Besluit van Provinciale Staten van 14 oktober 2009 tot vaststelling van de Waterverordening Zuid-Holland (voordracht 6099, Prov. Blad 2009, nr. 79), gewijzigd bij besluit van 25 juni 2014 (Prov. Blad 2014, nr. 1607), bij besluit van 28 januari 2015 (Prov. Blad 2015, 1005) en bij besluit van 29 juni 2016 (Prov. Blad 2016, 4093)Provinciale Staten van Zuid-Holland, Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (14 oktober 2009, 6099); Gelet op de artikelen 2.4, 2.8, 3.2, 3.11, 4.5, 4.7, 5.
(2005). Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming (met ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het toezicht op de uitvoering. In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen betreffende het regionaal waterbeheer, het regionaal waterplan en het beheerplan aan de orde worden gesteld. Ook de wijze waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen hiervan deel uitmaken. In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent kan onder meer worden ingegaan op de aspecten en planonderdelen, genoemd in artikel 4.6, tweede lid, van de Waterwet. Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van de uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde financiële middelen, de gekwantificeerde opgaven en de condities (zoals de mogelijkheden voor de ruimtelijke inpassing van waterhuishoudkundige voorzievoorzieningen, het draagvlak bij belanghebbenden, de acceptatie van de financiële gevolgen die nodig zijn om de strategische doelen te kunnen realiseren en overige, voor de realisatie, relevante omstandigheden). Het verslag en het periodiek overleg daarover stellen de provincie in staat te beoordelen of de gestelde strategische doelen worden gehaald. In voorkomende gevallen, wanneer blijkt dat de strategische doelen niet worden gehaald, kunnen specifieke nadere afspraken worden gemaakt. Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken Titel 4.1 Legger Artikel 4.1 Legger van waterstaatswerken In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar richting, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel moeten uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de Waterwet: aan een waterstaatswerk grenzende zone waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden. In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven. In dit artikel wordt daaraan uitvoering gegeven. De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger bepalend voor toepassingsbereik van de waterschapskeur. De legger en de keur vormen samen het instrumentarium waarmee het waterschap handelingen kan tegengaan die nadelig kunnen zijn voor het functioneren van de waterstaatswerken. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de primaire en regionale waterkering zijn de gestelde veiligheidsnorm, de technische leidraad en de voorschriften, bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening, maatgevend. Met behulp van situatietekeningen en dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en de te handhaven afmetingen van de primaire en regionale waterkering en de daaraan grenzende beschermingszones zijn. Tevens dient ten aanzien van de primaire en regionale waterkeringen het profiel van de vrije ruimte te worden aangegeven. Met dit profiel wordt aangegeven welke ruimte door een toekomstige dijkverzwaring in beslag zal worden genomen. Dit kan een extra ruimte binnendijks, buitendijks of aan beide kanten van de dijk zijn. Het profiel van de vrije ruimte dient, evenals de beschermingszones, als toetsingskader voor de beheerder bij het verlenen van vergunningen. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlakte-waterlichamen en bergingsgebieden zijn de gestelde normen en de technische leidraad, bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast), maatgevend. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en de te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan grenzende beschermingszones, alsmede van de bergingsgebieden, zijn. Gebleken is dat de ondersteunende kunstwerken en bijzondere constructies voor oppervlaktewateren en bergingsgebieden niet altijd in de legger zijn opgenomen. Daarom wordt in het derde lid van dit artikel geregeld dat om redenen van praktische aard deze verplichting pas geldt met ingang van een door gedeputeerde staten in onderling overleg met het dagelijks bestuur te bepalen datum. De legger is, mede van belang voor het toepassingsbereik van de keur. Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gevolgd. Titel 4.2 Peilbesluiten Artikel 4.2 Aanwijzing verplichte peilbesluiten Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In dit artikel is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Bij het nemen van een peilbesluit is de functie van de betrokken oppervlaktewateren van groot belang. In het licht van die functie moet een afweging plaatsvinden van alle bij de waterhuishouding betrokken belangen. Bij de afweging kunnen belangen betrokken zijn die niet primair door de waterbeheerder worden behartigd. De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaarten. Deze kaarten kennen een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald. Artikel 4.3 Inhoud peilbesluit Wat betreft de inhoud van peilbesluiten is gezocht naar een systeem dat voldoet aan de rechtszekerheid van de burger aan de ene kant en de benodigde flexibiliteit van het waterschap aan de andere kant. Niet alleen in verband met wisselende weersomstandigheden, maar ook in het kader van het streven naar duurzaam waterbeheer heeft het waterschap behoefte aan flexibel peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de wet voorziet er daarom in dat peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit zal in verband met de rechtszekerheid moeten worden aangegeven wat het minimum en maximumpeil zijn. Ten behoeve van een zorgvuldige belangenafweging van het te voeren flexibele peilbeheer is adequaat onderzoek naar de gevolgen van de in te stellen peilen noodzakelijk. Een en ander dient in de toelichting op het peilbesluit te worden verwoord. Het waterschap heeft een inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel b, van het tweede lid, inzicht te geven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewaterregime. Artikel 4.4 Openbare voorbereiding Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3: 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. Artikel 4.5 Herziening Het eerste lid geeft aan dat een peilbesluit ten minste eenmaal in de tien jaar moet worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het peilbesluit is bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht. Op verzoek van het algemeen bestuur kunnen gedeputeerde staten de geldigheidsduur van een peilbesluit voor ten hoogste vijf jaar verlengen. Titel 4.3 Projectprocedure voorwaterstaatswerken Artikel 4.6 Projectprocedure Artikel 5.5 van de Waterwet bevat voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormingsprocedures bespoedigd en vereenvoudigd. De wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen, maar geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling ook open te stellen voor andere projecten. In dit artikel is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Ten behoeve van de flexibiliteit is de besluitvorming over de inzet van de projectprocedure neergelegd bij gedeputeerde staten. Dat biedt het voordeel dat per project kan worden overwogen of de inzet van de projectprocedure noodzakelijk is gelet op de te realiseren doelstellingen. Het wel of niet van toepassing verklaren van de projectprocedure wordt hiermee maatwerk. Een terughoudend gebruik van de coördinatieregeling wordt voorgestaan vanwege de ingrijpende gevolgen die de projectprocedure heeft. Projectplannen worden onder de goedkeuring van gedeputeerde staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde staten, indien nodig, in de plaats treden van de medeoverheden. De wetgever heeft de inzet van de projectprocedure geclausuleerd. De procedure is bedoeld voor projecten die voldoen aan de criteria: - van bovenlokale betekenis, die - met spoed en - op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Het van toepassing verklaren van de projectprocedure op een projectplan door gedeputeerde staten zal in de meeste gevallen gebeuren op verzoek van het waterschap. Als voorbeelden van situaties waarbij het gewenst kan zijn om gebruik te maken van de inzet van de projectprocedure kan worden gedacht aan werken aan regionale waterkeringen, de aanleg van waterbergingsgebieden en de aanleg of wijziging van grote oppervlaktewaterlichamen. Bij deze laatste categorie gaan de gedachten uit naar oppervlaktewateren met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste vijfhonderd meter. Artikel 4.7 Toezending projectplan In artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat het projectplan de goedkeuring behoeft van de provincie op wier grondgebied het wordt uitgevoerd. Vanwege het belang dat de uitvoering van een projectplan tot de aanleg, verlegging of versterking van een primaire waterkering heeft voor de veiligheid in het totale dijkringgebied, is in dit artikel aanvullend bepaald dat als die primaire waterkering deel uitmaakt van een dijkring die op het grondgebied van een andere provincie ligt, het projectplan tevens ter kennisneming wordt toegezonden aan die andere provincie. Hoofdstuk 5 Grondwater Algemeen In lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de wet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien. De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De wet maakt hierop één uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft grondwateronttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Deze vallen onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten. Ook het infiltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten. Onttrekkingen en infiltraties voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De wet laat de waterschappen de mogelijkheid een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen en infiltraties te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet. Van deze mogelijkheid is in deze verordening alleen gebruik gemaakt in artikel 5.4 en 5.
- Artikel 5.4 bevat een beperking van de bevoegdheid van het algemeen bestuur om bij verordening onttrekkingen of infiltraties vrij te stellen van de verplichting deze te melden, te meten en te registreren. Artikel 5.5 bevat de instructie dat de waterschappen de permanente onttrekkingen en infiltraties in de milieubeschermingsgebieden voor grondwater via een vergunningenstelsel dienen te reguleren. Titel 5.1 Grondwaterregister endefinitiebepaling inrichtingen Artikel 5.1 Grondwaterregister De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de wet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Artikel 5.1 geeft hier invulling aan door te bepalen dat de gegevens die door provincie en waterschap worden verkregen in het register moeten worden opgenomen. In samenhang hiermee is in artikel 5.3 van deze verordening en in de waterverordeningen voor de interprovinciale waterschappen de verplichting opgenomen om de benodigde gegevens te verstrekken. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij gedeputeerde staten. In overleg tussen IPO en de Unie van Waterschappen wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk register. Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij een daar toe aangewezen bestuursorgaan, in casu gedeputeerde staten, neer te leggen. De aangewezen bestuursorganen kunnen gezamenlijk besluiten een landelijk register in te richten en te vullen. De ambtshalve inschrijving in het openbaar register met terugwerkende kracht tot de datum, waarop de onttrekking is aangevangen, is noodzakelijk in verband met de grondwaterheffing. Artikel 5.2 Defintiebepaling inrichtingen Dit artikel bepaald dat onttrekkingsinrichtingen die een samenhangend geheel vormen, als één inrichting worden beschouwd. Dit artikel koppelt het samenhangend geheel aan één opdrachtgever en/of één project voor de onttrekking en geeft in het tweede lid van het artikel ook aan wanneer er sprake is van een samenhangend geheel. Bovendien is dit artikel niet alleen van toepassing op grondwateronttrekkingen, maar ook op grondwaterinfiltraties. Titel 5.2 Verstekken gegevens envergunningsplicht onder bevoegd gezag van hetwaterschap Artikel 5.3 Verstrekken gegevens De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de wet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij de provincie conform bestuurlijke afspraken tussen het IPO en de Unie van Waterschappen. Artikel 5.4 Melden, meten en registeren In het eerste lid is bepaald dat het algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit biedt, niet kan toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m
- Door middel van dit artikel wordt de vrijstellingsmogelijkheid van het waterschap beperkt. Een registratieplicht voor alle onttrekkingen (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan 12.000 m3 van de registratieplicht kan uitzonderen. Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen aan gedeputeerde staten. Artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit bepaalt dat degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4 van de wet of een verordening van het waterschap, dit bij het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling. Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister (artikel 5.1 van deze verordening) en is opgenomen vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is belangrijk, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningen) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar register heeft met name waarde indien de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen. In het licht van de doelen van de Kaderrichtlijn Water en in verband met de bijzondere bodemstructuur in de provincie Zuid-Holland is het noodzakelijk rond winningen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening een beschermingszone in te stellen. In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland zijn daar om gebieden aangewezen waarvoor regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (de milieubeschermingsgebieden voor grondwater). Ter bescherming van de openbare drinkwatervoorziening is het van belang dat er een dekkend beeld is van alle permanente grondwateronttrekkingen en infiltraties in deze gebieden. Daarom is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat in deze gebieden alle permanente onttrekkingen en infiltraties moeten worden geregistreerd. Artikel 5.5 Vergunningsplicht enbegripsbepaling inrichting Ter bescherming van de openbare drinkwatervoorziening is in het tweede lid van artikel 5.4 van deze verordening opgenomen dat in de milieubeschermingsgebieden voor grondwater een registratieplicht geldt voor alle permanente onttrekkingen en infiltraties. In dit artikel wordt in aanvulling op deze registratieplicht voorgeschreven dat de waterschappen de permanente onttrekkingen en infiltraties in de milieubeschermingsgebieden voor grondwater dienen te reguleren via een verbodstelsel in de keur met de mogelijkheid van vergunningverlening. Een vergunningsplicht stelt het waterschap in staat om een afweging te maken en bepaalde regels te stellen. Hierdoor is het mogelijk om bepaalde onttrekkingen toe te staan en andere onttrekkingen te weigeren. Zo kan in combinatie met een registratieplicht het overzicht worden behouden en kunnen beperkingen worden opgelegd en kan "wildgroei" worden voorkomen. In het tweede lid is bepaald dat het algemeen bestuur het samenhangend geheel bij inrichtingen op dezelfde wijze invullen als de provincie dat doet. Daarmee wordt eenheid in regelgeving beoogd en tevens een praktische toevoeging gedaan voor de werkbaarheid van het grondwaterregister. Het tweede lid koppelt het samenhangend geheel aan één opdrachtgever en/of project voor de onttrekking en geeft aan wanneer er sprake is van een samenhangend geheel. Bovendien is dit lid niet alleen van toepassing op grondwateronttrekkingen, maar ook op grondwaterinfiltraties. Hoofdstuk 6 Schadevergoeding Artikel 6.1 tot en met artikel 6.3 Commissie vandeskundigen In artikel 7.19, eerste lid, van de wet is bepaald dat degene die bij een vergunninghouder een vordering kan indienen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onttrekking van grondwater of infiltratie krachtens een watervergunning, eerst gedeputeerde staten kan verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze voorziening houdt verband met de in artikel 5.22 van de wet opgenomen gedoogplicht. Deze houdt in dat rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of infiltratie krachtens een watervergunning, verplicht zijn die onttrekking of infiltratie te gedogen. Deze bepalingen zijn overgenomen uit de Grondwaterwet. Het faciliteren van de burger die overweegt een schadeclaim in te dienen bij de vergunninghouder werd door de wetgever wenselijk geacht vanwege het complexe karakter van schadevragen die samenhangen met grondwateronttrekkingen, de voor het beoordelen daarvan benodigde specifieke kennis en de hoge kosten van het inhuren van dergelijke kennis voor de burger. De wetgever achtte het tevens wenselijk dat de vraag of er schade is en zo ja wat de omvang van die schade is door een onpartijdige partij werd vastgesteld. In verband daarmee was in de Grondwaterwet de bepaling opgenomen dat gedeputeerde staten een verzoek tot het instellen van een onderzoek in handen stellen van een commissie van deskundigen die daarover advies uitbrengt aan de verzoeker. Ter uitvoering daarvan hebben gedeputeerde staten van de provincies in 1996 gezamenlijk één commissie ingesteld, de Commissie van Deskundigen Grondwaterwet. In de Waterwet ontbreekt de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen. Het is aan de provincies overgelaten om te bepalen op welke wijze zij verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet behandelen. In IPO-verband is uitgesproken dat het wenselijk is vast te houden aan één landelijke, onafhankelijk opererende commissie vanwege het beperkte aantal verzoeken op jaarbasis, de complexiteit van de schadevragen, de wenselijkheid van bundeling van expertise voor het beoordelen van die schadevragen en voorts vanwege de voordelen van een landelijk toegepaste uniforme werkwijze bij de behandeling van verzoeken. In verband hiermee zijn in dit hoofdstuk de bepalingen uit de Grondwaterwet omtrent de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen en de werkwijze van die commissie overgenomen. Wel is de procedure qua termijnen en terminologie op enkele punten in overeenstemming gebracht met de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij wordt nog opgemerkt dat artikel 7.19, eerste lid van de wet, ook van toepassing kan zijn op verzoeken die betrekking hebben op grondwateronttrekkingen die zijn vergund door een waterschapsbestuur. Dat betekent dat de bepalingen van dit hoofdstuk ook op die verzoeken van toepassing zijn. Om die reden is in artikel 6.2, eerste lid, en in artikel 6.3, vijfde lid, van deze verordening bepaald dat in dat geval het desbetreffende waterschapsbestuur wordt geïnformeerd over de adviesaanvraag en dat het advies ook wordt toegezonden aan dat bestuur. Het ligt in de rede dat de commissie van deskundigen ook wordt ingeschakeld bij een verzoek op grond van artikel 7.19 tweede lid, van de wet. In dat artikellid is bepaald dat gedeputeerde staten rechthebbenden ten aanzien van een onroerende zaak een schadevergoeding toekennen in het geval er sprake is van meer dan één grondwateronttrekking en binnen redelijke termijn niet is vast te stellen door welke onttrekking de schade wordt veroorzaakt. Bij een dergelijk verzoek brengt de commissie van deskundigen haar advies uit aan gedeputeerde staten. Hoofdstuk 7 Handhaving Artikel 7.1 Toezichthouders In dit artikel is geregeld wie bevoegd gezag is tot toezicht. Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8.1 Intrekken verordeningen De Verordening Waterbeheer Zuid-Holland en de Verordening waterkering West-Nederland, voor zover deze betrekking heeft op het gebied van het waterschap, kunnen worden ingetrokken, want deze verordeningen worden vervangen voor de nieuwe Waterverordening Zuid-Holland. Artikel 8.2 Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor besluiten, die zijn genomen op basis van de verordeningen die worden ingetrokken. Het gaat hier bijvoorbeeld om het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West- Nederland. Met het tweede lid van dit artikel wordt geregeld dat procedures die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van de verordening onder het 'oude' rechtsregime worden afgehandeld. Artikel 8.3 Citeertitel In dit artikel wordt de titel van de verordeningvastgelegd. Artikel 8.4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2008, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt. Met deze bepaling wordt gewaarborgd dat de nieuwe Waterverordening Zuid-Holland gelijktijdig met de Waterwet in werking. Naar verwachting zal 22 december 2009 de Waterwet in werking treden. Artikel 8.5 Aanbrengen doorlopendenummering: aanpassing aanhalingen Door enkele wijzigingen van de verordening gedurende de besluitvormingsprocedure zijn de artikelen niet meer doorlopend genummerd. Op grond van dit artikel moeten gedeputeerde staten ervoor zorgdragen dat de verordening voor plaatsing in het provinciaal blad een doorlopende nummering krijgt. Door middel van de Invoeringswet Waterwet is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de Waterwet. In verband daarmee zullen de artikelen van de Waterwet hernummerd worden. Ook wat betreft het Waterbesluit en de Waterregeling zal er naar verwachting nog een hernummering van artikelen plaatsvinden. Het is wenselijk dat de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikel van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering in overeenstemming worden gebracht. Dit artikel voorziet er tevens in dat gedeputeerde staten de desbetreffende aanhalingen aanpassen voor plaatsing van de verordening in het Provinciaal blad. Toelichting behorende bij het wijzigingsbesluit Waterverordening Zuid-Holland, Prov. Blad 2014, 1607 Wijziging vanwege Bochtafsnijding Delftse Schie De provincie Zuid-Holland is in een vergevorderd stadium van het project bochtafsnijding Delftse Schie in de gemeente Rotterdam en de gemeente Schiedam. In dit project wordt een nieuw stuk vaarweg aangelegd ten einde twee haakse bochten uit de vaarweg te halen. Onderdeel van de te doorlopen procedures is het aanpassen van de kaart “Regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Hoogheemraadschap van Delfland” in bijlage 1 van de Waterverordening Zuid-Holland. Hiervoor is bij de provincie een verzoek ingediend door het Hoogheemraadschap van Delfland (afgekort: Delfland). De veiligheidsklasse van een regionale waterkering wordt bepaald door de economische schade die optreedt in de polder bij het falen van de waterkering (IPO-methodiek). Bij het vaststellen van de veiligheidsklasse voor de regionale waterkeringen wordt binnen het beheergebied van Delfland sinds invoering van de IPO-methodiek minimaal veiligheidsklasse III (normfrequentie 1/100 jaar) en maximaal veiligheidsklasse V (normfrequentie 1/1000 jaar) aangehouden. De huidige regionale waterkering langs de Oost-Abtspolder is ingedeeld in veiligheidsklasse IV (normfrequentie 1/300 jaar). Door de aanleg van de bochtafsnijding wordt er een nieuwe polder gecreëerd aan de oostzijde van de nieuwe vaarweg (en westzijde van de oude waterweg). Gezien de hoofdfunctie/het grondgebruik van deze nieuwe polder, namelijk agrarisch natuurbeheer, wordt voor de kaden rondom deze nieuwe polder veiligheidsklasse III voorgesteld. Aan de westelijke zijde van de nieuwe vaarweg komt eveneens een nieuwe regionale waterkering. Delfland stelt voor het huidige veiligheidsniveau van de Oost-Abtspolder, waarin onder andere een bedrijventerrein is gelegen, te handhaven en verzoekt de provincie voor deze nieuwe regionale waterkering veiligheidsklasse IV vast te stellen. Met het hiervoor beschreven voorstel van Delfland kan worden ingestemd en de kaart “Regionale waterkeringen en veiligheidsnormering Hoogheemraadschap van Delfland” in bijlage 1 van de Waterverordening Zuid-Holland is conform het verzoek aangepast. Overige wijzigingen Gelijkertijd met de wijziging vanwege de hiervoor beschreven bocht-afsnijding is van de gelegenheid gebruik gemaakt om voornoemde kaart bij de Waterverordening Zuid-Holland ook op een aantal andere punten te wijzigen. Ten behoeve van deze aanvullende wijzigingen is de door Delfland in het voorjaar van 2013 vastgestelde nieuwe Legger Regionale waterkeringen ook in ogenschouw genomen. Dit leidt tot de volgende (administratieve) wijzigingen: - De kering langs de waterberging Hoekpolder: Deze kering, die behalve in de Legger ook al planologisch is vastgelegd, wordt aangewezen en hieraan wordt klasse III toegekend conform de veiligheidsklasse die voor deze polder is berekend. Voor de kering tussen de waterberging en de boezem is in de Waterverordening uit 2009 abusievelijk niet de juiste veiligheidsklasse opgenomen. Deze moet eveneens klasse III zijn en is hierbij ook aangepast. - Een deel van de Boschpolder is opgehoogd (en daarmee op boezempeil gebracht) voor de aanleg van een bedrijventerrein, waardoor een deel van de waterkeringen is komen te vervallen dan wel qua ligging is veranderd. De provincie neemt deze wijzigingen over van de Leggerkaart. De veiligheidsnorm voor deze polder blijft klasse III. - De waterkering langs de Spaanse polder is op papier verlegd. In de praktijk lag de kering echter al dichter langs het water. Ligging is volgens de recent vastgestelde legger overgenomen op de kaart bij de Waterverordening Zuid-Holland. - De tracés van de waterkeringen zijn (indien noodzakelijk) exacter weergegeven. Inspraak Het ontwerpbesluit tot wijziging van de Waterverordening Zuid-Holland heeft van 17 februari 2014 tot en met 31 maart 2014 ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft voor wat betreft één onderdeel geleid tot een wijziging van het ontwerpbesluit, nl. het toevoegen van een overgangsbepaling aan artikel II van het ontwerpbesluit tot wijziging. Hierdoor behoudt het achterland van de bestaande waterkering aan de westkant van de Schie, ter hoogte van de beoogde bochtafsnijding Delftse Schie, zijn huidige beschermingsniveau tot een nader door GS te bepalen moment (samenhangende met de doorgraving van de bestaande regionale waterkering ten behoeve van het doorvaarbaar maken van de bochtafsnijding Delftse Schie). Toelichting behorende bij het wijzigingsbesluit Waterverordening Zuid-Holland, Prov. Blad 2015, 1005 A In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2003 zijn afspraken gemaakt om de kans op wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem aan te pakken op basis van generieke normen voor verschillende vormen van landgebruik. Deze normen bestaan uit een statistisch bepaalde kans dat wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem optreedt. De normen zijn gerelateerd aan de economischewaarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. In artikel 2.3 van de Waterverordening Zuid-Holland zijn de generieke normen uit het NBW overgenomen.Deze normen bakenen de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen danwel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag. De normen in de verordening zijn voor de waterschappen het vertrekpunt bij de voorbereiding vanwaterhuishoudkundige en ruimtelijke maatregelen gericht op het op orde brengen van de regionale watersystemen. Voor een doelmatige en gedragen aanpak doorlopen de waterschappen zogenaamde gebiedsprocessen. Bij de inwerkingtreding van de verordening in december 2009 was het de verwachting dat de waterschappen in staat zouden zijn om tegen redelijke kosten de bij de normen uit de verordening behorende bergings- en afvoercapaciteit te realiseren. Deze aanname is juist gebleken voor het overgrote deel van het grondgebied. De afgelopen jaren is veel geïnvesteerd in de optimalisatie van het boezemsysteem, kreekherstel, de aanleg van waterberging en het vergoten van gemalen. Op dit moment voldoet ongeveer 95 % van het grondgebied aan de in artikel 2.3 opgenomen normen. Om de overige 5 % van het grondgebied op orde te krijgen zijn vaak ingrijpende en/of kostbare maatregelen nodig in een veel groter watersysteemgebied. In een aantal gebieden staan de hoge kosten van de maatregelen niet in verhouding tot de (mogelijke) schade die daarmee wordt voorkomen. Voor deze gebieden is behoefte aan een doelmatigheids-slag. Op grond van een transparante analyse vande kosteneffectiviteit van de te treffen maatregelen in relatie tot de legitimiteit van de publieke investeringen kan een gebied specifieke norm worden bepaald. Zo ontstaat gebiedsgericht maatwerk. Het uitgangspunt verschuift van normgericht naar doelgericht. Deze gebiedsgerichte benadering is vastgelegd in de Wateragenda Zuid-Holland (vastgesteld door PS 27 juni 2012, nr 6495) en recent ook in de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit (vastgesteld door PS 9 juli 2014, nr 6721) bevestigd. De wijzigingen met betrekking tot de normen waterkwantiteit zijn de uitwerking van dit beleid. Gebiedsnormen De gebiedsnorm gezien als maatwerkoplossing in uitzonderlijke situaties. De provincie ambieert daarbij een grotere inzet op het creatief omgaan met wateroverlast zoals alternatieve vormen van water vasthouden en bergen, waarmee ook andere ruimtelijke functies worden gefaciliteerd. Het streven is uiteraard zoveel mogelijk met de generieke beschermings-niveaus te werken. Voor slechts een beperkt aantal zeer specifieke situaties zullen in de toekomst gebiedsgerichte beschermingsniveaus worden vastgesteld. Het gaat om enkele stedelijke gebieden, (glas)tuingebieden en een enkel veenweidegebied. Op dit moment zijn de gebiedsprocessen voor deze gebieden nog niet afgerond. Met de waterschappen is afgesproken dat na afronding van deze gebiedsprocessen een voorstel voor aanpassing van de verordening met betrekking tot de gebiedsnormen aan provinciale staten kan worden aangeboden. De verwachting is dat de eerste gebiedsnormen in 2017 aan Provinciale Staten kunnen worden aangeboden. Er wordt dan een aparte kaart bij de verordening opgenomen met daarop de gebieden waarvoor specifieke gebiedsnormen gaan gelden. Wijziging van de norm voor grasland buiten de bebouwde kom en het maaiveldcriterium Voor gebieden buiten de bebouwde kom met de gebruiksfunctie grasland is in artikel 2.3 tweede lid onder d de generieke norm opgenomen van een gemiddelde overstromingskans van 1/10 jaar. In een aantal graslandgebieden (veenweidegebieden) kan deze norm alleen worden bereikt door ondoelmatige maatregelen tegen kosten die maatschappelijk gezien niet verantwoord zijn. Onderzocht is op welke wijze het meest doelmatig met wateroverlast binnen deze graslandgebieden kan worden omgegaan. Hierbij zijn verschillende belangen afgewogen. Gekeken is naar de uitgangspunten waarop de normering is gebaseerd, te weten de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij over-stroming. Daarnaast hebben ook de maatschappelijke kosten en conflicten met andere provinciale beleidsdoelen zoals “remmen maaivelddaling” een rol gespeeld. Dit resulteert in een aanpassing van de norm voor grasland voor het gebied buiten de bebouwde kom. De eerste aanpassing betreft het nieuwe artikel 2.3 tweede lid onder d, waarin de norm grasland alleen gedurende het groeiseizoen van 1 maart tot 1 oktober van toepassing is. Het treffen van maatregelen om te kunnen voldoen aan de graslandnorm buiten het groeiseizoen is niet doelmatig. De schade door inundaties ligt namelijk een factor tien lager dan de kosten van de fysieke maatregelen om aan de normuit de verordening te voldoen. De tweede aanpassing betreft een verhoging van het maaiveldcriterium voor grasland. Bij de beantwoording van de vraag of een norm voor een bepaald gebied wordt gerealiseerd wordt het gehele gebied getoetst. Het maaiveldcriterium maakt het mogelijk dat inundatie van een bepaald (klein) percentage van het oppervlakte buiten beschouwing kan blijven. Het maaiveldcriterium voor grasland is hierbij verhoogd van 5 % naar 10 %. Reden daarvoor is dat het in algemene zin niet kosteneffectief is om maatregelen te treffen voor de lagere delen van het grasland, zoals langs sloten, indien het overige gebied aan de norm voldoet. In de Waterverordening Zuid-Holland uit 2009 staan de percentages van het peilgebied wat buiten beschouwing kan worden gelaten (maaiveldcriterium) in de toelichting beschreven. Juridisch is het zuiverder om het maaiveldcriterium in de verordening tekst op te nemen. Daarom is in artikel 2.3 een nieuw zesde lid opgenomen. Met de aangepaste norm voor grasland wordt het huidige niveau van de graslandgebieden gehandhaafd. Er treedt dus geen verslechtering op. Dit sluit ook goed aan bij de perceptie van betrokkenen in het gebied, die de bestaande situatie vaak als niet problematisch ervaren. De bereidheid om bijvoorbeeld substantiële arealen land beschikbaar te stellen om deze om te zetten in (open) waterberging om daarmee wateroverlast te beperken is in deze gebieden ook zeer beperkt. Door de wijziging van de norm voor grasland voldoen de meeste veen-weidegebieden aan de generiekenormen in artikel 2.
- Voor slechts een enkel gebied zullen in de toekomst nog specifieke gebiedsnormen moeten worden vastgesteld zoals hierboven beschreven. Uitvoeringsbesluiten: tijdstip op orde Het hanteren van een termijn waarop het watersysteem op orde moet zijn is onlosmakelijk verbonden aan het stellen van normen. Het oorspronkelijke doel van het NBW is dat de regionale watersystemenin 2015 op orde zijn. Er zijn echter enkele uitzonderingssituaties benoemd waarin het watersysteem uiterlijk in 2027 op orde moet zijn. Er is aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid uit het NBW en in een deel van het gebied de aanpak van de wateroverlast te faseren. Redenen zijn: -de opgedane ervaring met de gebiedsprocessen om tot een doelmatig maatregelen pakket te komen en de realisatie daarvan kost meer tijd dan verwacht; -de stilgevallen of veranderende ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld EHS); -om geen ondoelmatige maatregelen te nemen en tariefontwikkeling van de waterschappen tematigen (afgesproken in het NBW). In het nieuwe zevende lid wordt het tijdstip waarop het watersysteem op orde moet zijn vastgelegd op 31 december
- De waterschappen nemen de meerjarenprogrammering van de aanpak van de wateroverlast op in het beheerplan 2016-2021 en het beheerplan 2021-2027 met bij ieder beheerplan een tussentijdse mid term review. Het gaat om een meerjarenprogrammering waarbij ook ruimte wordt gelaten voor bijstelling om bijvoorbeeld synergie te kunnen realiseren. De meest actuele programmering laat per waterschap zien welke gebieden nu al aan de normen voldoen en de prognose voor de periode tot en met
- De voortgang en verantwoording maken onderdeel uit van de jaarlijkse voortgangsrapportages en voortgangsgesprekken. Daarbij zal als uitgangspunt worden gehanteerd dat de te treffen maatregelen zo snel mogelijk worden uitgevoerd, maar dat het beheersgebied in ieder geval eind 2027 volledig op orde is. Aan de hand van deze jaarlijkse voortgangsrapportages en de tussentijdse mid term review wordt provinciale staten iedere drie jaar geïnformeerd over de programmering en de voortgang van de aanpak van de opgave op het gebied van wateroverlast in Zuid-Holland. Schrappen van de leidraad De verplichting in het zesde lid van artikel 2.3 van de verordening dat Gedeputeerde Staten een leidraad vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren is geschrapt. De Stichting toegepast onderzoek waterbeheer (STOWA) heeft een standaard werkwijze ontwikkeld voor de beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren (Stowa richtlijn: Standaard werkwijze voor de toetsing van watersystemen aan de normen voor regionale wateroverlast, nr 2011- 31, dd 30 november 2011). Alle waterschappen werken met deze landelijk ontwikkelde standaard werkwijze van de STOWA. Deze werkwijze biedt voldoende transparantie en kwaliteitsborging. Een leidraad opgesteld door gedeputeerde staten is daarmee overbodig geworden. B Het aanwijzen of intrekken van zwemwaterlocaties in regionale wateren vergt een aanpassing van het regionaal waterplan. In artikel 4.12 derde lid van het Waterbesluit is een tussentijdse wijziging van het regionaal waterplan voor zover het de zwemwaterfunctie betreft bij gedeputeerde staten neergelegd. De voorbereiding van een tussentijdse wijziging is thans niet expliciet vastgelegd. Daarom wordt een vijfde lid aan artikel 3.2 toegevoegd waarin is voorgeschreven dat afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is bij een tussentijdse wijziging. Het vooroverleg met waterschappen, Rijkswaterstaat, gemeenten, minister en de aangrenzende provincies is voor de wijziging van een regionaal waterplan voor de functie zwemwater overbodig. Hierbij is overwogen dat op grond van de Wethygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden het al verplicht is om voor de aanwijzing van de zwemwaterlocaties overleg te voeren met het bevoegde gezag (het waterschap voor het regionaalwater en Rijkswaterstaat voor het rijkswater). C In onderdeel e van het eerste lid van artikel 3.4 is opgenomen dat het waterschap in het beheerplan de resultaten van het onderzoek naar het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem (GGOR) opneemt. Het GGOR is een instrument voor het waterschap om de waterpeilen en de ruimtelijke grondgebruik-functies op elkaar af te stemmen. Het GGOR is een methodiek die door de waterschappen wordt gebruikt bij de voorbereiding van de peilbesluiten. Deze methodiek past niet goed in een beheerplan. Daarom kan onderdeel e worden geschrapt. D Bij een wijziging van de Waterwet (Stb. 2014, 21) is de goedkeuring door gedeputeerde staten van het beheerplan komen te vervallen. In verband hiermee is artikel 3.6 tekstueel aangepast. Gehandhaafd blijft de bepaling in het eerste lid dat het beheerplan wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. In het tweede lid zijn de woorden ‘na de goedkeuring’ gewijzigd in ‘na de vaststelling’ en is de aanduiding van de desbetreffende minister geactualiseerd. E De legger beschrijft de eisen naar ligging, vorm, afmeting en constructie waaraan waterstaatswerken op grond van waterstaatkundige eisen moeten voldoen (normatieve toestand) en heeft als zodanig geen rechtsgevolg. De legger volgt in beginsel de waterstaatkundige besluitvorming en wettelijk eisen. Bij wet van 18 december 2013 (Stb 2014/21) is de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het vaststellen of wijzigen van een legger ingeperkt. Hiertoe is bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht aangepast die op 1 juli 2014 in werking is getreden. Tegen de vaststelling van een legger staat alleen beroep open, voor zover de legger niet wordt voorafgegaan door een besluit, omdat hierbij rechten van derden in het geding kunnen zijn (bijvoorbeeld gebruiksbeperkingen). Tegen de exacte vaststelling van ligging en omvang van een bergingsgebied blijft beroep mogelijk, evenals tegen de vastlegging van de ligging van een beschermingszone, bijvoorbeeld langs een waterkering of watergang, waarin voorschriften en beperkingen kunnen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk. De voorbereidingsprocedure voor het vaststellen of wijziging van de legger is dienovereenkomstig aangepast. Heeft de vaststelling of wijziging van de legger betrekking heeft op de ligging van een bergingsgebied of de ligging van een beschermingszone dan is de openbare voorbereidings-procedurevoorgeschreven. Bij de overige leggerwijzigingen worden geen specifieke voorbereidingseisen meer gesteld. Afhankelijk van de mate van ingrijpendheid van de leggerwijziging is het ter beoordeling van het waterschap om te beoordelen op welke wijze de voorbereiding van het besluit wordt vormgegeven. Daar waar dit meerwaarde heeft kan er voor gekozen worden om de openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Bij beperkte leggerwijzigingen kan gekozen worden voor een eenvoudige voorbereiding, bijvoorbeeld door toezending van het besluit aan belanghebbenden. F en G De verplichting in artikel 4.5 dat peilbesluiten tenminste eenmaal in de tien jaar moeten worden herzien vervalt. De bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om van deze verplichting vrijstelling te verlenen vervalt eveneens. In artikel 4.2 is een nieuw lid ingevoegd waarin wordt voorgeschreven dat het waterschap moet zorgen voor een ‘actueel’ peilbesluit. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. De waterbeheerder is verantwoordelijkheid voor een voor alle functies en belangen zo optimaal mogelijk peilbeheer. Aan de hand van een integrale en transparante afweging tussen de functies en alle bij de waterhuishouding betrokken belangen wordt de optimale waterstand door de waterbeheerder vastgelegd in het peilbesluit. Bij veranderende omstandigheden, waardoor gewijzigde eisen aan het waterbeheer worden gesteld, beoordeelt de beheerder of er aanleiding is om het peilbesluit te herzien. Herziening van het peilbesluit is dus niet meer gebonden aan de termijn van tien jaar, maar aan de actualiteit. Is het peilbesluit niet meer actueel dan dient het peilbesluit te worden herzien. Dit kan dus zowel korter dan langer zijn dan tien jaar. Redenen voor herziening van het peilbesluit kunnen zijn: -een structurele wijziging in de grondgebruiksfunctie of een functiewijziging in een gemeentelijk bestemmingsplan of provinciale structuurvisie; -autonome verandering van maaiveldhoogte in met name daling gevoelige veenbodem; -een verandering in de belangenafweging, mede op verzoek van ingelanden; -veranderingen in het (technisch) beheer met gevolgen voor het watersysteem. De provincie wil conform de Wateragenda Zuid-Holland (vastgesteld door PS 27 juni 2012, nr 6495) en de Visie Ruimte en Mobiliteit (vastgesteld door PS 6 juli 2014, nr 6721 ) vooral op doelen sturen (het“wat”) en minder op werkwijzen (het “hoe”). Volgens deze sturingsfilosofie is het aan het waterschap om te zorgen voor een ‘actueel’ peilbesluit. De beheerder toetst periodiek (ambtelijk) of het peilbesluit nog actueel is. De provincie ziet toe op de actualiteit van de peilbesluiten via de jaarlijkse voortgangs-rapportages en voortgangsgesprekken. Over de provinciale rol en betrokkenheid bij peilbesluiten zijn in het kader van de Wateragenda Zuid-Holland nadere procesafspraken gemaakt. Dit betreft situaties waarin waterschap en provincie elkaar nodig hebben en onderwerpen waarin ook de provincie een keuze moet maken vanuit haar eigen provinciale belangen. Dit speelt vooral bij veenbodemdaling, natuur en archeologie. H en I In artikel 5.2 is een definitiebepaling opgenomen voor grondwater-onttrekkingen en infiltraties. Volgens deze definitiebepaling worden meerdere onttrekkingen of infiltraties die een samenhangend geheel vormen als één onttrekking gezien. Daarmee vallen deze onttrekkingen onder de vergunningsplicht en kunnen ze niet met een melding worden afgedaan. In het tweede lid van artikel 5.5 is de instructie-bepaling opgenomen dat de waterschappen de definitiebepaling uit artikel 5.2 opnemen in de Keur. Alle onttrekkingen en infiltraties waarvoor de provincie bevoegd gezag is, vallen onder de vergunningsplicht. Daarom is voor deze onttrekkingen en infiltraties de definitiebepaling niet nodig. Voor de onttrekkingen en infiltraties waarvoor het waterschap bevoegd gezag is, is het aan het waterschap om het eenen ander goed vast te leggen in de Keur. Het bepalen van het “hoe” past niet bij de huidige sturingsfilosofie van de provincie. Daarom wordt de instructiebepaling geschrapt uit de verordening. J In de artikelen 6.1, 6.2 en 6.3 zijn procedureregels opgenomen voor verzoeken tot onderzoek naar schade die is veroorzaakt door een onttrekking van grondwater of infiltratie krachtens een watervergunning. In 2010 hebben alle provincies gezamenlijk één commissie ingesteld, “de adviescommissie schade grondwater”. In het instellingsbesluit van deze commissie zijn procedureregels opgenomen voor de schadeverzoeken. Hierdoor zijn de procedureregels in de Waterverordening Zuid-Holland overbodig en kan hoofdstuk 6 vervallen. K Artikel 8.5 voorzag er in dat gedeputeerde staten voor plaatsing in het provinciaal blad een doorlopende nummering konden aanbrengen. Inmiddels is de verordening in het provinciaal blad (2009, nummer 79) gepubliceerd. Artikel 8.5 is hiermee achterhaald en kan vervallen. Toelichting behorende bij het wijzigingsbesluit Waterverordening Zuid-Holland, Prov. Blad 2016, 4093 Dit wijzigingsbesluit heeft betrekking op de aanpassing van de kaarten met de regionale waterkeringen voor het Hoogheemraadschap van Delfland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. In dit besluit worden vier droge dijken met een compartimenterende functie, toegevoegd aan de kaart met de regionale keringen. Op de kaart met regionale waterkeringen voor het Hoogheemraadschap Van Delfland worden twee waterkeringen toegevoegd. • De compartimenterende waterkering in Schiedam-centrum; • De compartimenterende waterkering in Rotterdam-Delfshaven. Op de kaart met regionale waterkeringen voor het Hoogheemraadschap Van Schieland en de Krimpenerwaard worden twee waterkeringen toegevoegd. • De compartimenterende waterkering in Rotterdam centrum en Kralingen; • De compartimenterende waterkering in Capelle-West en ‘s- Gravenland. Wettelijk kader en taakstelling provincie Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet zijn Provinciale Staten bevoegd om bij provinciale verordening regionale waterkeringen (niet-primaire keringen) aan te wijzen en van een veiligheidsnorm te voorzien. In artikel 2.2 van de Waterverordening Zuid-Holland is hierin voorzien. Provinciale Staten hebben in het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 aangegeven dat moet worden onderzocht of compartimenterings-keringen (droge dijken) moeten worden opgenomen in de Waterverordening Zuid-Holland. Om aan deze taakstelling te voldoen is in een technische studie nut en noodzaak van het opnemen van deze waterkeringen in de Waterverordening Zuid-Holland onderzocht. In een waterstaatkundige analyse is een afweging gemaakt tussen de kosten van het instandhouden van een kering en de baten (het aantal slachtoffers, getroffenen en de economische schade bij een overstroming). Hiervoor zijn overstromingsrisicomodellen gebruikt. Het onderzoek was onderdeel van de ontwikkeling van een nieuwe normeringssystematiek voor de primaire keringen in het Deltaprogramma Waterveiligheid. Conclusies onderzoek In de technische studie zijn droge dijken met een compartimenterende functie onderzocht. De hierboven genoemde vier waterkeringen leveren een belangrijke bijdrage aan het beperken van de gevolgschade en hersteltijd bij een doorbraak van de primaire kering. Wanneer de primaire kering bezwijkt zorgt de compartimenterende kering er voor dat het overstroomde gebied in omvang beperkt blijft. Hierdoor blijven het aantal getroffen inwoners en de potentiële schade beperkt. Als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Zuid-Holland is het nuttig om deze keringen op te nemen in de Water-verordening Zuid-Holland. Uit het onderzoek blijkt dat delen van de Maasdijk (gelegen in de gemeenten Westland, Maassluis en Vlaardingen) en de waterkering Rotterdam-Den Esch (gelegen in Rotterdam en Capelle) geen significante invloed hebben op de waterveiligheid. De kosten die nodig zijn om de keringen in stand te houden wegen niet op tegen de baten. Het is daarom niet doelmatig om deze keringen op te nemen in de Waterverordening Zuid-Holland. Veiligheidsnorm De veiligheidsnormen die in de Waterverordening Zuid-Holland zijn opgenomen zijn gebaseerd op de economische schade die optreedt bij een overstroming. Voor de nieuw op te nemen waterkeringen wordt hiervan afgeweken. Voor deze waterkeringen wordt vastgelegd dat het (theoretisch) profiel zoals dit in de legger van de waterschappen is opgenomen moet worden gehandhaafd. Voor deze waterkeringen wordt dus geen getalsmatige norm opgenomen maar een behoudsnorm. Het huidig beheer en onderhoud dient te worden voortgezet waarbij het profiel van de keringen niet mag worden aangetast. Voor de aanwonenden aan de keringen zal het afwegingskader voor de waterschapsvergunningen niet veranderen. De belangrijkste overweging is hierbij dat in het kader van het Deltaprogramma nieuwe richtlijnen voor de toetsing worden ontwikkeld. Naar verwachting zijn deze richtlijnen medio 2020 beschikbaar. Zodra deze nieuwe richtlijnen beschikbaar zijn, wordt in overleg met het waterschap, bekeken of in plaats van het leggerprofiel een normgetal wordt aangehouden. Bijlage 3: Behorende bij artikel 2.3, zesde lid, van de Waterverordening Zuid-Holland