Verordening Participatiewet (PW) en IOAW-IOAZ, Wgs Waalre 2024 De raad van de gemeente Waalre; - Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 09 juli 2024, nr. 2024-72; - Gelet op artikel 8, 8a en 8b van de Participatiewet, artikel 35 IOAW-IOAZ en artikel 2 Wgs; 1.Inleiding Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • Werken en participeren; • Uitkeringen, en; • Hulpverlening bij schulden; 1.1Waarom deze regels In Nederland vinden we het belangrijk dat: • Mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven; • Mensen kunnen werken; • Mensen in ieder geval een minimum inkomen hebben; en • Mensen hun financiën op orde hebben. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat in deze verordening om de; • Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ; • Wet gemeente schuldhulpverlening (Wgs); • Gemeentewet. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Als dat zo is, wordt dat aangegeven in deze verordening. 1.2Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. Zijn bedoeld om de genoemde doelen te realiseren en de knelpunten van inwoners op te lossen; 2. Zijn goed te begrijpen; 3. Regelen niet meer dan nodig is; 4. Houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. Kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; 6. Zijn onderling afgestemd op elkaar; 7. Respecteren de wettelijke regels, maar geven daar wel een invulling aan die nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 1.3Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. De gemeente betrekt daar bij de volgende kernwaarden: 1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de doelen te realiseren. 2. Inwoners zetten zich er voor in om deze doelen te bereiken. 3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen. 4. Bij het bieden van hulp of ondersteuning betrekt de gemeente de uitgangspunten van de visie maatschappelijke participatie: a. Verbonden; we kennen elkaar en helpen elkaar. b. Vertrouwd: we kunnen ons zelf zijn en worden serieus genomen. c. Vlakbij: we kennen de weg naar voorzieningen in de buurt, d. Vindingrijk: we gebruiken de slimste hulpmiddelen. e. Voorkomen: we treden preventief op; en f. Vooruit; we pakken samen door. 1.4Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1. zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet er iets over terug te vinden is. Dit verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 en 147 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als in de Awb specifieke bepalingen staan die op dat artikel van toepassing zijn. 2.De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp of ondersteuning kan vragen als het gaat om werk en inkomen of schuldhulpverlening. In dit hoofdstuk staat beschreven hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen en hoe de gemeente hiermee om gaat. Daarnaast staat beschreven wat de gemeente hierin van de inwoner verwacht. Kernwaarden • De hulpvraag van de inwoner staat centraal. • De inwoner is verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner en vrij toegankelijke hulp gaan voor. • De gemeente helpt de inwoner om zijn eigen mogelijkheden te zien en te gebruiken. • De toegang tot ondersteuning of hulp van de gemeente is makkelijk vindbaar. 2.1Melding bij de gemeente 2.1.1Indienen hulpvraag 1.Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan dit schriftelijk, mondeling of digitaal doen. 2.Een melding over een hulpvraag waarbij een PW-uitkering of een IOAW-uitkering gewenst wordt, kan alleen digitaal gedaan worden via www.werk.nl . Een melding over een hulpvraag waarbij deelname aan de collectieve zorgverzekering gewenst wordt, kan alleen digitaal worden gedaan via www.gezondverzekerd.nl . 3.De gemeente bevestigt de melding zo snel mogelijk mondeling, per brief of per e-mail aan de inwoner en gaat de hulpvraag onderzoeken. 2.2Onderzoek na de melding 2.2.1Gegevens 1.De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. 2.Als de gegevens voldoende informatie bieden om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner, kan de gemeente afzien van een gesprek, tenzij de inwoner een gesprek wenst. 2.2.2Doel en procedure gesprek 1.In de meeste gevallen zal na de melding of aanvraag een gesprek met de inwoner plaatsvinden. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van: de hulpvraag, het effect dat de inwoner wil bereiken, en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.De gemeente nodigt de inwoner uit voor dit gesprek. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. 3.Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn als dat van belang is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner. Ook is het mogelijk dat het gesprek telefonisch plaatsvindt als dat voldoende is om het doel te bereiken. 4.De gemeente geeft in de uitnodiging ook informatie over: de mogelijkheid om iemand, bijvoorbeeld een familielid of een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner), mee te nemen naar het gesprek, en indien van belang: de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag. 2.2.3Inhoud gesprek 1.In het gesprek onderzoekt de medewerker: de hulpvraag van de inwoner: welk probleem ervaart de inwoner, wat is de vraag die de inwoner heeft en wat wil de inwoner bereiken? de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect? de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? de omgeving van de inwoner: welke hulp of ondersteuning kan het sociale netwerk of kunnen andere organisaties bieden? 2.Als de inwoner zelf een plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker van de gemeente dit bij het gesprek. 3.De medewerker informeert de inwoner, als hier aanleiding toe bestaat, over: de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. De inwoner krijgt informatie over de vorm waarin hulp of ondersteuning door de gemeente geboden kan worden en of er sprake kan zijn van een bijdrage door de inwoner in de kosten. de mogelijkheid dat de gemeente gebruik maakt van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige. de wijze waarop het sociale en het professionele netwerk van de inwoner betrokken wordt bij het in beeld krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner en de (on)mogelijkheden om tot een oplossing te komen. 2.2.4Verslag onderzoek 1.De medewerker maakt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 2.3Aanvraag 2.3.1.Aanvraag 1.Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp of ondersteuning gaat verlenen en welke vorm die hulp of ondersteuning dan heeft. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. 2.De melding over een hulpvraag waarbij een PW-uitkering of een IOAW-uitkering gewenst wordt, wordt gezien als een aanvraag op het moment dat de inwoner dit bij de gemeente bevestigt. 3.De hulpvraag voor schuldhulpverlening wordt in het eerste gesprek vastgesteld. 2.3.2Voorwaarden voor hulp of ondersteuning 1.Om in aanmerking te komen voor hulp of ondersteuning, moet: de hulp of ondersteuning noodzakelijk zijn om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; de inwoner geen mogelijkheden hebben om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken; en de hulp of ondersteuning passen bij de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.Voor sommige vormen van hulp of ondersteuning zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. 2.3.3Beoordelen aanvraag 1.Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. 2.Om te bepalen of de gemeente hulp of ondersteuning verleent, stelt de gemeente het volgende vast: De hulpvraag van de inwoner; welke eventuele problemen, beperkingen en/of stoornissen er precies zijn; wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen; welke aanvullende hulp of ondersteuning nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 2.3.4Deskundigheid beoordeling De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 2.4Beslissing 2.4.1Toekennen of weigeren aanvraag 1.De toe te kennen hulp of ondersteuning is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste hulp of ondersteuning die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 2.De gemeente kan hulp of ondersteuning weigeren als: een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien, of een inwoner de gevraagde hulp of ondersteuning al zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. 2.4.2Inhoud besluit 1.De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de gemeente hulp of ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of dit in natura, in geld of op een andere manier wordt gegeven. 2.Biedt de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3.Niet van toepassing 4.Biedt de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: voor welk doel het geld wordt gegeven; wanneer het geld wordt betaald; hoe vaak het geld wordt betaald; welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 2.4.3Beslistermijn besluit 1.Op een aanvraag voor een PW-uitkering, een IOAW-uitkering beslist de gemeente binnen 8 weken. 2.Op een aanvraag voor ondersteuning aan zelfstandigen op grond van de PW (Bbz 2004), beslist de gemeente binnen 13 weken. 3.De gemeente neemt binnen 8 weken na het eerste gesprek een beslissing over de hulpvraag voor schuldhulpverlening. 2.5Uitzonderingen 2.5.1 Niet van toepassing 2.5.2Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a.het garanderen van basisvoorzieningen voor inwoners of ondernemers met problematische schulden. 3. Niet van toepassing 4. Niet van toepassing 5. Niet van toepassing 6.Ondersteunen naar werk De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden ondersteund bij het vinden en houden van betaald werk. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke vormen van ondersteuning (voorzieningen) de gemeente kan bieden. Sommige voorzieningen worden toegekend aan een inwoner en sommige voorzieningen worden toegekend aan een werkgever. Dit hoofdstuk gaat ook over de tegenprestatie die de gemeente aan de inwoner kan opleggen. Dit hoofdstuk heeft enkel betrekking op de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Kernwaarden • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden van de inwoner om (deels) een eigen inkomen te verdienen gaan voor. • De inwoner wordt zo goed mogelijk naar betaald werk geleid. • De ondersteuning is erop gericht dat een uitkering voor een zo kort mogelijke duur of een zo laag mogelijk bedrag nodig is. • Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. • De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare inwoners. 6.1Voorzieningen – werk 6.1.1Voorzieningen 1.De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel hiervan is het vinden of behouden van betaald werk. De ondersteuning kan worden aangevraagd door de inwoner. Als de voorziening ook door de werkgever aangevraagd kan worden, wordt dit genoemd in het betreffende artikel van deze verordening. Voorzieningen die kunnen worden ingezet zijn: sociale activering participatieplaats beschut werk scholing trajecten gericht op arbeidsontwikkeling ondersteuning op een leerwerkplek werkstage proefplaatsing wettelijke loonkostensubsidie tijdelijke loonkostensubsidie uitstroompremie persoonlijke ondersteuning jobcoach persoonlijke ondersteuning interne werkbegeleider nazorg werkgeverspremie vergoedingen en voorzieningen om betaald werk te krijgen en te behouden. 2.De gemeente beoordeelt per persoon of inzetten van een voorziening bijdraagt aan arbeidsinschakeling of het behoud van arbeid. Als dit het geval is, beoordeelt de gemeente na overleg met de inwoner en de eventuele werkgever, welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals gezondheid, financiële situatie, welzijn, wonen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3.De gemeente legt in een plan of in de beschikking vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en welke afspraken hierover met de inwoner worden gemaakt. Ook wordt hierin opgenomen wat de gevolgen zijn als de inwoner niet mee werkt aan de ondersteuning. 4.Er worden geen voorzieningen ingezet als dit leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties of verdringing van reguliere werknemers. 5.De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden in aanmerking komen voor ondersteuning. 6.De gemeente kan de ondersteuning stoppen als: de inwoner betaald werk heeft gekregen waarbij de voorziening niet nodig is; de inwoner de afspraken over de ondersteuning niet nakomt; de voorziening onvoldoende blijkt bij te dragen aan het krijgen of behouden van betaald werk. 6.1.2Sociale activering De gemeente kan een inwoner activiteiten aanbieden als voorbereiding op een traject gericht op werk, die de inwoner helpen om sociale contacten op te bouwen en zinvol de dag in te vullen. De activiteiten worden afgestemd op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 6.1.3Participatieplaats 1.De gemeente kan een inwoner die voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden met behoud van uitkering. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst staat in ieder geval: doel van de participatieplaats; beschrijving van de taken en de tijden van aanwezigheid; afspraken over begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden; afspraken over de monitoring van de voortgang en de evaluatiemomenten; beoogde ontwikkelstappen tijdens de duur van de participatieplaats; noodzakelijke inzet van ondersteunende voorzieningen; afspraken over aanvullende vergoedingen voor extra kosten van de persoon. 2.Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3.De inwoner ontvangt na iedere zes maanden een premie van € 350,00. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. 6.1.4Beschut werk 1.De gemeente kan een beschutte werkplek aanbieden aan inwoners die een indicatie hiertoe van het UWV hebben ontvangen. 2.De gemeente maakt het mogelijk dat een inwoner beschut kan werken, door: aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 3.Aan de inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat de gemeente het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken voor dat jaar al heeft bereikt, kan de gemeente een andere voorziening op grond van deze verordening aanbieden tot het moment dat er een beschutte werkplek beschikbaar is voor de inwoner. 4.Daarnaast kan de gemeente voorzieningen aanbieden die gericht zijn op het behoud of vergroten van het arbeidsritme en de kansen voor duurzame uitstroom in aangepast werk. 6.1.5Scholing 1.De gemeente kan een inwoner kortdurende scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar betaald werk voor een langere periode. 2.De scholing is arbeidsrelevant maar kan niet voltijds zijn en duurt niet langer dan nodig is. 3.De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. 4.Als een inwoner jonger dan 27 jaar is en ’s Rijkskas bekostigd onderwijs kan volgen, vergoedt de gemeente de scholing niet. 6.1.6Trajecten gericht op arbeidsontwikkeling 1.De gemeente kan een inwoner een arbeidsontwikkelingstraject aanbieden met behoud van uitkering, als dit traject nodig is om de stap te zetten naar betaald werk voor een langere periode. 2.Het doel van een arbeidsontwikkelingstraject is het aanleren van werknemersvaardigheden. 3.De gemeente bepaalt de vorm en de duur van het traject. 6.1.7Ondersteuning op een leerwerkplek 1.De gemeente kan een inwoner van 16 of 17 jaar die nog leer- of kwalificatieplichtig is, of van 18 tot 27 jaar zonder startkwalificatie, ondersteuning bieden op een leerwerkplek. 2.De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de ondersteuning. 6.1.8Werkstage 1.De gemeente kan een inwoner een werkstage aanbieden met behoud van uitkering. De werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst staat in ieder geval: het doel van de werkstage; en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; de duur van de werkstage. 2.Het doel van een werkstage is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring en/of -vaardigheden op te laten doen en/of het leren werken bij een werkgever 3.De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 4.De werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan eenmalig verlengd worden met 3 maanden, als hierdoor de kans op betaald werk aanmerkelijk wordt vergroot. 6.1.9Proefplaatsing 1.De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst. 2.Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk. 3.Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal 6 maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. 4.De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. 5.De proefplaatsing is niet mogelijk als de inwoner eerder bij de werkgever betaald of onbetaald gewerkt heeft. 6.De gemeente bepaalt de duur en de omvang van de proefplaatsing, waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 7.De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als: a.redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk; of b.direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 8.Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het zesde lid, buiten beschouwing gelaten. 9.De gemeente kan een persoon tijdens de periode van de proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 6.1.10Wettelijke loonkostensubsidie 1.De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om inwoners die in het doelgroepregister voor de banenafspraak staan omdat het UWV dat heeft bepaald of omdat de gemeente heeft vastgesteld dat ze dit minimumloon niet kunnen verdienen via de praktijkroute. 2.Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3.De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. De gemeente hanteert het preferente werkproces voor het verlenen en vaststellen van de subsidie. 4. Als bij aanvang van het dienstverband de loonwaarde niet bekend is, kan een forfaitaire loonkostensubsidie afgesproken worden tussen werkgever en gemeente, voor de duur van maximaal 6 maanden. 5. Na afloop van de toegekende periode, wordt de loonkostensubsidie op basis van de werkelijke gemeten loonwaarde toegekend en vindt geen verrekening plaats over de voorgaande periode. 6.De loonkostensubsidie kan door de werknemer of werkgever worden aangevraagd. 6.1.11Tijdelijke loonkostensubsidie 1.De gemeente kan een werkgever die niet in aanmerking komt voor de wettelijke loonkostensubsidie een tijdelijke loonkostensubsidie geven als hij een inwoner in dienst neemt, die een tijdelijke lagere productiviteit heeft en/of extra begeleiding nodig heeft bovenop de reguliere begeleiding van de werkgever. 2.De subsidie is een vergoeding voor de extra kosten voor begeleiding door de werkgever en een tegemoetkoming voor de eventuele lagere productiviteit. 3.De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 7 maanden met een mogelijkheid voor verlenging met 5 maanden. 4.De werkgever komt in aanmerking voor loonkostensubsidie als de inwoner voor minimaal 6 maanden in dienst wordt genomen. 5.De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast hoe de subsidie wordt verleend en vastgesteld. 6.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk 7.De loonkostensubsidie kan door de werknemer of werkgever worden aangevraagd. 6.1.12Uitstroompremie 1.De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie van een bedrag van € 1.000 toekennen aan een langdurig werkloze inwoner die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van de gemeente. 2.Onder een langdurig werkloze inwoner wordt verstaan: een persoon van 27 jaar of ouder die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van de gemeente aangewezen is geweest. 3.Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 maanden door inkomsten uit werk. 4.De premie kan worden aangevraagd in de periode van 7 tot en met 12 maanden na beëindigingsdatum van de uitkering door werkaanvaarding. 6.1.13Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk 1.De gemeente kan op aanvraag of ambtshalve persoonlijke ondersteuning naar en bij werk verstrekken aan personen behorend tot de doelgroep. 2.De persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; 3.De persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning mogelijk bijstandsgerechtigd worden; 4.De werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; 5.Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; 6.Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning naar en bij werk moet binnen twaalf weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij de noodzaak voor dergelijke ondersteuning redelijkerwijs niet bekend kon zijn vóór of bij aanvang van het dienstverband. 7.De gemeente stelt in nadere regels de omvang van de persoonlijke ondersteuning vast, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 6.1.13a.Jobcoaching in natura 1.De gemeente kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2.Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt moet voldoen aan het Blik op Werk-keurmerk èn zijn aangesloten bij in ieder geval één van de onderstaande genoemde keurmerken of beroepsverenigingen. Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’ Oval beroepsvereniging Hobeon NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’ 3.De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende inwoner en bedraagt de eerste zes maanden maximaal zesentwintig uur. Indien noodzakelijk kan de inzet worden verlengd met telkens zes maanden tot een maximum van drie jaar. 4.Indien het aantal uren in het voorgaande lid niet toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling van de inwoner is kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. Als door of namens gemeente een of meer jobcoaches gecontracteerd zijn, biedt de gemeente deze bij voorrang aan. 6.1.13b.Subsidie voor jobcoaching 1.De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het inzetten van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2.Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt moet voldoen aan het Blik op Werk-keurmerk èn zijn aangesloten bij in ieder geval één van de onderstaande genoemde keurmerken of beroepsverenigingen. Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’ Oval beroepsvereniging Hobeon NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’ 3.Subsidie voor het inzetten van jobcoaching kan worden verleend als: de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 4.De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende de inwoner en bedraagt de eerste zes maanden maximaal zesentwintig uur. Indien noodzakelijk kan de inzet worden verlengd met telkens zes maanden tot een maximum van drie jaar. 5.Indien het aantal uren in het voorgaande lid niet toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling van de inwoner is kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. 6.De gemeente kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij de gemeente zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 7.Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. 6.1.13.cInterne werkbegeleiding 1.Als een inwoner voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan de gemeente een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Hierbij geldt als richtlijn dat de subsidie bestaat uit 10% van het aantal uren dienstverband, maal het uurtarief van de begeleider voor de duur van zes maanden, met een eventuele verlenging van twee keer zes maanden indien noodzakelijk. 2.Indien de richtlijn in het eerste lid door omstandigheden niet toereikend is voor de begeleiding kan er subsidie worden verleend voor de aangetoonde meerkosten voor het organiseren van interne werkbegeleiding. De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 6.1.13.dExterne werkbegeleiding of nazorg 1.Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op extra begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan de gemeente extra begeleiding of nazorg na plaatsing bieden aan de werknemer en de werkgever voor de noodzakelijke ondersteuning bij het inwerken of het gaan functioneren op de werkplek. 2.De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen personen behorend tot de doelgroep vervolgens zelf te begeleiden. 6.1.14Werkgeverspremie Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om mensen met een bijstandsuitkering in dienst te nemen bestaat er een premieregeling. Werkgevers ontvangen deze premie wanneer zij iemand die langdurig in de uitkering zit in dienst nemen. 1.Een werkgeverspremie kan op aanvraag worden verleend. De premie wordt verleend aan werkgevers die een dienstbetrekking zijn aangegaan met een persoon die minimaal 12 maanden aaneengesloten een bijstandsuitkering heeft ontvangen en welke door het dienstverband geen beroep meer hoeft te doen op bijstand. 2.De premie als bedoeld in dit artikel bedraagt € 1.000,00 bij een dienstverband van minimaal 6 maanden. 3.De premie als bedoeld in dit artikel bedraagt € 2.000,00 bij een dienstverband van minimaal 12 maanden. 4.De premie wordt eenmalig verstrekt, bij aanvang van het dienstverband. 5.De werkgeverspremie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een ander artikel van de Verordening Participatiewet (PW) en IOAW- IOAZ, Wgs Waalre of de beleidsregels aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming in verband met indiensttreding van de werknemer. 6.1.15Vergoedingen om werk te krijgen of te behouden 1.De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken om werk te krijgen of te behouden, zoals: Een vergoeding voor kinderopvang; Een vergoeding voor reiskosten, waaronder ook de kosten van een fiets. 2.De gemeente stelt in uitvoeringsregels de hoogte van de vergoeding vast en aan welke voorwaarden de inwoner of de werkgever moet voldoen om de vergoeding te krijgen. 6.1.16Vervoersvoorziening 1.De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon uit de doelgroep die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek of activiteiten in het kader van arbeidstoeleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met vervoersvoorzieningen die vanuit het UWV worden verstrekt of kunnen worden verstrekt. 2.De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3.Voor de vaststelling van de hoogte van de vervoersvoorziening maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen. 4.De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 5.De gemeente brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 6.1.17Intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1.De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken of bij arbeidstoeleiding; 2.Voor de vaststelling van de omvang van de intermediaire activiteit maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen. 6.1.18Meeneembare voorzieningen 1.De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2.Het betreft het verstrekken van de meeneembare voorziening voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. 3.Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 4.De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. Wanneer een voorziening op maat gemaakt is voor de inwoner kan de gemeente besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 5.Het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; 6.Er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en 7.De kosten van de voorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.