Uitvoering & handhavingsstrategie voor de uitvoering van Vergunningverlening-, Toezicht- en Handhavingstaken van de Gemeente Noordenveld voor de jaren 2024-2028Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld d.d. [datum] Voorwoord In onze leefomgeving vinden veel verschillende menselijke activiteiten plaats. Soms hebben die activiteiten een negatieve invloed op de kwaliteit van ons leefmilieu. Daarom zijn er wetten en regels op het gebied van milieu, ruimtelijke ordening, brandveiligheid, openbare ruimte, bouwen en slopen. Deze wetten en regels zijn door de overheid opgesteld om ervoor te zorgen dat we met elkaar in een veilige en leefbare omgeving kunnen wonen, werken en recreëren. Mensen die activiteiten uitvoeren zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Mogelijke schade, hinder en overlast moet worden voorkomen of hersteld. Dit is soms erg complex en daarom is besloten dat de overheid regels stelt, vergunningen (V) afgeeft, toezicht (T) houdt en handhaaft (H) als dat nodig is (VTH-taken). In de U&H-strategie kunt u lezen hoe het uitvoeren van deze VTH-taken in de gemeente Noordenveld is vastgelegd voor de jaren 2024-2028 Bestuurlijke samenvatting Na de Wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (Wet VTH juli 2016), zal VTH de komende jaren vooral in het teken staan van de nieuwe Omgevingswet. Met deze strategie omarmen we de Omgevingswet; we gaan voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit vraagt om beter te kunnen inspelen op de veranderende omgeving. Deze U&H-strategie 2024-2028 legt het minimaal te voeren (kwaliteits-)niveau vast, zoals de Omgevingswet en de vigerende kwaliteitscriteria voor de VTH dat vereisen. De doelstellingen van onze U&H-strategie leiden we af uit de uitgevoerde probleemanalyse en de uitgevoerde risico analyse. We stellen prioriteiten omdat we niet altijd en overal aanwezig kunnen zijn en brengen zo onze ambitie in overeenstemming met onze capaciteit. Onze Verordening kwaliteit VTH bevat de opdracht om doelen voor dienstverlening, uitvoeringskwaliteit en financiën uit te werken. (Onder de Omgevingswet zal deze verordening opnieuw vastgesteld moeten worden en van naam wijzigen: verordening Uitvoering en Handhaving.) Onze U&H-strategie geeft hier invulling aan. We zijn succesvol in onze uitvoering als we goede invulling geven aan onze doelen. Met de vaststelling van de hier in opgenomen uitvoeringstrategieën geven we sturing aan uitvoering en handhaving. Het zorgt voor een gestructureerde wijze van werken en draagt bij aan transparantie en uniformiteit in besluitvorming. Hiermee voldoen we aan de wettelijke verplichting die vastgelegd is in de procescriteria van het Besluit Omgevingsrecht. Reikwijdte Deze U&H-strategie geldt voor de taken die voortvloeien uit de: Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Algemene plaatselijke verordening (Apv) en bijzondere wetten zoals de Alcoholwet, Winkeltijdenwet, Wet goed verhuurderschap, Wet op de kansspelen, etc. Voor zover het de Omgevingswet betreft is het vaststellen van een Uitvoerings- en Handhavingsstrategie wettelijk verplicht. Voor de Apv en de bijzondere wetten is het niet wettelijk verplicht een dergelijk beleid vast te stellen, maar het is niet ongebruikelijk om dat wel te doen. Het betreft een keuze van de gemeente Noordenveld om deze mee te nemen in deze strategie. Op deze manier zijn alle U&H-taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving verenigd in één beleidsdocument. Daarnaast draagt deze samenvoeging van de U&H-taken bij aan de bewustwording op het realiseren van meer samenhang op bestuurlijke speerpunten, zoals bijvoorbeeld het publieksvriendelijker maken van de vergunningprocedures en de beheersing van de administratieve lasten. Ook de aanpak van ondermijning kan hier worden aangestipt. Dit onderwerp is in essentie gerelateerd aan het taakveld openbare orde en veiligheid maar verdient, om goed in de uitvoering te kunnen slagen, een nauwe relatie met vergunningverlening, toezicht en handhaving van de Omgevingswet, de Apv en de bijzondere wetten. 1Algemene inleiding In het omgevingsrecht zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving voor gemeenten de belangrijkste instrumenten om de gezondheid, veiligheid en leefbaarheid in de samenleving te borgen. Bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, sloopactiviteiten waar asbest vrijkomt, geluid- of geurhinder in de woonwijken, grote milieurisico’s op bedrijfsterreinen of brandveiligheid. Omdat de overheid niet alles kan toetsen en controleren, is het ten eerste noodzakelijk om keuzes te maken: waar moeten de prioriteiten liggen? Hoe strikt worden zaken geregeld en gecontroleerd? En welke inspanning wordt daarvoor geleverd? Om die vragen te kunnen beantwoorden is het van belang om inzicht te hebben in de omvang van de risico’s die samenhangen met activiteiten. Zijn die groot, dan krijgen ze meer prioriteit. In de tweede plaats is er een meer principiële afweging: waar ligt de grens tussen de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en bedrijven en die van de gemeentelijke overheid? In de derde plaats is er een praktische reden: de capaciteit en middelen van de gemeente voor vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn beperkt en bij de inzet daarvan moeten keuzes gemaakt worden. Tussen deze drie zaken moet voldoende balans zijn. In voorliggende U&H-strategie wordt beschreven hoe de gemeente Noordenveld met deze balans omgaat. De prioriteiten en doelen worden aangegeven evenals de instrumenten die worden ingezet om deze te realiseren. De U&H-strategie vormt de basis voor het jaarlijks op te stellen VTH uitvoeringsprogramma waarin wordt vastgelegd welke activiteiten die jaren worden uitgevoerd en met welke middelen. De verantwoording vindt plaats via het VTH jaarverslag. De Omgevingswet vraagt van de overheid een integrale benadering van vergunningverlening en toezicht en handhaving binnen de fysieke leefomgeving. Het transparant formuleren en uitvoeren van een uitvoerings- en handhavingsstrategie is daarbij een belangrijke opgave. Landelijk zijn inmiddels kwaliteitscriteria ontwikkeld voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Met deze kwaliteitscriteria wordt getracht de kwaliteit van de processen, de uitvoeringsorganisaties (gemeenten, provincies, omgevingsdiensten) en haar medewerkers te borgen. Wij hanteren de kwaliteitscriteria als uitgangspunt bij onze beleidsvorming. 1.1Aanleiding en beleidscyclus BIG 8 Door de inwerkingtreding van het besluit VTH (hoofdstuk 7 Besluit omgevingsrecht, Bor 1 juli 2017) rustte er op de bevoegde gezagen een wettelijke verplichting om een U&H-strategie vast te stellen. Onder de Omgevingswet komt deze bepaling terug in het Omgevingsbesluit in onderstaand artikel: Artikel13.5(uitvoerings- en handhavingsstrategie)
- De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoerings- en handhavingstaak stellen een uitvoerings- en handhavingsstrategie vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen worden gesteld voor de uitvoering en handhaving en welke werkzaamheden met het oog op die doelen zullen worden verricht. Naast een meerjarige strategie, eist de wet ook jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en evaluaties die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen uit de meerjarige strategie. Deze beleidscyclus staat bekend als de ‘BIG EIGHT’-cyclus. Aan de hand van de ‘BIG 8’ zijn de volgende zeven stappen in het beleidsproces te onderscheiden: De U&H-strategie is onderdeel van de ‘BIG 8’-beleidscyclus. De wettelijke criteria hebben betrekking op sec de uitvoering van de VTH taken. Strategisch beleidskader: U&H-strategie De U&H-strategie vormt samen met de regionale U&H-strategie binnen deze cyclus het strategisch beleidskader (Deze U&H strategie is in samenwerking met Assen, Tynaarlo en Aa en Hunze opgesteld.) Tevens zijn onze beleidskaders en die van de Omgevingsdienst Drenthe op elkaar afgestemd.). De strategie is gebaseerd op een probleem- en risicoanalyse en bevat onder meer doelen, strategieën en afspraken over samenwerking. De periode waarop de strategie betrekking heeft, is niet voorgeschreven. In deze U&H-strategie wordt voor de lokale beleidstaken gekozen voor een periode van 4 jaar. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de wet Kwaliteitsborging voor het bouwen en de bijbehorende uitvoering in deze nieuwe context bestaat de mogelijkheid dat eerder bijstelling nodig wordt. Indien die noodzaak niet opkomt kan de strategie ook worden verlengd. Operationeel beleidskader: het uitvoeringsprogramma We werken op basis van een jaarlijks uitvoeringsprogramma dat ter vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders wordt aangeboden. In het uitvoeringsprogramma worden zowel de doelstellingen als de prioriteiten verder uitgewerkt en als concrete activiteiten benoemd, inclusief de capaciteit die daar bij hoort. Vertrekpunt is de bestaande capaciteit. Voorbereiden en uitvoeren: de uitvoeringsorganisatie Onze organisatie is zodanig ingericht dat een adequate en effectieve uitvoering van de VTH-taken gewaarborgd is en de mogelijkheid blijft om aan te passen. Hiervoor zijn ten minste geborgd: Personeelsformatie, taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; Scheiding ten aanzien van vergunningverlening en toezicht & handhaving; Bereikbaarheid buiten kantooruren; Werkprocessen, procedures ten aanzien van de uitvoering van vergunningverlenings- en handhavingstaken ten toezien op het werken conform vastgestelde processen; Financiële middelen. De uitvoeringsorganisatie wordt toegelicht in hoofdstuk
- Monitoring We werken volgens de systematiek van monitoring van processen, resultaten en de effecten hiervan. Hiermee wordt bepaald of doelstellingen worden behaald en vindt bijstelling van doelen en prioriteitstelling plaats. Voor het monitoren van het effect van vergunningverlening en handhaving zijn waar mogelijk doelen en maatregelen (indicatoren) benoemd. Deze maatregelen sluiten aan bij de doelstellingen en geven een beeld over in hoeverre doelstellingen behaald worden. Rapportage en evaluatie Een gedegen verantwoording maakt het mogelijk de efficiëntie en effectiviteit van het gevoerde beleid te beoordelen en waar nodig bij te sturen. Verantwoording vindt plaats met het jaarverslag VTH, waarbij gerapporteerd wordt over de in het uitvoeringsprogramma VTH geplande en uitgevoerde activiteiten. Het jaarverslag wordt bestuurlijk vastgesteld. Geconcludeerd wordt of de bestuurlijk wenselijke situatie aanwezig is. Eventuele aanpassingen of bijstellingen worden opgenomen in het VTH-uitvoeringsprogramma voor de daaropvolgende jaren. Onder de Omgevingswet is sprake van een tweede beleidscyclus. Deze kent een vergelijkbare opzet (Plan, Do, Check, Act). Het verschil zit in het feit dat die cyclus betrekking heeft op de doelen ten aanzien van de fysieke leefomgeving, zoals per gemeente vervat in een Omgevingsvisie, Omgevingsprogramma en in de regelgeving uitgewerkt in het Omgevingsplan en Omgevingsvergunning. Het is veel meer omvattender. VTH taken zijn in die cyclus te definiëren als één van de mogelijk in te zetten instrumenten. De U&H-strategie legt het minimaal te voeren (kwaliteits-)niveau vast, zoals de Omgevingswet, waarin de vigerende kwaliteitscriteria integraal zijn overgenomen, dat voor de VTH taken vereist. Een van de doelstellingen voor het bundelen van omgevingsrechtregels in de Omgevingswet is om de dienstverlening te verbeteren. Het realiseren van de verbeter- en maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheden. Het vraagt om een goede en uniforme borging van de uitvoeringskwaliteit. Via de Invoeringswet Omgevingswet is de huidige regelgeving over VTH uit de Wabo opgenomen in afdeling 18.3 (Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving) van de Omgevingswet. Deze afdeling vindt zijn oorsprong in paragraaf 5.2 van de Wabo. Er zijn regels over de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken: Artikel 18.20 beschrijft een zorgplicht voor in principe alle VTH-taken van het bevoegd gezag. Het artikel laat open hoe bevoegd gezagen dit invullen. Een optie is om dit via een verordening te doen. Artikel 18.23 gaat over de taken die onder het basistakenpakket vallen. Hiervoor geldt dat het kwaliteitsniveau via een verordening moet vastliggen. Omdat deze taken verplicht zijn ondergebracht bij omgevingsdiensten moeten ook zij afspraken maken over de formulering van de kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria blijven dus ook met de invoering van de Omgevingswet van toepassing. Het belangrijkste in deze U&H-strategie is kwaliteit. In de regio Drenthe hebben alle bevoegde gezagen de 'Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht’ vastgesteld. Deze verordening geeft uitvoering aan de wettelijke opdracht uit de wet VTH om regels te stellen aan de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van het Omgevingsrecht. Deze verordening is van toepassing verklaard op de taken die de omgevingsdienst uitvoert. Dit betekent dat het minimumkwaliteitsniveau voor de overgedragen taken is vastgesteld. De gemeente Noordenveld heeft daarmee de verplichting om te voldoen aan de geldende kwaliteitscriteria en om de kwaliteitsdoelstellingen nader uit te werken. De kwaliteitsdoelstellingen zijn: uitvoeringskwaliteit, dienstverlening en financiën. Een nadere uitwerking van deze doelen is terug te vinden in hoofdstuk
- De U&H-strategie heeft een doorlooptijd van 4 jaar en wordt aangepast als de ontwikkelingen hierom vragen. Dit vraagt om ervaring op te doen, hiervan te leren en bij te stellen. Het gebruik van de beleidscyclus is hierbij leidend. De uitwerking in deze U&H-strategie is gebaseerd op de Omgevingswet. 1.2Afbakening en begrippenkader Met de U&H-strategie hebben wij een samenhangend en integraal vergunningen-, toezichts- en handhavingsuitvoeringskader geformuleerd voor de beleidsvelden binnen de fysieke leefomgeving. De U&H-strategie richt zich specifiek op de VTH-taken die volgen uit het omgevingsrecht (bouwen, ruimtelijke ordening, brandveiligheid en milieu). Bouwen en Ruimtelijke ordening zijn taken die door de gemeente zelf worden uitgevoerd. De Veiligheidsregio Drenthe adviseert op het gebied van brandveiligheid. Het beleid voor brandveiligheid wordt vastgesteld door het college en maakt daarom onderdeel uit van deze U&H-strategie. De uitvoering van de VTH-taken milieu is overgedragen aan de RUD Drenthe. De deelnemers van de RUD Drenthe hebben de verplichting om een gezamenlijk strategie hiervoor vast te stellen. Het Algemeen Bestuur van de RUD Drenthe heeft op 19 december 2022 de uniforme Uitvoerings- en Handhavingsstrategie Drenthe 2022-2026 (hierna: UHD 2022-2026) behandeld. De UHD 2022-2026 betreft een uitvoeringsstrategie voor de taken die de RUD Drenthe voor haar deelnemers uitvoert. Het betreft ‘operationeel’ beleid gebaseerd op bestaand (strategisch) milieubeleid. In de strategie zijn de huidige werkafspraken en beleid vastgelegd. De eerste versie (1e fase) legt het fundament voor een betere vertaling van beleid naar de uitvoering, dat de komende jaren verder kan uitgroeien. Vanuit de deelnemers is de wens geuit om dit strategische kader aan te vullen, danwel te verfijnen, met een actueel operationeel kader voor de uitvoering (2e fase). Hiermee worden extra handvatten gegeven voor de aansturing door de deelnemers en voor de uitvoering door de RUD Drenthe, hetgeen bijdraagt aan versteviging van de onderlinge samenwerking. Tevens wordt zo verdere invulling gegeven aan de wettelijke voorschriften van de Omgevingswet. Deze 2e fase is in ontwikkeling. De regionale U&H-strategie is van toepassing op de VTH taken die de RUD Drenthe namens gemeenten en de provincie uitvoeren. Dat houdt in dat die U&H-strategie in de plaats komt van het huidige milieubeleid/VTH beleid voor deze taken. De regionale U&H-strategie geeft invulling aan strategische doelen en beschrijft uitvoeringskaders (strategieën). De regionale U&H-strategie dient vertaald te worden in een jaarlijks regionaal uitvoeringsprogramma. We organiseren hier goede beheersing op door monitoring, adequate bijstelling en verantwoording. Voor de VTH taken die de gemeente zelf uitvoert (thuistaken) komt onderhavige U&H-strategie in de plaats en kent dezelfde opbouw. Dit document heeft geen betrekking op de VTH taken op het gebied van de sociale wetgeving, leerplicht, belastingen en heffingen uit het bevolkingsadministratie. Deze U&H-strategie geldt voor de periode 2024-2028 en vervangt daarmee het Integraal Beleid Vergunningen, Toezicht en Handhaving gemeente Noordenveld 2017-2020, dat na verlenging gold tot en met
- In de U&H-strategie hanteren we de volgende begrippen: Vergunningverlening heeft betrekking op het in behandeling nemen van een vergunningsaanvraag, het beoordelen van deze aanvraag en het nemen van een beslissing op de aanvraag in de vorm van een beschikking. Onder vergunningverlening verstaan we ook het behandelen van een melding, vooroverleg, ontheffingen en vrijstellingen. In de sfeer van vergunningverlening is steeds meer sprake van meldingen (sloopmelding, gebruiksmelding en milieumelding). Toetsing van de compleetheid en de werkingssfeer van een melding zien we als equivalent voor het proces van de vergunningverlening. Aan een melding kunnen nadere voorwaarden (maatwerkvoorschriften) worden verbonden. Het opstellen van dergelijke voorschriften maakt onderdeel uit van de vergunningverlening. Bij milieu kunnen deze voorschriften van belang zijn voor het mogelijk maken van een activiteit (verruiming van normen) en ter ondersteuning van toezicht en handhaving. Bij slopen zijn deze voorschriften vooral van belang in verband met het omgaan met gevaarlijke stoffen en hinder/overlast voor de omgeving. Toezicht en handhaving worden vaak in één adem genoemd, maar dit zijn in feite twee aparte onderdelen. Het doel van toezicht is het voorkomen (dan wel beperken) van onveilige, ongezonde en niet duurzame situaties. Daarnaast is het belangrijk dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. Om dit te bereiken kan toezicht, zoals ook hierboven al is aangegeven, op verschillende manieren worden ingevuld: Vergunninggericht toezicht: uitvoeren van controles naar aanleiding van verleende vergunningen of meldingen (objectgericht); Gebiedsgericht toezicht: toezicht op wijkniveau naar aanleiding van surveillance, klachten, meldingen of speerpunten (informatie gestuurd toezicht); Risicogericht toezicht: uitvoeren van controles naar aanleiding van cyclische handhavingsprogrammering (dit betreft milieu, brandpreventie en de Alcoholwet) Themagericht toezicht: integraal toezicht per thema of enkelvoudig toezicht per thema (dit kan ook gebiedsgericht ingestoken worden); Toezicht naar aanleiding van klachten en meldingen. Deze lijst is niet uitputtend. De gekozen vorm van toezicht kan variëren en is mede afhankelijk van het gewenste en reeds bereikte naleefgedrag. Onder toezicht verstaan we het uitvoeren van controles en het naar aanleiding van een klacht of melding verzamelen van informatie om te zien of een handeling of situatie voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Van de controles gaat een preventieve werking uit. Het toezicht kan tot resultaat hebben dat de wettelijke voorschriften, zonder inzet van verdere handhavingsmiddelen, worden nageleefd. Het toezicht omvat een breed scala aan activiteiten, vaak ook in voorlichtende, meedenkende en adviserende zin. Hierdoor kan in een vroeg stadium worden voorkomen dat een met de wet- en/of regelgeving strijdige situatie ontstaat. Anders kan door middel van aansporing, overreding of waarschuwing worden bewerkstelligd dat de voorschriften alsnog worden nageleefd. Wanneer de waarschuwingen niet tot het gewenste effect leiden, wordt voor de naleving van de wettelijke voorschriften overgegaan tot handhaving. Handhaving komt na toezicht. Wanneer sprake is van overtredingen, wordt bezien of én op welke manier bestuurlijk optreden (en/of eventueel strafrechtelijk optreden door de boa’s) noodzakelijk is. Onder handhaving verstaan we het ongedaan maken of opheffen van een situatie, die in strijd is met wettelijke voorschriften. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van bestuursrechtelijke handhaving met als handhavingsmiddelen het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang, of het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning of ontheffing. Bestuursrechtelijke handhaving is gericht op het zo spoedig mogelijk beëindigen, herstellen en eventueel voorkomen van een situatie die in strijd is met wet- en regelgeving. 1.3Terugblik: evaluatie Uit zelfanalyse en beoordelingen van het Interbestuurlijk toezicht van de provincie Drenthe, blijkt dat we zowel de beleids- als uitvoeringscyclus volledig doorlopen. Gelijktijdig merken we daarbij op dat de cycli in de praktijk niet altijd soepel op elkaar ingrepen en harmonieus draaiden. Onderdelen van de cyclus stonden soms nog (te) los van elkaar. Derhalve, de komende periode zetten we in op het gericht doorlopen van de beleids- en uitvoeringscyclus. We professionaliseren door te leren van onze ervaringen. Met de uitvoeringsprogramma’s 2022 en volgende zijn we beleidsdoelen gaan operationaliseren en vervolgens de onderdelen van de ‘BIG 8’ gaan doorlopen. Met het jaarverslag doen we verslag van onze ervaringen. Eerdere (beleids)evaluaties hebben niet direct geleid tot aanpassing van het beleid en de doelstellingen. In de toekomst draagt dit beleid bij aan een verbetering in monitoring doordat wij de algemeen opgestelde doelstellingen van het oude beleid omgezet hebben naar SMART-doelstellingen (Specifiek Meetbaar Acceptabel Realistisch Tijdgebonden). 1.4Vooruitblik: ontwikkelingen Een aantal ontwikkelingen is van invloed op de wijze waarop we de vergunningverlening, toezicht en handhaving organiseren. De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen zijn belangrijke kaders waarbinnen wij onze taken gaan uitvoeren. We werken op basis van de principes van deze wetgeving. Mochten de ontwikkelingen aanleiding geven voor het actualiseren van deze U&H-strategie dan voeren we deze uit. Omgevingswet De Omgevingswet is een nieuwe wet die veel wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving vervangt. Bijvoorbeeld de Wro, Wabo en Tracéwet maar ook alle gemeentelijke infrastructuur, water en gemeentelijke regelgeving, zoals in de APV, die ruimtelijke aspecten hebben. Het doel is om de wettelijke kaders voor inwoners, bedrijven en overheden inzichtelijker te maken en ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving beter beheersbaar te maken. Ook de Wet Natuurbescherming
(2017), is in de Omgevingswet opgenomen. Met de Omgevingswet zal aandacht zijn voor minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven, lokaal maatwerk en vertrouwen als uitgangspunt. Het doel van een initiatief in de fysieke leefomgeving moet centraal staan in plaats van de vraag: ‘mag het wel?’ De Omgevingswet verplicht bestuurders integrale plannen te maken waarin de diverse belangen in onderlinge samenhang worden beschouwd. De impact van de Omgevingswet voor ons betekent onder andere het volgende: nagenoeg alle vergunningprocedures in 8 weken behandelen; omgevingsplan vraagt om participatie en afweging bij de planvorming: bestuurlijke afwegingsruimte ontstaat; door duidelijke plannen is inzichtelijker wat wel en niet kan en zijn mogelijk minder vergunningen nodig; andere rollen binnen gemeente: begeleiden bij participatie, partijen bij elkaar brengen; meer maatwerk, immers bij minder regels vergen de besluiten een goede afweging en onderbouwing; taakvelden worden integraal samengevoegd: meer (keten)samenwerking; processen worden straks nog meer dan nu geïnitieerd door inwoners en bedrijven en vragen om integrale afhandeling; gedrag en cultuurverandering: competenties als oplossingsgericht denken, helicopterview en samenwerken worden belangrijker; transparantie van informatievoorziening. Alle digitale informatie is op één plek te vinden, het nieuwe Omgevingsloket. Via dit loket kunnen initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel zien wat mag in de fysieke leefomgeving. De inwoner, ondernemer beschikt daarmee over dezelfde informatie als de overheid. Op het eerste gezicht verandert er onder de Omgevingswet juridisch gezien weinig op het terrein van toezicht en handhaving. De handhavingsinstrumenten blijven dezelfde en staan grotendeels in de Algemene wet bestuursrecht. Ook de bijzondere bepalingen in de Omgevingswet zijn gebaseerd op hoofdstuk 5 van de huidige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Uitgaande van het beoogd resultaat van de Omgevingswet, waarbij er minder vergunningen en meer zorgplichten en algemene regels zijn, verschuift het toetsmoment van het bevoegd gezag wel van meer vooraf naar een toets achteraf. Juridisch betekent dat een verschuiving van vergunningverlening naar toezicht en handhaving. De Omgevingswet brengt een ommekeer in de manier waarop het ruimtelijk domein wordt ingericht. Uitnodigen van initiatiefnemers in plaats van toelaten is daarbij het uitgangspunt. De wet heeft nieuwe instrumenten, gewijzigde procedures en veel mogelijkheden voor maatwerk om nieuwe ontwikkelingen op gang te brengen. Basisgedachte daarbij is om samen met initiatiefnemers en betrokkenen te werken aan ruimtelijke ontwikkelingen. We werken aan de implementatie van de Omgevingswet. Dat doen we door het vaststellen van de instrumenten, de omgevingsvisie en later het omgevingsplan. De omgevingsvisie beschrijft hoe we op de lange termijn omgaan met de leefomgeving: denk aan wonen, verkeer & vervoer, water, milieu, natuur, landbouw, gezondheid en cultureel erfgoed. Het omgevingsplan bevat informatie over de buitenomgeving. Denk aan regels voor (vergunningvrij) bouwen, evenementen, kappen van bomen of de aanleg van uitwegen. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Met de privatisering van de “technische” bouwplantoets en het bouwtoezicht daarop zetten we een volgende stap om de verantwoordelijkheid bij de markt te beleggen. Het doel van deze wet is het verbeteren van de kwaliteitsborging voor het bouwen en het versterken van de positie van de bouwconsument. De invoeringsdatum is gekoppeld aan de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet de gemeente de toezichts- en handhaving processen bij bouwactiviteiten ook hebben aangepast aan de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Het gaat om de inrichting van processen, de informatievoorziening, de afspraken met uitvoeringsdiensten en private partijen en de juridische en inhoudelijke aspecten. De gemeente toetst niet meer inhoudelijk aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, bij de bouwactiviteit passend instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. Ook controleert de gemeente of alle specifieke risico's voor dat bouwproject In de risicobeoordeling in kaart zijn gebracht en in het borgingsplan zijn vastgelegd. Mocht toezicht en handhaving nodig zijn, dan biedt de Wkb in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht verschillende handvatten om te kunnen beschikken over de noodzakelijke informatie. Dit alles vraagt een aanzienlijk aantal wijzigingen in processen competenties en informatievoorziening die de gemeente voor de inwerkingtreding van dit nieuwe stelsel moet implementeren. Gemeentelijk beleid De doelstellingen in deze U&H-strategie zijn sterk gerelateerd aan bestaand gemeentelijk beleid dat zich direct of indirect richt op kwaliteit van de leefomgeving. Specifiek beleid prevaleert op het algemeen beleid. 2Visie en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de visie op onze uitvoering van VTH taken en benoemt de bijbehorende uitgangspunten voor de gemeente Noordenveld. 2.1Visie op de U&H-strategie Een doeltreffende U&H-strategie is flexibel en speelt in op actuele behoeften. De gemeente Noordenveld wil de U&H-strategie zoveel mogelijk laten aansluiten bij veranderende wensen uit de politiek en de samenleving en dit ook in haar ambities laten terugkomen. De uitdaging is daarbij om ambities en capaciteit goed op elkaar af te stemmen. Meer ambities betekent dat wij kritisch moeten zijn op de inzet van medewerkers. Dit document geeft handvatten voor het bepalen van accenten bij de capaciteitsinzet. Onze inzet is gericht op het waarborgen van de kwaliteit, de leefbaarheid en de veiligheid van de leefomgeving en deze waar nodig te verbeteren. De kern van onze U&H-strategie is om de risico’s van niet-naleving van regels tot een minimum te beperken, gegeven de beperkt beschikbare middelen. En dit met zo min mogelijk overlast voor inwoners en bedrijven. Een adequate inzet van het VTH-instrumentarium bevordert consistent gemeentelijk optreden. Wij laten ons leiden door de uitgangspunten, kernwaarden en ambities uit de Omgevingsvisie Noordenveld. Het uitgangspunt is Samen Doen en Participatie: de gemeente is aanwezig, de gemeente stimuleert actief de betrokkenheid van de inwoners, de gemeente communiceert duidelijk. De kernwaarden zijn: transparant, leefbaar, groen, ondernemend en duurzaam. De ambities zijn: In 2030 is Noordenveld dé netwerksamenleving door de unieke centrale ligging in Noord-Nederland. In 2030 heeft Noordenveld een levendige, vitale samenleving; iedereen telt mee, doet mee en draagt bij. In 2030 is er in Noordenveld een goede balans tussen de bevolkingsopbouw en het voorzieningenniveau. In 2030 heeft Noordenveld nog steeds unieke en hooggewaardeerde cultuurhistorische landschappen en natuurgebieden; deze worden beschermd, beleefd en benut. In 2030 is Veenhuizen als onderdeel van de Koloniën van Weldadigheid van mondiaal belang door de status Unesco Werelderfgoed. In 2030 is Noordenveld dé duurzaamste gemeente van Drenthe. In 2030 is Noordenveld dé fietsgemeente van Noord-Nederland. Integraal samenwerken Team VTH kan de bovenstaande doelen niet haar eentje bereiken, maar maakt onderdeel uit van een organisatie. Binnen deze organisatie is het van belang om integraal samen te werken. Hierbij willen wij de volgende doelen nastreven: Samenhangende dienstverlening: Integraal werken houdt in dat verschillende afdelingen en disciplines binnen een gemeente nauw samenwerken. Dit bevordert een naadloze dienstverlening aan burgers. Bijvoorbeeld, als iemand een vergunning aanvraagt voor een bouwproject, moeten de afdelingen stedenbouw, milieu, en verkeer samenwerken om de aanvraag te beoordelen en te verwerken. Efficiëntie: Door informatie en processen te delen, kunnen gemeentelijke afdelingen efficiënter werken. Dit voorkomt dubbel werk en vermindert administratieve lasten. Bijvoorbeeld, als de afdeling sociale zaken en de afdeling wonen samenwerken bij het toewijzen van sociale huurwoningen, kan dit het proces versnellen en wachttijden verkorten. Effectiviteit: Integraal werken stelt gemeenten in staat om complexe problemen effectiever aan te pakken. Denk aan situaties waarbij meerdere problemen samenkomen, zoals armoede, huiselijk geweld, en gezondheidsproblemen. Door samen te werken, kunnen professionals een holistische aanpak ontwikkelen en betere oplossingen bieden. Burgergerichtheid: Integraal werken plaatst de behoeften van burgers centraal. Het stelt gemeenten in staat om maatwerk te leveren en de dienstverlening af te stemmen op individuele situaties. Bijvoorbeeld, als een gezin te maken heeft met schulden, werkloosheid, en gezondheidsproblemen, kan een integrale aanpak helpen om deze problemen gezamenlijk aan te pakken. Kennisdeling: Integraal werken bevordert kennisdeling tussen professionals. Dit leidt tot een bredere kennisbasis en betere oplossingen. Bijvoorbeeld, een jeugdwerker kan waardevolle inzichten delen met een onderwijsadviseur om schooluitval te voorkomen. 2.2Algemene uitgangspunten Bij het uitvoeren van onze VTH taken hanteren we de volgende uitgangspunten: Handelen in de geest van de Omgevingswet Indien mogelijk werken we met een oplossingsgerichte in plaats van procedure gerichte aanpak en houding. Dit doen we door steeds de vraag te stellen: ‘Hoe kan het wel?’. Voor vergunningverlening betekent dit dat binnen wettelijke en eigen beleidsmatige kaders met de initiatiefnemer wordt meegedacht om eventuele belemmeringen weg te nemen. Dit vanuit de Omgevingswet-gedachte van ‘Nee, tenzij’ naar ‘Ja, mits’. De Omgevingswet verwacht ander concreet gedrag: 1 loket criterium, snellere doorlooptijden, minder regeldruk, samenwerken met andere bevoegde gezagen (omgevingstafels bijv.) en een andere houding en gedrag ten opzicht van initiatieven. Communicatie en menselijke maat Het succes van vergunningverlening, toezicht en handhaving staat of valt met het gedrag van bewoners en gebruikers. Communicatie is geen kwestie van sturen maar van bijsturen. Dat kan alleen als je de actualiteit begrijpt. Door een persoonlijke, directe en actieve communicatie blijven de lijnen kort. Daardoor is er minder ruimte voor interpretatie of het aannemen van een afwachtende houding. Toezichthouders brengen regelmatig een boodschap die niet als positief wordt ervaren. Hoe zorg je ervoor dat je respect krijgt van de aangesprokene én dat de boodschap toch duidelijk wordt ontvangen? In de praktijk merken we dat de persoonlijke benadering werkt. De oplossingsbereidheid en de oplossingsgerichtheid worden daardoor groter. Communicatie is voor ons niet het sluitstuk maar een inherent onderdeel van het handhavingsproces. Het is wenselijk dat er een verschuiving plaats vindt naar taken met meer aandacht voor ‘de voorkant’. Het doel van communicatie is niet slechts om inwoners te informeren, maar ook om een steviger beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid voor veiligheid en leefbaarheid. Daarin nemen wij het voortouw. We moeten de samenleving verleiden om zelf in actie te komen. Het handhaven gebeurt, zo veel mogelijk, integraal en met de menselijke maat. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van -en samengewerkt met- bestaande netwerken om afspraken aan 'de voorkant' te maken en om sancties achteraf zoveel als mogelijk te voorkomen. De menselijke maat is samen met klagers en overtreders zoeken naar een oplossing om een illegale situatie op te heffen. In deze gevallen zorgt het gesprek er aan de ‘voorkant’ voor dat de overtreders overtuigd worden dat ze de illegale situatie moeten opheffen zonder het opleggen van sancties. Het uitgangspunt voor de manier waarop wij toezicht houden is 'zacht waar het kan, hard waar het moet'. Voor degene die hun verantwoordelijkheid nemen, zijn wij een deskundige gesprekspartner. Maar wie zich niet aan de regels houdt, pakken we aan. We nemen direct maatregelen als we tijdens een inspectie misstanden of (mogelijke) risico's voor de veiligheid aantreffen. Risico- en informatiegestuurd werken Het beoordelen van vergunningsaanvragen en meldingen vindt risicogericht plaats. Dat wil zeggen dat er steeds wordt gekeken naar waar de risico’s zich bevinden en dat op basis daarvan de beoordeling plaatsvindt. Bij de beoordeling wordt gekeken waar mogelijk winst valt te behalen op het gebied van veiligheid, duurzaamheid en/of leefbaarheid. Toezicht en handhaving vindt risico- en informatiegestuurd plaats. De inzet van de dagelijkse werkzaamheden in de openbare ruimte is gebaseerd op gemeentelijke informatiepositie. De gemeente analyseert alle beschikbare informatie over specifieke onderwerpen, locaties en doelgroepen en bepaalt daarmee welke acties er ondernomen moeten worden. Op basis van informatie van meldingen van inwoners, informatie van partners en informatie uit eigen waarnemingen houdt de gemeente toezicht op het veld. Voordat toezichthouders het veld ingaan, weten zij al waar zij (met nadruk) op moeten letten. Eigen verantwoordelijkheid en de terugtredende overheid De gemeente wil in deze beleidsperiode de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en bedrijven voor naleving van de wet- en regelgeving stimuleren. In de omgang met de inwoners gaat de gemeente er vanuit, dat zij uit eigen beweging zich aan de regels houden en dat bedrijven verantwoordelijk ondernemen. De gemeente probeert dit onder andere te stimuleren door burgerparticipatie te vergroten en bij handhaving maatwerk toe te passen. Voldoende kennis en een professionele organisatie De gemeente zorgt ervoor dat zij over voldoende kennis en een professionele organisatie op de diverse disciplines bezit, zodat de gemeente zich er altijd van kan vergewissen of derden voldoen aan de regelgeving. Dit vergt een kwaliteitsniveau dat de komende beleidsperiode wordt gemonitord op basis van de deskundigheidstabellen van de kwaliteitscriteria VTH. De samenwerking met de omliggende gemeenten vormt de basis om te voldoen aan het vereiste niveau. De ‘BIG 8’-cyclus is de basis voor de beleidscyclus De gemeente pakt vergunningverlening, toezicht en handhaving -op basis van het grote acht principe- planmatig en cyclisch op. Dit resulteert in jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en verantwoording aan de gemeenteraad. 3Strategische doelstellingen Met deze strategie wordt voldaan aan de kwaliteitscriteria en worden de doelen van de verordening kwaliteit VTH uitgewerkt. Uitgangspunt daarbij is de visie zoals verwoord in 2.
- De strategische doelstellingen van de gemeente Noordenveld zijn onderverdeeld in een algemene VTH doelstelling (gebaseerd op de Omgevingswet) en een drietal kwaliteitsdoelstellingen voortkomend uit de kwaliteitsverordening VTH. We hebben SMART doelstellingen geformuleerd op basis van de Omgevingswet en deze zijn vertaald naar het VTH terrein. In hoofdstuk 4 is de koppeling met de strategische doelstellingen gemaakt. Of te wel, welke activiteiten dragen bij aan het realiseren van de SMART doelstellingen. Door het maken van deze koppeling is de beleidscyclus sluitend, operationaliseren we de kwaliteit en realiseren de meetbaarheid van de doelstellingen. 3.1Algemene VTH doelstelling Het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht op de naleving en het handhaven van regels speelt een belangrijke rol om de doelstelling van de Omgevingswet te kunnen bereiken. Deze staat verwoord in artikel 1.3 : “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur en b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” Om de algemene doelstelling nader inhoud te geven zijn de dikgedrukte termen hieronder verder uitgewerkt. Deze algemene doelstellingen van de Omgevingswet hebben we vertaald naar onze gemeente en leiden tot het streven naar de volgende VTH-doelen in deze beleidsperiode. : 1.Veiligheid Alle omgevingsvergunningsaanvragen worden getoetst en gecontroleerd op het voldoen aan de constructieve-, brand-, gebruiks-, omgevings- en sociale veiligheidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgens de hiervoor vastgestelde toets -en toezichtprotocollen (VV); Landelijke prioriteiten en aandachtspunten bij de bestaande bouw, bijvoorbeeld naar aanleiding van incidenten, worden proactief gevolgd en opgepakt; Alle meldingen en handhavingsverzoeken worden afgehandeld volgens de hiervoor geldende wettelijke eisen en vastgestelde servicenormen (T&HH). 2.Gezondheid Alle omgevingsvergunningsaanvragen worden getoetst en gecontroleerd op het voldoen aan de eisen voor geluid, vocht, luchtverversing, toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgassen, beperking van de aanwezigheid van schadelijke stoffen en ioniserende straling, bescherming tegen ratten en muizen en daglicht uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgens de hiervoor vastgestelde toets -en toezichtprotocollen. 3.Omgevingskwaliteit Alle omgevingsvergunningsaanvragen worden getoetst en gecontroleerd aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit uit het omgevingsplan, aanvullend beleid en de Gids Omgevingskwaliteit Noordenveld, volgens de hiervoor vastgestelde toets -en toezichtprotocollen. Alle meldingen en handhavingsverzoeken worden afgehandeld volgens de hiervoor geldende wettelijke eisen en vastgestelde servicenormen. 4.Duurzaamheid Alle omgevingsvergunningsaanvragen worden getoetst en gecontroleerd op het voldoen aan de eisen voor energiezuinigheid (Bijna energie neutrale gebouwen), milieu (Milieuprestatiecoëfficiënt) en de laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen, volgens de hiervoor vastgestelde toets -en toezichtprotocollen. Naast de algemene doelstelling voortkomend uit de Omgevingswet werken we de kwaliteitsdoelstellingen van onze verordening kwaliteit VH verder uit. 3.2Kwaliteitsdoelstellingen Op basis van de vastgestelde Verordening Kwaliteit, Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht gemeente Noordenveld moeten de navolgende doelen worden uitgewerkt: Hierna zijn de bovenstaande kwaliteitsdoelen verder uitgewerkt met bijbehorende indicatoren. Kwaliteitsdoel-stellingen Subdoelstellingen VTH Indicatoren Bij het niet starten van vergunde activiteiten, is het van belang de afgegeven vergunning in te trekken. Tijdens de looptijd wordt bij de 'slapende’ vergunningen waarvan 3 jaar na vergunningverlening geen gebruik is gemaakt de intrekkingsprocedure gestart. aantal ‘slapende’ vergunningen > 2 jaar versus gestarte intrekkingsprocedures Maximaal 30% bezwaarschriften gegrond met betrekking tot vergunningen. (Aantal beschikkingen waartegen een bezwaar wordt ingediend) Aantal gegronde bezwaren Maximaal 30% bezwaarschriften gegrond met betrekking tot handhaving. Aantal gegronde bezwaren De organisatie beschikt over goed opgeleid personeel dat voldoet aan de meest recente kwaliteitscriteria VTH en beschikt over de competenties oplossingsgericht denken en actief regievoeren. 90% medewerkers voldoet voor ten minste 90% aan de gestelde kwaliteitscriteria VTH. Percentage dat voldoet aan de kwaliteitscriteria Vanaf 2026 zijn alle toets- en toezichtprotocollen geactualiseerd. Percentage geactualiseerde protocollen Bij de invoering van de Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouw zijn alle werkprocessen beschreven en geoptimaliseerd en werken we met een nieuw VTH systeem Aantal of percentage geoptimaliseerde werkprocessen Dienstverlening Binnen 2 werkdagen volgt een reactie naar aanleiding van een melding, mail of terugbelverzoek Reactietermijn melding, mail en terugbelverzoeken In 100% van de verzoeken om handhaving wordt binnen acht weken een besluit genomen (met name als het gaat om afwijzingen) of aangegeven binnen welke termijn het besluit genomen is (met name de handhavingsbeschikkingen). Aantal besluiten binnen termijn Vanaf 2025 wordt een maximale behandeltermijn vastgesteld voor alle VTH producten waarbij dit niet wettelijk geregeld is Aantal vastgestelde behandeltermijnen Initiatiefnemers hebben in zoveel mogelijk gevallen inzicht in het VTH proces. Voortgang vergunningprocedure is door aanvrager digitaal te monitoren. Percentage digitale berichtgeving waarin proces en voortgang vergunningverlening zijn opgenomen We werken zoveel mogelijk integraal: betere samenwerking in de keten van het fysieke domein maar ook afstemming met het sociale domein Aantal integrale overleggen Alle meldingen en handhavingsverzoeken worden zo breed als de melding of het handhavingsverzoek is ingediend integraal behandeld Aantal meldingen en handhavingsverzoeken dat conform het verzoek behandeld is Door toepassing van risico analyses wordt getracht efficiëntie en effectiviteit te bewerkstelligen. De begroting dient dekkend te zijn voor onze inzet op risicobeheersing en beleidsdoelrealisatie. Er wordt periodiek geïnventariseerd of de begroting voldoet aan de beide elementen en er wordt begroot op basis van output. percentage overschrijdingen van begroting van het programma vergunningen percentage onderbesteding van begroting van het programma vergunning ontwikkelingen/koers naleefgedrag 4Omgevingsanalyse Een omgevingsanalyse geeft inzicht in de kenmerken, problemen en risico's van de gemeente. De analyse maakt inzichtelijk waar de VTH uitvoeringstaken een rol spelen in het aanpakken ervan. Daarmee vormt het de basis voor het formuleren van prioriteiten. De omgevingsanalyse is richtinggevend voor het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. De omgevingsanalyse bestaat uit een gebiedsanalyse, probleemanalyse en een risicoanalyse. De gebiedsbeschrijving geeft inzicht In de kenmerken van onze gemeente. De problemen die vanuit vergunningverlening, toezicht en handhaving naar voren komen zijn samengevat in de probleemanalyse en ondergebracht in domeinen. De risicoanalyse geeft een inschatting van de ernst van de risico's en de kans van optreden. Het kan daarbij ook gaan om zaken die niet direct waarneembaar zijn maar wel waarneembaar kunnen worden zoals instortingsgevaar of brandgevaar. De resultaten van de analyses zijn hierna beschreven. 4.1Gebiedsanalyse Voor de gebiedsbeschrijving van de gemeente Noordenveld verwijzen wij naar de Omgevingsvisie van de gemeente Noordenveld. Deze is terug te vinden in hoofdstuk 2 van de Omgevingsvisie en in de bijlages: biografie van Noordenveld en de kernkwaliteiten van Noordenveld. Wij verwijzen ook naar de Noordenveldse Kwaliteitsgids. Voor deze U&H-strategie sluiten wij aan bij deze beide stukken. 4.2 Probleemanalyse Voor een gezamenlijke overzicht van de problemen die mogelijk spelen in Noordenveld zijn vakspecialisten bevraagd op hun beeld van de gemeente Noordenveld bij het uitvoeren van het VTH takenpakket. In de probleemanalyse is onderscheid gemaakt in de verschillende domeinen van de gemeente: Bouwen Sloop en Erfgoed (incl. brandveiligheid) RO Milieu APV Alcoholwet Evenementen (is APV) Binnen elk domein staan de meest risicovolle overtredingen/problemen vermeld. 4.3Risicoanalyse VTH Na de gebiedsanalyse en probleemanalyse volgt de risicoanalyse. De basis voor de gestelde doelen en prioriteiten komt ook voort uit de risicoanalyse. De wetgever schrijft voor dat een risicoanalyse ten grondslag moet liggen aan de U&H-strategie. De analyse geeft inzicht waar de risico's zich voordoen en geeft op deze wijze een handvat voor het maken van keuzen in zowel toetsing (vergunningverlening) als toezicht en handhaving. Wij hebben gekozen voor een kwalitatieve risicomethode. Deze methode (deels gebaseerd op het DBC -risicomodel) leidt uiteindelijk tot een prioriteitstelling ten behoeve van het integraal vergunning- en handhavingsprogramma. De input is door middel van het bevragen van onze vakspecialisten aangeleverd. Vervolgens is tijdens een gezamenlijke invulsessie de integrale risicoanalyse tot stand gekomen voor het hele fysieke domein. In de bijlage is een gedetailleerd overzicht met de uitgewerkte resultaten te vinden en een toelichting op de scores. Beleid opstellen betekent keuzes maken: nooit zal er voldoende capaciteit zijn om alle taken uitputtend uit te voeren. Het stellen van prioriteiten heeft dus als doel het bepalen van die problemen/overtredingsoorten die in potentie risicovol zijn en waar we derhalve het meeste toezicht of aandacht aan moet schenken. De risicoanalyse levert inzicht in de benodigde menskracht en middelen, gebaseerd op de risico’s van activiteiten op de specifieke lokale situatie. In deze benadering komen de door de experts belangrijk gevonden onderwerpen/overtredingssoorten naar boven. Deze zijn in de volgende paragrafen aangegeven. 4.3.1 Domeinen Bouwen, Brandveiligheid, Sloop en Erfgoed Binnen onze gemeente doen zich diverse overtredingen voor op het gebied van bouwen, sloop en erfgoed. De meest relevante overtredingen (risico hoog) zijn: 1.NIEUWBOUW/VERBOUW Wet kwaliteitsborging.: a. Bouwen zonder kwaliteitsborger; b. Bouwen zonder melding of borgingsplan; c. Het niet opleveren van een dossier bevoegd gezag. 2.BESTAANDE BOUW In gebruik hebben van een gebouw in strijd met constructieve eisen Besluit bouwwerken leefomgeving: Brandveiligheid kwetsbare gebouwen (verzorgingstehuis, seniorencomplex, woonzorglocatie, kinderopvang) Brandveiligheid van scholen, hotels, motels, pensions. 3.ERFGOED (in het bijzonder het Unescogebied en beschermd dorpsgezicht Veenhuizen) Voorkomen van verlies van de UNESCO status Handelen zonder of in strijd met omgevingsvergunning activiteit bouw veranderen van een monument In de uitvoeringsbeleidsperiode 2024-2028 gaan wij hier op de volgende wijze aandacht aangeven: ad 1a ) Bouwen zonder kwaliteitsborger is niet toegestaan volgens de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Deze wet is ingevoerd om de bouwkwaliteit te waarborgen en ervoor te zorgen dat bouwwerken voldoen aan de geldende regels en technische eisen. Volgens de Wkb moet bij elk bouwproject een onafhankelijke kwaliteitsborger betrokken zijn. Deze kwaliteitsborger controleert of het gebouw aan de wettelijke eisen voldoet tijdens het ontwerp en op de bouwplaats. Ad 1b) Zonder kwaliteitsborger kan er geen bouwmelding gedaan worden en mag er niet begonnen worden met bouwen. Dit geldt voor nieuwbouw en vanaf 1 januari 2025 ook voor verbouwingen, zoals dakopbouwen of renovaties. Voor kleine verbouwingen die vergunningvrij zijn, zoals dakkapellen of aanbouwen, is geen kwaliteitsborger nodig. Het borgingsplan is een essentieel onderdeel van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). In dit plan beschrijft de kwaliteitsborger hoe hij het bouwplan beoordeelt en ervoor zorgt dat het bouwwerk aan de bouwtechnische voorschriften voldoet. De kwaliteitsborger stelt het borgingsplan op. Dit gebeurt op basis van een risicobeoordeling van het ontwerp van het bouwplan. De kwaliteitsborger beoordeelt of het geplande bouwwerk zal voldoen aan de bouwtechnische voorschriften en identificeert eventuele risico’s. Ad 1c) Het dossier bevoegd gezag is een belangrijk onderdeel van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). In dit dossier wordt informatie vastgelegd die nodig is voor het toezicht op het gerealiseerde bouwwerk door de gemeente. Bij de gereedmelding van een bouwactiviteit, naast een mededeling van de beëindiging van de bouwwerkzaamheden, wordt het dossier bevoegd gezag aan de gemeente verstrekt. Dit dossier bevat informatie die nodig is voor het toezicht op het voltooide bouwwerk. Ad 2) Brandveiligheid vinden wij van belang bij locaties waar kwetsbare personen (ouderen, mensen met een beperking of kinderen) aanwezig zijn of op locaties waar men nachtverblijven heeft. Controle op brandveiligheid zorgt ervoor dat gebouwen voldoen aan de voorschriften en maatregelen om brandrisico’s te minimaliseren. Dit waarborgt de veiligheid van de mensen die erin verblijven. Ad 3) Monumentale waarden zijn belangrijk omdat ze een onderdeel vormen van het culturele erfgoed van onze samenleving. De Unesco-status van Veenhuizen met haar outstanding universal values verdient extra aandacht. Er wordt intensief toezicht gehouden op uitvoering van vergunningen m.b.t. monumenten. Door regelmatige bezoeken en veelvuldig contact met de uitvoerende partij wordt voorkomen dat wordt afgeweken van de verleende vergunningen zodat geen monumentale waarden verloren gaan. In geval van klachten of meldingen m.b.t. werkzaamheden aan een monument, wordt altijd zo spoedig mogelijk controle uitgevoerd. Deze activiteiten dragen bij aan het realiseren van de strategische doelstelling: Veiligheid / Gezondheid / Goede omgevingskwaliteit / Duurzaamheid 4.3.2 Domein Ruimtelijke Ordening Binnen onze gemeente doen zich diverse overtredingen voor op het gebied van ruimtelijke ordening. De meest relevante overtredingen zijn:
- Strijdig gebruik: rommelerven bedrijfsmatige activiteiten waar die niet zijn toegestaan (woonwijken) permanente bewoning recreatieparken
- Illegaal bouwen in strijd met omgevingsplan In de uitvoeringsbeleidsperiode 2024-2028 gaan wij hier op de volgende wijze aandacht aan geven: Ad 1) Rommelerven komen in de gemeente Noordenveld ook voor op enkele locaties. Het aanpakken van dergelijke locaties vereist altijd een maatwerkoplossing, omdat de aanleiding van de verrommeling van geval tot geval kan verschillen. Het aanpakken van een rommelerf vergt doorgaans een integrale aanpak, waarbij collega’s vanuit diverse disciplines een bijdrage moeten verlenen om het proces tot de gewenste uitkomst te brengen. Ad 2) Bedrijfsmatige activiteiten in woonwijken kunnen voor veel overlast veroorzaken. Bij het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten zien wij doorgaans dat geluid en vervoersbewegingen voor de meeste overlast zorgen. Waar mogelijk betrekken wij collega’s van Economische Zaken om een dergelijk bedrijf te helpen verplaatsen naar een geschiktere locatie. Ad 3) Specifieke projecten zijn opgestart om met name de permanente bewoning van recreatieparken in te perken. Deze activiteiten dragen bij aan het realiseren van de strategische doelstelling: Veiligheid / Gezondheid / Goede omgevingskwaliteit / Duurzaamheid. 4.3.3 Domein Milieu De gemeente Noordenveld heeft alle wettelijke basistaken en extra verzoektaken die binnen dit domein vallen belegd bij de RUD Drenthe. Dit betreft zowel vergunningverlening- als toezicht en handhavingstaken. De RUD Drenthe wil de bij haar belegde taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving in het omgevingsrecht op een effectieve, efficiënte en kwalitatief verantwoorde wijze uitvoeren. Het is de missie van de RUD Drenthe (en haar deelnemers) om zichtbaar samen te werken aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving. Het Algemeen Bestuur van de RUD Drenthe heeft op 19 december 2022 de uniforme Uitvoerings- & Handhavingsstrategie Drenthe 2022-2026 vastgesteld. Het document bevat de meerjarige strategie op het gebied van milieu en bodem, vergunningverlening, toezicht en handhaving en legt daarmee een beleidsmatige/strategische basis onder het uitvoeringsniveau van de taken die zijn overgedragen aan de RUD Drenthe. Deze strategie is het beleidsmatige fundament onder de uitvoering van de milieutaken. In de strategie zijn de huidige werkafspraken en beleid vastgelegd. Deze eerste versie legt het fundament voor een betere vertaling van beleid naar uitvoering, dat de komende jaren verder kan uitgroeien. Prioriteiten, methoden en werkwijzen zijn de basis voor concrete afspraken in de jaarprogramma’s van de omgevingsdiensten. De gemeente Noordenveld heeft de U&H-strategie Drenthe 2022-2026 vastgesteld op 11 april
- Deze activiteiten dragen bij aan het realiseren van de strategische doelstelling: een veilige, gezonde, schone en duurzame leefomgeving (tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten). 4.3.4 Domeinen Algemene Plaatselijke Verordening (Apv) / Bijzondere wetten Binnen dit domein beperken de overtredingen zich tot de hoogste risiconiveaus binnen de gemeente. Specifiek gaat het om de volgende handhavingstaken: verrommeling van de openbare ruimte (controle reclame, fout parkeren) illegale kap en het niet uitvoeren van herplantplichten afval illegale stort (meldingen afvalstort en zwerfvuil) afval illegale stort (drugsafval/asbest); dit is verboden op grond van de Afvalstoffenverordening Gemeente Noordenveld 2022 evenals het Uitvoeringsbesluit op de Afvalstoffenverordening Gemeente Noordenveld 2024; incidenten gevaarlijke honden Kleine ergernissen spelen een grote rol in de beleving van leefbaarheid. Dit is ook te zien in het nog steeds stijgend aantal meldingen, mede vanwege de laagdrempeligheid om een melding te maken. In de beleidsperiode 2024-2028 gaan we hier het volgende aan doen: Steeds meer werkzaamheden worden de (exclusieve) bevoegdheid van de Boa’s, en ook daar is grote vraag naar (kijk naar de eerdere corona maatregelen). Daarnaast zal gekeken worden naar de prioritering van de werkzaamheden en het meer projectmatig werken om zodoende de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten. In het bijzonder verdient vermelding de dumping van (synthetisch) drugsafval en asbest in de natuurgebieden: deze dumping is de afgelopen jaren enorm gestegen. De kosten voor het ruimen van het afval en eventueel saneren van de bodem kunnen hierbij hoog oplopen. Een gezamenlijke aanpak van deze problematiek door onder meer provincie, gemeenten, politie, brandweer, waterschappen, het OM en Staatsbosbeheer is hierbij van wezenlijk belang. Deze activiteiten dragen bij aan het realiseren van de strategische doelstelling: Veiligheid / Gezondheid / Goede omgevingskwaliteit / Duurzaamheid 4.3.5 Domein Alcoholwet De Alcoholwet focust op alcoholgebruik bij de jeugd onder 18 jaar. De wet kent een vergunningplicht voor de verkoop van alcohol. Jongeren met alcohol op straat vallen ook onder de reikwijdte van deze wet. Er doen zich diverse overtredingen voor als het gaat om het verstrekken en het gebruik van alcohol. De meest relevante overtreding op dit beleidsterrein is:
- Verstrekken aan minderjarige/wederverstrekking Het naleefgedrag bij het navolgen van de Alcoholwet is onvoldoende. De aanpak van intensief toezicht op het gebied van wederverstrekking en alcoholgebruik onder de jeugd wordt uitgebreid. Dit toezicht kan plaatsvinden in algemene zin op straat, maar ook tijdens evenementen. Om hier grip op te krijgen, werken de BOA’s actief samen met de jeugdagent en de jeugdwerkers van WIN. In de komende beleidsperiode gaat er meer toezicht plaatsvinden waar dat kan en zullen notoire overtreders de volle aandacht krijgen. Deze activiteiten dragen bij aan het realiseren van de strategische doelstelling: Veiligheid / Gezondheid / Goede omgevingskwaliteit / Duurzaamheid Wij werken samen via onder andere de Preventieve Gezondheidsnota Noordenveld en de Uitvoeringsagenda Jeugd om te bereiken dat de overlast van jongeren (met drank- en drugsgebruik) in de openbare ruimte wordt beperkt. 4.3.6 Domein Evenementen Binnen het beleidsterrein evenementen zijn de meest relevante overtredingen: Schenken van alcohol aan minderjarige/wederverstrekking. Handelen in afwijking van een evenementenvergunning. Naleven van de gestelde voorwaarden in het evenement. Voor evenementen staat het evenementenbeleid centraal om het naleefgedrag te bevorderen. Op dit moment ligt de aandacht op het reduceren van alcohol schenken aan minderjarigen. Daarnaast vinden wij het van belang om tijdens het evenement de gestelde voorwaarden in de evenementenvergunning te onderzoeken en te controleren, bijvoorbeeld de naleving van de gestelde geluidsnormen. Deze activiteiten dragen bij aan het realiseren van de strategische doelstelling: Veiligheid / Gezondheid / Goede omgevingskwaliteit / Duurzaamheid 4.4Prioriteitstelling VTH Prioriteren houdt in dat we taken wel uitvoeren maar ook dat we taken niet of in beperkte mate uitvoeren. De rode draad in de U&H-strategie is dat de inschatting van de risico’s voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die we stellen bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Omdat er beperkte capaciteit is die niet op alles ingezet kan worden, geven we prioriteit aan de gevallen waarin de risico’s van niet-naleving (kans maal effect) het grootst zijn. Door risico’s te duiden en te prioriteren kan de beschikbare capaciteit voor uitvoering van de VTH-taken risicogericht worden ingezet. De meeste aandacht gaat uit naar problemen/overtredingssoorten met een hoge prioriteit en minder of geen aandacht naar activiteiten met een gemiddelde of lage prioriteit. In deze paragraaf leggen we vast welke prioriteiten we aan de vergunning- en handhavingstaken toekennen. Niet alleen de grootste risico’s uit de risicoanalyse moeten prioriteit krijgen binnen het onderhavige U&H-strategie, maar ook landelijke en regionale ontwikkelingen en bestuurlijke prioriteiten en lokale aandachtspunten voortkomend uit beleid kunnen ervoor zorgen dat taken de komende beleidsperiode uitgevoerd dienen te worden. De landelijke, regionale en lokale prioriteiten en projecten worden verder uitgewerkt in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Verder zal de gemeente naar aanleiding van meldingen of handhavingsverzoeken, ongeacht de prioriteit, altijd een actie ondernemen behoudens anonieme meldingen. 5Strategieën Dit hoofdstuk beschrijft de strategieën van de U&H-strategie. De prioriteiten en doelstellingen worden vertaald naar concrete strategieën. De toepassing van deze strategieën leidt tot het behalen van de geformuleerde doelen. De grondslagen van de inhoud van de strategieën is terug te vinden in het Omgevingsbesluit artikel 13.6 en 13.7 (voorheen hoofdstuk 5 van de Wabo). Bij het voorbereiden van deze strategie is gebruik gemaakt van enkele andere vergunningenstrategieën uit andere regio’s. De VTH-strategieën bestaan uit vijf componenten: preventiestrategie, vergunningenstrategie, toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. In onderstaand figuur is de onderlinge verhouding tussen de VTH-strategieën gevisualiseerd. Preventiestrategie De preventiestrategie beschrijft hoe overtredingen van wet- en regelgeving kunnen worden voorkomen. Communicatie en voorlichting spelen een grote rol. De preventiestrategie is vooral gericht op het vergroten van de bewustwording van inwoners en bedrijven dat zij zélf verantwoordelijk zijn voor het naleven van wet- en regelgeving. Bekendheid met de regels vormt immers de basis voor het naleven van regels. Vergunningenstrategie In de vergunningenstrategie leggen wij vast welke vormen van vergunningverlening er zijn en welke toetsingskaders daarbij gelden. Met deze strategie zorgen wij ervoor dat we het kwaliteitsniveau van de diverse processen en werkzaamheden zo hoog mogelijk houden. In ieder geval voldoen we hiermee aan de wettelijke eisen. De probleemanalyse van vergunningverlening, dit zijn de meest voorkomende overtredingen en problemen die zijn opgenomen in de risicomatrix, laat zien dat ten aanzien van vergunningen en meldingen de hoge scores op de effecten leidend zijn. De gemeente Noordenveld wil ‘risico’s’ beperken door risico gericht te werken. Dit doen we door risicogestuurd te kijken naar verschillende vergunnings- en meldingsaanvragen en we maken inzichtelijk welke onderdelen belangrijk zijn en dus bij welke aanvragen een diepgaandere toets wenselijk is. Handhavingsstrategie De handhavingsstrategie is onderverdeeld in de toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. De gemeente maakt gebruik van de Landelijke Handhavingsstrategie. Toezichtstrategie De toezichtstrategie beschrijft op welke manier en in welke mate toezicht wordt gehouden. Toezicht houden draagt eraan bij dat mensen wettelijke voorschriften naleven en het beperkt de risico’s op het overtreden van die voorschriften. De aard en de frequentie van het toezicht zijn afhankelijk van het risico dat een project vormt. We werken met risicogericht toezicht. Sanctiestrategie Als uit het toezicht blijkt dat er sprake is van een overtreding, dan treden we hiertegen handhavend op. Als uitgangspunt voor de handhavingsmiddelen die we inzetten, geldt de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS). Conform de LHS zetten we een passende sanctie in die zo effectief en efficiënt mogelijk leidt tot beëindiging van de overtreding. De sanctie wordt aangepast aan de beschikbare feiten, de aard en omstandigheden van de overtreding en het naleefgedrag van de inwoner of het bedrijf. Gedoogstrategie Er zijn omstandigheden waarbij we niet handhavend optreden tegen een overtreding. Dit zogenoemde ‘gedogen’ gebeurt op basis van een vastgestelde gedoogstrategie. De landelijke regels voor gedogen vormen de basis voor deze U&H-strategie. Omdat het naleven van de regels ons uitgangspunt is, gaan we terughoudend om met gedogen. Het kan alleen onder strikte voorwaarden. De strategieën zijn uitgewerkt in de bijlagen. 6Organisatie en middelen In dit hoofdstuk gaan we in op de organisatie en middelen van de U&H-strategie. 6.1Bestuurlijke en ambtelijke organisatie BESTUURLIJKE ORGANISATIE Het college van burgemeester en wethouders is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor VTH op het gebied van de Omgevingswet. Het college stelt hiervoor een U&H-strategie vast en maakt dit bekend aan de gemeenteraad. Het college beslist op vergunningaanvragen en treedt waar nodig bestuursrechtelijk handhavend op. De portefeuillehouder VTH bewerkstelligt dat, waar nodig, op bestuurlijk niveau afstemming plaatsvindt zodat er slagvaardig richting inwoner, bedrijf, instelling of overheid wordt opgetreden. Daarnaast draagt de portefeuillehouder bestuurlijke verantwoordelijkheid dat de U&H-strategie wordt uitgevoerd binnen de visie en uitgangspunten. De gemeenteraad stelt omgevingsplannen en verordeningen vast en heeft in het kader van vergunningverlening in bepaalde gevallen adviesrecht. De gemeenteraad heeft formeel geen wettelijke bevoegdheid over de wijze van uitvoering van de VTH-taken. AMBTELIJKE ORGANISATIE De VTH-taken bouwen en ruimtelijke ordening worden uitgevoerd door medewerkers van het team VTH en het team RO, voor zover deze niet zijn ondergebracht bij de RUD Drenthe. Daarnaast worden er ten behoeve van de uitvoering van VTH-taken ondersteunende taken uitgevoerd bij andere organisatieonderdelen: financiële diensten (legesheffing, invordering verbeurde dwangsommen, facturering), juridische diensten (commissie voor de bezwaarschriften) en administratieve diensten (centrale registratie). AFSTEMMING BESTUUR EN AMBTELIJKE ORGANISATIE Er is frequent overleg tussen portefeuillehouder en ambtelijke organisatie. In deze overleggen komen zo nodig individuele handhavingszaken aan de orde en wordt gesproken over ontwikkelingen op het gebied van het omgevingsrecht. Bestuurlijk gevoelige handhavingszaken worden vooraf met de portefeuillehouder afgestemd. Daarnaast vindt periodiek overleg plaats over de uitvoering van VTH-taken bij de RUD Drenthe. SAMENWERKINGSPARTIJEN Bij de uitvoering van de VTH-taken zijn verschillende samenwerkingspartners betrokken. Zo is de advisering over brandveiligheid belegd bij de Veiligheidsregio Drenthe. Alle milieutaken zijn belegd bij de RUD Drenthe. Daarnaast worden waar nodig andere partners betrokken bij de uitvoering, zoals het waterschap Noorderzijlvest, de provincie Drenthe, de politie en het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer, woningcorporaties en belangenverenigingen. Er vinden overleggen plaats waarbij zowel verscheidene teams binnen de gemeente als externe partners deelnemen. Voorbeelden van dergelijke overleggen zijn de overleggen die betrekking hebben op Horeca of evenementen, of het regionaal handhavingsoverleg en het VTH-overleg tussen Noord-Drentse gemeenten. De gemeente heeft een regiefunctie bij uitvoering van VTH-taken en heeft een belangrijke rol bij een goede uitwisseling van informatie tussen de verschillende overheidsorganisaties. Voor de samenwerkingspartners aan wie uitvoering van VTH-taken is opgedragen, blijft de gemeente het bevoegd gezag en is verantwoordelijk voor het opstellen van de U&H-strategie. De samenwerkingspartners voeren de VTH-taken uit conform de U&H-strategie en leggen hierover verantwoording af aan de gemeente. 6.2Middelen De kosten die zijn gemoeid met de uitvoering van U&H-taken bestaan voornamelijk uit personele kosten, de gemeentelijke bijdrage in de RUD Drenthe en de VRD en budgetten voor overige kosten zoals licenties en extern juridisch en technische onderzoek en -advisering. Daartegenover staan legesinkomsten, die over een langere periode niet meer dan kostendekkend mogen zijn. Overigens komen niet alle U&H-taken in aanmerking voor dekking vanuit leges. Zo zijn onder meer de uitvoering van milieutaken, bezwaar- en beroepsprocedures, meldingen (sloop, brandveiligheid) en toezicht en handhaving van de bestaande gebouwenvoorraad uitgesloten van legesheffing. Er dienen voldoende middelen ter beschikking te staan om de risico’s die met de uitvoering van U&H-taken worden tegengegaan tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Het huidige budget en de formatieomvang voor VTH zijn voor het college het vertrekpunt. Als de taakuitvoering gedurende de looptijd van deze nota wijzigt, bijvoorbeeld door wetswijziging, dan worden de budgettaire effecten daarvan meegenomen in de reguliere begrotingscyclus. De financiële kaders worden opgenomen in de begroting die aan de raad in de reguliere planning- en control cyclus wordt aangeboden. De daadwerkelijke uitvoering, vastgelegd in jaarprogramma’s, beweegt zich binnen de in de begroting opgenomen kaders voor personeelskosten en directe budgetten. Bijlage1Handleiding Risicomatrix Inleiding, doel en opbouw Deze kwalitatieve risicomethode (deels gebaseerd op het DBC-risicomodel) wordt gebruikt om voor de gemeenten van de provincie Drenthe in regio Noord (Assen, Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo) een integrale risicoanalyse uit te voeren, die uiteindelijk leidt tot een prioriteitstelling ten behoeve van de U&H-strategie. Beleid opstellen betekent keuzes maken: nooit zal er voldoende capaciteit zijn om alle taken uitputtend uit te voeren. Het stellen van prioriteiten heeft dus als doel het bepalen van die problemen/overtredingsoorten die in potentie risicovol zijn en waar derhalve het meeste toezicht op moet worden gehouden vanuit de overheid. Een (door het bestuur vastgestelde) risicoanalyse levert inzicht in de benodigde menskracht en middelen, gebaseerd op de risico’s van activiteiten, op de specifieke lokale situatie en de ambities van het bestuur. Doel is via één uniforme werkwijze de handhaving en de vergunningverlening (ook wel uitvoering genoemd) te benaderen en daarbij de toezichtslast voor particulieren en ondernemers zo minimaal mogelijk te houden. Ook de wetgeving streeft naar meer uniformering. Zo wordt steeds meer lokale wetgeving landelijk geüniformeerd. In deze handleiding wordt uitleg gegeven over de werking en de resultaten van het gehanteerde kwalitatieve risicomodel. Hierbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: uitgangspunten van het risicomodel; vastleggen van definities risicoafweging; toepassen en invullen van de risicomatrix; voorbeeld ingevulde risicomatrix. Uitgangspunten van het risicomodel Bij gebruik van het risicomodel moeten soms keuzes worden gemaakt over hoe om te gaan met een aantal zaken. Deze keuzes worden in onderstaande tabel vastgelegd. UITGANGSPUNTEN INVULLEN INTEGRALE RISICOMODEL VASTGESTELDE KEUZE TOELICHTING De risicomatrixen hebben betrekking op overtredingssoorten/problemen in de gemeente De integrale risicoanalyse heeft uitsluitend betrekking op de ‘probleem gerelateerde‘ taken uitgevoerd door de gemeente Er wordt gewerkt met probleemonderwerpen per domein, deze staan opgesomd in de eerste kolom Deze probleemonderwerpen hebben zowel betrekking op Vergunningverlening als Toezicht- en Handhaving Er wordt op een beperkt aantal problemen/overtredingssoorten gescoord De lijst van problemen in niet limitatief en in samenspraak met de vakinhoudelijke experts van de gemeenten opgesteld Er wordt gescoord op een zestal beoordelingsaspecten, deze staan opgesomd in de eerste rij Alle zes beoordelingsaspecten zijn gelijkwaardig, er wordt geen weging aangebracht in de verschillende beoordelingsaspecten Bij naleefgedrag wordt gescoord in hoeverre de regel (of regels) worden nageleefd Dus hoe zit het met de regelnaleving gekoppeld aan het probleem/overtredingssoort Als het naleefgedrag niet bekend is of er is een onvoldoende eenduidig beeld is, dan wordt het naleefgedrag op 3 (gemiddeld) gezet Het naleefgedrag is terughoudend ingevuld aangezien niet altijd (objectieve) informatie aanwezig is. De score is gebaseerd op de huidige handhavingsinspanning De overtredingen en problemen die zich voordoen komen naar voren op basis van de huidige inzet Vastleggen van definities risicoafweging Voor uitvoering van de juiste risicoafweging moet een aantal variabelen worden gedefinieerd. Het gaat daarbij met name om de beoordelingscriteria, de scores 1 tot en met 5 die het risico per criterium aangeven en de risicoscore die de uiteindelijke prioriteit van een probleem/overtredingssoort beschrijft. De definities hiervan zijn hieronder gegeven, waarbij deels is aangesloten bij de algemene definities zoals deze ten behoeve van de gebruikelijke risicomodellen zijn ontwikkeld. De risicoafweging vindt plaats op basis van een zestal beoordelingsaspecten: Veiligheid Duurzaamheid Gezondheid Leefbaarheid Financieel Economisch Bestuurlijk imago Veiligheid In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot letsel. De te verwachten schade in de vorm van lichamelijk letsel als gevolg van een verstoring/ calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Het gaat hier zowel om direct lichamelijk letsel. Voorbeelden zijn: lichamelijk letsel (gewond raken), ademhalingsmoeilijkheden, vergiftiging, asbestbeschadiging, straling, rug/wervel beschadigingen ed. De score ziet er als volgt uit: De verstoring/calamiteit leidt niet tot enig persoonlijk letsel. Pijn of gering letsel bij één of meerdere personen. Denk hierbij aan één of meerdere lichtgewonden. Zwaar letsel bij één of meerdere personen. Denk hierbij aan één of meerdere zwaargewonden. Eén of meerdere dodelijke slachtoffers. Zodra de inschatting is dat de verstoring/calamiteit dodelijke slachtoffers tot gevolg kan hebben moet minimaal een score 4 worden aangehouden. Zwaar letsel bij meerdere personen en meerdere dodelijke slachtoffers over een groot gebied. Denk hierbij aan meerdere doden verspreid over een wijk of stad. Duurzaamheid In hoeverre tast het probleem het milieu/de natuur aan, welk effect heeft dit op de verstoring, verspilling van grondstoffen en energie alsmede de aantasting van de Groene Wetgeving en Erfgoedwetgeving. Bij erfgoed is het belangrijk zich te realiseren dat het verloren gaan van waarden hier eenmalig is en niet meer terug te draaien/te herstellen. De score ziet er als volgt uit: De verstoring/calamiteit leidt niet tot achteruitgang van het milieu/de leefomgeving. De te verwachten afbreuk is gering. Hierbij valt te denken aan beperkte milieuschade als gevolg van (geringe) illegale stort, lozing of emissie van stoffen die slechts tijdelijk schade veroorzaken. Veelal betreft het kleine milieuovertredingen door particulieren of kleine bedrijven. Er is sprake van een duidelijke aantasting van het milieu, doch deze is omkeerbaar en heeft geen effecten op de lange termijn. De te verwachten milieuaantasting is evident en heeft permanente gevolgen. Hierbij valt te denken aan illegale lozing, stort of emissie van sterk vervuilende/giftige stoffen. De te verwachten milieuaantasting is evident (onomkeerbaar), heeft permanente gevolgen en leidt tot grote maatschappelijke rampen. Hierbij valt te denken aan illegale lozing van enorme omvang, stort of emissie van sterk vervuilende/giftige stoffen in een zeer kwetsbare omgeving. Gezondheid In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot een afname van de gezondheid van de mens. De te verwachten schade aan de gezondheid als gevolg van bijvoorbeeld een afname van de luchtkwaliteit, waterkwaliteit, etc. Voorbeelden zijn toename fijnstof of andere luchtvervuiling, afname waterkwaliteit, etc. die de gezondheid van mensen nadelig beïnvloedt. De score ziet er als volgt uit: De verstoring/calamiteit leidt niet tot mogelijke gezondheidsproblemen. Gezondheidsproblemen bij één of enkele personen (niet blijvend). Denk hierbij aan lokale vervuiling/overlast waardoor stank bestaat of die stress oplevert. Algehele (niet blijvende) gezondheidsproblemen. Denk hierbij aan ernstige lucht, water of andere vervuiling waardoor long- of oogirritaties ontstaan. Blijvende gezondheidsproblemen voor meerdere personen, bijvoorbeeld permanente aantasting van luchtwegen, blindheid, langdurige psychische problemen. Zware gezondheidsproblemen met de dood als gevolg, bijvoorbeeld langdurige blootstelling aan radioactieve straling of asbest. Leefbaarheid In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot afbreuk van het omgevingsmilieu. De te verwachten afbreuk en schade aan de leefomgeving als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak door de overheid. De score ziet er als volgt uit: Er is geen sprake van een negatief effect op het maatschappelijk welbevinden of het effect is verwaarloosbaar klein. De te verwachten afbreuk is minimaal/verwaarloosbaar. Hierbij valt te denken aan beperkte overlast in de vorm van stank, geluid of trillingen (zintuiglijke waarneming). De (beleving van) de veiligheid in de directe woonomgeving is niet in het geding. De te verwachten afbreuk heeft gevolgen die niet ernstig en/of van korte duur zullen zijn. Hierbij valt te denken aan een geringe afname van (het gevoel van) veiligheid of een tijdelijke ernstige overlast of een permanente overlast in de vorm van stank, geluid of hinder die de kwaliteit van het leven beïnvloeden . De te verwachten afbreuk heeft ernstige gevolgen die echter niet permanent zijn. Hierbij valt te denken aan een afname van (het gevoel van) veiligheid of een tijdelijke ernstige overlast in de vorm van stank, geluid of hinder die de kwaliteit van het leven sterk beïnvloeden. De te verwachten afbreuk is evident en heeft permanente grote gevolgen. Hierbij valt te denken aan een sterke afname van (het gevoel van) veiligheid in de directe omgeving en/of ernstige overlast in de vorm van stank, geluid of hinder die de kwaliteit van het leven erg sterk beïnvloeden, blijvende gezondheidsklachten veroorzaken, etc. Financieel economisch Wat is de financieel-economische schade voor de gemeente als gevolg van de calamiteit. Het gaat hier om schade die door de gemeente moet worden vergoed dan wel die ten laste komt van de gemeentelijke economie. Voorbeelden zijn: eventuele niet verzekerde kosten die door de gemeente worden gedragen (tijdelijke opvang, vergoedingen), verlies aan werkgelegenheid, economische achteruitgang, etc. De score ziet er als volgt uit: Er is geen sprake van enige financieel - economische schade. De directe financieel - economische schade is gering en blijft beperkt tot geringe directe kosten (maximaal 10.000,- euro) De financieel - economische schade is aanzienlijk. Denk hierbij aan directe kosten tot maximaal 100.000,- euro en / of een geringe terugloop van economische bedrijvigheid. De financieel - economische schade is hoog. Denk hierbij aan directe kosten tot 1 miljoen en / of terugloop van economische bedrijvigheid. De financieel - economische schade is zeer hoog. Denk hierbij aan directe kosten van meer dan 1 miljoen en / of sterke terugloop van economische bedrijvigheid. Bestuurlijk imago Wat is de imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie. De te verwachten afbreuk en/of schade aan het imago, beeld, geloofwaardigheid en vertrouwen van de inwoner in het bestuurlijk apparaat en haar besluitvorming als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Voorbeelden: (al dan niet georganiseerde) protesten, mediacampagnes, open brieven e.d., met als gevolg gezichtsverlies, gevoel van zaakjes niet op orde, etc. De score ziet er als volgt uit: Er is geen sprake van afbreuk aan het bestuurlijk imago. De te verwachten afbreuk is minimaal. Denk hierbij aan enkele brieven aan het bestuur, ingezonden brieven in de krant en/of een enkele klacht. Het algemene vertrouwen in het bestuur wordt niet geschaad. Het idee dat het bestuur haar zaken niet op orde heeft, is niet aan de orde. De te verwachten afbreuk heeft gevolgen die niet ernstig en/of van korte duur zijn. Denk hierbij aan een tijdelijke stroom klachten, georganiseerde buurtprotesten, enkele juridische procedures en een brede negatieve aandacht in de media. Algemeen ontstaat het beeld dat het bestuur niet alles op orde heeft. De te verwachten afbreuk is evident en heeft grote permanente gevolgen. Denk hierbij aan voortdurende klachten over het onderwerp, brede maatschappelijke protesten en onrust, georganiseerde mediacampagnes, zware juridische procedures (nalatigheid, etc.) en algeheel gezichtsverlies van het bestuur. De positie van bestuurders is in het geding (moties van wantrouwen) en het bestuur wordt door de inwoners als incompetent beschouwd. De afbreuk van het bestuurlijk imago is dermate groot dat de positie van het bestuur als geheel per direct onhoudbaar is. Toepassen en invullen risicomatrix Voor de toekenning van de scores van 1 tot 5 is het volgende risicoscore overzicht uitgewerkt: Punten Betekenis 5 ZEER GROOT NEGATIEF EFFECT 4 GROOT NEGATIEF EFFECT 3 BEPERKT NEGATIEF EFFECT 2 KLEIN NEGATIEF EFFECT 1 ZEER KLEIN / GEEN NEGATIEF EFFECT De risico’s van de problemen/overtredingssoorten worden beoordeeld op een zestal beoordelingscriteria. Per criterium wordt het eventuele negatieve effect uitgedrukt op een schaal van 1 (geen negatief effect) tot 5 (zeer sterk negatief effect). De volgende beoordelingscriteria worden gebruikt: Veiligheid: In hoeverre heeft de overtredingssoort effect op mogelijk letsel? Duurzaamheid: In hoeverre tast het probleem/de overtredingssoort het milieu aan, welk effect heeft dit op het milieu? Gezondheid: In hoeverre heeft dit probleem/overtredingssoort effect op een afname van een gezond leefklimaat voor de mens? Leefbaarheid: In hoeverre leidt een probleem/overtredingssoort tot schade aan het leefmilieu? Financieel economisch: Wat zijn de effecten op de kosten van een eventueel probleem/overtredingsoort? Bestuurlijk imago: Wat is het effect op bestuurlijk imago van een probleem/overtredingsoort Daarnaast dient in eenzelfde riscomatrix de score ingevuld te worden voor het naleefgedrag. In het afwegingsmodel worden de risicoscores gecorrigeerd voor naleefgedrag. Dit risico model hanteert ook voor het naleefgedrag een 5-punts schaalverdeling: Punten Betekenis 5 ZEER GROOT NEGATIEF EFFECT 4 GROOT NEGATIEF EFFECT 3 BEPERKT NEGATIEF EFFECT 2 KLEIN NEGATIEF EFFECT 1 ZEER KLEIN / GEEN NEGATIEF EFFECT Punten Betekenis 5 ZEER LAAG NALEEFNIVEAU: NIET NALEEFGEDRAG IS ZEER HOOG 4 LAAG NALEEFNIVEAU: NIET NALEEFGEDRAG IS HOOG 3 VOLDOENDE NALEEFNIVEAU: NALEEFGEDRAG IS GEMIDDELD 2 RUIM VOLDOENDE NALEEFNIVEAU: NALEEFGEDRAG IS HOOG 1 GOED NALEEFNIVEAU: NALEEFGEDRAG IS ZEER HOOG De naleefscore beperkt zich op “de kans dat het probleem zich voordoet” of “de kans op het niet naleven van….”. Als het naleefgedrag niet bekend is of er is een onvoldoende eenduidig beeld is, dan wordt het naleefgedrag op 3 (gemiddeld) gezet. Dit is conform één van de uitgangspunten opgenomen in het eerder vermelde uitgangspuntentabel van deze handleiding. VOORBEELD INGEVULDE RISICOMATRIX Voorbeeld ingevulde risicomatrix Hieronder staat een voorbeeld risicoanalyse met betrekking op het domein APV. Beschrijving van de problemen Domein APV (o.a. overtreding-soorten) Naleving Kans dat het Probleem zich voordoet NALEEFNIVEAU Veiligheid Duurzaamheid Gezondheid Leefbaarheid Financieel economisch Bestuurlijk imago Crossen met m.n. motorenen ATB fietsen in natuurgebieden, individueel en in groepsverband 3 2 3 2 3 1 3 Houden van bijen 2 2 1 1 1 1 2 Illegale dumping drugsafval in natuurgebied 4 5 4 5 4 3 4 Toelichting op ingevulde tabel Bovenstaande tabel is een gedeeltelijke uitwerking van de risicomatrix met betrekking tot domein APV. In de eerste kolom staat de uitgebreide omschrijving van de overtreding. In de tweede kolom volgt een beoordeling van het Naleefniveau (een goed naleefniveau kleurt groen met een onderliggende score van ‘1’, een zeer laag naleefniveau kleurt rood met een onderliggende score van ‘5’, zie voorbeeld het roodgekleurde vak). Vanaf kolom 3 (Veiligheid) tot en met 8 (Bestuurlijk imago) wordt het Negatief effect op de zes beoordelingscriteria toegekend. Als voorbeeld de middelste rij (gerelateerd aan “houden van bijen”) kleuren alle vlakken volledig groen. Dat wil zeggen dat er ‘een( zeer) klein/geen negatief effect’ is op de zes beoordelingsaspecten en het naleefgedrag is hoog. Indien de volledige tabel van de risicomatrix voor de betreffende taken zijn ingevuld volgt hieronder een voorbeeld hoe de totale risicoscore tot stand komt: Beschrijving van de problemen (o.a. overtredingen) Kans Kans dat het probleem zich voordoet (kans op het niet naleven van…) Effect Gemiddelde van de thema’s RISICO = Kans x Effect Crossen met m.n. motorenen ATB fietsen in natuurgebieden, individueel en in groepsverband 3 2,3 6,9 Houden van bijen 2 1,3 2,6 Illegale dumping drugsafval in natuurgebied 4 4,2 16 De resultaten van de risicoscores zijn gebaseerd op onderstaande schaalverdeling met betrekking tot de (minimale en maximale) totaaluitkomsten (is RISICO = Kans x Negatief Effect): HOOG RISICO GROTER DAN OF GELIJK AAN 7 > 7 GEMIDDELD RISICO KLEINER DAN 7 EN GROTER DAN 4 > 4 -7 LAAG RISICO KLEINER DAN OF GELIJK AAN 4 <4 Bijlage 2 Preventiestrategie Voor een mooie, schone, veilige, gezonde en duurzame leefomgeving is het belangrijk dat inwoners, bedrijven en instellingen regels naleven. Daarom willen we overtredingen voorkomen en naleving bevorderen. Het doel van preventie is de naleving van regels vergroten. Het naleven van regels is niet altijd vanzelfsprekend. Door de inzet van communicatiemiddelen (voorlichting) en ondersteunend optreden (vooroverleg) beïnvloeden we het gedrag op een positieve manier. We vinden het belangrijk om duidelijk te maken welke regels er zijn, waarom ze er zijn en hoe we er op toe zien. Met een goede inzet van communicatiemiddelen kunnen we het naleefgedrag aanzienlijk verbeteren. Pas als regels bekend zijn kunnen inwoners, bedrijven en instellingen deze bewust naleven. Natuurlijk blijft het wel primair de verantwoordelijkheid van de inwoner, ondernemer of instelling zelf om op de hoogte te zijn en blijven van regels. Vergunningverleners en toezichthouders zijn een belangrijke schakel tussen overheid, inwoners en bedrijven en spelen een grote rol in de verbetering van het naleefgedrag. Zij hebben rechtstreeks contact met de inwoners en bedrijven en kunnen regels uitleggen en toelichten. Ook de overige medewerkers hebben een belangrijke rol in contacten met inwoners en bedrijven. Preventie, toezicht en sanctie kunnen zowel na elkaar als naast elkaar worden ingezet om naleefgedrag te bevorderen. Preventieve instrumenten zetten we wel eerder in bij welwillend gedrag en toezicht en sanctie meer bij calculerend en bewust overtredend gedrag. Maar preventieve instrumenten kunnen ook bij calculerend gedrag bijdragen aan betere naleving. We zetten voor ons vergunningverlening-, toezicht- en handhavingsbeleid de volgende preventieve instrumenten in: Bij het verstrekken van informatie of het verlenen van producten: Eenvoudige en duidelijke regels Regels die we zelf maken of voorschriften in een vergunning die we verlenen zijn zo eenvoudig en begrijpelijk mogelijk opgesteld. Waardoor zo min mogelijk discussie over de interpretatie kan ontstaan. En we proberen te voorkomen dat iemand ze niet snapt. Bij landelijk gemaakte regels hebben we hier weinig invloed op. Stimuleren vooroverleg We stimuleren vooroverleg bij initiatieven of plannen voor activiteiten. Vooroverleg is een overleg tussen een initiatiefnemer en de overheid (of overheden) die over toestemming voor de plannen gaat. Vooroverleg zorgt er voor dat we op tijd kunnen meekijken of een plan naar verwachting past binnen kaders en regels en welke voorschriften gaan gelden. De initiatiefnemer kan daar in een vroeg stadium rekening mee houden. Voor het beoordelen van vergunningaanvragen gelden ook steeds kortere termijnen. Een goede en volledige aanvraag is daarom belangrijk. Vooroverleg versnelt en stroomlijnt het vergunning proces en beperkt het aantal vergunningaanvragen dat we buiten behandeling moeten laten of het aantal vergunningen dat we moeten weigeren. (integraal) Samenwerken We treden zo veel mogelijk gezamenlijk en eenduidig op. Landelijke regels passen we uniform toe. Lokale regels en voorschriften zijn zoveel mogelijk gelijk en afgestemd. Dit geeft duidelijkheid en zorgt voor meer begrip. Tijdens het uitvoeren van het toezicht en het inzetten van handhavingsmiddelen: Zorgen voor begrip We laten de reden en achterliggende gedachte van regels weten. Iemand die weet en begrijpt waarom regels er zijn is eerder geneigd deze te accepteren en te volgen. Vergunningverleners en toezichthouders kennen de regels en de achterliggende gedachte en dragen deze gevraagd en ongevraagd uit. Handhaafbare regels Regels zijn zo geformuleerd dat ze uitvoerbaar zijn. Ook zorgen we dat we de regel (zo eenvoudig mogelijk) kunnen controleren. Als we zelf regels of voorschriften maken dan laten we een handhaafbaarheidstoets uitvoeren door vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zichtbaarheid toezicht en handhavingsactiviteiten We laten zien dat we toezicht houden en handhaven als dat nodig is. We communiceren over toezicht- en handhavingsprioriteiten en over grotere handhavingsprojecten. Het openbaar maken van toezichtresultaten op bedrijfsniveau is ook een preventiemiddel. Wij gebruiken dit terughoudend en eigenlijk alleen als we dit wettelijk verplicht zijn. We zijn daarnaast zelf als toezichthouder regelmatig zichtbaar aanwezig in het veld. In jaarprogramma’s en projectplannen nemen we preventie en communicatie standaard als instrument op. Informatie delen Overheden delen onderling zo veel mogelijk informatie. Zo kunnen overheden risicogericht en informatie-gestuurd toezicht houden en handhaven. Maar ook de handhaving efficiënter en effectiever inrichten. Informatie over een bedrijf, inwoner of instelling is zoveel mogelijk centraal opgeslagen en raadpleegbaar voor overheden onderling, mits dit wettelijk is toegestaan. Maatschappelijke controle stimuleren We juichen sociale controle toe, zoals buurtpreventie. We willen dat de omgeving de regels kent, overtredingen kan signaleren en met elkaar in gesprek gaat hierover. Vergunningen en besluiten zijn zoveel mogelijk digitaal in te zien. We vragen klagers vooral (ook) om zelf richting de overlastgever aan te geven dat ze overlast hebben. Wijkcoördinatoren, wijkmanagers, wijkagenten en Boa’s spelen een belangrijke rol in het stimuleren van maatschappelijke controle. Bij het vaststellen van nieuwe plannen of regels Informeren over (nieuwe) regels en processen We communiceren actief over (nieuwe) regels en geven voorlichting. Als een inwoner of ondernemer niet bekend is met de regels, dan weet die soms niet dat hij/zij in overtreding is. We communiceren via een passend communicatiemiddel voor de doelgroep. Je hebt massacommunicatie zoals een bericht op een website en gerichte communicatie zoals via een brief. We leggen regels en processen uit. Hoe willen we communiceren? We gebruiken een communicatiemiddel dat past bij de doelgroep en dat aansluit bij het moment of het gedrag van iemand. We communiceren bij voorkeur interactief, want dan kunnen we gelijk nagaan of de informatie goed over komt. We kijken ook naar de gedragsmotieven (dat kan bijvoorbeeld meewerkend zijn of expres tegenwerken) van degene aan wie we communiceren voor de keuze van het communicatiemiddel. Bijlage 3 Vergunningen- en meldingenstrategie Inleiding Bij het uitvoeren van de vergunningenstrategie wordt onderscheid gemaakt tussen technisch-inhoudelijke complexiteit van de activiteit en de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de activiteit. Bij meldingen, onder de Omgevingswet nadrukkelijk meer in aandacht genomen, wordt waar mogelijk een vergelijkbare benadering gevolgd. Technisch-inhoudelijke complexiteit. In geval de aanvraag een technisch-inhoudelijke complexe situatie betreft en/of de activiteit binnen een gebied ligt of komt te liggen dat een grote dynamiek kent en/of gevoelige functies herbergt, zullen bij de beoordeling van de vergunningaanvraag veel criteria worden beoordeeld: past de aanvraag binnen het bestemmingsplan/omgevingsplan, voldoet het initiatief aan landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid, veiligheidsklasse, kwaliteit van de aanvraag, betreft het nieuwbouw of verbouw, zijn er mogelijk gevolgen voor flora & fauna, natuurbescherming, stikstof, redelijke eisen van welstand, publiek toegankelijk, veel personen, bouwbesluit/Bbl, brandveiligheid, innovatieve bouw, gelijkwaardigheid, et cetera. Sociaal-maatschappelijke complexiteit. Als de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de situatie groot is, ligt het totstandkomingsproces gecompliceerd. Bijvoorbeeld vanwege actiebereidheid, locatie van de aanvraag, bestuurlijke aandacht, gevoeligheid van de functie, media, handhavingszaak, voorgeschiedenis. In dat geval moet er bestuurlijke afwegingsruimte worden ingevuld en is het proces minstens zo belangrijk als de inhoud. Afstemming, overleg en/of samenwerking tussen samenwerkingspartners en bevoegd gezag is noodzakelijk (ambtelijk en bestuurlijk), de initiatiefnemer en belanghebbende derden. Het speelveld van de vergunningenstrategie kan worden gevisualiseerd door vier kwadranten en twee assen. Deze assen zijn de technisch-inhoudelijke complexiteit en de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de situatie, die klein of groot kunnen zijn. De kwadranten vormen de vier typen vergunningen. In de afbeelding is de kleur van het type vergunning donkerder naarmate de inspanning om het type vergunning te leveren en het aantal betrokkenen over het algemeen groter is. Toelichting op de vier typen vergunningen volgt hieronder: Vergunning eenvoudig De vergunning is technisch-inhoudelijk noch sociaal-maatschappelijk complex. De vergunning bestaat vooral uit standaardvoorschriften. De vergunning kan zelfstandig door de specialist worden voorbereid. Voorbeeld: Het realiseren van een woning die past binnen wet- en regelgeving. Vergunning specifiek De situatie is technisch-inhoudelijk complex, maar de sociaal-maatschappelijke complexiteit is klein. De vergunning kan zelfstandig door de specialist worden voorbereid. De relatief grote technisch-inhoudelijke complexiteit maakt dat de vergunning vooral bestaat uit specifieke voorschriften. Voorbeeld: Het verbouwen van een ziekenhuis. Vergunning eenvoudig + De situatie is technisch-inhoudelijk gezien niet complex, maar de sociaal-maatschappelijke impact is groot. Vanwege de relatief kleine technische-inhoudelijke complexiteit kan er een vergunning worden voorbereid die hoofdzakelijk bestaat uit standaardvoorschriften. De sociaal-maatschappelijke complexiteit gebiedt dat dit gebeurt met extra aandacht voor zorgvuldige afstemming overleg en/of samenwerking tussen samenwerkingspartners en bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), de initiatiefnemer en belanghebbende derden. Voorbeeld: De oprichting van een AZC. Vergunning specifiek + De situatie is zowel technisch-inhoudelijk als sociaal-maatschappelijk complex. De technisch inhoudelijke complexiteit maakt dat er een vergunning moet worden voorbereid die vooral bestaat uit specifieke voorschriften. De sociaal-maatschappelijke complexiteit verlangt dat dit gebeurt met extra aandacht voor zorgvuldige afstemming, overleg, en/of samenwerking tussen samenwerkingspartners en het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), de initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden. Voorbeeld: Het oprichten van een intensieve veehouderij (bouwen + milieu) met veel verzet uit de buurt. Gevolgen op basis van kwadranten Als een aanvraag technisch-inhoudelijk en/of maatschappelijk-complex is, dan leidt dit tot: Meer aandachtspunten bij de behandeling van de aanvraag; Meer externe communicatie; gericht contact met de omgeving; Meer interne afstemming; Uitgebreide motivering; Bestuurlijke afstemming; Minimaal de toepassing van het vier-ogen principe. Behandelen van vergunningaanvragen op basis van de vergunningenstrategie Voor een kwalitatief goede beoordeling wordt bij het behandelen van een vergunningaanvraag de volgende werkwijze gevolgd: In deze bijlage beschrijven we de strategie voor vergunningverlening voor het toetsen van aanvragen voor een omgevingsvergunning. Dit betreft de activiteiten voor bouwen, aanlegwerkzaamheden, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, brandveiligheid, milieu-inrichtingen, aanpassen van een monument, slopen, aanleggen inrit, kappen van bomen en het aanbrengen van reclame-uitingen. Basiswerkwijze Naast het bovenstaande stappenplan volgt de gemeente Noordenveld een basiswerkwijze voor de behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning en/of melding. Als bevoegd gezag voor het afgeven van vergunningen zorgen wij ervoor dat de werkwijze (processen) van het behandelen van vergunningaanvragen volgens een geborgd proces verloopt. De formele juridische basis is vastgelegd in wetgeving. We onderscheiden de volgende vormen van vergunningverlening: Reguliere procedure (8 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken); Uitgebreide procedure (26 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken); Gefaseerde aanvraag (eerste en tweede fase; verschillende termijncombinaties zijn mogelijk); Aanvraag van deelactiviteiten (langste termijn van ieder van de deelactiviteiten); Opleggen van maatwerkvoorschriften (milieu) of nadere voorwaarden (brandveilig gebruik en sloop). Als een aanvrager een vergund initiatief niet realiseert, versturen we een verzoek tot intrekking. Deze toets voeren we 2-jaarlijks uit/projectmatig. Dit om te voorkomen dat we activiteiten realiseren op basis van verouderde regels. Voor het intrekken van omgevingsvergunningen hebben wij beleidsregels vastgesteld. We hanteren een scheiding tussen vergunningverlening en toezicht en handhaving. De scheiding ligt vast in functiebeschrijvingen. Er is geen scheiding aangebracht tussen vooroverleg en vergunningverlening. We vinden het juist belangrijk dat de klant een vast aanspreekpunt heeft gedurende het hele vergunningentraject (vooroverleg en aanvraagfase). VTH of RO leveren een accounthouder of aanspreekpunt, die dat bij voorkeur vanaf het vooroverleg tot aan de vergunningverlening blijft. Zij regisseren de behandeling van de aanvraag van het eerste klantcontact tot de afgifte van de beschikking op de aanvraag. Waar nodig vragen zij andere vakdisciplines om advies over volledigheid en de beoordeling van de aanvraag en bewaken de voortgang van het gehele traject. Tijdens het vergunningenproces blijft één accounthouder verantwoordelijk voor het project. Dit geeft duidelijkheid naar de klant. Na het verlenen van de vergunning wordt de zaak overgedragen aan een toezichthouder (bouwen) en eventueel een toezichthouder (milieu) voor het toezicht tijdens de realisatie en ingebruikneming. Hoofdstuk 6 bevat een nadere toelichting van onze VTH-organisatie. Bij initiatieven waar meerdere vergunningen of toestemmingen voor nodig zijn, stemmen we zoveel mogelijk af met andere bevoegde overheden en omgevingsdiensten. Waarbij we niet als adviesbureau functioneren maar als procesbegeleider. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aanvragen van zijn product. Dit doen we vanuit de 1-loket-gedachte. Hiermee voorkomen we dat we een activiteit deels vergunnen, maar deze op basis van andere wetgeving toch niet mag. Het vooroverleg is hierbij een belangrijk onderdeel. In de kwaliteitseisen heet dit vereiste “casemanagement”. De Omgevingswet heeft integraal werken en beoordelen als uitgangspunt. Het vooroverleg heeft hierin een belangrijke functie. Wel staat het een aanvrager vrij bepaalde activiteiten los aan te vragen. De verwachting is dat na invoering van de Omgevingswet het vooroverleg een veel meer gebruikt instrument zal gaan worden, zeker in combinatie met de regeldrukverlaging. De behandeling van een (concept)aanvraag omgevingsvergunning gebeurt volgens een vaste procedure met behulp van een (zaak)systeem. Een casemanager is verantwoordelijk voor het gehele proces. De inhoudelijke advisering wordt verzorgd door in- en externe specialisten. Voor de vergunningverlening heeft de Omgevingswet aanzienlijke gevolgen. Door de komst van de Omgevingswet zijn er meer zaken vergunningvrij. De zaken waar toch nog een vergunning voor nodig is, worden complexer. Echter de tijd om te komen tot een besluit wordt korter. Het is dus zaak om te investeren in de voorkant van het proces. Dit betekent onderzoeken wat er nodig is om het vooroverleg verder te verbeteren. De praktijk leert dat meer vergunningvrij betekent dat er meer toezicht en handhaving nodig is. Deze ontwikkeling volgen wij op de voet. Voor het gehele VTH domein wordt het meer van belang dat toezichthouders beleidsmakers adviseren bij de totstandkoming van beleid. De uitvoering kan namelijk als geen ander inschatten wat de gevolgen zijn van het beleid in de uitvoeringsfase. Zijn regels bijvoorbeeld wel toetsbaar of handhaafbaar? Daarnaast vraagt de Omgevingswet van de omgeving ook een cultuurverandering, door meer integraal te werken, de omgeving meer te betrekken én te denken vanuit oplossingen en niet vanuit wat mag conform vigerende wet- en regelgeving. Zo kan in veel gevallen een telefoontje naar een aanvrager of klager het proces versnellen of onderliggende problemen bloot leggen en oplossen. Bij de Omgevingswet wordt de reguliere procedure het uitgangspunt. De beslistermijn voor de reguliere procedure is 8 weken. Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn eenmalig verlengen met 6 weken (artikel 16.64, lid 2, Omgevingswet). Slechts in enkele gevallen kan er voor de uitgebreide procedure worden gekozen. Onder de Omgevingswet geldt de uitgebreide procedure voor een Rijksmonumentenactiviteit; een milieubelastende activiteit voor zover het gaat om het exploiteren van: een ippc‑installatie van een Seveso-inrichting van een andere milieubelastende installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen om het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalstoffenvoorziening; een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk voor het lozen van afvalwater afkomstig van een ippc-installatie of Seveso-inrichting; een stortingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.62 van het Besluit activiteiten leefomgeving; óf een Natura 2000-activiteit. Een belangrijk aspect is dus dat de duur van de vergunningenprocedure sterk wordt ingekort; alle aanvragen moeten in principe via de reguliere procedure binnen 8 weken worden afgehandeld. Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Bij vergunningaanvragen waar meerdere overheden regels voor stellen, wordt er één bevoegd gezag aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces. Dit zal meestal de gemeente zijn. De Omgevingswet gaat uit van een gelijkwaardige informatiepositie voor alle betrokkenen, waaronder de initiatiefnemer. Dit houdt in dat de geldende regels begrijpelijk ontsloten moeten worden en dat er zaakgericht gewerkt moet worden. Op die manier kunnen initiatiefnemers het vergunningverleningsproces volgen. Verder wordt participatie bij een vergunningaanvraag verplicht. Deze eis verplicht initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Dit alles vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden. In het geval van een complexe aanvraag zal dat naar verwachting niet binnen 8 weken kunnen worden doorlopen. Het vooroverleg wordt na invoering van de Omgevingswet wordt daarmee nog belangrijker. Vooroverleg Het doel van vooroverleg is om na te gaan of een voorgenomen activiteit mogelijk is. Bij strijdigheid met de (wettelijke) toetsingskaders kan vroegtijdig onderzocht worden of er een mogelijkheid is om af te wijken van deze kaders. Onder de huidige wetgeving kent de gemeente twee vormen van vooroverleg: de conceptaanvraag en het principeverzoek: Conceptaanvraag: toetsing van een concreet plan. Dit leidt niet tot een besluit als bedoeld in de Awb; Principeverzoek: veelal globale toetsing van de haalbaarheid van een plan. Dit kan leiden tot een ‘principebesluit’ van het college van B&W, er is geen sprake van een besluit als bedoeld in de Awb. Onder de Omgevingswet biedt het DSO-LV (digitale stelsel omgevingsrecht landelijke voorziening) met de zogenaamde ‘omgevingsoverleg functionaliteit’ de mogelijkheid om voorafgaand aan een vergunningsaanvraag een overleg met de gemeente aan te vragen, mits de gemeente als bevoegd gezag deze mogelijkheid voor de individuele activiteiten heeft geactiveerd. Het omgevingsoverleg kan vervolgens in verschillende overlegvormen plaatsvinden, afhankelijk van hoe de gemeente dit zelf wil gaan inrichten of wil noemen. Enkele voorbeelden van overlegvormen zijn een principeoverleg, vooroverleg of de intake- en omgevingstafel. Als gemeente hebben wij dus de vrije keuzes te maken welke vormen van omgevingsoverleg wij willen bieden. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat keuzes ook vertaald moeten worden naar het DSO-LV en dat gemeenten hier duidelijk over moeten communiceren naar hun inwoners. Wij moeten hier als gemeente nog keuzes in maken en de daarbij horende vervolgstappen. Drie voorbeelden van een ‘omgevingsoverleg, zoals we die bij verschillende gemeenten zien, zijn: Principeoverleg; initiatiefnemer heeft concept aanvraag gereed, maar wil hier over afstemmen en de concept aanvraag laten beoordelen/bespreken. Vooroverleg; initiatiefnemer heeft een plan dat hij graag wil bespreken met gemeente en eventuele adviespartijen. Intake-, omgevingstafel; initiatiefnemer heeft complexere plannen, de gemeente schat in dat de doorlooptijd van de aanvraag snel op kan lopen en wil voordat de aanvraag formeel wordt ingediend inzichten en adviezen van aanvrager en adviespartijen verzamelen en de indiener bovendien uitslag kunnen geven over de haalbaarheid van het verzoek. Elke gemeente is vrij om er zelf zijn eigen definitie aan te geven. Echter de term voor overleg in het DSO-LV is omgevingsoverleg (voor het brede begrip van overleg met initiatiefnemer) en indien een gemeente leges heft voor een vorm van omgevingsoverleg, dan zullen wij dat in de legesverordening nader moeten definiëren. Wij moeten nog een keuze maken of wij gebruik willen maken van het DSO-LV om een vorm van bovengenoemde variaties van omgevingsoverleg aan te bieden. Het is uiteindelijk aan de initiatiefnemer om te kiezen voor een ‘omgevingsoverleg, of om meteen een aanvraag voor vergunning, melding of informatie in te dienen. Toetsing aanvraag omgevingsvergunning – algemeen De toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning bestaat uit een intake (ontvangst), een ontvankelijkheidstoets en een inhoudelijke toets. In deze fase worden wettelijk vastgelegde stappen uitgevoerd: Intake: ontvangstbevestiging, publicatie en bepaling procedure; Ontvankelijkheidstoets: toets aan de indieningsvereisten en mogelijkheid tot aanvulling van een incomplete aanvraag; Inhoudelijke toets: (specialistische) toetsing en advisering dat leidt tot besluitvorming. Voor bepaalde projecten kunnen overige benodigde toestemmingen (vergunning) aanhaken. In die gevallen vindt zo snel mogelijk afstemming plaats met het bevoegde gezag dat verantwoordelijk is voor de aangehaakte toestemming. Dit kan invloed hebben op de te doorlopen procedure. Onder de Wabo doorliep een aanvraag bijvoorbeeld de uitgebreide procedure, als een Verklaring Van Geen Bedenking (VVGB) van dat bevoegde gezag noodzakelijk was. Dat kon leiden tot het verplicht stellen van voorwaarden in de vergunning. Onder de Omgevingswet keert de VVGB niet terug. Daarvoor in de plaats komt adviesrecht en instemmingsrecht. De Omgevingswet schrijft voor dat het bevoegd gezag in bepaalde gevallen advies moet vragen voor het een vergunning of een maatwerkvoorschrift verleent. Soms is er ook instemming van dat adviesorgaan nodig voor het nemen van een besluit. De wet beschrijft ook de procedures en termijnen. Als er sprake is van een advies met instemming dan betekent dat een verlenging van de beslistermijn van 8 naar 12 weken. (De Omgevingswet kent in een zeer beperkt aantal gevallen de uitgebreide procedure voor een vergunningaanvraag.) Onder de Omgevingswet spreken we van een opa (omgevingsplanactiviteit). Voor een omgevingsplanactiviteit is een vergunning nodig. Behalve als een activiteit in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving staat genoemd en zo vergunningvrij is. Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt, heet een binnenplanse omgevingsactiviteit. Er zijn ook buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dat is het geval als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan. Deze vormen worden hieronder nader beschreven. Toetsing aanvraag omgevingsvergunning – inhoudelijk Per aangevraagde activiteit wordt inhoudelijk getoetst aan de vastgelegde weigeringsgronden (c.q beoordelingsregels). Voldoet een aanvraag niet aan deze gronden, dan moet de gevraagde vergunning geweigerd worden, tenzij daarvan gemotiveerd afgeweken kan worden. Hieronder benoemen we de relevante weigeringsgronden per activiteit. Daar waar (enige) beleidsvrijheid mogelijk is, wordt toegelicht hoe daarmee wordt omgegaan. Een doel van de vergunningverlening is in alle gevallen het borgen van rechtszekerheid. Per activiteit wordt het verdere doel van de vergunningverlening aangegeven. Daarnaast hanteren we diepgangsniveaus in de toetsingen. Naar mate de risicoscores afnemen, neemt ook de inspanning en het diepgangsniveau af. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de toetsingsniveaus met bijbehorende omschrijving. Door op deze wijze te werk te gaan, zullen de vergunningen en meldingen met een hoger risico ook een intensiever beoordelingsproces kennen, waarmee risico’s beter worden beheerst en het publieke belang wordt gewaarborgd. Niveau 4 Niveau 3 Niveau 2 Niveau 1 Niveau 0 Integraal Representatief Visueel Snel Niet Alle onderdelen van het ontwerp worden diepgaand doorgerekend en of nagemeten, ook wel 100% toets genoemd Controle door narekenen en nameten van de genoemde onderdelen Kloppen uitgangspunten van berekeningen en zijn voorwaarden uit de tekeningen te halen Zijn de benodigde berekeningen aanwezig en vertoont de tekening op het eerste gezicht geen gebreken Er wordt niet beoordeeld of aan een voorschrift wordt voldaan Een adequate risico gerichte aanpak voor het vergunningsverleningstraject draagt bij aan de efficiëntie van het houden van toezicht, omdat opgemerkte aandachtspunten bij het vergunningsverleningstraject meegenomen kunnen worden in het toezichttraject. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet moet het bevoegd gezag de beoordelingsregels volgen. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden het bevoegd gezag de vergunning kan verlenen of weigeren. Ook kunnen de beoordelingsregels aangeven hoe wij als gemeente de gevolgen van activiteiten moet berekenen of afwegen. De beoordelingsregels staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en zijn per activiteit verschillend. Bij de regels voor activiteiten staat informatie over de vergunningplicht per activiteit en welke beoordelingsregels daarbij gelden. De beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met een vergunningplicht die door het Rijk is geregeld staan bij elkaar in hoofdstuk 8 van het Bkl. Bijvoorbeeld voor wateractiviteiten en milieubelastende activiteiten. In hoofdstuk 8 van het Bkl staan ook regels om voorschriften op te nemen in een omgevingsvergunning. Verder staan er regels om voorschriften te wijzigen en om een omgevingsvergunning in te trekken. Voor vergunningplichten op grond van het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de waterschapsverordening, gelden de beoordelingsregels die in het omgevingsplan of de verordening staan. Dit betekent dat wanneer wij een vergunningplicht in een omgevingsplan of verordening opnemen, wij daarbij altijd ook beoordelingsregels op moet nemen om de vergunningaanvraag te kunnen toetsen. Bouwen bouwwerk Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen dient te worden getoetst. Het doel van deze toets is het bieden van een veilige leefomgeving en het respecteren van aanwezige, veelal cultuurhistorische, waarden. Deze activiteit wordt inhoudelijk getoetst aan de volgende onderdelen (weigeringsgronden): Besluit bouwwerken leefomgeving Een aanvraag omgevingsvergunning wordt getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. De focus bij de toetsing ligt op de onderwerpen veiligheid (o.a. brandpreventie en constructies) en gezondheid (o.a. ventilatie). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het type bouwwerk. Een openbaar gebouw of een gebouw bedoeld voor een kwetsbare doelgroep kent een vergaande toets op deze onderwerpen, terwijl een vergunningaanvraag voor een dakkapel op hoofdlijnen wordt getoetst. Na invoering van de wet Kwaliteitsborging voor het bouwen vindt geen toets meer plaats aan deze bouwvoorschriften. In eerste instantie voor een deel van de bouwwerken, later voor alle. Beoordeling van de bouwtechnische staat van het bouwwerk vindt dan plaats tijdens de bouw, aan de hand van een vooraf, landelijk, goedgekeurde methode. Toezicht wordt uitgevoerd door een, onafhankelijke, kwaliteitsborger. Deze rapporteert aan de opdrachtgever en aan de gemeente. Bouwverordening De toets aan de Bouwverordening vindt volledig plaats. Omgevingsplan De toets aan het omgevingsplan vindt volledig plaats. Mocht er sprake zijn van strijdigheid, dan wordt afwijking daarvan overwogen volgens het Afwijkingenbeleid. Ruimtelijke kwaliteit Een bouwplan wordt getoetst aan de Gids omgevingskwaliteit Noordenveld. Afhankelijk van de omvang en de impact van het bouwplan adviseert de kleine dan wel grote commissie hierover. Het advies is zwaarwegend. Het college van B&W kan gemotiveerd (bij andere zwaarwegende redenen in het kader van een bredere afweging) afwijken van het advies. Onder de Omgevingswet valt de toets voor bouwwerkzaamheden uiteen in twee verschillende juridische activiteiten. De bouwtechnische toets wordt de ‘bouwactiviteit’ genoemd (art. 5.1, tweede lid sub a Omgevingswet). Daarnaast is er een planologisch aspect, de ‘omgevingsplanactiviteit’ (art. 5.1, eerste lid sub a Omgevingswet). Deze scheiding noemen we 'de knip'. Technische bouwactiviteit De technische bouwactiviteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningvrij omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen. Omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het bouwen De toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan noemen we een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Maar ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het omgevingsplan. Vergunningvrije categorieën Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen: vergunningvrije (technische) bouwactiviteiten vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten Met de Omgevingswet vindt bij verlening van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit niet meer op voorhand een planologische toets plaats. Dit is een relevante systeemwijziging. De aanvraag voor de bouwactiviteit wordt alleen getoetst aan het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en de duurzaamheid en bruikbaarheid (art. 5.18 Omgevingswet). Dat is de bouwtechnische toets. Daarnaast kan (en zal) het omgevingsplan voorschrijven dat voor bepaalde activiteiten een toets aan het omgevingsplan nodig is. Het omgevingsplan bevat dan ook zelf de regels op basis waarvan wordt beoordeeld of die activiteit wordt toegestaan. Daarnaast blijft het mogelijk om voor een specifiek bouwplan omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Dit kunnen activiteiten zijn die op zichzelf vergunbaar zouden kunnen zijn binnen het omgevingsplan, maar waarvoor in dat geval niet wordt voldaan aan de voorwaarden. Maar het kunnen ook activiteiten zijn die in het geheel niet zijn toegestaan op basis van het omgevingsplan. Uitvoeren werk(zaamheden) Een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘werk of werkzaamheden uitvoeren’ (voorheen aanlegvergunning) is opgenomen in het omgevingsplan en geeft toestemming om in gebieden met landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarde onder andere wegen aan te leggen, sloten te graven of te dempen, bomen te planten of te rooien of sloten af te graven of te dempen. De bedoeling is het aangewezen gebied te beschermen tegen ongewenste ontwikkelingen. In het omgevingsplan staat wanneer een vergunning nodig is en wat daarvoor de toetsingscriteria zijn. De belangen worden afgewogen op basis van een (nader) in te dienen onderbouwing of onderzoeken. De inhoudelijke advisering wordt uitgevoerd door interne en externe deskundigen. Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een Omgevingsplan Het grondgebied van de gemeente wordt compleet gedekt door een ruimtelijk plan (het omgevingsplan). Daar waar oudere plannen geldend zijn, is sprake van een nog te ontwikkelen locatie. Waar nodig vindt maatwerk plaats. In alle fasen van de totstandkoming van het omgevingsplan, wordt deze voorgelegd aan de casemanagers, zodat kan worden beoordeeld of deze toetsbaar en handhaafbaar is. Een aanvraag omgevingsvergunning die niet voldoet aan de planologische regels, kan alsnog vergund worden met de activiteit ‘Gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een omgevingsplan’ ( Onder de Omgevingswet spreken we van een omgevingsplanactiviteit (opa)). We handelen hierbij vanuit een ‘Ja, mits’ houding: in principe zijn we bereid om mee te werken aan initiatieven die planologisch strijdig zijn, tenzij er redenen zijn om dat niet te doen. Daarbij gaan we ervan uit dat het initiatief niet mag leiden tot een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij afwijken wordt maatwerk geleverd. Waar nodig wordt getoetst aan alle ruimtelijke aspecten, o.a. planologisch en stedenbouwkundig afwijkingsbeleid, in het team van de omgevingstafel. Het afwijken mag niet strijdig zijn met lokaal, provinciaal of rijksbeleid en wordt consequent en gemotiveerd toegepast. Er waren onder de Wabo vier mogelijkheden om medewerking te verlenen: de binnenplanse afwijking (1°); de buitenplanse afwijking, met toepassing van bijlage II van het Bor (2°); de buitenplanse afwijking, met een projectafwijkingsprocedure (3°).; het postzegelbestemmingsplan (4°). (1°) Bij de binnenplanse wijziging bevatte het bestemmingsplan altijd het beoordelingskader. (2°) Bij toepassing van bijlage II van het Bor ging het vooral om artikel
- Toetsing vond onder meer plaats aan het op te stellen planologisch afwijkingsbeleid. (3°) De projectafwijkingsprocedure was voor plannen die niet pasten in het geldende bestemmingsplan of waaraan niet met toepassing van bijlage II van het Bor kon worden meegewerkt. Met deze afwijkingsprocedure werd afgeweken van een specifieke strijdigheid van het geldende bestemmingsplan, terwijl de bestemming er niet mee wijzigde. Deze procedure richtte zich alleen op de concreet beoogde activiteit. Voor deze procedure moest aanvrager altijd een goede ruimtelijke onderbouwing aanleveren. Het college besloot of meegewerkt zou worden. In bepaalde gevallen was een verklaring van geen bedenkingen nodig van de gemeenteraad. (4°) Het postzegelbestemmingsplan was vergelijkbaar met de projectafwijkingsprocedure. Het verschil is dat met het postzegelbestemmingsplan gezorgd werd voor een aangepaste/nieuwe bestemming. Deze bestemming hoefde niet alleen de ruimtelijke basis te vormen voor de dan beoogde concrete activiteit, maar kon ook ruimte bieden voor toekomstige ontwikkelingen. Het college besloot of meegewerkt zou worden. De gemeenteraad stelde het postzegelbestemmingsplan vast. Het doel van deze toets was het zorgen voor een goede ruimtelijke ordenin