Beleidsregels terugvordering, invordering en kwijtschelding Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Neder-Betuwe 2024College van de gemeente Neder-Betuwe Gelet op: artikelen 36b lid 6 , 53, 58, 60 lid 3 en 4 en 60c van de Participatiewet (Pw) artikelen 17, 25, 28 lid 2 en 3 en 29a van de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers (IOAW) Artikelen 17, 25, 28 lid 2 en 3 en 29a Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Zelfstandigen (IOAZ) Overwegende dat: het noodzakelijk is aanvullende regels te stellen over het terugvorderen, invorderen en verrekenen van uitkering of inkomensvoorziening en over het aflossen van leenbijstand; Besluit vast te stellen de Beleidsregels terugvordering, invordering en kwijtschelding Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Neder-Betuwe 2024. Algemeen Artikel1.Begripsbepalingen In deze beleidsregels verstaan we onder: bijstand: de uitkering voor levensonderhoud die wij hebben verstrekt op grond van de Pw, de IOAW of de IOAZ en/of bijzondere bijstand verstrekt op grond van artikel 35 van de Pw; debiteur: degene van wie bijstand wordt of is teruggevorderd; inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17 lid 1, van de Pw, artikel 13, lid 1, van de IOAW en artikel 13, lid 1, van de IOAZ; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte oudere werkloze werknemers; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Pw: Participatiewet; studietoeslag: de studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de Pw; het college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Neder-Betuwe. Hoofdstuk1.Verrekening, herziening en intrekking Artikel2.Verrekening van middelen 1.Het college maakt in alle gevallen gebruik van de bevoegdheid tot verrekening zoals bedoeld in artikel 58 lid 4 van de Pw, artikel 25 lid 4 van de IOAW en artikel 25 lid 4 van de IOAZ, zolang het gaat om onomstreden middelen. Dit zijn middelen die op basis van bewijstukken duidelijk zijn. 2.Het college neemt voorafgaand aan verrekening als bedoeld in lid 1 in alle gevallen contact op met de bijstandsgerechtigde om de wijze van verrekening aan te kondigen en/of te bespreken. 3.Uitgangspunt is dat de ontvangen middelen volledig worden verrekend. Afhankelijk van de hoogte van de verrekening en de impact ervan, benutten wij de maximaal toegestane wettelijke periode voor verrekening. 4.Als er na de maximaal toegestane periode van verrekening nog een bedrag overblijft van € 250,= of minder dat niet meer kan worden verrekend, dan ziet het college af van herziening of intrekking van het recht op bijstand en van terugvordering van het restant. Artikel3.Herziening en intrekking van het recht op bijstand (geen schending inlichtingenplicht) Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om het recht op bijstand in te trekken of te herzien, behalve als het bepaalde in artikel 2 van toepassing is. Hoofdstuk2.Terugvordering Artikel4.Terugvordering 1.Na toepassing van artikel 3 of in situaties waarin verrekening niet kan, maakt het college gebruik van de terugvorderingsbevoegdheden en vorderen wij in beginsel de ten onrechte of teveel betaalde bijstand volledig terug. 2.Als het college ten onrechte of teveel bijstand heeft verleend als gevolg van schending van de inlichtingenplicht door de debiteur, dan vorderen wij deze bijstand in beginsel volledig terug. Artikel5.Matiging van het terugvorderingsbedrag 1.Bij een beslissing als bedoeld in artikel 4 lid 1, neemt het college de zesmaandenjurisprudentie en het rechtszekerheidsbeginsel in acht. 2.Bij elke beslissing om bijstand terug te vorderen onderzoekt het college of er aanleiding is om de vordering te matigen. Wij komen daarbij tot een evenredige belangenafweging door rekening te houden met: de mate waarin wij de debiteur hebben voorgelicht over de rechten en plichten die horen bij een bijstandsuitkering; de mate waarin wij hebben gereageerd op (eerdere) signalen en verstrekte inlichtingen die van belang (kunnen) zijn voor het recht op bijstand; de mate waarin wij contact hebben onderhouden met de debiteur, bijvoorbeeld door middel van reguliere heronderzoeken en extra heronderzoeken als daar aanleiding toe bestond; ander handelen of nalaten aan onze kant dat er mede toe heeft geleid dat er ten onrechte, teveel of te lang bijstand is verstrekt. 3.ls een vordering ontstaan door schending van de inlichtingenplicht, dan matigt het college de vordering, als het de debiteur gelet op alle aanwezige omstandigheden niet kan worden verweten dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat is in ieder geval zo als een bewindvoerder heeft nagelaten de nodige inlichtingen te verstrekken. Dat is ook zo als de debiteur vanwege zijn psychische, mentale of cognitieve toestand niet goed in staat was aan de inlichtingenplicht te voldoen. 4.Als er vanwege lid 2 en/of lid 3 reden is om een vordering te matigen, dan doen we dat met 10% of een veelvoud daarvan. 5.Het besluit om een vordering te matigen op grond van lid 2 en/of lid 3 wordt genomen in overleg met de betrokken inkomensconsulent. Artikel6.Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien 1.Voordat het college een terugvorderingsbesluit neemt, onderzoekt het college of er aanleiding is om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De gemeente geeft de inwoner de mogelijkheid om informatie te geven die daarvoor van belang kan zijn. 2.Bij het nemen van een terugvorderingsbesluit betrekt het college in ieder geval niet alleen de financiële situatie van de inwoner. Ook weegt het college mee wat in andere leefgebieden van de inwoner van invloed kan zijn bij het nemen van het terugvorderingsbesluit 3.Indien de terugvordering wegens bijzondere omstandigheden ernstige gevolgen heeft voor de debiteur en het gezin, dan ziet het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering af. Het moet dan gaan om ernstige gevolgen: voor het psychisch functioneren en/of; voor het toekomstperspectief van de debiteur op het gebied van de arbeidsinschakeling, re-integratie of maatschappelijke participatie en/of; voor de financiële situatie als sprake is van forse schulden en/of; voor een hulpverleningstraject van een ketenpartner i.v.m. multi-problematiek. 4.Een besluit als bedoeld in lid 1 wordt genomen in overleg met de betrokken inkomensconsulent, de betrokken werkcoach of participatiecoach en (indien van toepassing) betrokken hulpverleners en/of ketenpartners. Artikel7.Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen 1.Als bij beëindiging van het recht op bijstand blijkt dat er een bedrag van € 250,= of minder bijstand teveel is betaald, dan ziet het college ervan af om dit bedrag terug te vorderen. 2.Als bij beëindiging van het recht op studietoeslag blijkt dat er een bedrag gelijk aan of minder dan het maandbedrag van de studietoeslag teveel is betaald, dan ziet het college ervan af om dit bedrag terug te vorderen. Artikel8.Brutering van de vordering 1.Als de vordering is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht en (het restant van) de vordering niet is voldaan in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft of waarin de vordering is ontstaan, dan bruteert het college (het restant van) de vordering. 2.Het college ziet af van brutering als bedoeld in lid 1, als de vordering mede en/of deels door ons toedoen is ontstaan en/of mede door ons toedoen niet is vastgesteld in het jaar waarop de vordering betrekking heeft. 3.Bij andere vorderingen, die niet zijn ontstaan door schending van de inlichtingenplicht, zien wij af van brutering, tenzij de debiteur aantoonbaar heeft nagelaten de vordering op tijd te voldoen terwijl hij daar wel toe in staat was. Hoofdstuk3.Invordering (het aflossen van de vordering) Artikel9.Aflossing door verrekening met lopende uitkering 1.Als de debiteur nog bijstand van ons ontvangt, dan verrekent het college de vordering met de bijstand op grond van artikel 60 lid 3 en 4 Pw, artikel 28 lid 2 en 3 IOAW en artikel 28 lid 2 en 3 IOAZ. Dit betekent dat wij maandelijks een bedrag op de uitkering inhouden waarmee de vordering wordt afgelost. Het college stelt het aflossingsbedrag vast op het voor beslag vatbare bedrag conform het bepaalde in artikel 475 van het Wetboek van Rechtsvordering. In beginsel komt dit overeen met 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag. 2.Het besluit tot invordering (verrekening als bedoeld in lid 1) combineert het college zoveel mogelijk met het terugvorderingsbesluit. 3.De verrekening gaat in met ingang van de maand volgend op de maand waarin het terugvorderingsbesluit is genomen, tenzij de debiteur ermee instemt dat de verrekening al eerder ingaat. 4.In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan op verzoek van de debiteur een flexibele betalingsregeling worden getroffen als de vordering daarmee binnen een periode van 36 maanden vanaf het moment van vaststelling van de vordering in zijn geheel wordt afgelost. Denk aan afspraken over een andere ingangsdatum, een hoger of lager aflossingsbedrag of aflossen door spaargeld of verdiensten uit vakantiewerk in te zetten. 5.Een betalingsregeling als bedoeld in lid 4 wordt in de vorm van een besluit vastgelegd. 6.Ten minste een keer per twaalf maanden hebben wij contact met de debiteur om na te gaan of er redenen zijn om de betalingsregeling aan te passen. De debiteur is verplicht om op ons verzoek de inlichtingen te verstrekken die voor het aflossen van de vordering van belang zijn. 7.Het college trekt een betalingsregeling als bedoeld in lid 4 in als de debiteur de afspraken niet nakomt. Met ingang van de maand volgend op de intrekking van de betalingsregeling geldt dan het bepaalde in lid 1. Artikel10.Aflossing bij debiteur zonder bijstand 1.Als de debiteur geen uitkering meer van ons ontvangt, dan hanteert het college ten aanzien van de invordering de regels uit dit artikel. 2.Het besluit tot invordering combineren wij zoveel mogelijk met het terugvorderingsbesluit. 3.In het besluit tot invordering vermelden wij: de hoogte van de vordering; de verplichting om de vordering in zijn geheel binnen zes weken na vaststelling van de vordering te voldoen; en de mogelijkheid om een betalingsregeling (als bedoeld in artikel 11) te vragen. Artikel11.Betalingsregeling bij debiteur zonder bijstand 1.Als de debiteur de vordering niet in zijn geheel binnen zes weken na vaststelling van de vordering kan voldoen, dan verleent het college uitstel van betaling en treffen wij een betalingsregeling. 2.Uitgangspunt van de betalingsregeling is dat de debiteur maandelijks 5% van zijn netto inkomen inclusief vakantietoeslag gebruikt om de vordering af te lossen (aflossingsbedrag). Op gemotiveerd verzoek van debiteur berekenen wij het voor beslag vatbare bedrag conform artikel 475 van het Wetboek van Rechtsvordering en stellen we het aflossingsbedrag daarop vast. 3.In afwijking van lid 2 kan op verzoek van de debiteur een flexibele betalingsregeling worden getroffen als de vordering daarmee binnen een periode van 36 maanden vanaf het moment van vaststelling van de vordering in zijn geheel wordt afgelost. Denk aan afspraken over een andere ingangsdatum, een lager aflossingsbedrag, variabele aflosbedragen en aflossen door spaargeld of verdiensten uit vakantiewerk in te zetten. 4.Naast het bepaalde in lid 2 en 3 geldt bij een vordering die is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht of wegens naderhand verkregen middelen een extra voorwaarde voor de betalingsregeling: als de debiteur de beschikking heeft of krijgt over liquide middelen, dan kunnen wij bepalen dat hij een redelijk percentage van die middelen aanwendt om de vordering af te lossen. 5.Een betalingsregeling als bedoeld in lid 1 wordt in de vorm van een besluit vastgelegd. 6.Ten minste een keer per twaalf maanden hebben wij contact met de debiteur om na te gaan of er redenen zijn om de betalingsregeling aan te passen. De debiteur is verplicht om op ons verzoek de inlichtingen te verstrekken die voor het aflossen van de vordering van belang zijn. 7.Wij trekken een betalingsregeling als bedoeld in lid 1 in als de debiteur zonder voorafgaand contact met ons de regeling niet nakomt. Hoofdstuk4.Kwijtschelding (afzien van (verdere) invordering) Artikel12.Kwijtschelding (geen schending inlichtingenplicht) 1.Als de vordering niet is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht, dan verleent het college ambtshalve kwijtschelding van (het restant van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.