Verordening fysieke leefomgeving Capelle aan den IJssel 2024De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 september 2024; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gelet op de Omgevingswet; B E S L U I T : vast te stellen de navolgende verordening: Verordening fysieke leefomgeving Capelle aan den IJssel 2024; b e s l u i t : vast te stellen de navolgende verordening; Verordening Fysieke Leefomgeving Capelle aan den IJssel 2024 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument. archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid van de Erfgoedwet; voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid van de Erfgoedwet; of in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid van de Erfgoedwet zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt. beschermde houtopstand: een houtopstand die is vastgelegd op de Groene Kaart; beschermde stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. De dwarsdoorsnede kan kleiner zijn dan 10 cm op 1,3 meter boven het maaiveld, indien sprake is van: een monumentale of waardevolle boom die is opgenomen op de door Burgemeester en wethouders vastgestelde lijst met monumentale en waardevolle bomen; een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in de artikelen 6:7 en 6:8; boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden die een functioneel geheel vormt; boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; boomzone: begrensd gebied met houtopstanden die tezamen een functioneel geheel vormen; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; college: het college van burgemeester en wethouders; cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage, onder A, bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige ruimte: ruimte die op grond van bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt aangemerkt als geluidsgevoelige ruimte met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage, onder A, bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 7.12 van deze verordening; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Groene Kaart: topografische kaart met daarop aangegeven boomzones, boomstructuren en solitaire bomen of boomgroepen, met bijbehorend register; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk deel uitmakend van een boomzone of boomstructuur; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed en van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap, de historische of de cultuurhistorische waarde. normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde. omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet. standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, niet zijnde een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening 2018 gemeente Capelle aan den IJssel. vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen (het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen); het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel1:2Beslistermijn Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen in hoofdstuk 2 tot en met 7 de volgende beslistermijnen: het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag; het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen hoofdstuk 2 tot en met 7 de volgende voorschriften en beperkingen: aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist; degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Voor de artikelen in hoofdstuk 2 tot en met 7 geldt dat de vergunning of ontheffing persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:5Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:6Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing Tenzij anders bepaald gelden voor de vergunningen en ontheffingen in hoofdstuk 2 tot en met 7 de volgende regels: De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. Artikel1:7Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: openbare orde; openbare veiligheid; volksgezondheid; bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel2:1Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan een vergunning worden geweigerd: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel; terrassen als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel; standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. 4.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 6.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 7.Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel2:3Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 wordt de vergunning slechts geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel2:4Vergunningplicht handelsreclame 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2.Het verbod geldt niet voor onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen: in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5.De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten bouwwerken. 6.De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 7.Geen vergunning is vereist voor door het college aangewezen categorieën van reclame-uitingen mits de rechthebbende, alsmede de hoofdgebruiker van de onroerende zaak waaraan de reclame bevestigd dient te worden, daarvan minimaal twee weken van tevoren melding doet bij het college en wordt voldaan aan de algemene regels die hiervoor gelden. 8.Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels geven omtrent: de veiligheid van het verkeer, bedoeld in het eerste lid; de constructieve - en brandveiligheid, bedoeld in het eerste lid; hinder, overlast of gevaar voor de omgeving als bedoeld in het eerste lid; redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid; of overlast voor gebruikers als bedoeld in het eerste lid. 9.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Hoofdstuk3Geluidhinder en verlichting Artikel3:1Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in paragraaf 5.1.4.2. van het Besluit kwaliteit leefomgeving gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239, lid 1, Bruidsschat, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2. van het Besluit kwaliteit leefomgeving - uiterlijk om 23.00 uur te worden beëindigd. Artikel3:2Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2. van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, lid 1, Bruidsschat niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig, naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de op het formulier vermelde plaats. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur 60 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur 55 dB(A) tussen 23.00 en 01.00 uur gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2. van het Besluit kwaliteit leefomgeving - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 8.De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 9.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Hoofdstuk4Kamperen buiten Artikel4:1Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is aangewezen of mede aangewezen. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:6 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stads- en/of dorpsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel4:2Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 4:1, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:1, vierde lid, onder a en b. Hoofdstuk5Standplaatsen Artikel5:1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:2Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 5:1, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. 2.De weigeringsgrond van artikel 5:1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel5:3Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Hoofdstuk6Bomen Artikel6:1Groene Kaart 1.Burgemeester en wethouders stellen een Groene Kaart met beschermde houtopstand vast. De kaart met bijbehorend register wordt elke vier jaar herzien. De kaart en het bijbehorend register bevatten een samenhangend geheel van de volgende houtopstanden: boomzones; boomstructuren; bomen uit het landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting en lokale monumentale en waardevolle bomen; particuliere en gemeentelijke beschermde houtopstanden. 2.De kaart bevat minimaal de volgende gegevens: eenduidige, maatvaste inmeting van de beschermde houtopstand; legenda met toelichting. 3.Het bijbehorend register van beschermde houtopstand bevat minimaal de volgende gegevens: soort boom of bomen; standplaats; kadastrale gegevens en/of eigendomsgegevens; redengevende beschrijving (naar Capels bomenbeleid en boomwaarderingssysteem). 4.De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van: het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing. de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. 5.Burgemeester en wethouders kunnen een bijdrageregeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten die noodzakelijk zijn voor het duurzaam in stand houden van een beschermde houtopstand in privaat eigendom. Artikel6:2Kapverbod 1.Het is verboden een beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens ontheffing geldt eveneens voor: houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 7:7 en 7:8 van deze verordening; houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving van Burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 7:8 en 7:9 van deze verordening; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. Artikel6:3Aanvraag De ontheffing als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van deze verordening moet schriftelijk dan wel langs elektronische weg en gemotiveerd worden aangevraagd, onder verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand op de Groene Kaart, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de beschermde houtopstand te beschikken. Artikel6:4Criteria 1.Het bevoegd gezag kan de ontheffing om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen. 2.Een ontheffing voor het vellen van een beschermde houtopstand kan, mits alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij uitzondering worden verleend indien: een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand of; naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. Artikel6:5Intrekking of wijziging De ontheffing of vergunning als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van deze verordening kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van ontheffing of vergunning zijn verstrekt; indien na het verlenen van ontheffing of vergunning, op grond van verandering van inzichten of omstandigheden opgetreden na verlening, wijziging of intrekking noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan ontheffing of vergunning is vereist; indien de aan de ontheffing of vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd; indien van de ontheffing of vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of indien deze termijn ontbreekt, binnen een redelijke termijn. Artikel6:6Beperking geldigheidsduur 1.De ontheffing tot vellen als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, deze verordening vervalt indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt, tenzij een langere termijn noodzakelijk is vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn van een project. 2.In het geval het een ontheffing voor het vellen van meer dan één beschermde boom betreft, is de omgevingsvergunning voor alle beschermde bomen slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele beschermde bomen al geveld zijn, behoudens de in het eerste lid gestelde bevoegdheid tot het voorschrijven van een langere termijn. Artikel6:7Bijzondere voorschriften 1.Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat de boomwaarde dient te worden vergoed ten behoeve van de gemeentelijke herplant (financiële herplantplicht). 3.In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 4.De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in het begrip ‘boom’ uit artikel 1:1 van deze verordening genoemde minimummaat. 5.Indien de ontheffing wordt gevraagd ten behoeve van de uitvoering van een project dat uit verschillende activiteiten bestaat, kan tot de aan de ontheffing te verbinden voorschriften het voorschrift behoren dat van de ontheffing eerst gebruik mag worden gemaakt indien dit noodzakelijk is voor de voortgang van het project. 6.Tot aan de ontheffing te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een Bomen Effect Analyse in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen. Artikel6:8Herplant- instandhoudingsplicht 1.Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder ontheffing van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn. 2.Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt de boomwaarde vergoed ten behoeve van de gemeentelijke herplant (financiële herplantplicht). 3.De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in het begrip ‘boom’ uit artikel 1:1 van deze verordening genoemde minimummaat. 4.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 5.Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig worden bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. Artikel6:9Schadevergoeding Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een ontheffing tot vellen op grond van hoofdstuk 15 van de Omgevingswet. Artikel6:10Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom en op nihil voor bomen, heesters en heggen in eigendom van de gemeente. Artikel6:11Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door Burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de boom te vellen; conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig de behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3.Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. Artikel6:12Bescherming gemeentebomen 1.Het is verboden om bomen in eigendom van de gemeente: te beschadigen, te bekladden of te beplakken; daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken. 2.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders om één of meer voorwerpen in of aan een gemeentelijke boom aan te brengen of anderszins te bevestigen. Artikel6:13Strafbepaling 1.Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 6:11, eerste lid is gegeven, is gehouden dienovereenkomstig te handelen. 2.Hij die handelt in strijd met het bij of krachtens artikel 6:11, tweede lid, artikel 6:12, eerste en tweede lid bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke beoordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde. Hoofdstuk7Erfgoed Artikel7:1Gemeentelijke adviescommissie 1.Het college van burgemeester en wethouders vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan de artikelen 7:2, eerste lid, 7:7, 7:8, 7:10, 7:11, 7:12, 7:13 en 7:14, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Erfgoed Capelle aan den IJssel. 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De adviescommissie brengt advies uit binnen een termijn van vier weken, tenzij het college heeft aangegeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Artikel7:2Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 3.Het college van burgemeester en wethouders brengt de gemeenteraad in kennis van het besluit over de aanwijzing. Artikel7:3Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 8:2, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel7:4Voorbescherming 1.De bescherming van de artikelen 7:12 tot en met 7:14 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel7:5Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel7:6Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Het college van burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister zoals bedoeld in artikel 3.16, lid 3, van de Erfgoedwet. Artikel7:7Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kan het college van burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college van burgemeester en wethouders een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 8:2, eerste lid van deze verordening. 3.De artikelen 7:9 tot en met 7:11 (Bescherming gemeentelijk Monument) is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8:6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel7:8Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is artikel 8:1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zal het college van burgemeester en wethouders motiveren waarom dit is geëigend. De motivering zal moeten aantonen dat; dan wel het monument op onjuiste gronden is aangewezen, er een verstrekkende wijziging is in wetgeving of beleid, dan wel instandhouding op economische gronden onmogelijk is. De motivering zal zijn gestaafd op objectief opgestelde onderzoeksrapportages. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen over het verrichten van objectief onderzoek. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. 4.Het college van burgemeester en wethouders kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijke erfgoedregister. Artikel7:9Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel7:10Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of asbijzettingen, of ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel7:11Weigeringsgronden 1.De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel7:12Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2.Het college van burgemeester en wethouders zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8:1, eerste lid. Artikel 8:1, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6.Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 7.Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet. Artikel7:13Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 7:12, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3.Het college van burgemeester en wethouders verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel7:14Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1.Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders, een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander passend bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.Het artikel 7:11 is van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 5.Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders aanpassingen aan het bouwwerk te doen dan wel bouwwerken te realiseren die het beschermde aangezicht ontsieren. 6.Het vijfde lid is niet van toepassing op de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het beschermde aangezicht niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt. Hoofdstuk8Toezicht, straf-, overgangs-, en slotbepalingen Artikel8:1Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Burgemeester en wethouders of burgemeester aangewezen personen. Artikel8:2Strafbepalingen 1.Overtreding van het bij of krachtens hoofdstuk 2 tot en met 7 bepaalde en de op grond van artikel 1:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, met uitzondering van de artikelen 2:2, 6:11, tweede lid en 6:12, eerste en tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Artikel8:3Overgangsrecht 1.Een krachtens de Erfgoedverordening Capelle aan den IJssel 2023 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze regeling. 2.Een krachtens de Bomenverordening Capelle aan den IJssel 2013 verleende vergunningen, worden geacht verleend te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze regeling. 3.Een krachtens de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel 2018 verleende ontheffing en/of vergunning voor zover betrekking hebbende op de artikelen die over zijn gegaan op deze verordening, worden geacht verleend te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze regeling. 4.Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening Capelle aan den IJssel 2023 of de Bomenverordening Capelle aan den IJssel 2013. 5.Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing krachtens de regels van de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel 2018 die over gaan op deze verordening en die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende recht. Artikel8:4Intrekken oude verordeningen en aanpassing Algemene plaatselijke verordening 1.De Erfgoedverordening Capelle aan den IJssel 2023 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt. 2.De Bomenverordening Capelle aan den IJssel 2013 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt. 3.De artikelen 2:10, 2:11, 2:12, 4:1, 4:2, 4:3, 4:4, 4:15, 4:17, 4:18, 4:19, 5:18, 5:19, 5:19a en 5:20 van de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel 2018 komen te vervallen. Artikel8:5Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving 2024 Capelle aan den IJssel. Vastgesteld in de openbare vergadering van 11 november 2024,de griffier, de voorzitter,Toelichting 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de Omgevingswet worden wet- en regelgeving gebundeld die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de fysieke leefomgeving wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet samengebracht in één gemeentebreed omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, milieuregels en regels uit overige lokale verordeningen die betrekking hebben op activiteiten in de fysieke leefomgeving. Een deel van de huidige regelgeving wordt van rechtswege gerekend tot het omgevingsplan. Het is wettelijk geregeld dat elke gemeente tot 2032 de tijd heeft een omgevingsplan te maken als bedoeld in de Omgevingswet. De regels uit de plaatselijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving staan nog verspreid over verschillende verordeningen. Gemeente Capelle aan den IJssel heeft besloten om als tussenstap naar het omgevingsplan één integrale verordening, de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: verordening), te maken waarin de regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige plaatselijke verordeningen worden gebundeld. 1.2 Doel Het samenstellen van de verordening heeft een tweeledig doel. Enerzijds is met de verordening sprake van een verbetering vanuit dienstverlenend oogpunt. Door het nemen van deze tussenstap kunnen zowel burgers als medewerkers van de gemeente alle regels voor de fysieke leefomgeving op één plek vinden, waardoor sneller kan worden opgezocht welke regels gelden. Anderzijds vormt de verordening een belangrijke bouwsteen voor het omgevingsplan. Met de verordening zijn de volgende stappen al genomen: Inventariseren van plaatselijke verordeningen; Analyseren welke regels in het omgevingsplan (kunnen) thuishoren; Deze regels samenvoegen en ordenen. De regels uit deze verordening worden na inwerkingtreding van de Omgevingswet verwerkt in het omgevingsplan. Omdat de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving met deze verordening al zijn gebundeld, is het naar verwachting minder ingrijpend om de regels uit de losse verordeningen in het omgevingsplan te integreren. 1.3 Uitgangspunten De verordening bestaat uit een samenvoeging van regels uit bestaande verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Dit is ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van regels uit verordeningen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hebben, zoals openbare orde en veiligheid, komen daarom niet voor integratie in deze verordening in aanmerking. Het uitgangspunt van het opstellen van deze verordening is ook dat alle regels die in deze verordening voor komen uiteindelijk opgenomen worden in het omgevingsplan. In de verordening zijn regels uit de volgende verordeningen opgenomen: Bomenverordening Capelle aan den IJssel 2013 Erfgoedverordening 2023 Capelle aan den IJssel Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2018 De overgang van de regelingen van de voormalige verordeningen naar de ziet in principe niet op inhoudelijke wijzigingen. Omdat per 1 januari 2024 nieuwe wetgeving van kracht wordt, is voor enkele bepalingen een tekstuele aanpassing gedaan. Er zal dus beleidsneutraal overgang plaatsvinden. Daarnaast zijn enkele bepalingen, ten behoeve van de leesbaarheid, slechts tekstueel gewijzigd en zijn de technische wijzigingen die nodig zijn vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet doorgevoerd. Dit betreft onder andere verwijzingen naar wetten die overgaan naar de Omgevingswet, regelingen die overgaan in de algemene maatregelen van bestuur en het vervallen van het begrip ‘inrichting’. 1.4 Leeswijzer De verordening is opgedeeld in 8 hoofdstukken. Elk hoofdstuk is onderverdeeld in een of meer artikelen. Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen. Het gaat om onder andere de begripsbepalingen, beslistermijnen en weigeringsgronden. De daarop volgende hoofdstukken bevatten regelingen over diverse onderwerpen. Het laatste hoofdstuk is van algemene aard en geldt in samenhang met elk afzonderlijk hoofdstuk. Dit hoofdstuk bevat procedureregels, strafbepalingen en regels met betrekking tot toezichthouders. 2. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van Gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de WVW 1994. Beschermde houtopstand Een houtopstand is beschermd indien deze is aangewezen en vastgelegd op de Groene Kaart en de kenmerken zijn beschreven in het bijbehorend register. Bevoegd gezag Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Omgevingswet en aanverwante regelgeving. Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:2). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 5.1 in samenhang met 4.4, tweede lid van de Omgevingswet. De Omgevingswet en aanverwante regelgeving kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 5.1 in samenhang met 4.4, tweede lid van de Omgevingswet. Zie verder de toelichting bij artikel 2:1. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:1en 2:2. Bomen Effect Analvse Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De Bomen Effect Analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg. Boom Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van de bescherming. Het betreft zowel vitaal als afgestorven houtachtig gewas. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde boom dood gaat of "bij vergissing' een gezonde boom kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen. Door de minimale doorsnede en de meerstammigheid kunnen zeer oude struiken ook juridisch beschermd zijn. Beeldbepalende heesters of klimplanten, alsook pasgeplante herdenkings- of toekomstbomen, die niet de minimale doorsnede hebben, kunnen aangewezen worden als beschermde houtopstand. Boomstructuur Een verzameling houtopstanden die samen een -al dan niet onderbroken- lijn of andere verbindingsstructuurvormen door het gebied. Bijvoorbeeld laanbomen, lintbegroeiingen, houtwallen, oeverbeplanting, wegbeplanting of dijkbeplanting. Boomwaarde De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB, Postbus 683, 7300 AK Apeldoorn, tel. 055-5999449) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend. Het spreekt overigens voor zich dat bomen ook vele andere waarden dan monetaire waarde kunnen vertegenwoordigen. Boomzone Een begrensd gebied van houtopstanden met een specifieke waarde of kwaliteit, dat een samenhangend geheel vormt. Bijvoorbeeld een landschap, streek, stadsdeel, wijk, plantsoen, begraafplaats, park of buitenplaats. Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel [… (het betreft artikel 1.1, eerste lid, van de VNG Model Bouwverordening)] van de [citeertitel Bouwverordening]: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, eerste lid, van de Woningwet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Groene Kaart Er is bewust gekozen voor een topografische kaart en niet alleen voor een register van beschermde houtopstanden. Een kaart zorgt voor een coherent geheel (groene verbindingen vallen eerder op). De Groene kaart met het bijbehorend register zorgt voor meer structuurbescherming en ook voor betere randvoorwaarden voor ruimtelijke (groene) inrichting dan alleen een lijst met beschermde houtopstanden. Een Groene Kaart sluit bovendien goed aan bij de systematiek van andere ruimtelijke instrumenten en daardoor is integraal omgevingsbeleid eenvoudiger te realiseren. Handelsreclame In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke. Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in artikel 7, vierde lid, van de Grondwet geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68. Onder een ‘commercieel belang dienen’ moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. Houtopstand Het kernbegrip van deze verordening, waarop het kapverbod en de ontheffingplicht van toepassing zijn. Door dit begrip consequent centraal te stellen wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer dan bomen alleen. Boomvormers. Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom. Hakhout. Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. Houtwal. Lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers. (Lint)begroeiing. Vanwege de grote ecologische waarde van dergelijke begroeiingen (bijv. een meidoorn- of mispelhaag) is bescherming hien/an een noodzaak. Er staat "begroeiing" in plaats van beplanting om ook spontaan opgeslagen groen bescherming te bieden. Bosplantsoen. Aanplant van jong bos, bestaande uit hoofdzakelijk heesters,struiken en boomvormers. Struweel. Een begroeiing van hoofdzakelijk inheemse soorten heesters en struiken. Heg. Een lintvormige aanplant van heesters of struiken, al dan niet in een vorm gesnoeid, met een minimale lengte van 3 meter. Klimplant. Verhoutend, overblijvend gewas dat zich hecht aan een dragend element, zoals een wand of muur. Bedoeld zijn beeldbepalende verticale begroeiingen van één of meer klimplanten van meer dan twee verdiepingen hoog. Kampeermiddel In de definitie gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Standplaats Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens hoofdstuk 5 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn. Vellen Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij kappen, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het instandhouden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet ontheffingplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel ontheffingplichtig. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen in houtopstand eveneens ontheffingplichtig. Weg De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen. Uit de definitie van ‘openbare plaats’ uit de Algemene plaatselijke verordening blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Artikel 1:2 Beslistermijn Onder a en b Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. De VNG heeft een beslistermijn van acht weken als voorbeeld opgenomen (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere of langere, beslistermijn of zelfs per type besluit voor verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in de verordening op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 van de Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen ingevolge artikel 6:2, onder b, van de Awb in bezwaar en beroep gaan. Artikel 4:14 van de Awb schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit. Zie hierover ook bijvoorbeeld Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 10 (MvT Wet dwangsom en beroep). Daar wordt zelfs gezegd dat een dergelijk briefje in feite juist 'een uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.