Beleidsregel Cameratoezicht openbare ruimteOverwegende, dat de raad op grond van art.151c Gemeentewet de burgemeester de bevoegdheid heeft verleend tot de inzet van cameratoezicht in de openbare ruimte; Overwegende, dat cameratoezicht een waardevol aanvullend instrument is bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte; Overwegende dat het inzetten van cameratoezicht vanuit het oogpunt van privacy een zorgvuldige afweging vraagt; Gelet op Artikel 151 c Gemeentewet en artikel 2.77 van de Algemeen Plaatselijke Verordening Maassluis. BESLUIT Vast te stellen de "Beleidsregel cameratoezicht openbare ruimte" 1.Inleiding Cameratoezicht is een beproefde methode om de veiligheid te vergroten. Cameratoezicht is niet meer weg te denken als hulpmiddel bij de aanpak van het veiliger maken en houden van de stad. Het toezicht door middel van camera's is in de loop der jaren vanzelfsprekend geworden. Zeker ook met de notie dat veiligheid steeds meer (en terecht) wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid en de burger, is het belangrijk om aan te geven tot waar ieders verantwoordelijkheid reikt of ophoudt. Cameratoezicht levert zoals gezegd, in aanvulling op vele andere maatregelen, een bijdrage aan de veiligheid in de stad. Het gebruik van cameratoezicht is echter niet onomstreden. Het inzetten van cameratoezicht kent zijn begrenzing in een wettelijk kader om de privacy van de burger te beschermen. Cameratoezicht is geen doel op zich, maar is een aanvullend instrument om bij te dragen aan een veilige stad voor haar inwoners, ondernemers en bezoekers. Het spanningsveld van maximaal toezicht door het inzetten van camera's versus de inperking van de persoonlijke levenssfeer vraagt om beleidsregels waarin wordt aangegeven op welke wijze de burgemeester daar invulling aan geeft. Met deze beleidsregel wordt in het belang van de handhaving van de openbare orde, het gebruik van camera's in de openbare ruimte door de gemeente vastgelegd. Het besluit om cameratoezicht in te zetten is maatwerk, afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek en de locatie. Deze beleidsregel biedt een kader voor deze belangen- en feitenafweging. 1.2Doelstelling beleidsregels Cameratoezicht Cameratoezicht inzetten is geen doel op zich, maar een aanvullend instrument om bij te dragen aan een veilige stad. De doelstelling van de beleidsregel Cameratoezicht in de openbare ruimte is om vastgestelde richtlijnen te hebben in de afweging of cameratoezicht in de openbare ruimte bij de handhaving van de openbare orde een geschikte maatregel is en zo ja, in welke vorm en met welke duur dit cameratoezicht er moet komen. De beleidsregel is eveneens van toepassing als toetsingskader (bij een evaluatie) van de plaats of duur van de huidige camera’s. Ze geldt als leidraad voor de toepassing van cameratoezicht in de openbare ruimte in Maassluis. 1.3.Reikwijdte beleidsregels cameratoezicht Er bestaat cameratoezicht in diverse vormen. In deze beleidsregel gaat het om cameratoezicht in een publieke ruimte (openbare weg of een ander gebied waar een ieder altijd toegang toe heeft). In bepaalde voorkomende situaties kan er cameratoezicht zijn op een publiek-private ruimte (waar overlap is tussen de openbare weg en een eigen grondgebied). Cameratoezicht op een private ruimte (een eigen woning, woonerf, bedrijf, winkel, overig privaat terrein) valt buiten de werkingssfeer van de beleidsregel cameratoezicht. Dit geldt ook voor verkeerscamera's, milieuzonecamera's en bewakingscamera's van gemeentelijk eigendom. De beleidsregel raakt uitsluitend het cameratoezicht in de openbare ruimte op grond van de handhaving van de openbare orde. 2.Juridisch kader 2.1Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Grondwet Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 10 van de Grondwet moet de persoonlijke levenssfeer van inwoners worden gerespecteerd. Met andere woorden: inwoners hebben het recht om met rust gelaten te worden en onbevangen te zijn. Als een camera op iemand wordt gericht, en de beelden worden opgenomen, wordt diegene per definitie niet met rust gelaten. De inzet van cameratoezicht staat dan ook altijd op gespannen voet met artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Maar het respecteren van de persoonlijke levenssfeer is geen absoluut recht en wordt altijd afgewogen tegen andere rechten en belangen, zoals veiligheid. Zowel het EVRM als de Grondwet bieden ruimte voor inperkingen van die rechten, mits die inperking bij wet is voorzien en noodzakelijk is voor een legitiem doel. Artikel 151c Gemeentewet (Gw) juncto artikel 2.77 van de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis (APV) bieden een wettelijke basis voor cameratoezicht in de openbare ruimte. 2.2.Gemeentewet, artikel 151c In artikel 151c Gw is vastgelegd dat het doel van toepassen van cameratoezicht in de openbare ruimte, het handhaven van openbare orde en veiligheid is. Dit biedt de burgemeester – daartoe bevoegd op grond van artikel 2:77 van de APV - een wettelijk kader om voor bepaalde duur camera’s in te zetten op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. In artikel 4.1 worden de mogelijkheden en voorwaarden van artikel 151c van de Gemeentewet toegelicht. Alleen als aan al die eisen is voldaan, is sprake van een rechtmatige grondslag om cameratoezicht toe te passen. 2.3Wet politiegegevens Op grond van artikel 151c Gemeentewet mogen camerabeelden, in het belang van de handhaving van de openbare orde, worden vastgelegd. Omdat de gegevensverwerking plaatsvindt in het kader van de uitoefening van de politietaak is de Wet politiegegevens (Wpg) op die verwerking van toepassing. Dit betekent dat de politie verantwoordelijk is voor het verwerken van de camerabeelden. Dit is vastgelegd in het derde lid van artikel 151c Gw. De burgemeester is in politiek-bestuurlijke zin verantwoordelijk voor het cameratoezicht, maar de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de camerabeelden is de korpschef van de politie. De politie mag de camerabeelden bekijken en gebruiken om de openbare orde te handhaven. Bijvoorbeeld om onveilige situaties of regelmatige wanordelijkheden tegen te gaan. Zijn er op de camerabeelden incidenten vastgelegd, zoals een vechtpartij? Dan mag de politie de camerabeelden ook gebruiken om de daders van strafbare feiten op te sporen. De politie mag de camerabeelden alleen verstrekken als dit op grond van de Wpg is toegestaan. De gemeente heeft dus niet zomaar toegang tot de camerabeelden. De politie moet hierop toezien. In afwijking van artikel 8 van de Wpg, mogen, op grond van artikel 151c lid 9 Gw, de met de camera's gemaakte beelden gedurende ten hoogste 28 dagen worden bewaard. 2.5Algemene Plaatselijke Verordening (APV) In artikel 2:77 van de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis heeft de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid verleend om camera's te plaatsen voor toezicht. Met die verkregen bevoegdheid kan de burgemeester besluiten tot het plaatsen van camera's. De wijze waarop de burgemeester de afweging maakt en hieraan invulling geeft, worden beschreven in deze beleidsregel. 3.Cameratoezicht 3.1Doelen cameratoezicht De doelen van cameratoezicht zijn uit te splitsen in een primair doel en subdoelen. Primair doel: Het primaire doel van cameratoezicht op grond van de Gemeentewet is het handhaven van de openbare orde, inclusief het voorkomen van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de samenleving. Secundaire doelen: De secundaire doelen zijn preventie, het vergroten van het gevoel van veiligheid en de efficiëntere inzet van politie en andere diensten (denk aan bijvoorbeeld handhaving). Het bevorderen van het veiligheidsgevoel en/of opsporing vormen op zichzelf nooit een zelfstandig doel voor gemeentelijk cameratoezicht. Het enkel inzetten van camera’s voor het veiligheidsgevoel zonder dat daar ook een integrale aanpak aan ten grondslag ligt, leidt tot schijnveiligheid. De plaatsing van cameratoezicht door de burgemeester is niet bedoeld voor de opsporing van strafbare feiten. Dit is het domein van het Openbaar Ministerie (OM), waarbij andere wet- en regelgeving geldt. Dat neemt niet weg dat camerabeelden soms bruikbare informatie bevatten voor opsporingsonderzoek en daarvoor onder voorwaarden ook mogen worden gebruikt voor dit doel. 3.2Typen cameratoezicht Sinds 2016 is ook flexibel cameratoezicht mogelijk. De criteria voor flexibel cameratoezicht zijn gelijk aan die voor het vaste toezicht, maar in de situatieanalyse verschilt bij ‘analyse van problemen’ de duur van de verstoring. 3.2.1Vast cameratoezicht Vast cameratoezicht betreft de inzet van statische camera’s die (langdurig) toezicht houden. Vaste camera’s hangen over het algemeen in gebieden met functies die kwetsbaar zijn voor overlast en criminaliteit, denk aan uitgaansgebieden of een stationsgebied. Die gebieden kunnen te maken hebben met een structurele problematiek. Voor vast cameratoezicht moet dan ook sprake zijn van een langdurige verstoring van de openbare orde en ondanks genomen (minder ingrijpende) maatregelen is extra handhaving noodzakelijk. De aard, omvang en duur van de problematiek legitimeert de plaatsing. Het is onderdeel van een bredere aanpak in dat gebied of op die locatie en ondersteunend aan de functionarissen om de orde te kunnen handhaven in de openbare ruimte. Vast cameratoezicht wordt ingesteld voor een vaste periode waarna verlenging op basis van een toets aan de onderhavige beleidsregel kan plaatsvinden. 3.2.2Flexibel cameratoezicht Flexibele camera’s worden neergezet op plekken waar de problemen niet voortkomen uit de aard van het gebied, maar uit tijdelijke veranderingen in het gedrag van mensen. Het gaat dan bijvoorbeeld om plotseling opkomende overlast of criminaliteit in een woonwijk. Het kan ook gaan om een gepland evenement, manifestatie of bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd waarbij de gemeente vreest voor verstoring van de openbare orde en om die reden kiest voor tijdelijke inzet van camera’s. In dit soort gebieden is vast cameratoezicht niet proportioneel, maar kunnen flexibele camera’s wel kortdurend en effectief worden ingezet. Het gebruik van mobiel cameratoezicht is in dit geval ondersteunend aan een bredere aanpak. Om de inbreuk op de privacy bij het gebruik van deze tijdelijke interventie zo beperkt mogelijk te houden, is de periode van plaatsing maximaal 3 maanden. Na afloop vindt een evaluatie plaats. Op basis van deze evaluatie, met de daarbij horende toets op subsidiariteit, proportionaliteit en noodzakelijkheid, wordt bepaald of mobiel cameratoezicht nog steeds een passende maatregel is. De inzet kan dan voor 3 maanden worden verlengd. Zo niet, dan wordt de mobiele camera verwijderd. Bij flexibel cameratoezicht is er sprake van een gebiedsbesluit. Hiermee hoeft niet voor iedere exacte locatie een aanwijzingsbesluit gegeven te worden. Het aanwijzen van een gebied is voldoende. 3.2.3Drones Een bijzondere vorm van mobiel cameratoezicht is het gebruik van drones. Een camera die is bevestigd aan een drone maakt een grotere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dan een statische camera. Drones kunnen personen namelijk gemakkelijk volgen en cameratoezicht toepassen op plaatsen waar die personen verwachten onbespied te zijn. Het cameratoezicht door middel van drones is vaak ook niet zichtbaar. Als dus het doel van het cameratoezicht ook kan worden bereikt op een voor inwoners minder ingrijpende manier, bijvoorbeeld door middel van statische camera’s, dan is de inzet van drones (of andere flexibele camera’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.