← Nederland

Beleidsregels maatsschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2017 (Wassenaar)

Beleidsregels maatsschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2017Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar; overwegende dat het de bevoegdheid heeft om regels te stellen omtrent de te verstrekken maatwerkvoorzieningen, het persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming meerkosten, in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015); gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; besluit: Vast te stellen de navolgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar 2017. Hoofdstuk1Algemene uitgangspunten Juridische status Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4.81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Geen algemeen verbindend voorschrift Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het dan om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of de toepassing van de bepalingen in de verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het College vastgesteld beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar hebben als doel om tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn eigen verantwoordelijkheid voor zover mogelijk, uitgaan van te bereiken resultaten en het leveren van maatwerk. In artikel 1 van de Verordening wordt een aantal begripsbepalingen opgesomd. Het spreekt voor zich dat deze begrippen eveneens van toepassing zijn op deze beleidsregels. Ook de bijlagen maken integraal onderdeel uit van de beleidsregels. 1.1Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente De Wmo 2015 draagt gemeenten onder meer op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 van de wet) wordt verstaan: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang. Onder voorzieningen worden algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen verstaan (art. 1.1.1 lid 1 van de wet). De regels over kwaliteit en continuïteit zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van de wet. Afgestemd op eisen De Wmo 2015 gaat uit van maatwerk; daarbij is de aanname dat de kwaliteit van de ondersteuning aan een cliënt wordt bevorderd als die zo goed als mogelijk wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. De Wmo 2015 vormt het kader dat waarborgt dat de inhoud en de kwaliteit van ondersteuning is afgestemd op de eisen die daaraan in de individuele situatie mogen worden gesteld. Daarbij biedt de Wmo 2015 een basisnorm voor kwaliteit als uitgangspunt voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid en voor aanbieders van voorzieningen. Deze basisnorm vereist dat een voorziening in ieder geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt; wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. Op landelijk niveau zullen gemeenten in overleg met organisaties van cliënten, aanbieders en zorgverzekeraars bezien voor welke cliënttypen en voorzieningen landelijke kwaliteitsstandaarden een bijdrage kunnen leveren aan een goede uitvoering van de wet. Het begrip ‘zeer kwetsbaar’ Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is bedoeld voor kwetsbare burgers die onvoldoende hulpbronnen hebben om op eigen kracht bepaalde moeilijkheden en tegenslagen te overwinnen en om hun leven op de door hen gewenste manier vorm te geven (uit het advies van de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling: Kwetsbaar in kwadraat). Burgers kunnen worden ingedeeld in de groep zeer kwetsbaar als er sprake is van samenhang in of risico’s op de volgende aspecten: Een beperkte sociale steunstructuur (weinig betekenisvolle sociale relaties). Weinig veerkracht (de draaglast is groter dan de draagkracht). Gering vermogen tot eigen regie voeren (in beperkte mate eigen wensen en behoeften duidelijk kunnen maken). Deze definitie betekent dat de mate van kwetsbaarheid sterk afhangt van de persoonlijke omstandigheden van een cliënt en zijn huishouden. Het legt daardoor de nadruk op een individuele beoordeling. Het bepalen of een cliënt in de categorie ‘zeer kwetsbaar’ valt komt aan de orde bij het gesprek na melding hulpvraag en wordt verder onderzocht bij de beoordeling van de aanvraag. 1.2Wat wordt van burgers verwacht Sinds 2007 is met behulp van programma’s als De Kanteling en Welzijn Nieuwe Stijl te zien hoe de eigen kracht en regie van mensen kan worden versterkt en de afhankelijkheid van voorzieningen kan worden verminderd. De gedachte om bij het bieden van ondersteuning eerst te kijken naar wat iemand nog wel kan of zelf kan organiseren binnen zijn sociale netwerk om daarmee zijn zelfredzaamheid en participatie te vergroten, wordt meer gemeengoed en kan rekenen op een breder draagvlak in de samenleving. De vanzelfsprekendheid dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan de samenleving, is in de Wmo 2015 expliciet verankerd. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Een beroep doen op de sociale omgeving Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burger behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden - zijn eigen sociale netwerk - alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Uitgangspunt is dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor de cliënt kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Niemand wordt uitgezonderd Hiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele cliënt wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Een ieder kan zich melden met een ondersteuningsvraag. In het onderzoek dat het College na de melding uitvoert, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. Het College beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 1.3Zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zolang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie. Dat kan door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en door elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Deze regierol van mensen is in de Wmo 2015 onder meer verankerd door de eigen kracht van mensen en hun sociale netwerk een centrale plek te geven in het onderzoek naar de persoonlijke situatie van de cliënt en zijn mantelzorger en door het recht om onder voorwaarden te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). 1.4De gemeenten zijn verantwoordelijk tot het moment dat er een indicatie is afgegeven voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en de zorg is gestart. Iemand krijgt een indicatie op grond van de Wlz op het moment dat langs de weg van zorginhoudelijke criteria is vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Met andere woorden: de zorgintensiteit is zodanig, dat het wonen in de eigen leefomgeving niet meer veilig en verantwoord is zonder 24-uurs zorg. De zorgplicht binnen de Wlz is belegd bij de, aan de zorgverzekeraars gelieerde, zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Indien cliënten toegang (kunnen) hebben tot de Wlz, dan kunnen zij geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 ontvangen noch verpleging en verzorging vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 bepaalt dat het College een maatwerkvoorziening kan weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. Thuis blijven wonen met indicatie Wlz Als een cliënt een Wlz- indicatie heeft maar niet binnen een instelling wil wonen, kan deze ervoor kiezen de indicatie in te zetten in de thuissituatie. Als de cliënt de zorg thuis wil ontvangen kan hij kiezen uit de volgende leveringsvormen: Volledig pakket thuis (vpt) Modulair pakket thuis (mpt) Persoonsgebonden budget (pgb) Een combinatie van mpt en pgb is ook mogelijk. Bij vpt en mpt moet de zorg naar het oordeel van het zorgkantoor verantwoord en doelmatig zijn. Uiteindelijk beslist het zorgkantoor of de door de clIënt gewenste leveringsvorm haalbaar is. In de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) Bij pgb moet de cliënt in staat zijn om veel zelf te regelen, zoals het opstellen van een budgetplan, het afsluiten van zorgovereenkomsten met de zorgverleners en verantwoording afleggen over de besteding van het pgb. Het is ook mogelijk dat een wettelijk vertegenwoordiger of iemand anders uit het sociale netwerk deze taak op zich neemt. In de vorm van een volledig pakket thuis (vpt). Bij een volledig pakket thuis blijft de cliënt in de eigen woning, maar betrekt de zorg van een instelling in de buurt. Het voornaamste verschil met een reguliere opname met een Zorg Zwaarte Pakket (ZZP) is dat de cliënt verantwoordelijk is voor de huisvestingskosten en de maaltijdvoorziening. Bij een 'volledig pakket thuis' kiest de cliënt voor één zorginstelling die de zorg uit het zorgzwaartepakket bij de cliënt thuis levert. In de vorm van een modulair pakket thuis (mpt). Cliënten met een Wlz-indicatie kunnen er ook voor kiezen om slechts delen (modules) van het pakket aan zorg in natura thuis geleverd te krijgen. Het andere deel kunnen zij dan bijvoorbeeld door middel van een Pgb laten uitvoeren. Dit wordt het ‘modulair pakket thuis’ (mpt) genoemd. Op basis van de tot het geïndiceerde zorgprofiel behorende vormen van zorg spreekt de cliënt (of zijn vertegenwoordiger) met het zorgkantoor af welke zorg hij in welke omvang in natura thuis wil ontvangen. Het mpt kan dus, anders dan een vpt, worden gecombineerd met een persoonsgebonden budget. Verder kan de ene module (functie) ingekocht worden bij de ene zorgaanbieder, en de andere module bij een andere zorgaanbieder. Ook dit kan met het vpt niet. Hulpmiddelen en woningaanpassingen voor thuiswonende Wlz-gerechtigden De Wlz-uitvoerders worden vooralsnog vrijgesteld van de taak om aan thuiswonende Wlzgerechtigden hulpmiddelen en vergoedingen voor woningaanpassingen te verstrekken. Omdat bij pgb, vpt en bij mpt geen sprake is van behandeling én verblijf in de instelling, zijn de geneeskundige zorg van algemene aard, psychiatrische zorg, farmaceutische zorg, hulpmiddelen, tandheelkundige zorg en specifieke kleding bij vpt geen Wlz-zorg. De clIënt is voor die vormen van zorg aangewezen op de Zvw (zijn zorgpolis). Een cliënt die thuis woont met een Wlz-indicatie voorziet in principe zelf in recreatieve en sociaal-culturele activiteiten (anders dan dagbesteding Wlz). Als een cliënt daarin niet zelf kan voorzien, kan hij een beroep doen op algemene voorzieningen uit de Wmo. Het vervoer naar recreatieve of sociale activiteiten behoort tot het sociaal vervoer (Wmo). Roerende voorzieningen, mobiliteitshulpmiddelen en woningaanpassingen zijn geen onderdeel van vpt en van het mpt. Cliënten kunnen hiervoor een beroep doen op de Wmo. Ook pgb-budgethouders met een Wlz-indicatie kunnen voor roerende voorzieningen, mobiliteitshulpmiddelen en woningaanpassingen een beroep doen op de Wmo. 1.5Mantelzorgondersteuning De maatwerkvoorziening heeft als doel om de cliënt zelf adequaat te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Daar hoort bij wat de cliënt nodig heeft op de momenten dat de mantelzorger even niet wil of kan. Respijtzorg is de ondersteuning die aan de cliënt wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is de cliënt te ondersteunen. Dit moet worden onderscheiden van: de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning kan bestaan uit mantelzorg-ondersteuning of uit het ontlasten van de mantelzorger door respijtzorg middels kortdurend verblijf voor de cliënt. Het College kan bijvoorbeeld ook maatschappelijke ondersteuning (op naam van de cliënt) bieden aan de mantelzorger die er op is gericht te leren omgaan met de beperkingen van de cliënt. 1.5.1Mantelzorgwoningen Initiatieven als mantelzorgwoningen verdienen aandacht en waar mogelijk dienen belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Door wijziging van het ‘Besluit omgevingsrecht’(Bor) zijn de mogelijkheden voor het creëren van mantelzorgwoningen verruimd en de regeling voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. (Bor, Stb.2014, nr. 333) 1.6Ontwikkeling beleidsregels Deze beleidsregels zijn met de grootste zorgvuldigheid opgesteld waarbij maximaal rekening is gehouden met de huidige kennis. De ontwikkelingen rondom de nieuwe Wmo 2015 door bijvoorbeeld jurisprudentie maar ook voortschrijdend inzicht kan aanleiding tot aanpassing zijn. Daarom zijn deze regels nadrukkelijk aan verandering onderhevig. Dit document is daardoor niet statisch en zal in de tijd aangevuld of aangepast worden indien hier aanleiding toe is. Het spreekt voor zich dat het College in voorkomende gevallen handelt conform de hiervoor bedoelde ontwikkelingen. Hoofdstuk2Procedure 2.1Inleiding In hoofdstuk 2 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het College omgaat met de melding van een hulpvraag van cliënten en hoe het onderzoek (waaronder het gesprek) wordt gedaan en afgerond. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure. Wel moet het College (overeenkomstig artikel 3:2 Awb) het onderzoek zorgvuldig doen. Dat volgt uit de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Het proces ziet er schematisch als volgt uit: 1 Maximale termijn: 6 weken Melding De cliënt meldt zijn of haar zorgvraag 2 Ontvangstbevestiging door de gemeente Met daarin in elk geval: Datum melding Dat er contact wordt opgenomen voor het maken van een afspraak voor een gesprek, waarbij zo mogelijk ook een mantelzorger van de cliënt aanwezig is. Informeren over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning 3 Eventueel indienen van een persoonlijk plan Binnen 7 dagen na de melding mag de cliënt een persoonlijk plan indienen 4 De gemeente voert het onderzoek uit (waaronder het gespreksverslag/ onderzoeksverslag) Uitgangspunten voor het gesprek: Persoonlijke situatie is leidend. Oplossingsgerichte gespreksvoering met zelfredzaamheid als uitgangspunt Ondersteuningsvraag en eigen mogelijkheden staan centraal Gesprek is minder beoordelend, meer vraagverhelderend. (gericht op het te behalen resultaat) Behoud eigen regie en zelfredzaamheid staat voorop. Alle mogelijkheden verkennen om een hulpvraag op te lossen. Er wordt integraal en breed gekeken, dus naar het totaal aan ondersteuningsbehoefte 5 Doel van het gesprek: Vaststellen van de gehele ondersteuningsbehoefte Eigen mogelijkheden en oplossingen in kaart brengen Gebruik van gebruikelijke en voorliggende oplossingen in kaart brengen De te bereiken resultaten vaststellen Noodzaak vaststellen voor al dan niet indienen van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 6 Het onderzoek leidt tot de vaststelling of een maatwerkvoorziening al dan niet noodzakelijk is om te voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het door de cliënt ondertekende gespreksverslag / onderzoeksverslag wordt door het college aangemerkt als aanvraag indien daarin sprake is van een noodzakelijke maatwerkvoorziening. Het onderzoek is binnen 6 weken na de melding afgerond. 7 Maximale termijn 2 weken Aanvraag Vanaf het moment van aanvraag wordt er door de gemeente binnen 2 weken een beschikking afgegeven. 8 Besluit Er wordt door de gemeente een beschikking afgegeven met een toekenning dan wel een afwijzing. 9 Bezwaar en Beroep Als een cliënt het niet eens is met de beschikking kan hij hiertegen bezwaar aantekenen en vervolgens in beroep gaan. 10 Ketenregie Volgen van het resultaat van de toegekende maatwerkvoorziening door de consulent De wettelijke termijn waarbinnen de procedure van het onderzoek moet zijn afgerond is zes weken. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan in ieder geval na zes weken een aanvraag indienen. Dat wil zeggen ongeacht de status of de uitkomst van het onderzoek. 2.2Melding van de hulpvraag Een ieder kan zich bij het College melden, dus zowel inwoners met een ondersteuningsvraag of derden die zich zorgen maken over de ondersteuning van een inwoner van de gemeente. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. In het eerste geval spreken we niet van een melding omdat dit kan worden afgedaan door de verzoeker te voorzien van de gevraagde informatie of advies. In het tweede geval spreken we wel van een melding in de zin van de Wmo 2015. Dit onderscheid is van belang omdat een melding van een ondersteuningsvraag leidt tot een gesprek; zie artikel 2.3 van de Verordening. Als een burger alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Een melding is in een aantal gevallen dus niet meer dan een signaal van de burger dat hij behoefte meent te hebben aan een vorm van maatschappelijke ondersteuning en niet noodzaakt tot een uitgebreid onderzoek. De gemeente zal zich na een melding wel een beeld moeten vormen van de behoefte van de cliënt. 2.2.1 Signaleringsfunctie Het College kan met aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld afspraken maken over het indienen van een melding namens cliënten. Ook hierbij moet gebruik worden gemaakt van het door de gemeente vastgestelde meldingsformulier. Dit dient door de cliënt te zijn ondertekend. Aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld kunnen deze signaleringsfunctie goed uitoefenen omdat zij kunnen constateren dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt toeneemt, of dat er tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen. Ook kan er sprake zijn van een afname aan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Verschil tussen melding en aanvraag. Bovenstaande wil dus zeggen dat een melding, (dit in tegenstelling tot de aanvraag, zie verder) behalve door de cliënt, ook námens de cliënt door een aanbieder kan worden gedaan. Het is echter voor een aanbieder níet mogelijk om een aanvraag namens een cliënt in te dienen dan wel het onderzoeksverslag namens de cliënt te ondertekenen. 2.2.2 Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het College op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling). Bovendien wijst het college de cliënt er dan op dat gebruik kan worden gemaakt van onafhankelijke cliëntondersteuning. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan binnen zeven dagen na de melding bij het College kan worden ingediend. Indien de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het College verplicht is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het College in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. 2.2.3 Inhoud persoonlijk plan In het persoonlijk plan moet volgens de wet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. De inhoud van die beschrijving moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie. Dit zijn de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet en sluiten aan bij de inhoud van het amendement dat heeft geleid tot de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. 2.2.4 Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning. Met hulp van cliëntondersteuning ontvangt de cliënt informatie, advies en algemene ondersteuning. Dit moet bijdragen aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening. Dat laatste betekent dat de verschillende zorgsoorten op elkaar worden afgestemd. Dat kan bijvoorbeeld zijn op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het College moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Verder moet het College er zorg voor dragen dat de onafhankelijke cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen. De cliëntondersteuner kan ook een professional in dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. 2.3De aanvraag Pas na verstrekking van een gespreks- of onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek (met onder meer het gesprek) niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 van de wet). Om onnodige administratieve lasten voor zowel de burger als het College te voorkomen kan een verslag of plan van aanpak voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van enige vorm van juridisering. Dit heeft vooral tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het College beslist in principe binnen twee weken na indiening van de aanvraag op de aanvraag. 2.3.1 Opschorting beslistermijn Artikel 2.3.5 lid 2 van de wet bepaalt dat het College binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat het College in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening. Het is vanzelfsprekend dat het College doorgaans niet binnen een termijn van twee weken over een dergelijk advies zal kunnen beschikken. De bevoegdheid de beslistermijn op te schorten vloeit voort uit artikel 4:14 Awb. 2.3.2 Medewerking cliënt Uit de wet vloeit verder voort dat ook opgeschort kan worden indien de cliënt niet de benodigde gegevens en bescheiden heeft verstrekt of geen medewerking heeft verleend aan het gesprek (als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Verordening) voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak. Opschorting van de beslistermijn gebeurt in die gevallen onder toepassing van artikel 4:15 Awb. 2.3.3 Verouderde informatie Het kan voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het verstrekken van een gespreksverslag/onderzoeksverslag aan de cliënt en het feitelijk indienen van een aanvraag. Het bedoelde verslag of plan kan dan ook verouderde informatie bevatten waardoor het College niet (meer) binnen de wettelijke kaders zoals genoemd in hoofdstuk 3 van de Verordening kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het College de aanvraag aanmerken als een melding (art. 3.1 lid 4 van de Verordening) en de cliënt (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. Het gesprek wordt afgesloten met een nieuw of aangepast gespreksverslag of onderzoeksverslag. 2.3.4 Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 4.2 van de Verordening de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen: Welke voorziening wordt verleend en welk resultaat hiermee behaald moet worden. De ingangsdatum en de duur van de verstrekking Hoe de voorziening wordt verleend (in natura of als pgb) Dat de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd kan zijn Indien van toepassing wordt ook in de beschikking opgenomen: Welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn Als de voorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt wordt in elk geval in de beschikking opgenomen: Voor welk resultaat het pgb moet worden gebruikt. Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen. De ingangsdatum en de duur van de verstrekking. Welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Welke verplichtingen zijn verbonden aan het pgb Dat het pgb wordt overgemaakt aan de Svb (met uitzondering van een pgb voor een vervoersvoorziening). Indien een aangevraagde voorziening (deels) wordt afgewezen is het van wezenlijk belang dat goed wordt gemotiveerd op grond waarvan de aangevraagde voorziening (deels) wordt afgewezen. Bijvoorbeeld wanneer voorliggende voorzieningen als een voldoende en passende bijdrage aan de ondersteuningsbehoefte kunnen worden beschouwd, dan dient dat in de beschikking toereikend te worden gemotiveerd. Ook moet er een zorgvuldig onderzoek naar de individuele situatie en omstandigheden van de betrokkene ten grondslag liggen aan het besluit. 2.4Advisering Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het College advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een medisch advies. Vereist is dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). 2.4.1 Medische adviezen/indicatiestelling In het algemeen geldt dat het College allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het College zelf in staat zijn: de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie te kunnen vaststellen (wettelijk toetsingskader); te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn waaraan het recht op een persoonsgebonden budget in de weg staat (wettelijke voorwaarden); zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. De Wmo consulent brengt naar aanleiding van het gesprek of nadat de aanvraag is ingediend de relevante sociaal-medische en ergonomische gegevens van een cliënt in kaart en geeft vervolgens een advies. Daarbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de systematiek en de terminologie van de ICF (International Classification of Functioning; een classificatie voor het beschrijven van het functioneren van mensen inclusief factoren die op dat functioneren van invloed zijn). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het College, zoals gezegd, de cliënt zelf laten onderzoeken door een deskundige die (zo nodig) op het niveau van een arts functioneert. 2.5Bezwaar, beroep en klachten 2.5.1 Bezwaar en beroep Het is voor de aanvrager mogelijk bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van het College op de aanvraag. Inwoners worden in de beschikkingen op de hoogte gesteld van de mogelijkheden tot bezwaar en beroep. Als een bezwaar wordt ingediend, zal de onafhankelijke bezwarencommissie zich hierna uitspreken over de zaak. Aan de hand van de uitspraak neemt het college opnieuw een besluit. De bezwaarmaker ontvangt vervolgens een beslissing op bezwaar van het College. Als de aanvrager het niet eens is met de beslissing op bezwaar kan beroep aangetekend worden bij de rechtbank. Het is niet mogelijk bezwaar aan te tekenen tegen de uitkomsten van het onderzoek na de melding. Hiervoor moet eerst een aanvraag worden ingediend en de beschikking worden afgewacht. Tegen die beschikking kan dan bezwaar worden gemaakt. 2.5.2 Klachten Cliënten die gebruik maken van de Wmo, kunnen met verschillende organisaties te maken hebben. Wanneer dat niet volgens verwachting verloopt, kan men bij de betrokken instelling een advies, tip of een opmerking achterlaten. Daar helpt de gemeente zo nodig bij. De gemeente Wassenaar is tenslotte eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo. Het kan ook zijn dat een cliënt een klacht heeft over het handelen van een ambtenaar of een bestuurder van de gemeentelijke organisatie. Dan geldt de reguliere klachtenafhandeling van de gemeente Wassenaar welke terug te vinden is op de gemeentelijke website. 2.6Volgen van de resultaten van de maatwerkvoorziening; regisseursrol van de consulenten De consulent houdt, nadat een maatwerkvoorziening is verstrekt, contact met de cliënt om goed te kunnen volgen of het resultaat, dat met de toegekende voorziening wordt beoogd, ook daadwerkelijk behaald wordt. Dit volgen van het beoogde resultaat door de consulent is een vorm van procesregie en staat los van de casusregie. De casusregie wordt namelijk al door de uitvoerende van de aanbieder uitgevoerd, indien het een voorziening betreft in de vorm van een dienst. De procesregie door de consulent geldt voor alle soorten van voorzieningen. Dus bijvoorbeeld voor een cliënt aan wie begeleiding is toegekend, maar ook voor de cliënt die bijvoorbeeld een Wmo-pas of een scootmobiel heeft toegekend gekregen. De centrale vraag hierbij is: ‘hoe is de stand van zaken ten aanzien van het beoogde resultaat’. Het beoogde resultaat in het ondersteuningsplan en de beschikking is het uitgangspunt om na te gaan hoe het staat met het resultaat. Hoe vaak gebruikt mevrouw de scootmobiel en waarvoor? Is meneer nu minder eenzaam? Kan meneer zijn boodschappen in huis krijgen? Is het huishouden op orde? Wanneer blijkt dat het resultaat niet wordt bereikt met de toegekende voorziening, dan wordt er opnieuw gekeken op welke manier het resultaat wel behaald kan worden. Bijvoorbeeld wanneer iemand geen gebruik maakt van het regiotaxipasje wordt opnieuw met de cliënt gekeken op welke manier wel kan worden bewerkstelligd dat mevrouw sociale contacten aan kan gaan. Mogelijk kan een interventie van de ouderenadviseur uitkomst bieden? Door het resultaat goed te monitoren is het minder vaak nodig om te her-indiceren en kunnen beschikkingen worden afgegeven voor een langere periode (wanneer de verwachting is dat de situatie niet zal verbeteren zonder inzet van de maatwerkvoorziening). Er wordt immers elk jaar nagegaan of de afgegeven voorziening nog steeds voldoet. In het geval blijkt dat de voorziening een belangrijk bijdrage levert aan het resultaat kan de beschikking dan gewoon doorlopen. In geval van gewijzigde omstandigheden of wanneer blijkt dat de voorziening niet bijdraagt aan het resultaat kan de beschikking worden ingetrokken en kan zo nodig een nieuwe beschikking worden afgegeven voor een voorziening die wel het beoogde resultaat zal bereiken. Een consulent heeft minimaal eens per jaar contact met de cliënt tot het moment dat is vastgesteld dat het resultaat behaald is. Dat contact kan, afhankelijk van de situatie van de cliënt en de inschatting van de consulent, zowel telefonisch als via een huisbezoek of bijvoorbeeld middels een gesprek in het gemeentehuis. Meestal zal het contact in eerste instantie telefonisch zijn. Als daaruit blijkt dat dat nodig is, kan vervolgens een huisbezoek of een afspraak worden ingepland. De consulent beoordeelt zelf of het nodig is om vaker dan eens per jaar contact te hebben. Dat zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn als de consulent in schat dat de situatie kwetsbaar is, of als niet helemaal duidelijk is of de toegekende voorziening voldoende of de juiste is om het beoogde resultaat te bereiken. Hoofdstuk3Beoordeling aanspraak 3.1Inleiding Verordening: artikel 4.1 staat: Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Wassenaar komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het College niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 3.1.1 Vereiste hoofdverblijf In dit artikel wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf (woonplaats) heeft in de gemeente geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. De toevoeging ‘daadwerkelijk zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens beperkingen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. 3.1.2 Eigen kracht Een belangrijk onderdeel is de eigen kracht. Daaronder wordt dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. Er wordt van inwoners verwacht dat zij zich zoveel als in hun situatie mogelijk is, inspannen om alles te gebruiken wat binnen hun bereik ligt om zelf in de behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. 3.1.3 Ondersteuning vragen Cliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het College kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt kan worden verlangd dat hij het College met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek. 3.2Algemeen uitgangspunt Verordening Artikel 6.3 Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning Het college kan maatschappelijke ondersteuning als collectieve - en individuele maatwerkvoorziening verlenen, waarbij het primaat ligt bij de collectieve maatwerkvoorziening. Het college kan de maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid kortdurend verlenen indien de cliënt of personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn. De maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in het tweede lid is gericht op het versterken of verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. In lid 2 wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening ook voor een kortdurende periode kan worden verleend. De maatschappelijke ondersteuning wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet wat aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Verder kan kortdurende maatschappelijke ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Een maatwerkvoorziening kan ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Het gaat daarbij dan dus om een aantal op elkaar afgestemde maatregelen, die samen zorgen voor het resultaat dat de ondersteuning op moet leveren. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. In artikel 2.3.5 lid 5 van de wet staan een aantal soorten van ondersteuning waarop dit betrekking kan hebben: Artikel 2.3.5 lid 5 van de wet: De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op: de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt, zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen, onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen, betaalde werkzaamheden, scholing die de cliënt volgt of kan volgen, ondersteuning ingevolge de Participatiewet, de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de verplichting van het College om een maatwerkvoorziening te verstrekken, niet zo ver gaat dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Op basis van de wet moet het College het onderzoek uitvoeren en de cliënt daarvan een schriftelijk verslag verstrekken. Daarna kan de cliënt een aanvraag indienen. Het College moet motiveren waarom welke maatwerkvoorziening als (goedkoopst) passende bijdrage wordt aangemerkt in het individuele geval. 3.3Specifieke criteria maatwerkvoorziening Verordening: artikel 4.1 Lid 5 onder a “Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen”; Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Gemeentelijke verantwoordelijkheid De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van mensen die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. In de Wmo 2015 staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger en zijn sociale netwerk veel nadrukkelijker voorop dan in de Wmo 2007 en is de gemeente alleen aan zet voor zover de burger niet zelf of met de hulp van dat netwerk tot participatie kan komen. De begrippen ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatie’ beschrijven wanneer van iemand gezegd kan worden dat hij of zij zelfredzaam is of participeert op een zodanig niveau dat er voor de gemeente in beginsel geen reden bestaat om daarin bij te springen. De omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. 3.3.1 Zelfredzaamheid Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van zelfzorg. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben. Wanneer blijvend permanent toezicht noodzakelijk is of 24-uurs zorg in de nabijheid dan is de grens van de Wmo 2015 bereikt en zal een beroep op de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten worden gedaan. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Opgemerkt wordt dat de cliënt ook aanspraak kan hebben op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). 3.3.2 Participatie Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Artikel 4.1 lid 5 onder b “Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is”. Dit wil zeggen dat het College in voorkomende gevallen slechts verplicht is de, naar objectieve maatstaven gemeten, goedkoopst passende oplossing te bieden. Ten aanzien van meten aan de hand van een objectieve maatstaf; denk daarbij bijvoorbeeld aan het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget, dat mede gebaseerd is op de maatwerkvoorziening in natura. Hierbij wordt aan de hand van een objectieve maatstaf (de zorg in natura) gemeten. Immers door de vergelijking te trekken met de kosten van de zorg in natura kan het college objectief motiveren dat met het pgb een passende oplossing betaald kan worden. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Artikel 4.1 lid 5 onder c ”Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening indien deze in overwegende mate op de cliënt gericht is” Dat wil zeggen dat er in ieder geval altijd sprake moet zijn van een individuele cliënt die is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De cliënt is dan ook belanghebbende in het kader van het besluit. Uit de zinsnede 'in overwegende mate' volgt dat er wel enige ruimte is om rekening te houden met anderen dan de cliënt, denk bijvoorbeeld aan huisgenoten, de mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk die ondersteuning bieden aan de cliënt. 3.3.3 Gericht op het individu en/of individueel karakter Omdat een maatwerkvoorziening gericht moet zijn op het individu is het aanvragen van een gemeenschappelijke voorziening uitgesloten. Zo zal ook een aanvraag van een gehandicaptensportvereniging voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer naar de wekelijkse training worden afgewezen. Bij de toekenning van de goedkoopst passende bijdrage in de vorm van een vervoersvoorziening hoeft dus in beginsel geen rekening te worden gehouden met de gezinsleden zonder beperkingen. Uit artikel 2.3.5 Wmo 2015 valt ook af te leiden dat het verlenen van maatwerkvoorzieningen een individueel karakter heeft en is in principe gericht op het ondersteunen in de zelfredzaamheid en participatie van één persoon. Een vervoersvoorziening wordt individueel verleend. Indien de partner eveneens gebruik wil maken van de vervoersvoorziening zal deze zich zelf moeten melden met een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. Het College zal dan een onderzoek instellen (het gesprek). Ook bijvoorbeeld een woonvoorziening, zoals een traplift, wordt individueel verleend indien een cliënt daar voor het normale gebruik van de woning op is aangewezen. Dit laat onverlet dat er in beginsel wel rekening kan worden gehouden met de vervoersbehoefte van een cliënt die voortvloeit uit zorgtaken met betrekking tot minderjarige kinderen. (zie verder bij 8.2.10) 3.3.4 Beperkende criteria aanspraak In artikel 4.1 lid 6 van de Verordening zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. 3.3.5 Algemeen gebruikelijk Artikel 4.1 lid 6 onder a “Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien, in de hulpvraag van de cliënt, met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kan worden voorzien” In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het College ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk CRVB:2009:BK5657 en RBSGR:2011:BQ5651). De Verordening omschrijft het begrip ‘algemeen gebruikelijke voorziening’ als volgt: “een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten’. Het College verstrekt geen voorziening als aannemelijk is dat de cliënt daar - gelet op zijn omstandigheden - over zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Voor een inschatting wat er concreet onder algemeen gebruikelijke voorzieningen kan vallen, is bijlage V (paragraaf 14.5) opgenomen bij deze beleidsregels. Deze lijst is niet limitatief. Sommige voorzieningen kunnen in de loop van de tijd algemeen gebruikelijk worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan standaard douchebeugels of de fiets met trapondersteuning; voorzieningen die eerder wel werden verstrekt, maar die inmiddels algemeen gebruikelijk zijn geworden. 3.3.6Beoordelingskader algemeen gebruikelijk De eerste drie punten in de opsomming in paragraaf 3.3.5 hebben betrekking op de vraag of de voorziening algemeen gebruikelijk is. Punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de voorziening ook voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het College beoordeelt de hier bovengenoemde punten in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van de voorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke voorziening door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. Verder wordt opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde punten niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met trapondersteuning zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem/haar kan zijn. Fietsen met trapondersteuning zijn -in principe- algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met trapondersteuning is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Verder geldt dat de cliënt een persoonsgebonden budget niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (artikel 5.1 lid 3 onder a Verordening). 3.3.7 Vervanging Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemeen gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. 3.3.8 Privaatrechtelijke verbintenis In het geval een cliënt op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (zoals bijvoorbeeld een huurovereenkomst) aanspraak kan doen op een voorziening, kan door het college worden beoordeeld dat deze aangevraagde voorziening als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is met de contractuele bepalingen. Het College kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar vol vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). 3.3.9. Een onverwachts optredende noodzaak Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke voorziening voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen omdat de persoon in dat geval niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke voorziening. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende voorziening. 3.3.9 Renovatie Renovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Het college beschouwt het als algemeen gebruikelijk dat na een aantal jaren bepaalde voorzieningen worden vervangen. Voor personen met en zonder beperkingen geldt immers dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Wassenaar worden de afschrijftermijnen van een aantal voorzieningen genoemd. 3.3.10 Geen hogere kosten Artikel 4.1 lid 6 onder b “Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning” In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een beperking. Bijvoorbeeld iemand die altijd al zelf gebruik heeft gemaakt van een hulp bij het huishouden. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen hogere kosten met zich meebrengt. 3.3.11 Normale afschrijvingstermijn nog niet verstreken Artikel 4.1 lid 6 onder c “Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.” Dit artikel wil zeggen dat de aanvraag in beginsel wordt afgewezen als de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder bij of krachtens Verordeningen Wet voorziening gehandicapten (Wvg) of Wmo is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken. In twee gevallen heeft de rechtbank uitspraak gedaan waaruit blijkt dat rekening kan worden gehouden met de ‘algemeen gebruikelijk te achten levensduur van een te vervangen voorziening’. De gemeente mag dus rekening houden met hoe lang de voorziening normaal gesproken meegaat. Als (bijvoorbeeld) het bad deze levensduur heeft bereikt, dan is het wat betreft de vervanging van dat bad door –bijvoorbeeld- een inloopdouche sprake van een algemeen gebruikelijk renovatie, aldus de uitspraken van de rechtbank. De rechtbank acht het niet onredelijk om de belanghebbende met beperkingen de vervanging zelf te laten betalen, omdat bij vergoeding van de kosten vanuit de Wmo deze persoon zou worden bevoordeeld ten opzichte van mensen zonder beperking. De gemeente mag echter alleen rekening houden met de algemeen gebruikelijk levensduur van een voorziening als zij dit heel goed in het beleid heeft bepaald of omschreven. In dat beleid moet de gemeente motiveren wanneer een dergelijk vervanging algemeen gebruikelijk wordt geacht. In het Besluit Wmo Wassenaar zijn in artikel 4.1 de afschrijvingstermijnen en de hoogte van de vergoeding beschreven op basis van de economische levensduur voor vervanging van de keuken en de badkamer. In artikel 5.3 van het Besluit worden de afschrijvingspercentages genoemd die betrekking hebben op woningsanering. Beide artikelen betreffen zowel een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura als in de vorm van een pgb. Als de kosten / afschrijvingstermijnen niet worden genoemd in het besluit, dan wordt de Prijzengids voor de bijzondere bijstand van het Nibud, gehanteerd. 3.3.12 Technisch niet afgeschreven Bij het verlenen van een maatwerkvoorziening (ook bij een persoonsgebonden budget) zal doorgaans de looptijd daarvan bij beschikking of in de bijlage worden opgenomen (zie art. 4.2, lid 2, onder b, van de Verordening). Daarmee wordt een indicatie gegeven van de levensduur van een maatwerkvoorziening (gemiddelde afschrijvingsperiode). Dit betekent echter niet dat het College verplicht is om een 'economisch' afgeschreven voorziening in te nemen en een nieuwe te verstrekken. De maatwerkvoorziening kan immers nog steeds ondersteunend zijn voor zover er niets mankeert aan de technische staat of het in goede technische staat brengen van de maatwerkvoorziening de goedkoopst passende bijdrage is. Een verloren gegane voorziening of schade/niet verwijtbaar (art. 4.1, lid 6, onder c Verordening) Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of als de cliënt de gemeente geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan ook worden verstaan dat betrokkene een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de cliënt - indien een ander dan hijzelf de schade heeft veroorzaakt - de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt. Een verloren gegane voorziening of schade/wel verwijtbaar (art. 4.1, lid 6, onder c Verordening) Het kan voorkomen dat door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig zijn voor bijvoorbeeld een scootmobiel. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid een maatwerkvoorziening verloren gaat. Is dat het geval, dan schendt de cliënt (gebruiker) de verplichtingen verbonden aan de in bruikleen of in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening. Het spreekt voor zich dat de schade (lees ook kosten reparatie) die rechtstreeks zijn te wijten aan de cliënt (gebruiker) niet op grond van de Wmo 2015 worden vergoed. In beginsel zal de cliënt (gebruiker) deze kosten zelf moeten betalen. Het is van belang dat eerst met de cliënt (gebruiker) een gesprek wordt gevoerd om hem daarvan op de hoogte te stellen. Opgemerkt wordt dat het van belang kan zijn de leverancier van de voorziening een verklaring te vragen of de schade betrekking heeft op onzorgvuldig gebruik. 3.3.13Eigen verantwoordelijkheid Artikel 4.1 lid 6 onder d “Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden had om zelf voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie”. In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd. Indien de aanvraag voor een maatwerkvoorziening naar het oordeel van het College het gevolg is van het niet of onvoldoende nemen van de eigen verantwoordelijkheid, dan wordt de aanvraag geweigerd. (vergelijk CRVB:2012:BW6810 en CRVB:2013:776). 3.3.14 Zelf of met anderen Als het College van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. Het spreekt voor zich dat het College dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 van de verordening. In de onderstaande tekst staan een aantal voorbeelden wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en participatie zelf te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Planning en organisatie Van de ouder(

  1. s)kan onder omstandigheden worden verwacht dat zij de organisatie- en planningsactiviteiten verrichten die nodig zijn om hun kind van het aanvullend openbaar vervoer gebruik te laten maken (vergelijk CRVB:2010:7989). Preventieve maatregelen Van de cliënt kan worden gevergd dat incontinentiemateriaal wordt gebruikt of dat hij/zij het drinkgedrag en toiletbezoek zo reguleert dat op die manier gebruik kan worden gemaakt van het openbaar of aanvullend collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU9176). Ook kan worden gevergd dat gebruik wordt gemaakt van geschikte kleding die er voor zorgt dat de lichaamstemperatuur op peil blijft (vergelijk CRVB:2011:BR5767). Risicosfeer Artikel 4.1, lid 6 onder e “Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen”. Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het College kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). In hoofdstuk 9 van de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woonvoorzieningen. Maatwerkvoorziening gerealiseerd (art. 4.1, lid 7) De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien de maatwerkvoorziening is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag. In de Verordening is vastgelegd dat iemand geen aanvraag kan doen voor een voorziening die hij voor de melding van de hulpvraag of voor de aanvraag van de voorziening al heeft aangeschaft. Met het zelf (laten) realiseren hiervan is er immers geen sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (vergelijk RBOBR:2014:3092). Onbekendheid van een cliënt met de geldende regels komen voor zijn eigen rekening en risico en wordt niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Maatwerkvoorziening nog niet gerealiseerd (art. 4.1, lid 8) De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd vóór de melding dan wel aanvraag, tenzij de noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld. In tegenstelling tot het bepaalde in het hiervoor genoemde zevende lid, betekent dit artikel 8 dat er nog beperkingen (kunnen) worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Wel is er in deze gevallen sprake van omstandigheden die in principe in de risicosfeer liggen van de cliënt. Door zich namelijk niet eerder te melden met het oog op een aanvraag in te dienen ontneemt de cliënt het College de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening die als goedkoopste passende bijdrage kan gelden. Kan het College de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Hoofdverblijf Artikel 4.1, lid 9 Om aanspraak te kunnen maken op maatwerkvoorzieningen jegens het College moet vast staan dat de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Wassenaar. Hij dient ook zijn vaste woon- en verblijfplaats te hebben in een woning die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning. Daarnaast dient hij in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven te (zullen) staan. Een inschrijving in de BRP met alleen een briefadres is op zichzelf ook voldoende, als dan wel is komen vast te staan dat het feitelijk woonadres zich ook in de gemeente Wassenaar bevindt. De Wmo 2015 geeft de gemeente een ondersteuningsplicht voor inwoners van de gemeente. In eerste instantie geeft de BRP hierover uitsluitsel. Is dat niet het geval dan heeft het College van de plaats waar betrokkene daadwerkelijk verblijft de ondersteuningsplicht. Hoofdstuk4Gebruikelijke hulp 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de Wmo 2015 gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt behoort. Bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Zie de begripsbepalingen van de Verordening. 4.2Algemeen uitgangspunt In de Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, omdat het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. 4.3Mantelzorg Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de cliënt en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. De ondersteuning door de mantelzorger vertegenwoordigt daarmee een aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, of verpleging en verzorging zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet of ondersteuning aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Verder kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende cliënt met een indicatie tot de Wlz. In dat laatste geval heeft het College geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan aanspraak bestaan op kortdurend verblijf op grond van de Wlz in het kader van respijtzorg, ter ontlasting van de mantelzorger. 4.4Beleidsuitgangspunt mantelzorg Er is sprake van mantelzorg als deze intensief en langdurig wordt verleend. Onder ‘langdurig’ wordt in principe meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden verstaan. Mantelzorgers gaan immers pas echt problemen ondervinden als het verlenen van ondersteuning intensief gedurende een langere periode gebeurt (vergelijk EK 2005/06, 30 131, C, p. 59). 4.5Afbakening en inzet gebruikelijke hulp Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp om te voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van willekeur. Het College neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007. In deze beleidsregels wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de gebruikelijke hulp bij ondersteuning en dagbesteding en bij het overnemen van gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden. 4.6Begeleiding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden In de artikelen 7.2 en 8.3 van de Verordening is bepaald met welke omstandigheden het College in ieder geval rekening moet houden bij de beoordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Het gaat om de volgende omstandigheden: De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten. Zie bijlage III (paragraaf 14.3) voor het protocol gebruikelijke hulp. Hoofdstuk5Hulp bij een schoon en leefbaar huis In hoofdstuk 7 van de verordening zijn de mogelijkheden opgenomen voor het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan cliënten die beperkingen ondervinden bij het zelf uitvoeren van huishoudelijke taken. Uiteraard zijn ook hier de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de Verordening van toepassing. Als een cliënt is aangewezen op ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis kan het College een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van huishoudelijke ondersteuning. 5.1Definitie van het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ De maatwerkvoorziening ‘Schoon en leefbaar huis’ levert het resultaat: het voeren van een gestructureerd huishouden en het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Met een schoon en leefbaar huis wordt bedoeld dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. De taken die leiden tot een schoon en leefbaar huis, conform bovenstaande definitie is door experts vastgesteld en beschreven in het onafhankelijke en objectieve onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM, juli 2016. Bij het wassen gaat het uitsluitend over het wassen, drogen en vouwen/strijken van de normale was voor alledag. Naast een ‘schoon en leefbaar huis’ kan, indien noodzakelijk, in bijzondere gevallen aanvullend worden geïndiceerd: Maaltijdverzorging, met het resultaat: het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden Kindzorg, met als resultaat: thuis zorgen voor gezonde kinderen die tot het gezin behoren. Calamiteitenzorg, met als resultaat: het opheffen van de achterstand die is opgelopen ten aanzien van een gestructureerd huishouden. Het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ is door de gemeente resultaatgericht ingekocht. Maaltijdverzorging, Kindzorg en Calamiteitenzorg vallen hierbuiten. Als Maaltijdverzorging, Kindzorg en Calamiteitenzorg noodzakelijk zijn, dan geeft de Gemeente aan hoeveel uren er nodig zijn om dit resultaat in die specifieke situatie te behalen. Resultaatfinanciering houdt in dat de aanbieder voor alle cliënten hetzelfde bedrag ontvangt per 4 weken, ongeacht hoeveel uren er nodig zijn om het beoogde resultaat te bewerkstelligen. Bij de ene cliënt zal de aanbieder dus minder tijd nodig hebben om het resultaat te bereiken als bij een andere cliënt. Dat betekent dan dus ook dat er niet op uren wordt geïndiceerd maar op het resultaat. Het tarief dat de gemeente betaald aan de aanbieder is opgebouwd uit het aantal uren dat gemiddeld genomen per jaar nodig is voor een schoon en leefbaar huis maal een uurtarief. Om te komen tot het aantal uren dat per jaar nodig is, is uitgegaan van het onderzoekrapport ‘Normering van de basisvoorziening Schoon Huis’ zoals dat door KPMG Plexus en bureau HHM is opgesteld voor de gemeente Utrecht (104,9 uur per jaar). Voor het aanpassen van de situatie in Utrecht naar de lokale situatie zijn er uren opgeteld voor het doen van de was (15,6 uur per jaar). Hierbij is de oude CIZ norm, één uur voor het doen van de was, aangehouden. Na gesprekken met de aanbieders en de Wmo consulenten is ervan uitgegaan dat de was moet worden overgenomen door de aanbieder bij 30% van de cliënten. Voor het berekenen van het uurtarief is de cao VVT als uitgangspunt genomen. Hierbij is ervan uitgegaan dat 60% van de medewerkers is ingeschaald in FWG-10 (oude HH1 cliënten) en 40% in FWG-15 (oude HH2 cliënten). 5.1.1 Iedere inwoner van Wassenaar kan wonen in een schoon en leefbaar huis (Verordening: artikel 7.3) De definitie van een schoon en leefbaar huis is opgenomen in paragraaf 5.1 Het te bereiken resultaat ten aanzien van een schoon huis bestaat allereerst uit het kunnen wonen in een woning die schoongehouden is. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Met het oog op dit resultaat kan een maatwerkvoorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware huishoudelijke werk. Het te bereiken resultaat is beperkt tot de gebruiksruimten die voor de cliënt onder diens normale gebruik van de woning vallen. Kamers die niet in gebruik (hoeven
  2. te)zijn vallen hierbuiten. Ondersteuning bij het schoonhouden hoeft niet altijd geboden te worden door de inzet van een professionele huishoudelijke hulp. Ook een glazenwasser of schoonmaakbedrijf kan een deel van het werk doen. Als het te behalen resultaat 'een schoon huis' maar gerealiseerd wordt. Bijkomend effect kan zijn dat een burger actiever en fitter blijft door het huishouden zoveel als mogelijk zelf te doen. 5.1.2 Wasverzorging Iedere inwoner van Wassenaar kan beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding. Wasverzorging kan onderdeel uitmaken van het resultaat een schoon en leefbaar huis. De gemeente ondersteunt cliënten die beperkingen ondervinden bij het op orde houden van kleding (wassen en strijken). Als het een probleem is om naar een kledingwinkel te gaan voor nieuwe kleding, en dat probleem kan niet binnen het eigen netwerk worden opgelost, dan kan een ondersteuningsvraag bij de gemeente neergelegd worden. Bij het vinden van een passende oplossing wordt gekeken naar bijvoorbeeld de inzet van een postorderbedrijf of vrijwillige inzet. Persoonlijke begeleiding bij het kopen van kleding valt niet onder de ondersteuning vanuit de Wmo 2015. 5.1.3 Inzet aanvullende uren Huishoudelijke ondersteuning Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen cliënten onvoldoende ondersteund worden door de voorziening ‘een schoon en leefbaar huis’ kunnen er aanvullende uren ingezet worden voor een aantal voorzieningen. De risicospreiding tussen de aanbieders is bij deze voorzieningen niet gewaarborgd. Het separaat indiceren van de volgende voorzieningen zorgt ervoor dat deze taken de resultaatfinanciering niet verstoren: Maaltijdverzorging Iedere inwoner van Wassenaar kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden. Met dit resultaat verplicht de gemeente zich om de cliënten zodanig te compenseren dat zij voorzien zijn van de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel. Ook toiletartikelen en schoonmaakartikelen moeten aanwezig zijn. Deze dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Ook hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een grote rol. Gebruik maken van een boodschappenservice kan een goede oplossing zijn. Onder primaire levensbehoeften verstaan we daarom vooral de maaltijden. Ondersteuning betekent niet per definitie hulp bij het zelf bereiden van de maaltijden, ondersteuning betekent wel dat de cliënt de dagelijkse maaltijden kan genieten. Daarbij wordt rekening gehouden met medische diëten. Cliënt en gemeente komen gezamenlijk tot een redelijke oplossing, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een vorm van maaltijdservice in combinatie met de mogelijkheid van gezamenlijke maaltijden. Voor hulp bij het zelf bereiden van maaltijden kan gezocht worden naar mogelijkheden van het vrijwilligerswerk. Zo kan het mogelijk worden om een aantal keren per maand met hulp van een vrijwilliger zelf een maaltijd te bereiden. Het verzorgen van maaltijden is bij een kleine groep cliënten nodig; het gaat dan vaak om veel uren. Het kan daarbij gaan om het verzorgen van brood en/of warme maaltijden gedurende meerdere dagen per week. Het verzorgen van maaltijden bevindt zich op het snijvlak met de zorgverzekeringswet, waardoor soms onduidelijk is wie er verantwoordelijk voor is. Als onduidelijk is bij wie de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van de maaltijden voor een cliënt ligt, vindt afstemming plaats met de zorgverzekeraar. Indien apart indiceren voor maaltijdverzorging noodzakelijk is, wordt door de gemeente beoordeeld hoeveel uren noodzakelijk zijn. De CIZ-norm wordt hierbij als maximaal aantal uren aangehouden. Kindzorg Iedere inwoner van Wassenaar kan thuis zorgen voor gezonde kinderen die tot het gezin behoren. Ouders die tijdelijke beperkingen ondervinden bij het voeren van een huishouden en daardoor niet kunnen zorgen voor hun gezonde kinderen, kunnen ondersteuning aanvragen. Als gezegd is compensatie bedoeld als ondersteuning bij het voeren van het huishouden, waaronder de dagelijkse, gebruikelijke zorg voor gezonde kinderen. Uitgangspunt is steeds dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor de zorg voor kinderen. Ondersteuning via de Wmo 2015 is alleen afdwingbaar als beide ouders hun mogelijkheden volledig gebruiken en optimaal gebruik gemaakt wordt van voorliggende voorzieningen zoals vormen van kinderopvang of de opvang door de opa’s en oma’s. Een ouder die bij de dagelijkse verzorging van eigen kind(eren) alleen beperkingen ondervindt op het gebied van mobiliteit en daardoor problemen heeft met begeleiden van een kind naar school of andere activiteiten, mag ook ondersteuning verwachten. De Wmo 2015 heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen in geval van een crisissituatie, zodat de ruimte ontstaat om een permanente oplossing te zoeken. Kindzorg wordt, veelal tijdelijk, per uur geïndiceerd. Calamiteitenzorg Ook calamiteitenzorg valt onder Huishoudelijke Ondersteuning. Het gaat om tijdelijke (extra) ondersteuning om het normale huishouden weer op gang te brengen. Hierbij valt te denken aan: ­ Noodzakelijke extra activiteiten als het opruimen en schoonmaken van een huis. Na het bereiken van het resultaat kan het resultaat ‘een schoon en leefbaar’ worden ingezet of kan een cliënt het weer zelf met zijn netwerk oppakken. ­ Noodzakelijke extra activiteiten, omdat deze, bijvoorbeeld na ziekenhuisopname, tijdelijk niet kunnen worden opgepakt door de cliënt en er geen mantelzorg aanwezig is. Het gaat hierbij altijd om tijdelijke ondersteuning die per uur geïndiceerd wordt. 5.2Procedure Nadat het College heeft vastgesteld in het onderzoeksverslag dat de cliënt is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (en, aanvullend daarop, eventueel het aantal uren van welke separaat te indiceren voorzieningen) heeft de cliënt de keuze uit een aantal gecontracteerde aanbieders. Een medewerker van de gekozen aanbieder gaat bij de cliënt op huisbezoek. Er worden dan in samenspraak met de cliënt afspraken gemaakt over hoe huishoudelijke ondersteuning geboden zal gaan worden. Deze afspraken worden vastgelegd in het volledig ingevulde door de gemeente ontwikkelde format voor het ondersteuningsplan (zie de bijlage in paragraaf 14.7). In dit conceptondersteuningsplan is opgenomen welke activiteiten door de aanbieder zullen worden uitgevoerd en in welke frequentie. Elke zorgaanbieder is verplicht om het door de gemeente ontwikkelde format voor het ondersteuningsplan te gebruiken en om dit volledig in te vullen. Indien de cliënt zich kan vinden in het ondersteuningsplan, zet hij zijn handtekening daaronder. Is dat niet het geval, dan heeft hij de mogelijkheid om op het formulier aan te geven, wat er naar zijn inzicht gewijzigd moet worden aan het ondersteuningsplan om te voorzien in zijn of haar ondersteuningsbehoefte. Vervolgens stuurt de zorgaanbieder het ondertekende ondersteuningsplan naar het college. Het college beoordeelt of het ondersteuningsplan voorziet in de ondersteuningsbehoefte van de betreffende cliënt. Is dat het geval, dan wordt een beschikking verzonden aan de cliënt. Het ondersteuningsplan maakt onderdeel uit van deze beschikking. Gebruikelijke hulp De Verordening bepaalt in artikel 7.2 specifieke criteria waaronder aanspraak bestaat of waarop de maatschappelijke ondersteuning is gericht. In bijlage III (paragraaf 14.3) van deze beleidsregels is het ‘protocol gebruikelijke zorg’ opgenomen. Hoofdstuk6Begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf 6.1Inleiding Artikel 8.1 van de Verordening bepaalt dat het College, aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke ondersteuning, een maatwerkvoorziening kan verlenen in de vorm van: Ondersteuning bij het in staat stellen tot algemeen dagelijkse levensverrichtingen of dagbesteding waaronder zo nodig het noodzakelijke vervoer; Kortdurend verblijf in een instelling. 6.1.1 Algemene uitgangspunten Artikel 8.2 van de Verordening bepaalt dat het College de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit hoofdstuk kan: Combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en informele hulp uit de sociale omgeving; Verlenen in de vorm van een totaal aan afspraken zoals neergelegd in een ondersteuningsplan; Verder geldt als uitgangspunt dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening. De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het College is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende duurzame bijdrage te verlenen (zie art. 4.1 lid 5 onder b van de Verordening). Verder kan het natuurlijk ook zo zijn dat een collectieve maatwerkvoorziening eenvoudigweg een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. 6.1.2 Gebruikelijke hulp Verordening: artikel 8.3, lid 1 Voor begeleiding geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het College gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Zie daarvoor bijlage III (paragraaf 14.3) van deze beleidsregels. 6.1.3 Doelgroep cliënten Het spreekt voor zich dat de doelgroep die in aanmerking kan komen voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit hoofdstuk zeer divers kan zijn. Ook kan de maatschappelijke ondersteuning gericht zijn op het ontlasten van de mantelzorger, bijvoorbeeld door de voorziening kortdurend verblijf. Er kan dan ook geen limitatieve opsomming worden gegeven van de doelgroep. In het algemeen gaat het om cliënten die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en participatie. Zie hoofdstuk 3 van de beleidsregels onder het kopje ‘specifieke criteria’ voor een korte uitleg wat daar onder wordt verstaan. Voorbeelden doelgroep Ouderen met somatische of psychogeriatrische problematiek Ouderen die door dementie of cognitieve achteruitgang beperkt zijn in hun zelfredzaamheid Volwassenen met psychiatrische problematiek Volwassenen met een verstandelijke beperking Volwassenen met een auditieve en/of visuele beperking Volwassenen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte 6.1.4 Mate van de beperkingen In het algemeen geldt dat het College door de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zal moeten beoordelen op welke maatwerkvoorziening de cliënt is aangewezen. Daarbij neemt het college het eventueel door de cliënt ingediende persoonlijke plan mee. Er wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën beperkingen: Lichte beperkingen: stimuleren van het zelf uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan geboden door een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht). De cliënt met lichte beperkingen is in het algemeen in staat om zelf om ondersteuning te vragen. De ondersteuning kan gericht zijn op het oefenen met vaardigheden of handelingen. Daaronder kan ook het gebruik van bijvoorbeeld hulpmiddelen worden verstaan. Matige beperkingen: helpen bij het (zelf) uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan of mogelijke (gedeeltelijke) overname van taken. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht) al dan niet met regelmaat ondersteuning biedt ter voorkoming van een achteruitgang (verslechteren) van de zelfredzaamheid. De cliënt met matige beperkingen is niet (altijd) in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Zware beperkingen: het (deels en/of tijdelijk) overnemen van taken en/of continu bieden van ondersteuning en/of toezicht is nodig. Dit omdat de cliënt bijvoorbeeld geen of onvoldoende regievermogen heeft. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner (aanbieder/ beroepskracht) ondersteuning biedt. Denk ook aan sturing op problematisch gedrag om dat in goede banen te leiden of een cliënt met oriëntatiestoornissen. Er kan sprake zijn van risico’s voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving. De cliënt met zware beperkingen is meestal niet in staat om zelf om ondersteuning te vragen. 6.1.5 Verschillende terreinen/activiteiten De cliënt kan op één of meerdere terreinen/activiteiten beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie ondervinden. Voor elk van deze terreinen/activiteiten worden aspecten onderscheiden waar de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie betrekking op hebben. Voorbeelden die in de Verordening worden genoemd zijn: Ondersteuning bij en opbouwen van een sociaal netwerk; Ondersteuning van de thuisadministratie; Ondersteuning bij participatie (dagbesteding); Ondersteuning bij zelfzorg. Beperkingen kunnen dan ook betrekking hebben op iemands: sociale redzaamheid; gedrag; psychisch functioneren; geheugen of oriëntatiestoornissen; de organisatie van het huishouden of ondersteuning bij een ontregeld huishouden; bewegen en verplaatsen. Resultaten begeleiding De cliënt kan in aanmerking komen voor begeleiding en/of dagbesteding indien dat bijdraagt aan het behouden of mogelijk verbeteren van diens zelfredzaamheid en participatie. Begeleiding wordt slechts verleend indien de te bereiken resultaten zijn gericht op: Het zo lang mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; en/of Het in aanvaardbare mate kunnen meedoen in de maatschappij. Het College kan ondersteuning bieden op een aantal terreinen\activiteiten (art. 8.3 lid 4 van de Verordening). Daarmee is strikt genomen geen limitatief stelsel beoogd. Er kunnen dan ook meer voorbeelden denkbaar zijn. De resultaten van de in de Verordening genoemde ondersteuning kunnen per terrein verschillend zijn. Een aantal voorbeelden worden in de onderstaande tekst genoemd. Resultaten sociale redzaamheid: sociaal netwerk Cliënt heeft gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk Client kan eigen problematiek in relatie tot sociale netwerk hanteren Bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk Resultaten sociale redzaamheid: thuisadministratie Overzicht van de administratie / administratie op orde Tijdige betaling van rekeningen Inkomsten en uitgaven in balans Indien aanwezig beheersbaar maken van de schulden problematiek (en indien mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast) Resultaten sociale redzaamheid: zelfzorg Cliënt is in staat zich zelf te verzorgen Cliënt draagt schone kleding Cliënt ziet er in het algemeen verzorgd uit Cliënt komt, zonder ondersteuning, afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na Resultaten participatie: dagelijkse activiteiten en mobiliteit Cliënt heeft een zinvolle dagbesteding (in principe als algemene voorziening) Mantelzorg is ontlast Cliënt is zelf in staat - al dan niet met hulpmiddelen - in staat zich te verplaatsen. Voor het verlenen van een vervoersvoorziening wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Resultaten organisatie van het huishouden of ondersteuning bij een ontregeld huishouden Onder begeleiding kan ook de organisatie van het huishouden of hulp bij een ontregeld huishouden worden verstaan. Deze wordt slechts verleend indien de te bereiken resultaten zijn gericht op (het aanleren van) het zelf uitvoeren van belangrijke huishoudelijke taken zodat de cliënt in staat wordt gesteld een gestructureerd huishouden te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de organisatie van het huishouden en ondersteuning bij een ontregeld huishouden. 6.1.6 Organisatie van het huishouden Het College kan de te verlenen maatwerkvoorziening combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Voor zover het gaat over het overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden heeft het te bereiken resultaat betrekking op een schoon en leefbaar huis (zie hoofdstuk 5 van deze beleidsregels). Het ligt overigens wel voor de hand dat de cliënt ook voor andere beperkingen ondersteuning nodig heeft. Verder is het zo dat degene die de begeleiding biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming te komen in de te bieden maatschappelijke ondersteuning. Dat kan dan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijke hulp biedt. 6.2Personen met een zintuiglijke beperking Vanaf 1 januari 2015 is de gemeente in het kader van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van cliënten met een zintuiglijke beperking. Van deze groep zintuiglijk gehandicapten (ZG) heeft een aantal cliënten vanwege de aard van de aandoening een structurele behoefte aan specialistische begeleiding. Deze behoefte is er bij mensen die naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben met andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Complex dus, waarbij reguliere ondersteuning niet volstaat en het noodzakelijk is specialistische begeleiding in te zetten door een aanbieder die is gespecialiseerd in het werken met deze doelgroep. Daarom heeft de VNG in afstemming met het ministerie van VWS landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Landelijke inkoopafspraken specialistische begeleiding De VNG heeft de landelijke afspraken vastgelegd in een landelijke raamovereenkomst, vooralsnog voor drie jaar (2015 t/m 2017). De inhoud staat vast en kan niet worden aangepast door de individuele gemeenten. De raamovereenkomst kent geen exclusief recht (gedwongen winkelnering). Maar als de gemeente gebruik maakt van de raamovereenkomst zijn de rechten en plichten dwingend. Het college geeft wel een beschikking voor deze specialistische begeleiding. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om: Specialistische begeleiding doofblinde volwassen Specialistische begeleiding visueel beperkte volwassenen Specialistische begeleiding vroegdove volwassen 6.2.1 Doventolk De Landelijke Regeling voor de uitvoer en bemiddeling van de Doventolkvoorziening is in het kader van de WMO 2015 is voor de jaren 2016 en 2017 gegund aan Berengroep. Doven en doventolken kunnen zich rechtstreeks tot Berengroep richten. Zij voeren de regeling uit. 6.3Kortdurend verblijf Verordening: artikelen 8.5 en 8.6 Kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, is onderdeel van de wettelijke definitie van een maatwerkvoorziening (art. 1.1.1 eerste lid van de wet). Als is vastgesteld dat het noodzakelijk is dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast, er geen aanspraak geldt op voorliggende wetgeving en als andere mogelijkheden (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning en dagbesteding) onvoldoende oplossing bieden, geldt tenminste nog één van de volgende criteria: De cliënt is tijdelijk aangewezen op ondersteuning welke gepaard gaat met permanent toezicht; De mantelzorger wil de zorg tijdelijk onderbreken om rust te nemen De mantelzorger kan de zorg alleen volhouden als kortdurend verblijf wordt ingezet. 6.3.1 Doel en intensiteit kortdurend verblijf Permanent toezicht kan verschillende doelen hebben en verschillen in intensiteit. Afhankelijk daarvan kan de toezichtfunctie op verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn op: Het bieden van ondersteuning of fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte of aandoening; Het verlenen van ondersteuning of fysieke zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; Het ingrijpen bij gedragsproblemen: therapeutisch: gericht op verbetering van de gedragsstoornis of aanleren van ander gedrag; of preventief: voorkomen van escalatie en gevaar. 6.3.2 Een dagdeel of etmaal per week Het College kan kortdurend verblijf voor een dagdeel of een etmaal per week toekennen, waarbij geldt dat het College kan afwijken van de gestelde norm. Dat kan minder maar ook meer zijn, afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte die noodzakelijk is. Het College kan in voorkomende gevallen de maatwerkvoorziening weigeren. Dat is het geval wanneer er moet sprake is van een situatie waarin het niet meer verantwoord is dat de cliënt in zijn eigen leefomgeving blijft wonen en daarom aanspraak kan maken op toegang tot de Wlz. Is de cliënt daarentegen niet aangewezen op permanent toezicht, dan zou bijvoorbeeld dagbesteding uitkomst kunnen bieden om de mantelzorger te ontlasten. Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of in een accommodatie van een door het College goedgekeurde aanbieder. Onder deze maatwerkvoorziening is ook, zo nodig, het vervoer naar de locatie begrepen waar het kortdurend verblijf wordt geboden. Het is niet aannemelijk dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn. 6.3.3 Respijtzorg Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf voor slechts wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het College wel rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op kort verblijf op grond van de (aanvullende verzekering) Zorgverzekeringswet of andere voorliggende wetgeving. Hoofdstuk7Hulp gericht op het wonen 7.1Inleiding In artikel 9.1, 9.2 en 9.5 van de Verordening staan de vormen van maatschappelijke ondersteuning genoemd die het College kan verlenen, wat de reikwijdte daarvan is en wat de te bereiken resultaten zijn die daarbij gelden. Het College kan ondersteuning bieden in de vorm van een woonvoorziening (zie begripsbepaling in de Verordening). Voor wat betreft de reikwijdte kunnen beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde zijn. Het te bereiken resultaat bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (zie hierna). 7.1.1 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet gaan om elementaire woonfuncties en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 eerste lid van de Verordening. Het College kan aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen verlenen in de vorm van: woonvoorzieningen; voorzieningen om zich in en om de woning verplaatsen. 7.1.2 Algemeen over woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 wordt artikel 16 Woningwet geschrapt. De eigenaar van de door de cliënt gehuurde woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het College of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 Wmo 2015 dat het College of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het College dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die thans gelden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Hoewel het niet meer noodzakelijk is dat de woningeigenaar van de door de cliënt gehuurde woning toestemming geeft voor de woningaanpassing, kan deze wel derde-belanghebbende zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het College of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. 7.2Specifieke criteria Verordening: artikel 9.3 De Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Artikel 9.3 lid 2 onder a en b Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er uitgesloten situaties genoemd waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in het vierde lid zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Kamers (onzelfstandige woonruimten) die verhuurd worden vallen daar niet onder. Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Indien een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/of gehandicapten wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. Uit de jurisprudentie blijkt wel dat er zware eisen kunnen gelden om aan te nemen dat een woongebouw specifiek is gericht op mensen met beperkingen (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:2009:BI9087). 7.2.1 Weigering woonvoorziening Verordening: artikel 9.3 lid 4 In dit lid zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Onder a: geen dringende reden om te verhuizen Deze weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de cliënt verhuist en het College na de melding confronteert met een aanvraag om een woonvoorziening terwijl in de ‘oude’ woning geen belemmeringen worden ondervonden in het normale gebruik van de woning. Met andere woorden; de cliënt is verhuisd van een adequate naar een niet-adequate woning. Op grond van de Verordening bestaat dan ook geen recht op de aangevraagde voorziening(en), tenzij sprake is van een dringende reden om te verhuizen. Wat een dringende reden is, is steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Er is alleen sprake van een dringende reden die aanleiding vormt voor de verhuizing als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een andere passende oplossing te zorgen. Onder dringende redenen kunnen bijvoorbeeld het aanvaarden van werk of huwelijk (samenwoning) worden geschaard. Een verhuizing van een adequate woning naar een niet-adequate woning wegens de verkoop van het eigen bedrijf vormt in beginsel geen belangrijke reden. Ook de wens een groot gezin te hebben wordt daar niet toe gerekend. Ingeval van een huwelijk (samenwoning) wordt echter wel rekening gehouden met de keuze die de aanvrager heeft gemaakt door in de niet-adequate woning van de partner te gaan wonen waardoor voorzieningen nodig zijn. Onder b: zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning In het algemeen kan worden gesteld dat men zelf verantwoordelijk is voor het bewonen van, dan wel beschikken over een woning. Hiermee wordt nadrukkelijk ook bedoeld dat men vrij is in de keuze daarvan. Wel moet rekening worden gehouden met het betrekken van de meest geschikte en beschikbare woning gelet op de beperkingen. Deze bepaling geeft de bewijslastverdeling weer tussen de cliënt die vraagt om een voorziening en het College. De Verordening bepaalt dat de aanvrager vooraf schriftelijk toestemming moet vragen en dus ook verkrijgen om te verhuizen dan wel zich in de gemeente te vestigen in geval een beroep wordt gedaan op een woonvoorziening. Wordt dat nagelaten te doen, dan geldt dat de cliënt moet aantonen of tenminste aannemelijk maken dat de gekozen oplossing de enige mogelijkheid was. Kan de cliënt dat niet, dan blijven de gevolgen voor diens eigen risico (CRVB:2012:BY5215). Het ligt voor de hand dat de cliënt bij de melding van de hulpvraag en het gesprek wordt geattendeerd op de geldende regels. Onder c: gemeenschappelijke ruimten De Verordening bepaalt dat aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten gelimiteerd worden (vergelijk CRVB:2011:BU4344-T). Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Een uitzondering kan dus slechts worden gemaakt voor de genoemde voorzieningen in dit onderdeel. Onder d: niet geschikt of bestemd gehele jaar te bewonen Woningen die niet geschikt of bestemd zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in de begripsbepaling van artikel 1.1 eerste lid van de verordening. Daarom worden voor woningen die niet geschikt en bestemd zijn om het gehele jaar te bewonen geen woningaanpassingen verstrekt (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:2011:BR4180). Onder e: de aard van de materialen Uitgangspunt is dat de belemmeringen in het normale gebruik van de woning in beginsel moeten voortvloeien uit de bouwtechnische en woontechnische kenmerken van de woning zelf, inclusief de toegang. Deze afwijzingsgrond is verder bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. Voorbeelden zijn spaanplaat dat formaldehydegas bevat, halfsteens muren die veel waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid binnen, enz. Personen met en zonder beperkingen zullen met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie beperkingen en de woning, maar door de gebruikte materialen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Onder f: renovatie en eisen aan de woning Aan deze afwijzingsgrond(
  3. en)ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Onder deze bepaling vallen ook de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Indien het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich, hij zal de woonvoorziening zelf moeten realiseren. Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. Dat wil zeggen dat de cliënt, voor zover de woning niet voldoet aan de eisen, in beginsel de woningeigenaar moet aanspreken om de voorziening te realiseren in of om de woning. Er kan gedacht worden aan een woning die niet voldoet aan de eisen van deze tijd waaronder ook achterstallig onderhoud of het ontbreken van centrale verwarming of douche (lavet). 7.2.2 Primaat verhuizen; verhuizen naar een andere woning Verordening: artikel 9.4 Om te voorkomen dat bij een relatief eenvoudige woningaanpassing het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Indien de kosten van de woningaanpassing meer dan het in het Besluit Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Wassenaar genoemde bedrag bedraagt of deze woning niet kan worden aangepast, zal de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning met de cliënt besproken worden. Door het college wordt onderzocht of het primaat van verhuizen kan worden toegepast. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie anders kan zijn. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van relevante factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat. 7.2.3 Zwaarwegende redenen Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden zijn: Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als niet verwacht wordt dat een (dementerende) cliënt binnen een redelijke termijn zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de woning of woonomgeving én er geen aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg (langdurig verblijf). Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg professionele hulp overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Ook hier geldt de beoordeling of er aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg (langdurig verblijf). De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend. Er is een aanzienlijke stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd die de draagkracht van de aanvrager te boven gaat. 7.2.4Uitraasruimte Onder een uitraaskamer wordt verstaan een verblijfsruimte waarin een cliënt die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Bepaalde stoornissen van cliënten met een beperking, bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een verblijfsruimte waarin een cliënt die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. De voorwaarden (aangewezen zijn
  4. op)voor het toekennen van een uitraaskamer zijn: De cliënt beschadigt zichzelf (zelfverwonding) De cliënt beschadigt de omgeving (vernielzucht) Er is sprake van niet corrigeerbaar gedrag door ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is er geen sprake van een uitraaskamer in de zin van de Wmo. Verder zal het College moeten beoordelen of het de maatwerkvoorziening kan weigeren omdat het niet verantwoord is om in de eigen leefomgeving te blijven wonen en de cliënt toegang kan krijgen tot de Wlz (langdurig verblijf). Hoe een dergelijk ruimte er precies uit moet zien hangt af van de individuele situatie. Het is belangrijk dat de uitraasruimte prikkelarm is, dus met zo min mogelijke losse voorwerpen en gebruikte materialen zonder uitstekende delen. Inrichtingselementen en zaken voor zorg of oppas (bijvoorbeeld en camerasysteem) vallen niet onder de ondersteunings-plicht. Dit kan worden opgelost door een raam in de deur van de ruimte te zetten. Ook geluidsisolatie om huisgenoten of buren tegen lawaai te beschermen valt niet onder de ondersteuningsplicht. Zo nodig kan door een arts en/of ergonomisch adviseur worden bepaald of er een noodzaak is voor een uitraasruimte en wat de eisen daaraan zijn. In het algemeen zal sprake zijn van het aanpassen van een bestaande slaapkamer. 7.3Hulpmiddelen Hulpmiddelen zijn bedoeld om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen. Het kan gaan om een vervoersvoorziening maar ook om woonvoorzieningen. De uitleen van hulpmiddelen valt onder de werking van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Of de cliënt in aanmerking komt voor een woonvoorziening, hangt af van de aanwezige beperkingen van de cliënt en de ondervonden belemmeringen in het normale gebruik van de woning. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van roerende woonvoorzieningen in plaats van een aard- en nagelvaste woonvoorziening. Ook zal bij voorkeur met roerende woonvoorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen op de wachtlijst staan voor opname in een Wlz-instelling, tenzij aanspraak bestaat op een hulpmiddel op grond van de Zvw of Wlz. Ook geldt dit uitgangspunt in andere situaties waarin de cliënt weliswaar voor een langere periode is aangewezen op de woonvoorziening, maar waarin de verstrekking van een aard- en nagelvaste woonvoorziening als risico met zich meebrengt dat deze op zichzelf niet voor langere tijd zal worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan terminale situaties. Uitgangspunt bij het indiceren is: wat is noodzakelijk en de goedkoopst adequate oplossing om de cliënt te ondersteunen. Voldoet bijvoorbeeld in een complexe situatie de gewone tillift niet en is het in die specifieke situatie noodzakelijk een actieve tillift te indiceren welke bediend zal worden door een mantelzorger, dan wordt er ook voor gezorgd dat de mantelzorger de benodigde instructie ontvangt zodat de mantelzorger getraind wordt in het omgaan met deze voorziening. Woningaanpassing of woonvoorziening. Zaken als (al dan niet nagelvaste) tilliften of douchestoeltjes worden niet beschouwd als woningaanpassing maar als woonvoorziening/hulpmiddel. Is er sprake van een kleinere of grotere verbouwing, dan is sprake van een woningaanpassing. Bij een kleine verbouwing kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het drempelvrij maken van de woning of het vervangen van een bad door een inloopdouche, bij een grotere verbouwing bijvoorbeeld aan een noodzakelijke aanbouw. 7.4Rolstoel Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Het gaat in beginsel om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het allereerst om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Het gaat om cliënten die een rolstoel nodig hebben omdat ze geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. 7.4.1Incidenteel rolstoelgebruik Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend indien een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om cliënten die rolstoelafhankelijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Afhankelijk van de aard van het gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een rolstoelpool, een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn. Dat laatste is vaak het geval in bijvoorbeeld winkelcentrum, ziekenhuizen, pretparken en dergelijke. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in het aanvullend collectief vervoer of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen. Hoofdstuk8Hulp bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer 8.1Inleiding Verordening: artikel 10.1 Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving en het ontmoeten van medemensen en het aangaan van sociale verbanden met hen, gericht op zelfredzaamheid en participatie. 8.1.1 Resultaten Verordening: artikel 10.2 Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich kunnen verplaatsen met als doel participatie kan bijvoorbeeld bestaan uit: het kunnen doen van boodschappen; het kunnen onderhouden van sociale contacten; het deelnemen aan activiteiten, binnen de leefomgeving van de cliënt. 8.1.2 Voorliggende voorziening Het College is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden opgelost of verminderd. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om een wettelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd. Ziekenvervoer Zvw Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt. Onder de doelgroep vallen cliënten die: nierdialyses moeten ondergaan oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Leefvervoer WIA (Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen) Op grond van de WIA kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (artikel 35 lid 3 WIA). Dat is een voorliggende voorziening als bedoeld in de begripsbepalingen van de Verordening omdat de vervoersvoorziening betrekking heeft op dezelfde vervoersfunctie in de leefsfeer (CRVB:2012:BV9433). Cliënten met een te hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening. Dit betekent echter niet dat het College om die reden een vervoersvoorziening kan weigeren. Voor deze cliënten geldt vaak wel dat zij de voorziening uiteindelijk zelf betalen door middel van de eigen bijdrage Wmo Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. 8.2Beleidsuitgangspunten Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals een fiets met trapondersteuning of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Het ligt op zijn weg om te stellen en te onderbouwen dat de betreffende algemeen gebruikelijke voorzieningen in zijn geval geen geschikte vervoermiddelen zijn in het zich kunnen verplaatsen binnen de leefomgeving met het oog op zijn participatie. Het hanteren van een gelimiteerde lijst met voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, gaat eigenlijk niet. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet de gemeente –hoe tegenstrijdig het ook klinkt- namelijk kijken naar het individuele geval. Iedere aanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van de aanvrager (zie bijvoorbeeld CRVB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De gemeente kan dus niet zomaar stellen dat een bepaalde voorziening in ieder individueel geval gebruikelijk is. Een voorziening is daarmee dus nooit als zodanig algemeen gebruikelijk. Dit betekent niet dat het voor de uitvoerders binnen de gemeente niet handig kan zijn een lijst te maken van voorzieningen die vaak algemeen gebruikelijk zijn. (zie bijlage V bij deze beleidsregels). Die lijst kan wel een indicatie geven of voorzieningen speciaal bedoeld zijn voor personen met een beperking en of ze ook in de normale handel verkrijgbaar zijn. Maar steeds zal toch een individueel onderzoek moeten plaatsvinden. Bij dat onderzoek zijn natuurlijk de criteria van belang waardoor de gemeente kan bepalen of de voorziening algemeen gebruikelijk is. Volgens de CRVB kan met het criterium ‘algemeen gebruikelijk’ worden beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende daarover ook zou hebben beschikt als hij niet gehandicapt was (zie o.a. CRVB 14-072010, nr. 09/562 WvG). Of sprake is van een algemeen gebruikelijk voorziening voor een persoon als de aanvrager wordt bepaald door het antwoord op de vraag: zou de aanvrager over de voorziening hebben kunnen beschikken als hij niet gehandicapt was geweest? Uit de jurisprudentie blijkt dat bij die beoordeling een aantal criteria een rol spelen. Zoals: is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek ontworpen voor gehandicapten? Deze criteria komen overeen met de Verordening maatschappelijke ondersteuning Wassenaar, artikel 1.1. lid 1b, waarin een algemeen gebruikelijke voorziening als volgt wordt omschreven: “een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten;”. Ook in deze beleidsregels komt de definitie van wat we onder algemeen gebruikelijk verstaan terug in hoofdstuk 3 onder ‘Specifieke criteria maatwerkvoorzieningen’. (paragraaf 3.3). Verder wordt bij de beoordeling onderzocht of de opstapplaats voor het (niet vraagafhankelijk) Openbaar Vervoer te voet, per fiets of in voorkomende gevallen per bus (of ander Openbaar Vervoer) kan worden bereikt en vervolgens kan worden gebruikt. Mogelijk kan dat met de gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk is van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte bevind. In die gevallen beoordeelt het College of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor hem

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.