Beleidsregel handhaving permanente bewoning recreatiewoningen gemeente Het Hogeland Beleidsregel handhaving permanente bewoning recreatiewoningen gemeente Het Hogeland Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland heeft op 3 september 2024 besloten de beleidsregel handhaving permanente bewoning recreatiewoningen gemeente Het Hogeland vast te stellen. Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie. Beleidsregel permanente bewoning recreatiewoningen Gemeente Het Hogeland 1.1Aanleiding De laatste jaren wordt steeds vaker geconstateerd dat recreatiewoningen en/of -verblijven, met name op recreatieparken, permanent worden bewoond. Op 14 december 2004 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente de Marne de beleidsnotitie onrechtmatige bewoning recreatiewoningen gemeente de Marne vastgesteld. De wens bestaat om de aanpak van permanente bewoning te actualiseren. In dit geactualiseerde beleid wordt duidelijkheid gegeven over handhaving op het permanent bewonen van recreatiewoningen en/of -verblijven. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Vakantiepark: Een terrein met een verblijfsrecreatie bestemming bestaande uit 2 of meer recreatiewoningen, of een cluster van 2 of meer recreatiewoningen. Overbruggingshuisvesting: Onder voorwaarden kan tijdelijke toestemming worden gegeven om een recreatiewoning te gebruiken als woning bij een korte overbrugging (maximaal 6 maanden). Deze overbruggingshuisvesting kan onder meer gebruikt worden bij calamiteiten zoals een ingrijpende verbouwing van een woning, een woning in aanbouw, een overbrugging bij een verhuizing, bij een woningbrand, etc. Aanvrager: De persoon die een persoonsgebonden beschikking of een (persoonsgebonden)omgevingsvergunning aanvraagt. Begunstigingstermijn: De termijn die een overtreder krijgt om aan de lasten te voldoen en te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd. Omgevingsplan: Het omgevingsplan bevat algemene regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. Zo bepaalt het omgevingsplan onder andere hoe de grond op een bepaalde locatie gebruikt mag worden en wat op de grond gebouwd mag worden. Gedoogbeschikking: Een gedoogbeschikking houdt in dat er onder bepaalde voorwaarden tijdelijk in strijd met de wet- en regelgeving gehandeld mag worden. Uit rechtspraak blijkt dat door het orgaan dat een gedoogbeschikking afgeeft gedurende een langere periode, onder voorwaarden, wordt afgezien van het gebruik maken van de bevoegdheid om bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen in te zetten. Handhavingsbesluit: Het besluit waarin het college van burgemeester en wethouders eist dat de overtreder stopt met het illegaal permanent bewonen van de recreatiewoning. Hoofdbewoner: Hiermee wordt de persoon aan wie de beschikking is verleend bedoelt. Ook wel: vergunninghouder. Medebewoner: Hiermee wordt de persoon bedoeld waaraan de beschikking niet is gericht, dan wel die na verlening van de beschikking in het recreatieverblijf van de hoofdbewoner is getrokken, niet zijnde de hoofdbewoner. Hoofdverblijf: De plaats die fungeert als het centrum van de levensplaats. De centrale levensplaats wordt bepaald aan hand van het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de overtreder bevindt. Dit wordt bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer gekeken kan worden naar de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene. Last onder dwangsom: De last onder dwangsom zoals bedoeld in artikel 5:32 lid 1 Awb. Een dwangsom is een bedrag dat iemand moet betalen als hij niet voldoet aan een verplichting die hem door een bestuursorgaan is opgelegd. Last onder bestuursdwang: Bestuursdwang is een herstelsanctie die gericht is op het herstellen van de oude situatie. De last onder bestuursdwang wordt vaak opgelegd bij een eenmalige overtreding. Omgevingsvergunning: Een omgevingsvergunning is de officiële toestemming van een overheidsorganisatie om bepaalde activiteiten te kunnen mogen verrichten. Overtreder: De persoon die de recreatiewoning illegaal permanent bewoont of laat bewonen, welke onderscheiden kan worden in de volgende vormen: Personen die zich hebben ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en zonder beschikking of ontheffing woonachtig zijn in een recreatiewoning; en Personen die een weigering, beschikking of ontheffing hebben ontvangen; Personen die de recreatiewoning laten gebruiken door een ander, zonder dat deze personen zich tot op zekere hoogte informeren over het gebruik, waardoor zij niet aannemelijk kunnen maken dat zij wisten noch konden weten dat de recreatiewoning daarmee illegaal wordt bewoond. Hieronder vallen zowel de verhuurder van de recreatiewoning als de eigenaar van de woning en/of het recreatiepark; Personen die niet zelf feitelijk de overtreding begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen. Recreatiewoning: Onder recreatiewoning wordt in deze beleidsregel verstaan een permanent ter plaatse aanwezig gebouw of een gedeelte van een gebouw, bedoeld om ter plaatse te functioneren, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, te gebruiken. Ook als recreatiewoning wordt aangemerkt de woning die gebruikt wordt als nachtrecreatie. Maar ook de woning die gebruikt wordt anders dan als woning, bijvoorbeeld als bedrijfsruimte. Recreatiewoningen zijn bedoeld om mensen de gelegenheid te geven te recreëren, te ontspannen en van de natuur, landschap en de rust te kunnen genieten, zonder dat sprake is van een permanent verblijf. Permanente bewoning: Bij permanente bewoning van recreatiewoningen gaat het om de strijdigheid van het gebruik met het geldende Omgevingsplan. Kenmerkend voor ‘wonen’ is het hebben van een feitelijk hoofdverblijf op de plaats. Persoonsgebonden gedoogbeschikking: Een beslissing ten aanzien van een geconstateerde illegale permanente bewoning van een recreatiewoning waarbij afgezien wordt van handhaving. Deze beslissing betreft een schriftelijke beslissing, niet zijnde een besluit in de zin van de Awb. Persoonsgebonden omgevingsvergunning: Een besluit ten aanzien van een vergunningsaanvraag om de permanente bewoning van een recreatiewoning toe te staan en daarmee niet langer strijdigheid bestaat met het Omgevingsplan. Dit betreft een besluit in de zin van de Awb. 1.3Nadere duiding hoofdverblijf Naast dat de centrale levensplaats fungeert als hoofdverblijf, kan ook de feitelijke woonsituatie doorslaggevend zijn voor de aanwijzing van het hoofdverblijf. Deze feitelijke woonsituatie kan aan de hand van de aanwezigheid van persoonlijke spullen van de overtreder aangewezen worden. Spullen die als persoonlijk aangemerkt kunnen worden zijn onder meer: kleding en verzorgingspullen. Verder zijn ook studieboeken of een administratie doorslaggevend. Aanwijzingen dat het hoofdverblijf zich bevindt in de recreatiewoning zijn verder de werkelijke woonplek van de overtreder met zijn gezin, daar waar de overtreder diens zetel van fortuin heeft, daar waar de eigendommen en goederen beheert worden. Verder is van belang of de overtreder, nadat die met een bepaald doel en voor bepaalde tijd van deze plek vertrokken is, het plan heeft om als dat doel bereikt is, terug te keren naar de recreatiewoning. Bij het gebruik van de recreatiewoning gaat het niet om de duur van het strijdige gebruik (permanent of tijdelijk), maar om de strijdigheid met de geldende Omgevingsplanvoorschriften. Degenen die in een recreatiewoning verblijven, moeten daarom elders (buiten de recreatiewoning) over een hoofdverblijf beschikken. Er moet sprake zijn van een geheel van omstandigheden dat als wonen moet worden beschouwd (bijvoorbeeld nachtrust, maaltijden, ontvangen van post, ontvangen van bezoek etc.). Als iemand beschikt over meerdere adressen of geen adres heeft, is het aantal overnachtingen doorslaggevend. Het mag niet gaan om een zogenaamd postadres of ‘papieren’ adres, maar het moet gaan om een feitelijke thuishaven. Het draait bij de vraag waar het hoofdverblijf zich bevindt om of het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit de woning afspeelt, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen dienen te worden. De voorgaande opsomming van omstandigheden die kunnen wijzen op een hoofdverblijf zijn niet-limitatief. 1.4Problematiek Binnen onze gemeente is er sprake van permanente bewoning van recreatiewoningen. In het verleden traden gemeenten niet altijd (adequaat) handhavend op tegen illegale permanente bewoning. Dit leidde ertoe dat er informele gedoogsituaties ontstonden, waarbij bewoners soms jarenlang illegaal permanent in een recreatiewoning verbleven. Wanneer gemeenten op een later moment alsnog tot handhaving overgingen verliep dit regelmatig moeizaam en had dit vaak ingrijpende gevolgen voor de betreffende bewoner(s). Daarom riep de toenmalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) gemeenten in een beleidsbrief van 11 november 2003 op om duidelijkheid te creëren en een keuze te maken voor legaliseren, handhaven of gedogen. Dat was het startsein voor veel gemeenten om voor permanente bewoning van recreatiewoningen specifiek handhavingsbeleid op te stellen, met daarbij de mogelijkheid tot het afgeven van een persoonsgebonden gedoogbeschikking. De minister stelde hierbij voor om uitsluitend bewoners voor een gedoogbeschikking in aanmerking te laten komen die hun recreatiewoning op de datum van 31 oktober 2003 onafgebroken permanent bewonen: de zogenoemde ‘peildatum’. Voor alle situaties van onrechtmatige bewoning die ná 31 oktober 2003 ontstaan, zou de gemeente volgens de minister dan over moeten gaan tot actief handhavend optreden. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de peildatum van 31 oktober 2003 vervallen. 1.5Doel en uitgangspunten In deze beleidsregels wordt vastgelegd hoe het college van burgemeester en wethouders omgaat met permanente bewoning van recreatiewoningen. Het in strijd met het Omgevingsplan permanent bewonen van een recreatiewoning is ook strijdig met het provinciale beleid en het rijksbeleid, zowel op het gebied van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting als op het gebied van recreatie en toerisme. De ruimte voor recreëren is in de gemeente Het Hogeland beperkt. In visie Toerisme en Recreatie van de gemeente Het Hogeland komt naar voren dat het belang van recreatie als speerpunt is aangemerkt wat als gevolg heeft dat zuinig moet worden omgegaan met de beschikbare ruimte voor recreatie. Permanente bewoning hoort niet thuis op de (schaarse) voor recreatie bestemde gronden. Bovendien wordt door permanente bewoning ook de kwaliteit van het recreatieve product aangetast. Gezien de vele negatieve effecten op ruimtelijk, economisch en sociaal niveau wordt permanente bewoning van recreatiewoningen als onwenselijk bestempeld. Het uitgangspunt is dan ook dat permanente bewoning van recreatiewoningen niet is toegestaan. 2.Legalisatiemogelijkheden 2.1Legalisatie Permanente bewoning van recreatiewoningen kan in bepaalde omstandigheden worden gelegaliseerd dan wel worden toegestaan. De mogelijkheden die hiervoor bestaan zijn: Een persoonsgebonden gedoogbeschikking; Een omgevingsvergunning (artikelen 4:81 Awb (ongewijzigd), 5.1 Omgevingswet (hierna: Ow), 5.18 jo. 5.21 jo. 8.0a Ow. Er geldt geen verplichting voor burgemeester en wethouders om een omgevingsvergunning of persoonsgebonden gedoogbeschikking te verlenen. De omgevingsvergunning wordt getoetst aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de vraag of het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zich tegen vergunningverlening verzet, komt aan burgemeester en wethouders een ruime mate van beleidsruimte toe. Dit geldt ook bij het verlenen van een persoonsgebonden gedoogbeschikking, hierbij wordt rekening gehouden met de uitgangspunten zoals genoemd in dit beleid. Ook wordt de (aanvraag om een) omgevingsvergunning getoetst aan de Provinciale Omgevingsverordening Groningen (POV). Op basis van de huidige verordening van de Provincie wordt permanente bewoning van recreatiewoningen niet toegestaan. In het algemeen geldt dat burgemeester en wethouders het onwenselijk vinden dat recreatiewoningen permanent bewoond worden. Permanente bewoning van een recreatiewoning is niet toegestaan. 2.2Persoonsgebonden beschikking Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de peildatum van 31 oktober 2003 te vervallen. De gemeente brengt de permanente bewoning van recreatiewoningen onder een uitsterfregeling. De gemeente heeft het uitgangspunt om onrechtmatige permanente bewoning van recreatieparken te stoppen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een gedoogbeschikking. Dit geldt dus als uitzondering op de regel. Er kan medewerking worden verleend aan een aanvraag voor het gebruiken van een recreatiewoning voor permanente bewoning op basis van een persoonsgebonden gedoogbeschikking. Een persoonsgebonden gedoogbeschikking is geen besluit, maar een uitstel van het gebruik van de handhavingsbevoegdheid. Met de verlening van een persoonsgebonden beschikking ziet het college ter zake van de geconstateerde overtreding (tijdelijk) af van handhaving. 2.2Uitsterfregeling Gezien de onduidelijkheden van de afgelopen jaren over het beleid en de handhaving op permanente bewoning binnen onze gemeente, de huidige woningnood en de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de gemeente ervoor gekozen om met de vaststelling van dit nieuwe beleid, aan personen die permanent woonachtig op vakantiepark Robbenoort zijn in de periode november 2003 tot en met 3 september 2024 (vaststelling beleid college van B&W) een persoonsgebonden gedoogbeschikking toe te kennen. Dit onder de voorwaarden dat er sprake is van onafgebroken bewoning, er geen tweede woning in het bezit is dan wel gehuurd wordt, er sprake is van een geldige inschrijving in de BRP en de woning voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. De beschikking geldt enkel voor de recreatiewoning waar men op dat moment staat ingeschreven, is persoonsgebonden en komt te vervallen bij verhuizing of overlijden. Voor personen die zijn ingeschreven op of na datum vaststelling beleid door het college van B&W geldt dat handhavend wordt opgetreden. Op deze manier probeert de gemeente toekomstige onrechtmatige permanente bewoning te voorkomen, zodat recreatiewoningen in de toekomst enkel recreatief worden gebruikt (uitsterfregeling). De gedoogbeschikking treedt in werking op de dag na verzending van de beschikking aan de aanvrager. 2.3Intrekking van de gedoogbeschikking Het college van burgemeester en wethouders kan overgaan tot de beslissing om de persoonsgebonden gedoogbeschikking in te trekken, als: een of meerdere voorwaarden door de houder van de gedoogbeschikking niet wordt nageleefd; de ter legalisering ingediende aanvraag om een vergunning is ingetrokken; op verzoek van de gedooghouder; na een belangenafweging tussen het algemeen belang en de private belangen van de burger of het bedrijf, op basis van onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Als en voor zover zich een situatie voordoet waar de houder van een gedoogbeschikking in strijd handelt met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, dan zal het college de houder van de gedoogbeschikking hiervan op de hoogte stellen en een termijn verlenen om deze strijdigheid te stoppen. Indien na het verstrijken van deze termijn de strijdigheden zich nog voordoen, dan kan het college beslissen de gedoogbeschikking in te trekken. 2.4Vervallen van de gedoogbeschikking Een gedoogbeschikking vervalt: Op het moment dat de overtreding door het verlenen van een vergunning is gelegaliseerd, in die zin dat de vergunning voorziet in de situatie waarvoor de gedoogbeschikking is verleend en voor zover de gedoogbeschikking met de vergunning in strijd is; Wanneer sprake is van een gedoogtermijn, op het moment dat de gedoogtermijn, zoals gesteld in de gedoogbeschikking, is verstreken. 2.5Bezwaar en beroep Tegen de beslissing die genomen wordt ten aanzien van het al dan niet afgeven van een persoonsgebonden gedoogbeschikking, zowel op aanvraag als niet op aanvraag, staat geen bezwaar en beroep open. Deze beslissing kan niet aangemerkt worden als besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Als een aanvraag tot een persoonsgebonden gedoogbeschikking wordt afgewezen of wordt ingetrokken, kan hiertegen geen bezwaar en beroep ingesteld worden. Tegen deze beleidsregel staat ook geen bezwaar open op grond van 7:1 lid 1 jo. 8:3 lid 1 Awb. 3.Handhaving 3.1Beëindiging van permanente bewoning en de handhaving daarvan Prioriteitstelling is toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Uit de rechtspraak blijkt dat het college prioriteiten mag stellen in het kader van doelmatige handhaving. Volgens rechtspraak mag een handhavingsbeleid er niet toe strekken dat tegen een overtreding met een lage prioriteit niet wordt opgetreden. Echter houdt dit niet in dat er geen prioriteit gesteld mag worden bij handhaving. Prioriteitstelling is toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak. Hierdoor kan de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van de voorschriften worden bepaald. Wij hebben ervoor gekozen om informatie gestuurd te handhaven. De handhavers/boa’s reageren daarbij op klachten en handhavingsverzoeken. Daarbij wordt tevens een afweging gemaakt voor wat betreft de inzet van de handhavers/boa’s in relatie tot andere prioriteiten. Periodiek wordt informatie opgevraagd en waar nodig wordt nader onderzoek verricht. 3.2Differentiatie In het geval burgemeester en wethouders besluiten tot beëindiging van de illegale permanente bewoning van de recreatiewoning, moet de overtreder de recreatiewoning verlaten. Met dit handhavingsbesluit dat genomen wordt, wordt een last onder dwangsom opgelegd, waarbij de overtreder een begunstigingstermijn krijgt om de illegale bewoning te beëindigen. De begunstigingstermijn die gehanteerd wordt moet een redelijke termijn zijn, om overtreder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.