Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen gemeente Deventer 2025De raad van de gemeente Deventer, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 oktober 2024, nummer 2024-721 gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening Deventer 2025 BESLUIT Vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen gemeente Deventer 2025(Verordening parkeerbelastingen Deventer 2025) Artikel1Definities en begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die; is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV, of is gelegen binnen een zone, aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV, met het opschrift “zone”, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; betaalperiode: tijdsperiode die aansluit bij 1 kalenderkwartaal, - half jaar of – jaar. Waarvoor een parkeervergunning of seizoenkaart kan worden verleend. centraal register: register van het bedrijf waarmee de gemeente Deventer een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of ander communicatiemiddel; college: het college van burgemeester en wethouders; dagkaart: een parkeerrecht voor een specifieke parkeerzone voor een periode van 24 achtereenvolgende uren; houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een voertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het voertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven; invorderingswet: de Invorderingswet 1990; jaar: het tijdvak van 1 januari 00.00 uur tot 31 december 24.00 uur; kalenderdag: het tijdvak van 00:00 uur t/m 24.00 uur diezelfde datum. kampeerwagen: hetgeen hierover is opgenomen in de Regeling voertuigen; kwartaal: een periode van 3 aaneengesloten maanden, startend op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober. motorvoertuig, hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 RVV 1990, met inbegrip van een gehandicaptenvoertuig en uitgezonderd een kampeerwagen; natuurlijk persoon: een mens van vlees en bloed, dit in tegenstelling tot een rechtspersoon; parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een (motor)voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor het en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in – of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen van enig gewicht en/of enige omvang, op binnen de gemeente gelegen voor het openbare verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet als gevolg van een wettelijk voorschrift is verboden; parkeerapparatuur: parkeerautomaten, parkeermeters, centraal register en wat gewoonlijk naar maatschappelijke opvattingen overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur; pinbetalen: het betalen per pinpas, met inbegrip van contactloos betalen. parkeervergunning: een door het college verleende vergunning, op basis waarvan het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of belanghebbendeplaatsen; parkeervergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een parkeervergunning is verleend; rechtspersoon (bedrijf): een juridische constructie die met een bepaald doel in het leven is geroepen, welke is ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel of beschikt over een BTW-nummer van de belastingdienst; RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990 (Stb. 1990, 459; 1996/557); seizoenkaart betaald parkeren: een door het college verleend parkeerrecht verbonden aan een kenteken, waarmee op vastgestelde tijden in een aangewezen tariefzone geparkeerd mag worden. tariefzone: een gebied zoals aangewezen in het vigerende: Aanwijsbesluit parkeerapparatuurplaatsen en de daarbij behorende bijlagen; vergunningzone: een gebied wat is aangewezen in het aanwijsbesluit belanghebbenden parkeren als gebied voor belanghebbenden parkeren voertuig: zoals bedoeld in artikel 1 RVV 1990; wegenverkeerswet: de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475, 1999, 30); zone: een gebied waar met een geldige parkeervergunning op een parkeerapparatuurplaats en/of belanghebbendenplaats mag worden geparkeerd zoals aangegeven in het vigerende aanwijsbesluit parkeerapparatuurplaatsen en het aanwijsbesluit belanghebbende parkeren en de daarbij behorende bijlagen Artikel2Belastbaar feit Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven: Een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; Een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende parkeervergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die parkeervergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel3Belastingplicht 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. 2.Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: Degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; Zolang geen voldoening van de belasting genoemd artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat: Als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; Als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 3.De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de parkeervergunning heeft aangevraagd. Artikel4Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2.In afwijking van artikel 4, onderdeel 1 is de belasting terstond verschuldigd na afloop van het parkeren als wordt geheven door middel van het registreren bij het centraal register. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de parkeervergunning wordt verleend. Artikel5Tarief, tijdvak en maatstaf van heffing Het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel6Wijze van heffing en termijn van betaling 1.De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. 2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting, indien het inwerking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door middel van het aanmelden (via telefoon, sms of internet) bij het centraal register, betaald worden binnen één maand na de dag waarop het belastbare feit heeft plaatsgevonden. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip dat de parkeervergunning wordt verleend. 4.Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het voertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de parkeervergunning geldt op verzoek worden opgegeven. 5.Indien een parkeervergunning in de loop van het jaar wordt ingetrokken, wordt naar evenredigheid restitutie van de belasting verleend berekend naar rato van de verschuldigde belasting voor een heel jaar, op basis van het aantal kalenderdagen tot het einde van de desbetreffende betaalperiode. Betreft de intrekking een de bezoekersvergunning dan wordt er alleen gerestitueerd wanneer het bedrag meer is dan € 5,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.