebied. Met de maatregelen wordt een robuust watersysteem gecreëerd waarin voldoende ruimte is voor waterberging en afvoer van water tijdens piekbuien. Hierbij wordt al rekening gehouden met een klimaatscenario
- Als gevolg van de verondieping van de beek zijn de gemiddelde waterstanden in de verondiepte of nieuwe meanderende beekloop zowel in het zomer- als winterhalfjaar tot wel 50 cm hoger dan de huidige waterstanden. Dit draagt bij aan het behalen van de natuurdoelen in het gebied (zie paragraaf 3.2.1). Uitzonderingen zijn de locaties waar stuwen worden verwijderd, daar treedt plaatselijk een verlaging van de gemiddelde waterstand op. Figuur 6.1: Overstromingsdiepte in een T-25 situatie in meters ten opzichte van het maaiveld. Toetsing natuurlijke inrichting van de beek Binnen het project worden maatregelen genomen zoals het verleggen van de beekloop, het creëren van meanders en nevengeulen en het verwijderen van stuwen. Door het grote verhang is de stroomsnelheid relatief hoog, waardoor de bodem bestaat uit grof zand met plaatselijk bankjes van fijn grind. Door de licht kronkelende beekloop in combinatie met de relatief hoge stroomsnelheid vormen zich in de buitenbochten overhangende steile oevers en in de binnenbochten flauwe oevers. Bosstroken en bomenrijen langs de beek zorgen voor voldoende beschaduwing. Er is veel organisch materiaal aanwezig in de vorm van sliblaagjes, bladpakketten, takken en boomstammen. Boomstammen dwars op de beek vormen daarbij natuurlijke drempels. Waar overstromingen geen probleem vormen is de beekloop verkleind om meer stroming te creëren. Bij hoge afvoeren worden de lager gelegen natuurgronden langs de beek benut als overstromingsvlakte. Bij de Graafsebaan zorgt de knijpconstructie voor een gedoseerde mate van opstuwing en daarmee overstroming van natuurgronden bij extreme afvoersituaties, en voor weinig opstuwing in gemiddelde situaties. Naast waterberging en – conservering leidt dit ook tot het verminderen van te hoge afvoerpieken. Het afgraven van lagere percelen langs de beek leidt tot een toename van kwel op deze percelen. De maatregelen leiden tot een toename van de stroomsnelheden in de beekloop ten opzichte van de referentiesituatie. Desondanks is de stroomsnelheid in de hoofdloop in zowel de gemiddelde zomer- als wintersituatie lager dan de KRW-doelstelling van minimaal 30 cm/s. Dit komt mede omdat de beekloop voldoende ruim gedimensioneerd moet zijn om ook tijdens piekbuien voldoende water af te kunnen voeren. Dit streefbeeld is, rekening houdend met de overstromingsrisico’s, niet reëel. Er wordt daarom bewust afgeweken van dit criterium. De verwachting is dat het afwijken van deze eis geen gevolgen heeft voor het behalen van de KRW-doelstelling voor de Hooge Raam, mede omdat de maatregelen op andere aspecten ruimschoots aan de doelstelling voldoen. De maximale stroomsnelheid blijft wel binnen de KRW-doelstelling van maximaal 80 cm/s. Aan het KRW-streefbeeld met betrekking tot de waterdieptes (gemiddeld tussen de 0,1 en 0,4 meter) wordt zowel in de zomer- als wintersituatie voldaan. De maatregelen voorzien in waterconservering door overstroming van natuurgronden binnen het plangebied, wat een beperkt effect heeft op het verminderen van droogval. De maatregelen leiden echter niet tot herstel van een jaarrond watervoerende Hooge Raam. Omdat droogval van de Hooge Raam binnen het plangebied wordt veroorzaakt door het wegvallen van de aanvoer vanuit het brongebied bovenstrooms op de Maashorst, is herstel van een jaarrond watervoerende Hooge Raam alleen mogelijk door maatregelen te nemen in het brongebied op de Maashorst. Dit brongebied ligt buiten het plangebied van dit project. Maatregelen om droogval te beperken worden door Waterschap Aa en Maas los van dit project verkend. Op basis van de voorgenomen inrichtingsmaatregelen en de hydrologische toetsing wordt verwacht dat hiermee voldoende invulling wordt gegeven aan de KRW-doelen die voor dit waterlichaam gelden. Het plan voorziet in de maximaal haalbare invulling van de KRW-opgave binnen deze beperkingen waarmee wordt voldaan aan de KRW-doelen in dit gebied. 6.4.2Grondwater Met de inrichting van de Hooge Raam wordt een robuust watersysteem gecreëerd waarmee extra water wordt vastgehouden om verdroging van landbouw en natuur tegen te gaan. Tegelijkertijd wordt voldaan aan de normen die worden gesteld aan de afvoer van water tijdens (hevige) buien zoals beschreven in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Daarnaast worden extra maatregelen in het watersysteem gerealiseerd zodat beter gestuurd kan worden op het voorkomen van wateroverlast in het gebied. Methodiek Met behulp van een grondwatermodel is onderzocht wat de effecten van voorgenomen maatregelen zijn op de grondwaterstanden. Voor de grondwaterberekeningen is gebruikt gemaakt van een regionaal grondwatermodel, genaamd GRAM2.
- Dit model is door waterschap Aa en Maas ontwikkeld. Het grondwatermodel is voor de maatregelen doorgerekend voor de periode 2002-
- Voor de doorvertaling van de effecten worden de grondwaterstanden in de periode 2010-2017 nader beschouwd. Hiermee wordt voorkomen dat de droge jaren van 2018, 2019 en 2020 leiden tot een onderschatting van de potentiële overlast en natschade door vernatting. De effecten zijn doorvertaald naar verschillen in grondwaterstanden voor een gemiddelde winter-, voorjaar- en zomersituatie13De geven de resultaten weer van een wintersituatie: de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), voorjaarssituatie: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en zomersituatie: gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De afkorting komt terug in de figuren.. Daarnaast wordt nader beschreven wat de specifieke consequenties zijn voor landbouw en natuur in het gebied. Voor de effecten voor landbouw is met behulp van de Waterwijzer Landbouw (WWL) gedetailleerder inzicht gegenereerd. Met de waterwijzer landbouw is het mogelijk om de verschillen in grondwaterstanden door te vertalen in procentuele mate van verbetering of verslechtering van de potentiële droogteschade of natschade van landbouwgewassen in het gebied. De WWL-regionaal gebruikt informatie over het landgebruik14Op basis van de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) is per rekencel van 25x25 m het meest voorkomende en duurste gewas bepaald over de periode 2013 t/m 2020., bodemtype en een gedetailleerd grondwaterstandsverloop. Het geeft inschatting van een effect, in termen van direct en indirecte effecten. Directe effecten zijn het gevolg van transpiratiereductie gedurende het groeiseizoen. Deze transpiratiereductie is uitgesplitst naar aandeel in droogte- zuurstof- en/of zoutstress. Indirecte effecten zijn het gevolg van een verschuiving in het groeiseizoen in verband met te natte omstandigheden om grondbewerking te kunnen uitvoeren. Resultaten algemeen Zie bijlage 3 voor de gepresenteerde figuren in hogere resolutie. De resultaten tonen de effecten van alle voorgenomen maatregelen uit het plan. Uit de resultaten blijkt dat het definitief ontwerp veelal leidt tot een verhoging van de gemiddelde grondwaterstand (zie figuur 6.2 en figuur 6.4) . Lokaal treedt in de gemiddeld hoogste grondwaterstand echter ook een verlaging op. Deze verlagingen vinden hoofdzakelijk plaats op locaties waar grond langs de Hooge Raam en Halsche Beek wordt afgegraven. Netto wordt het op deze locaties in de praktijk natter doordat in de nieuwe situatie het grondwater dichter bij het maaiveld komt te liggen. Ook daalt de grondwaterstand lokaal op locaties waar stuwen worden verwijderd (105ZAN en 105BUS). Figuur 6.2: Verschil grondwaterstanden wintersituatie (GHG) in het definitieve ontwerp ten opzichte van de referentie (huidige situatie). De rode en oranje kleur is een verlaging van de grondwaterstand. De blauwe kleur is een verhoging en wordt donkerder naarmate de verhoging van de grondwaterstand groter is. Figuur 6.3: Verschil grondwaterstanden voorjaarsituatie (GVG) in het definitieve ontwerp ten opzichte van de referentie (huidige situatie). De rode en oranje kleur is een verlaging van de grondwaterstand. De blauwe kleur is een verhoging en wordt donkerder naarmate de verhoging van de grondwaterstand groter is. Figuur 6.4: Verschil grondwaterstanden zomersituatie (GLG) in het definitieve ontwerp ten opzichte van de referentie (huidige situatie). De rode en oranje kleur is een verlaging van de grondwaterstand. De blauwe kleur is een verhoging en wordt donkerder naarmate de verhoging van de grondwaterstand groter is. Met de gemiddelde stijging van het grondwater (vernatting) wordt voldaan aan de doelstellingen voor een robuust watersysteem. Hierbij is sprake van meer water vasthouden en een verminderde kwetsbaarheid voor droge periodes voor zowel landbouw als natuur. De mogelijkheid om water vast te houden, de knijpconstructie Graafsebaan en de overstromingszones zorgen voor een systeem dat voldoet aan de NBW-normen. Hierbij wordt al rekening gehouden met een klimaatscenario van
- Ook worden mitigerende maatregelen voorzien om lokale schade en overlast in het plangebied te minimaliseren (zie ook paragraaf 8.1). Hiermee is het watersysteem in staat om het water beter vast te houden voor droogtebestrijding, maar ook om water voldoende te bergen of af te voeren in natte periodes en bij piekbuien. Effecten landbouw Het ontwerp voor de herinrichting van de Hooge Raam en Halsche beek is gericht op het realiseren van de in paragraaf 3.2 beschreven projectdoelstellingen. Gevolgen voor de landbouw zijn in het ontwerp zoveel mogelijk beperkt door aanpassingen aan het ontwerp of door het toevoegen van mitigerende maatregelen. Het geheel voorkomen van effecten op de landbouw is echter niet mogelijk in combinatie met het realiseren van de in projectdoelstellingen, mede gelet op het belang van de verbetering van de (grond)watersituatie in de Natte Natuurparel. De veranderingen in grondwaterstand in het landbouwgebied rondom de bestaande en nieuwe natuur hebben mogelijk gevolgen voor de opbrengsten van landbouwgewassen. In landbouwgebieden met een relatief beperkte drooglegging kunnen grondwaterstandsstijgingen per saldo zorgen voor opbrengstderving. In landbouwgebieden die in de referentiesituatie (huidige situatie) al relatief diepe grondwaterstanden hebben zullen grondwaterstandsstijgingen per saldo zorgen voor opbrengsttoename omdat (grond)water langer beschikbaar blijft voor het landbouwgewas. Hiermee wordt ook de noodzaak tot beregening beperkt. De seizoensdynamiek heeft hier ook invloed op, waarbij in het voorjaar extra opbrengstderving kan ontstaan bij natte situaties en in de zomer juist een opbrengsttoename kan ontstaan in droge situaties. Voor de landbouw leiden de geplande maatregelen tot het beter vasthouden van water in het gebied. Hierdoor daalt de potentiële opbrengstderving in de zomer gemiddeld met 1-5% en lokaal met 5-10% (figuur 6.5). Dit betekent minder droogteschade in de zomer. Verder geldt dat er in het voorjaar sprake is van lokaal nadelige effecten. De potentiële opbrengstderving in landbouwgebieden waar sprake is van extra vernatting stijgt in een aantal gebieden met 1-5%, lokaal kan ook hogere opbrengstderving ontstaan. Daar waar dit landbouwgronden betreft is het waterschap in gesprek met de betreffende eigenaren om tot lokale mitigerende maatregelen te komen (zie paragraaf 8.2). De meeste locaties betreffen echter voormalige landbouwgronden die als natuurgrond (NNB) worden ingericht. Figuur 6.5: Verschilkaart in % opbrengstderving: afname droogteschade (links) en toename natschade (rechts) over periode 2010-2017 Effecten natuur Het plangebied voor de Hooge Raam en Halsche Beek is aangewezen als natte natuurparel. De natuur in deze gebieden is sterk afhankelijk van hoge grondwaterstanden of kwel. Het zijn natuurterreinen waar bijzondere kwaliteiten voorkomen of verder ontwikkeld kunnen worden (zie paragraaf 3.2.1). De omstandigheden voor de natuur verbeteren omdat het natter wordt. De hydrologische omstandigheden voor de natuur verbeteren omdat: Door het verhogen van de beekbodem de hydrologische basis omhoog komt, waardoor kwelomstandigheden in de aanliggende natuurgebieden verbeteren. Het beekprofiel smaller wordt en omliggende natuurgronden bij hoge afvoeren mogen overstromen, waardoor het water langer wordt vastgehouden en minder snel wordt afgevoerd. Diverse habitatverbeteringen in het gebied worden uitgevoerd. Deze hebben een positief effect op de te ontwikkelen (natte)natuurwaarden zoals het afplaggen van de voedselrijke toplaag, het creëren van overstromingszones en realiseren van nevengeulen, poelen, bos en houtwallen. Op basis van figuur 6.2 en figuur 6.3 lijkt het afgraven van enkele percelen lokaal tot verdroging te leiden doordat de grondwaterstanden iets lager komen te liggen ten opzichte van de huidige situatie. Echter wordt het hier in de praktijk wel degelijk natter doordat de grondwaterstanden dichter bij het maaiveld komen te liggen omdat bestaande grond wordt afgegraven. Er kan dus worden geconcludeerd dat in zijn algemeenheid sprake is van een netto vernatting in de natuurgebieden wat leidt tot betere omstandigheden voor natuur. In figuur 6.6 wordt de verbetering van de aanwezige natuur gepresenteerd voor een zomer en voorjaarssituatie. In dit gebied geldt dat elke vorm van vernatting tot betere omstandigheden leidt voor de natuur. Als gevolg van de maatregelen is sprake van een gewenste vernatting in de natuurgebieden langs de Hooge Raam en Halsche Beek in de winter, voorjaar en zomersituatie. Ook is sprake van een toename van kwel in natuurgronden in zowel de zomer- als wintersituatie, waar de aanwezige natuur in drogere periodes in het bijzonder van profiteert. Het dempen of verondiepen van de bestaande beekloop leidt lokaal tot een vermindering van de drainerende werking van de beekloop. Dit is in de kaart zichtbaar als een afname van kwel, maar is gunstig voor de natuurdoelen omdat het leidt tot een hogere grondwaterstand. Figuur 6.6: Mate van vernatting als gevolg van de geplande maatregelen bij een zomersituatie: GLG (links) en een voorjaarssituatie: GVG (rechts). De blauwe contouren tonen de vernatting die tot positieve effecten leidt voor de natuur in het gebied. Hoe donkerder de contouren, hoe groter het positieve effect voor natuur. De oranje arcering toont het gebied dat is aangewezen als Natte Natuur Parel (NNP). Figuur 6.7: Verschil in toename/afname van kwel/wegzijging als gevolg van de geplande maatregelen bij een zomersituatie (links) en een wintersituatie (rechts). De blauwe contouren tonen de toename kwel die tot positieve effecten leidt voor de natuur in het gebied. Voor natuur is de zomersituatie bijzonder relevant. Dan is het wat droger in het natuurgebied en profiteert de begroeiing van de extra kwel. 6.5Aardkundige waarden Binnen het plangebied liggen enkele gebieden van aardkundige waarden. Uitgangspunt is dat het aardkundige karakter in het gebied niet aangepast mag worden. De volgende gebieden van aardkundige waarde bevinden zich in het plangebied: Steilrand Mill; steilrand, beekdalen, geulen en platen (overblijfselen van verwilderd / vlechtend riviersysteem), stuifzandjes Peelrandbreukstelsel; Feldbisbreuk In het ontwerp wordt zorgvuldig omgegaan met aardkundige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Bij het uitvoeren van de maatregelen blijven bovengenoemde elementen zo veel mogelijk behouden. 7.Wijze waarop het werk wordt uitgevoerd De inrichting van de Hooge Raam en Halsche Beek kan starten na vaststelling van dit projectplan (medio 2024) door het bestuur van het waterschap Aa en Maas. De werkzaamheden aan de beek, de grondaanvoer en het toepassen van schrale grond worden op natuurtechnische wijze uitgevoerd. De totale uitvoering van de werkzaamheden neemt naar verwachting 1 tot 1,5 jaar in beslag. De werkzaamheden vinden plaats langs de oevers van de Hooge Raam en Halsche Beek in het buitengebied. Met perceeleigenaren worden uitvoeringsafspraken gemaakt om hinder en overlast door de werkzaamheden zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken met diverse maatregelen. Daarom worden de werkzaamheden alleen op werkdagen (maandag t/m vrijdag) tussen reguliere tijden uitgevoerd, om overlast door geluid voor de omgeving te beperken. Bij de aanleg wordt gangbaar materieel ingezet, waar nodig met toepassing van rijplaten om structuurbederf van de (vochtige) bodem te voorkomen. Aan- en afvoer van materieel, materialen en grond vindt zoveel mogelijk plaats over eigendom van het waterschap. Indien het voor de uitvoering van maatregelen nodig is om gebruik te maken van werkstroken op eigendommen van derden, dan worden hierover met de betreffende eigenaar vooraf afspraken gemaakt en eventueel toegebrachte schade wordt vergoed volgens normbedragen die het waterschap gebruikt. De kabels en leidingen in het gebied zijn met een KLIC-melding in beeld gebracht. Uit de melding blijkt dat er kabels en leidingen gelegen zijn binnen het projectgebied. In het ontwerp is rekening gehouden met de ligging van deze kabels en leidingen. Waar kabels en leidingen moeten worden verlegd gaat dit in afstemming en goedkeuring van de eigenaar. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt gewerkt volgens de Wet natuurbescherming (WnB). Een Quickscan Flora en Fauna is uitgevoerd. Nader archeologisch onderzoek en explosievenonderzoek moet nog plaatsvinden. Voor het in te zetten plantmateriaal wordt inheems, autochtoon en biologisch plantmateriaal toegepast. Ook wordt spontane ontwikkeling gestimuleerd. Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wordt deze start kenbaar gemaakt via lokale media, de nieuwsbrief 'Verborgen Raamvallei' en per brief aan direct betrokkenen, zoals grondeigenaren, aanwonenden en belanghebbenden. 8.Te treffen voorzieningen 8.1Beperken nadelige gevolgen van de uitvoering De werkzaamheden vinden zowel plaats op grond in eigendom van waterschap Aa en Maas, als ook op gronden van de gemeente, terreinbeheerders en particulieren. Met deze partijen is afstemming geweest en maken we afspraken over de uitvoering om overlast en hinder van de werkzaamheden zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken met maatregelen. Indien nodig treft het waterschap tijdelijke verkeersmaatregelen voor werkverkeer ter plaatse van de werkzaamheden. Fiets- en wandelpaden in het werkgebied kunnen tijdelijk worden afgesloten en omgeleid. Tijdens de realisatie van de maatregelen in dit projectplan wordt de doorstromingscapaciteit niet gereduceerd, hierdoor is de afvoer van de beek en de waterhuishoudkundige functie te allen tijde gegarandeerd. Voor het vervoeren van grond stelt de aannemer een werkplan op waaruit de meest efficiënte transportroute blijkt. Bij grondtransporten nabij de woningen en bedrijven worden bij droog weer maatregelen genomen om stofoverlast te beperken. Om structuurbederf van de terreinen te beperken, worden waar nodig beschermende voorzieningen toegepast. Het vrijkomende geschikte materiaal van de te ontgronden terreindelen wordt zoveel mogelijk toegepast in of in de nabijheid van het werk. Hiermee wordt het aantal vervoersbewegingen voor afvoer van grond en baggerspecie uit het gebied beperkt. 8.2Financieel nadeel Als gevolg van de uitvoering van dit projectplan kan financieel nadeel optreden. Indien zich schade voordoet wordt een vaste volgorde aan te nemen maatregelen gehanteerd zoals hieronder beschreven.
- Voorkomen van schade Allereerst is dit plan er op gericht schade te voorkomen. Daarvoor zijn effecten tijdens de planfase geanalyseerd aan de hand van het doorrekenen van diverse varianten met als resultaat de in dit projectplan beschreven maatregelen.
- Technische maatregelen ter voorkomen van schade Ondanks een zo goed mogelijke planuitwerking is het niet mogelijk om de waterconserverings- en waterkwaliteitsdoelen te bereiken zonder nadelige effecten door vernatting of overstroming. Daarom voorziet het plan in aanvullende technische maatregelen om deze effecten te mitigeren: Een hoogwatergeul (nevengeul) in traject 4 en traject 8 van de Hooge Raam Een knijpconstructie bij de Graafsebaan in combinatie met waterberging op natuurgronden in traject 3 van de Hooge Raam De aanleg van lokale maaiveldverhogingen (wallen) in traject 4, traject 7 en traject 8 van de Hooge Raam Daarnaast worden op specifieke locaties, waar compensatie van substantiële nadelige effecten niet mogelijk is, met betreffende eigenaren in het gebied detailafspraken gemaakt voor het treffen van mitigerende maatregelen op perceelsniveau. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat percelen opgehoogd kunnen worden. De effectiviteit van deze mitigerende maatregelen wordt gemonitord. Verspreid over het plangebied zijn op representatieve locaties peilbuizen en eventueel peilschalen geplaatst, waarmee het grondwaterregime na realisatie van het plan en de mitigerende maatregelen wordt gevolgd. Als uit de monitoring blijkt dat het nadeel onvoldoende wordt gemitigeerd, of als blijkt dat de beoogde grondwaterstandsverhoging niet wordt behaald wordt dit geëvalueerd en zo nodig worden aanvullende technische maatregelen uitgevoerd (zie paragraaf 9.3).
- Nadeelcompensatie In het geval dat door het projectplan onverhoopt schade blijkt te zijn ontstaan, kan de benadeelde een verzoek om schadevergoeding indienen. De grondslag hiervoor is vastgelegd in artikel 7.14 van de Waterwet. Dit artikel bepaalt dat degene die ten gevolge van een rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer schade lijdt of zal lijden op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Dit verzoek moet worden ingediend bij Het dagelijks Bestuur van waterschap Aa en Maas, Postbus 5049, 5201 GA ’s-Hertogenbosch. Ten behoeve van de afhandeling van dergelijke verzoeken hanteert het waterschap de Verordening schadevergoeding 2015 Waterschap Aa en Maas. Per 1 januari wordt dit de Verordening nadeelcompensatie waterschap Aa en Maas 202315Deze regeling is online te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2023-6249.html. Uit deze verordening volgt dat het bestuur zich in de regel laat adviseren door een deskundige alvorens een besluit op het verzoek te nemen. Het waterschap kan een verzoek om schadevergoeding afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis (zoals bepaald in art. 7.14, lid 3 Waterwet). 8.3Voorzieningen tegen nadelige gevolgen voor landbouw De grondwaterstandsveranderingen in het landbouwgebied rondom de bestaande en nieuwe natuur hebben mogelijk gevolgen voor de opbrengsten van landbouwgewassen (zie paragraaf 6.4.2). In landbouwgebieden met een relatief beperkte drooglegging zullen grondwaterstandsstijgingen per saldo zorgen voor opbrengstvermindering. In landbouwgebieden die in de referentiesituatie (huidige situatie) al relatief diepe grondwaterstanden hebben zullen grondwaterstandsstijgingen per saldo zorgen voor een afname van droogteschade. De seizoensdynamiek heeft hier ook invloed op waarbij in het voorjaar extra opbrengstderving kan ontstaan bij natte situaties en in de zomer juist een opbrengsttoename kan ontstaan in droge situaties. Naast hoge grondwaterstanden kan overstroming van landbouwgronden leiden tot schade. Om overstroming van landbouwgronden zoveel mogelijk te voorkomen zijn in het plan mitigerende maatregelen genomen zoals beschreven in paragraaf 8.
- 8.4Voorzieningen tegen nadelige gevolgen voor bebouwing Voor dit plan is geïnventariseerd of grondwateroverlast aan bebouwing kan voorkomen. Bij de herinrichting van de beek is het, evenals in de huidige situatie, niet helemaal uit te sluiten dat vernatting kan leiden tot optrekkend vocht, vochtige kruipruimtes en natte kelders met overlast tot gevolg. Op basis van de verwachte grondwaterstandsveranderingen wordt een nadere risicoanalyse van de panden binnen de vernattingscontour (> 5 cm grondwaterstandsverandering) uitgevoerd. Hiervoor is een toetsingskader opgesteld waarbij wordt gekeken naar drie schademechanismen: Vochtoverlast Draagkrachtverlies van fundering Opdrijven en/of verlies van constructieve sterkte van (mest)kelders. De risicoanalyse wordt in eerste instantie gedaan aan de hand van bureauonderzoek. Bij onvoldoende beschikbare informatie of bij panden met een verhoogd risico op schade of overlast, worden panden preventief geïnspecteerd op constructie en vochttoestand (bouwkundige nulopname). Op locaties die als gevolg van dit plan een hoog risico hebben op schade of overlast worden preventieve mitigerende maatregelen getroffen zoals het aanleggen van lokale drainage. Als na realisatie van de maatregelen vocht- of grondwateroverlast optreedt, die niet uit de nulopname bleek, zullen in overleg met de eigenaar passende maatregelen worden getroffen. 8.5Nazorgperiode Er is sprake van een nazorgperiode van 5 jaar na herinrichting de beek. Tijdens deze nazorgperiode wordt bekeken of het op basis van de monitoringsgegevens (zie paragraaf 8.2) of signalen van eigenaren nodig is om aanvullende maatregelen te treffen om de schade te beperken of voorkomen. 9.Le