Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Wageningen 2025Artikel1Definities 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw) en de Algemene wet bestuursrecht (AwB). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: Belanghebbende: zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen; De wet: de Participatiewet; Gezamenlijk huishouden: de belanghebbende, diens eventuele partner en eventuele ten laste komende kinderen; Individuele woonlasten: de uitgaven voor huur tot een maximum zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag vermeerderd met de servicekosten. Als de servicekosten ook bestaan uit kosten voor gas, water en elektra, dan worden die kosten niet in aanmerking genomen voor de individuele woonlasten; In aanmerking te nemen vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet; Inkomen: inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave van inkomstenbelastingen, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen. Indien het wisselende inkomsten betreft wordt voor de bepaling van het inkomen uitgegaan van het gemiddelde over de drie maanden voorafgaande aan de peildatum. Partner: persoon zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Participatiewet; Peildatum: de datum waarop een belanghebbende de Individuele Inkomenstoeslag op grond van deze verordening aanvraagt. Referteperiode: periode van één jaar voorafgaand aan de peildatum. Bij statushouders gaat de referteperiode in vanaf het eerste moment van verblijf in het asielzoekerscentrum. Artikel2.Indienen aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet wordt schriftelijk ingediend met behulp van een door het college vastgesteld formulier. Artikel3.Recht op een individuele inkomenstoeslag 1.Een belanghebbende kan op aanvraag in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag als belanghebbende: Op de aanvraagdatum inwoner is van Wageningen; Op de datum van de aanvraag 21 jaar of ouder is maar de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt; En het gezamenlijk huishouden in de referteperiode een langdurig laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen en; Naar oordeel van het college, gelet op de individuele omstandigheden, geen uitzicht heeft op inkomensverbetering hoger dan het langdurig laag inkomen zoals bedoeld in lid c. Artikel4.Langdurig laag inkomen 1.Belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, lid 1, van de wet als gedurende de referteperiode het gezamenlijk inkomen lager is dan de redelijke uitgaven voor de desbetreffende huishoudenssamenstelling in lid 2 van dit artikel vermeerderd met de individuele woonlasten voor het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend. 2.De redelijke uitgaven per jaar zijn voor de desbetreffende huishoudsamenstelling: Huishoudsamenstelling Redelijke uitgaven (€) Huishoudsamenstelling Redelijke uitgaven Alleenstaande tot pensioengerechtigde leeftijd 15.999,89 Alleenstaande ouder met 7 kinderen 57.554,22 Alleenstaande vanaf pensioengerechtigde leeftijd 16.180,24 Alleenstaande ouder met 8 kinderen 63.786,85 Gehuwde tot pensioengerechtigde leeftijd 26.712,34 Gehuwden met 1 kind 32.247,54 Gehuwden vanaf pensioengerechtigde leeftijd 26.892,69 Gehuwde met 2 kinderen 37.575,38 Alleenstaande ouder met 1 kinderen 22.670,94 Gehuwde met 3 kinderen 43.166,21 Alleenstaande ouder met 2 kinderen 28.674,47 Gehuwde met 4 kinderen 49.056,86 Alleenstaande ouder met 3 kinderen 34.057,90 Gehuwde met 5 kinderen 55.057,66 Alleenstaande ouder met 4 kinderen 39.505,42 Gehuwde met 6 kinderen 61.296,43 Alleenstaande ouder met 5 kinderen 45.747,72 Gehuwde met 7 kinderen 67.014,57 Alleenstaande ouder met 6 kinderen 51.567,98 Gehuwde met 8 kinderen 72.983,64 3.Tot een huishoudsamenstelling wordt niet gerekend: de persoon die op de peildatum in een inrichting verblijft als bedoeld in artikel 1 onder f van de wet; 4.Indien belanghebbende op de peildatum recht heeft op kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen wordt voor de vaststelling van de hoogte van de redelijke uitgaven de hoogte van de kwijtschelding van het kalenderjaar in mindering gebracht. 5.De hoogte van de redelijke uitgaven in lid 2 van dit artikel wordt in mindering gebracht met: een tegemoetkoming op basis van de Maatschappelijke Meedoen Regeling zoals bedoeld in de Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling Wageningen 2025 voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft; middelen ontvangen zoals bedoeld artikel 31 lid 2 onder b, c, d, en p van de wet voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft; Bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 lid 3 van de wet voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft. middelen ontvangen op grond van artikel 5.7 van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Wageningen 2025 waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft. 6.Voor het vaststellen van de hoogte van de toeslagen zoals bepaald in artikel 31, lid 2, onder d, van de wet wordt de proefberekening van de belastingdienst toegepast over de referteperiode. 7.Bij de vaststelling van het verzamelinkomen voor de berekening van de toeslagen, wordt het inkomen van inwonende meerderjarige personen, behoudens belanghebbende en diens partner, niet in aanmerking genomen. Artikel5.Geen uitzicht op inkomensverbetering 1.Het college beoordeelt aan de hand van de individuele omstandigheden of de belanghebbende binnen een jaar uitzicht op inkomensverbetering heeft boven het laag inkomen zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening. Hierbij neemt het college in ieder geval in aanmerking: De krachten en bekwaamheden van de belanghebbende; De inspanningen die de belanghebbende heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. 2.Geen uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld in de situatie dat de belanghebbende op de peildatum: Een uitkering ontvangt op basis van volledige arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong); geen arbeids- noch re-integratieverplichting op grond van artikel 9, vijfde lid, van de wet heeft; een ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van artikel 9 lid 1 onder a van de wet heeft; minstens 12 maanden aansluitend en onmiddellijk voorafgaande aan de peildatum een uitkering op grond van de wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) ontving en in de afgelopen periode van 12 maanden niet tot de doelgroep behoort van personen als omschreven in artikel 5.7 van de Re-integratieverordening Participatiewet 2025. Artikel6.Uitzicht op inkomensverbetering Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld aanwezig te zijn in de situatie dat belanghebbende of zijn/haar partner op de peildatum: Een opleiding volgt als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs; Een opleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000; Een andere studie of opleiding volgt waarop de Wet educatie en beroepsonderwijs of Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs van toepassing is. Artikel7.Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar de redelijke uitgaven per huishoudenssamenstelling zoals vastgelegd in de artikel 4, lid 2 van deze verordening vermeerderd met de individuele woonlasten per jaar. Vervolgens wordt dit bedrag verminderd met het inkomen van het gezamenlijk huishouden. 2.Voor de individuele woonlasten wordt maximaal de rekenhuur zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op huurtoeslag toegepast. 3.Indien belanghebbende recht heeft op kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen wordt voor de vaststelling van de hoogte van de redelijke uitgaven de hoogte van de kwijtschelding van de periode waar de aanvraag van de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft in mindering gebracht. 4.Op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt in mindering gebracht met: een tegemoetkoming op basis van de Maatschappelijke Meedoen Regeling zoals bedoeld in de Verordening Maatschappelijk Meedoen Regeling Wageningen 2025 voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft; middelen ontvangen zoals bedoeld artikel 31 lid 2 onder b, c, d, en p van de wet voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft; Bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 lid 3 van de wet voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekken op heeft. 5.Voor het bepalen van de middelen zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onder d van de wet wordt de proefberekening van de belastingdienst toegepast voor de periode waar de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag betrekking op heeft. 6.Bij de vaststelling van het verzamelinkomen voor de berekening van de toeslagen, wordt het inkomen van inwonende personen die niet behoren tot het gezin, zoals benoemd in artikel 4, lid 1, onder c, van de wet, niet meegenomen. Artikel8.Toekenning en uitbetaling 1.Op verzoek van het college verstrekt de belanghebbende gegevens die naar oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op individuele inkomenstoeslag. 2.Het college neemt een besluit uiterlijk acht weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend. 3.De individuele inkomenstoeslag kan slechts eenmaal per twaalf manden worden toegekend. De periode van twaalf maanden vangt aan op de datum waarop de aanvraag is toegekend. 4.De individuele inkomenstoeslag wordt in twaalf delen maandelijks uitbetaald. 5.Indien de hoogte van de individuele inkomenstoeslag gelijk of minder is dan €240 wordt het in één uitbetalingsmoment betaald. Artikel9.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, als strikte toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard. Artikel10.Inwerkingtreding en intrekking oude verordening 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025 2.De ‘Verordening Individuele Inkomenstoeslag Wageningen 2016’ wordt ingetrokken. Artikel11.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Wageningen 2025. Aldus vastgesteld op 21 oktober 2024.Het college van burgemeester en wethouders,de secretaris, J. de Witde burgemeester,F. VermeulenToelichting Algemeen De financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen kan onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is de individuele inkomenstoeslag ingevoerd, een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Het verlenen van de toeslag is geen gebonden bevoegdheid, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een belanghebbende voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Vast te leggen regels in verordening De individuele inkomenstoeslag is een inkomensondersteunende maatregel voor belanghebbenden die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36 lid 1 van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is er sprake van een laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de redelijke uitgaven voor de huishoudenssamenstelling en de individuele woonlasten. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 1. Definities Voor begrippen die niet omschreven zijn in dit artikel wordt uitgegaan van de definities in de Participatiewet en/of de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Lid 2 onder d De huishoudsamenstelling bestaat uit de inwoner die aanvraagt indient, de partner zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van de wet, ofwel echtgeno(o)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.