← Nederland

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 10 december 2024, nr. UTSP-390784346-831, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidievero

Obsah (4)Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 10 december 2024, nr. UTSP-390784346-831, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022 (Subsidieregeling B

Artikel 1.3 Bij de aanvraag te overleggen gegevens Let op!

In deze paragraaf staan aanvullingen op de vereisten in artikel 4.4 van de Asv. Bij het formuleren van de doelen en resultaten dient u te specificeren op welke wijze deze bijdragen aan de doelstellingen van het desbetreffende uitvoeringsprogramma. Onder “realisatie-indicatoren” wordt verstaan: een zo concreet mogelijke omschrijving welke maatregel wordt genomen of welke activiteit wordt uitgevoerd. Voorbeelden van de omschrijving van realisatie-indicatoren voor infrastructuur: op weg X wordt tussen kruispunt Y en Z het in twee richtingen bereden fietspad verbreed van 2,5 naar 4 meter. de tegelverharding vervangen door rood asfalt. op het kruispunt van weg A en B wordt een midden geleider van 3,00m breed met een snelheid remmend plateau aangelegd. bij station X worden (aantal) fietsrekken geplaatst. een straat met zwarte asfaltverharding wordt gereconstrueerd naar een versmalde straat met klinkers voor auto’s en stroken asfalt voor fietsers. Voorbeeld van realisatie indicator van een activiteit: educatieproject X wordt in de periode van ddmmjjjj tot ddmmjjjj op (Y aantal) basisscholen in (Z aantal) gemeenten in de provincie Utrecht uitgevoerd. Voor zover het een subsidie betreft voor fysieke maatregelen, voldoen de activiteiten aan de geldende richtlijnen en aanbevelingen van CROW met betrekking tot infrastructuur, tenzij een inhoudelijk voldoende onderbouwde afwijking daarvan, naar het oordeel van GS, gerechtvaardigd is. Wanneer een SSK-raming niet alle subsidiabele kosten dekt, is het van belang om de overige (subsidiabele) kosten mee te sturen, als aanvulling op de SSK-raming. Artikel 1.7 Subsidiabele kosten Toelichting op artikel 1.7.2: Dit artikel is bedoeld om te waarborgen dat de kosten van een gesubsidieerd project in lijn liggen met de gebruikelijke prijzen voor vergelijkbare projecten in de markt. Hierdoor wordt efficiënt en doelmatig omgegaan met publieke middelen. Afwijkingen van marktconforme kosten zijn alleen toegestaan als er aantoonbare, objectieve omstandigheden zijn die de kosten verhogen. Marktconforme kosten zijn de gemiddelde of gangbare prijzen voor vergelijkbare projecten in soortgelijke omstandigheden. De marktconformiteit wordt beoordeeld aan de hand van eerdere, soortgelijke projecten in de regio of andere relevante referenties. Bijvoorbeeld: De aanleg van een kilometer fietsstraat buiten de bebouwde kom zal doorgaans minder kosten dan binnen de bebouwde kom, vanwege verschillen in infrastructuur, verkeersdrukte en grondkosten. Een project zonder bijzondere randvoorwaarden zal goedkoper zijn dan een project dat bijvoorbeeld rekening moet houden met beperkte werkruimte of complexe omleidingen. Prijsopdrijvende omstandigheden zijn factoren die objectief aantoonbaar leiden tot hogere kosten en die buiten de normale projectomstandigheden vallen. Denk hierbij aan: Uitvoeringscomplexiteit: Zoals projecten met veel faseringen vanwege verkeersveiligheid of beperkte toegang tot de locatie. Locatiespecifieke eisen: Bijvoorbeeld als extra maatregelen nodig zijn voor geluidsoverlast of beschermde natuurgebieden. Bouwkundige uitdagingen: Zoals het werken in historische binnensteden of het omleggen van ondergrondse infrastructuur. Om de marktconformiteit vast te stellen, wordt in eerste instantie verwezen naar referentieprojecten die in vergelijkbare situaties zijn uitgevoerd. Indien de kosten sterk afwijken, wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat zij een onderbouwing aanleveren waaruit blijkt dat prijsopdrijvende omstandigheden een rol spelen. Hierbij kunnen concrete voorbeelden of marktgegevens worden gebruikt. Bij de kosten voor de onderdelen van de infrastructuur of dienst die niet direct leiden tot het bereiken van de doelstellingen van het de uitvoeringsprogramma’s uit het zesde lid van het artikel moet men –niet uitputtend– denken aan zaken als: het vervangen van de riolering, (auto)parkeervoorzieningen en andere zaken die niet bijdragen aan de doelen uit het betreffende Uitvoeringsprogramma. Toelichting bij Paragraaf 2 Fiets Het onderdeel fiets in deze subsidieregeling is bedoeld voor het stimuleren van initiatieven en activiteiten van die bijdragen aan de doelstellingen van de actielijn “Meer fietsen over een sterk netwerk” binnen het Uitvoeringsprogramma Gezonde en Veilige Mobiliteit 2024-2029. Dat heeft als ambitie dat in 2028 50% van de verplaatsingen tot 15km in de provincie Utrecht per fiets plaatsvindt, en dat in 2028 alle belangrijke werklocaties, middelbare en hogere onderwijsinstellingen en knooppunten vlot, veilig en comfortabel bereikbaar zijn per fiets Die doelstellingen wordt nagestreefd via de onderdelen: We werken aan een sterk regionaal fietsnetwerk: verbeteren regionaal fietsnetwerk overige wegbeheerders. We realiseren doorfietsroutes en nemen barrières weg. We stimuleren mensen om vaker te gaan fietsen. Utrecht dé fietsregio: samenwerking, communicatie en informatie. De provincie Utrecht geeft hieraan onder meer invulling door het instrument van subsidies in te zetten om andere partijen te stimuleren aan de provinciale doelstellingen bij te dragen. De actielijn ‘Meer fietsen over een sterk fietsnetwerk’ uit het Uitvoeringsprogramma ‘Gezonde en veilige mobiliteit 2024-2029' kent meerdere onderdelen. Onder deze onderdelen kunnen verschillende projecten, acties en maatregelen vallen. Voor meer informatie over de actielijnen en programmaonderdelen wordt verwezen naar het Uitvoeringsprogramma ‘Gezonde en veilige mobiliteit 2024-2029'.

Artikel 2

.2 Subsidiabele activiteiten en criteria Elke actielijn heeft een aantal onderdelen. Deze worden in het eerste, tweede en derde lid genoemd. Activiteiten die niet aan één van deze onderdelen een bijdrage leveren komen niet in aanmerking voor subsidie. Fietsknelpunten met hoge prioriteit hebben betrekking op de onderwerpen verkeersveiligheid, directheid en samenhang van het fietsnetwerk. Maatregelen die hier aan bijdragen zijn in elk geval: Het aanleggen van vrij liggende fietspaden op locaties waar de fietser zich in de huidige situatie op de rijbaan bevindt Het verbreden van te smalle fietspaden* Het aanbrengen van kant- en asmarkering op fietspaden Het verwijderen van obstakels op fietsvoorzieningen Het verkeersveilig bebakenen en markeren van noodzakelijke obstakels op fietsvoorzieningen Het aanbrengen van vergevingsgezinde (trottoir)banden langs fietsvoorzieningen Het aanbrengen van vergevingsgezinde bermen langs fietsvoorzieningen Het aanbrengen van fietsstroken op 30 km/uur- of 60 km/uur-wegen Maatregelen die de oversteekbaarheid van fietsers over wegen verbeteren De aanleg van fietsvoorzieningen die een ontbrekende schakel in het regionaal fietsnetwerk vormen Het aanleggen van fietsstraten Maatregelen die bijdragen aan het verkorten van de reistijd voor fietsers op bestaande fietsvoorzieningen. Hieronder wordt mede verstaan het in de voorrang zetten van fietsvoorzieningen. Fietsknelpunten met lage prioriteit hebben betrekking op de onderwerpen comfort en aantrekkelijkheid van het regionaal fietsnetwerk. Maatregelen die hier aan bijdragen zijn in elk geval: Het vervangen van open verharding door gesloten verharding op fietsvoorzieningen; Het aanbrengen van openbare verlichting langs fietsvoorzieningen. *Voor het verbreden van fietspaden geldt als minimale streefwaarde breedtelabel B zoals benoemd in de Geactualiseerde aanbevelingen voor de breedte van fietspaden 2022 (CROW/Fietsberaad, versie 2, juni 2022 Rapportage (fietsberaad.nl).. In aanvulling op artikel 2.2: Van een project is het deel van de projectkosten subsidiabel dat kan worden toegerekend aan het verbeteren van het regionaal fietsnetwerk. Kaart Regionaal Fietsnetwerk provincie Utrecht november 2024: Het toevoegen van extra groenvoorzieningen (zoals bomen, hagen en andere vormen van beplanting) ten opzichte van de bestaande situatie is subsidiabel wanneer deze onderdeel zijn van een project met andere maatregelen om fietsvoorzieningen te verbeteren, en onderdeel vormen van het ruimtelijk profiel van de fietsvoorziening. Daarvoor geldt hetzelfde subsidiepercentage als wordt gehanteerd voor de fietsvoorziening zelf. Voor het onderdeel “We realiseren doorfietsroutes en nemen barrières weg”, geldt dat een subsidie alleen wordt verstrekt als er een overeenkomst is gesloten tussen de provincie Utrecht en de betrokken gemeente(n)/wegbeheerder(s) over de betreffende route. Met een overeenkomst wordt bedoeld: een overeenkomst die afspraken tussen de provincie en de betrokken wegbeheerders omvat over ontwerp, verantwoordelijkheden, mogelijke financiering, uitvoering en onderhoud en beheer na oplevering. Artikel 2.3 Subsidieontvangers/doelgroepen Activiteiten of diensten die door de provincie Utrecht of een ander overheidsorgaan in de vorm van een opdracht via een aanbesteding worden ingekocht of waarvan de provincie Utrecht van plan is deze in te gaan kopen zijn niet subsidiabel. Kunstwerken (fiets/voetgangersbruggen en -tunnels) hebben doorgaans hoge realisatiekosten. Artikel 2.4 Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie wordt als volgt berekend: Allereerst wordt vastgesteld aan welk programmaonderdeel uit het Uitvoeringsprogramma ‘Gezonde en veilige mobiliteit 2024-2029' de activiteit een bijdrage levert. Vervolgens wordt getoetst of voor het programmaonderdeel het subsidieplafond voor de aanvrager of voor het programmaonderdeel is bereikt. Als dat het geval is wordt de subsidie geweigerd. Vervolgens wordt de hoogte van de subsidiabele kosten bepaald en welk subsidiepercentage moet worden toegepast. Het subsidiebedrag is het percentage van de subsidiabele kosten. Vervolgens wordt met het berekende subsidiebedrag getoetst of met de subsidie de maximale subsidie per aanvrager, per aanvraag of de maximale subsidie per programmaonderdeel wordt overschreden. Als dat het geval is wordt het subsidiebedrag verlaagd, totdat het subsidieplafond is bereikt. Bij de toetsing aan de voorwaarden uit het 1e lid van dit artikel worden alle subsidies die voor het betreffende programmaonderdeel zijn verleend op basis van deze subsidieregeling bij elkaar opgeteld. Artikel 2.6 Verplichtingen subsidieontvanger Verder wordt bij de inzet van de gedragsmaatregel zichtbaar een link gelegd met het regionale (beeld)merk voor fietsstimulering. Dit wordt eind 2024 ontwikkeld. Dit betekent gebruik van het nieuwe beeldmerk bij de communicatie over de gedragsmaatregel en indien mogelijk een verwijzing naar de website: Fiets | provincie Utrecht Toelichting bij paragraaf 3 Verkeersveiligheid De provincie Utrecht streeft naar het verbeteren van de verkeersveiligheid en het terugdringen van het aantal verkeersslachtoffers. De provincie Utrecht geeft invulling aan deze doelstellingen in het Uitvoeringsprogramma Gezonde en veilige mobiliteit 2024 – 2029, actielijn “Veilige infrastructuur en verkeersveilig gedrag”, waarbij het instrument van subsidies kan worden ingezet om wegbeheerders te stimuleren hun infrastructuur veiliger te maken. In deze paragraaf staan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een subsidie voor een project dat bijdraagt aan het Uitvoeringsprogramma Gezonde en veilige mobiliteit 2024 – 2029, actielijn “Veilige infrastructuur en verkeersveilig gedrag”. De provincie Utrecht wil de Utrechtse wegbeheerders stimuleren om proactief aan de slag te gaan met verkeersveiligheid. Hiervoor is deze subsidieregeling opgezet, die uitgaat van cofinanciering. Dat wil zeggen dat de wegbeheerder de helft van de maatregel betaalt (of deze financiering elders regelt, bijvoorbeeld via het SPV2030) en de provincie de andere helft. In de kern gaat het om relatief kleine, snel te realiseren, maatregelen voor de kwetsbare verkeersdeelnemers. Tevens belonen we voorstellen waarbij ingezet wordt op een combinatie van inframaatregelen en handhaving/educatie. Ook willen we graag innovatieve ideeën stimuleren. Hiervoor willen we naast de cofinanciering een bijdrage verlenen voor dataverzameling, -analyse en -evaluatie. Het Uitvoeringsprogramma Gezonde en veilige mobiliteit 2024 - 2029, actielijn “Veilige infrastructuur en verkeersveilig gedrag” heeft 3 onderdelen, te weten: Onderdeel 1: het verbeteren van de veiligheid op de provinciale infrastructuur. Onderdeel 2: het stimuleren van verkeersveilig gedrag door verkeerseducatie, voorlichting en het versterken van de verkeershandhaving. Onderdeel 3: het verbeteren van de regionale verkeersveiligheid. Alleen voor onderdeel 3 is in deze subsidieregeling subsidie beschikbaar. Stroomschema bij Verkeersveiligheid: Het verdient de aanbeveling om een subsidieverzoek vooraf te bespreken met de provincie Utrecht (inhoudelijk collegiale toetsteam verkeersveiligheidsaanvragen via verkeersveiligheid@provincie-utrecht.nlverkeersveiligheid@provincie-utrecht.nlverkeersveiligheid@provincie-utrecht.nl.

Artikel 3

.2 Subsidiabele activiteiten en criteria Als een activiteit geen bijdrage levert aan de doelstellingen van het Uitvoeringsprogramma Gezonde en veilige mobiliteit 2024-2029, actielijn “Veilige infrastructuur en verkeersveilig gedrag” kunnen GS de subsidieaanvraag weigeren. Eerste lid: activiteiten op het gebied van voorlichting en educatie en onderzoeken die niet gekoppeld zijn aan inframaatregelen zijn niet subsidiabel. De provincie koopt deze producten in als dienst. Tweede lid: infrastructurele projecten moeten voldoen aan aanbevelingen en richtlijnen van het CROW. Aanvragen kunnen worden geweigerd indien daar niet aan wordt voldaan. Afwijken van de richtlijnen kan alleen met een met beargumenteerde inhoudelijke onderbouwing. Artikel 3.4 Aanvraag In de aanvraag moet specifiek, meetbaar, realistisch en tijdgebonden worden onderbouwd hoe en in welke mate de activiteit bijdraagt aan de betreffende actielijn. Bijvoorbeeld met een realistische doelstelling voor de reductie van het aantal verkeersongevallen. Meerdere maatregelen per aanvraag zijn mogelijk; het is mogelijk om maatregelen met hetzelfde doel, maar met een geografisch verschillende scope bij elkaar op te tellen en als één aanvraag in te dienen. Bijvoorbeeld: meerdere fietspaaltjes weghalen in de gehele gemeente of 10 kilometer aan verticale stoepranden vervangen voor fietsvriendelijke kantoplossingen. Wel moeten deze projecten dan in dezelfde periode uitgevoerd worden. Artikel 3.6 Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie wordt als volgt berekend: Allereerst wordt vastgesteld of de activiteit aan actielijn 3 uit het Uitvoeringsprogramma ‘Gezonde en veilige mobiliteit 2024-2029', actielijn ‘Veilige infrastructuur en verkeersveilig gedrag’ een bijdrage levert. Vervolgens wordt getoetst of het totale subsidiebedrag voor de aanvrager dan wel het project is bereikt of het subsidieplafond voor het programma. Als dat het geval is wordt de subsidie geweigerd; Vervolgens wordt de hoogte van de subsidiabele kosten bepaald. Het subsidiebedrag is het percentage van de subsidiabele kosten; Toelichting bij paragraaf 4 Publieke mobiliteit De provincie Utrecht streeft naar meer tevreden openbaar vervoergebruikers en een efficiënter openbaar vervoerssysteem. De provincie Utrecht geeft invulling aan deze doelstellingen in het Uitvoeringsprogramma Publieke mobiliteit 2024-2029, waarbij het instrument van subsidies kan worden ingezet om investeringen in infrastructuur te ondersteunen die bijdragen aan een verbeterde exploitatie van het openbaar vervoer. In deze paragraaf staan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een subsidie voor een project dat bijdraagt aan het Uitvoeringsprogramma Publieke mobiliteit 2024-2029, actielijn “Versterken en koesteren netwerk”, “Duurzaam concessiemanagement” of “Aantrekkelijke hubs/knooppunten”. De provincie Utrecht wil samen met partners zoals vervoerders, gemeenten en andere belanghebbenden werken aan een aantrekkelijk en toekomstbestendig openbaar vervoerssysteem. Deze subsidieregeling is opgezet om investeringen te stimuleren die bijdragen aan betere voorzieningen, hogere reizigerstevredenheid en een efficiëntere inzet van het openbaar vervoer. Hierbij is cofinanciering het uitgangspunt: de aanvrager draagt een deel van de kosten, en de provincie financiert de rest. Het Uitvoeringsprogramma ‘Publieke mobiliteit 2024-2029’, kent 3 actielijnen: actielijn 1: “Versterken en koesteren netwerk”; actielijn 2: “Duurzaam concessiemanagement”; actielijn 3: “Aantrekkelijke hubs/knooppunten”. Het wordt aanbevolen om een subsidieverzoek vooraf te bespreken met de provincie Utrecht (inhoudelijk contact via publiekemobiliteit@provincie-utrecht.nl).

Artikel 4.1 Begripsbepalingen Ter toelichting op OV-onderdelen.

Voorbeelden van OV-onderdelen zijn: aanleg van een busstrook; aanpassing van een verkeersregelinstallatie ten gunste van OV; aanpassing van het wegprofiel zodat de route berijdbaar wordt voor busverkeer; aanleg van een halte en verwijdering van een haltekom ten gunste van het OV. Onder OV-onderdelen valt bijvoorbeeld niet: aanleg van een fietspad naar een halte; aanleg van een extra rijstrook waar OV geen voordeel van heeft; aanleg van drempels die het comfort voor reizigers en chauffeurs verslechteren. Ter toelichting op hubs/knooppunten: Op deze fysieke plek kunnen reizigers gebruik maken van het openbaar vervoer en andere (deel-)vervoerssystemen, en sluiten vraag en aanbod op elkaar aan. De combinatie van verschillende vervoerswijzen vergroot de keuze voor de reiziger. Door de strategische ligging zijn dit interessante plekken om wonen, werken en voorzieningen te realiseren en concentreren. Alle ruimtelijke thema's moeten meegenomen worden bij de doorontwikkeling van een hub/knooppunt. Het gaat niet alleen om het faciliteren en realiseren van infrastructuur om verplaatsingen mogelijk te maken, het gaat ook om de aanverwante functies om verblijven en ontmoeten te verbeteren. Artikel 4.2 Subsidiabele activiteiten en criteria Ter toelichting op het tweede lid deze voorbeelden: 1.b.i (vervoerplanmaatregelen): Voorbeeld 1: in een vervoerplan is opgenomen dat een busroute gewijzigd wordt. Er moeten twee haltes voor worden verplaatst en de oude haltes worden verwijderd. Op de nieuwe haltes komen in tegenstelling tot de oude haltes abri’s. Ook moet een bocht verruimd worden om die met een bus te kunnen berijden en een fietspad worden verlegd. De kosten voor de abri’s (verantwoordelijkheid wegbeheerder) behoren bij de wegbeheerder. 1.b.ii (doorstromingsmaatregelen): Voorbeeld 2: de maatregel betreft toevoeging van een ‘voorstart’ voor busverkeer op een VRI-geregelde kruising die in de scope kan worden meegenomen. Deze maatregel zal zorgen voor kortere en betrouwbaardere OV-reistijden. De meerkosten bij deze aanpassing zijn subsidiabel volgens de verhouding baten/kosten met een maximum van 100%. Voorbeeld 3: de aanvraag heeft betrekking op samenvoeging van haltes binnen een traject dat onderdeel is van U Ned No Regret. De maatregel is dus onderdeel van de inhoudelijke scope van U Ned. De uitwerking en de afspraken over de financiering van deze maatregel vinden binnen dat verband plaats, tenzij de inhoudelijke scope uitgaat van 1-op-1-vervanging en deze maatregel dus buiten de scope valt. Voorbeeld 4: een deel van de voorgestelde maatregelen betreft omvorming van één van de twee autorijstroken per richting naar een busstrook, waardoor de OV-rijtijd korter en betrouwbaarder wordt. Er moet een halte voor verplaatst worden. De totale reistijd- en exploitatiebaten in 10 jaar zijn 2 miljoen euro. De totale realisatiekosten voor de busstroken alleen betreft 1,4 miljoen euro. Hier zit de verplaatsing van de halte in, maar niet de kosten van de haltevoorzieningen zelf (zoals een abri). De verhouding baten/kosten is 2/1,4=1,

  1. Dit is meer dan 1, dus de bijdrage van provincie Utrecht bedraagt 100%. Voorbeeld 5: een VRI-geregeld kruispunt wordt een voorrangskruispunt. Het OV heeft hierdoor lichte reistijdwinst. De totale reistijd- en exploitatiebaten in 10 jaar zijn 80.000 euro. De herinrichting kost 100.000 euro. De verhouding B/K is 80/100 = 0,
  2. De provincie Utrecht draagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten bij. 1.b.iii (toegankelijkheidsmaatregelen): Voorbeeld 3: het gebruik van een halte is toegenomen en de gemeente wil deze opwaarderen met een perron op hoogte en een dubbele abri. Ook wil de gemeente de fietsenstalling bij de halte uitbreiden en het bestaande voetpad van en naar de halte verharden. De provincie Utrecht draagt 100% bij aan de perronverhoging en aan de verbetering van het voetpad, omdat de kwaliteit voor reizigers hiermee verbetert. De (plaatsing van) de abri is voor kosten van de gemeente. Bijdrage aan de kosten voor de uitbreiding van de fietsenstalling verloopt volgens sub d van artikel 4.
  3. 1.b.v (U-link en U-liner infrastructuur) Voorbeeld 4: vanaf december 2025 wordt U-liner als concept geïntroduceerd in de provincie Utrecht. Een gemeente gaat een aantal bushaltes vanwege een herinrichting van een straat opnieuw inrichten. Deze bushaltes liggen aan een route van een buslijn die de provincie als U-liner heeft geoormerkt. Voor deze haltes kan de gemeentesubsidie aanvragen voor specifieke U-liner infrastructuur. Om welke infrastructuur het gaat en welke specifieke uiterlijke kenmerken van U-liner (of U-link) deze krijgt wordt nog uitgewerkt en vastgelegd in de U-OV stijlwijzer. 1.b.vi (hubs/knooppunten) Het gaat om een bijdrage aan een fysieke aanpassing van het knooppunt gericht op verbetering van de kwaliteit van het knooppunt. De kwaliteitsverbetering kan gaan om: het verbeteren van de bereikbaarheid van het knooppunt voor meerdere vormen van vervoer; het op orde brengen van de (reis)informatievoorzieningen; het aangenamer maken van het verblijven of wachten op het knooppunt; het beter laten aansluiten van het knooppunt op de omgeving; het verbeteren van toegankelijkheidsvoorzieningen; het uitbreiden van ketenvoorzieningen; etc. Het gaat in het algemeen om kwaliteitsverbeteringen in de fysieke omgeving gericht op het aantrekkelijker, veiliger en beter geïnformeerd kunnen reizen. In beginsel worden aan de beginfase van het uitvoeren van dit beleid geen specifieke voorwaarden gesteld wat betreft aard en inhoud van de voorstellen om de drempel zo laag mogelijk te houden. De voorgestelde maatregelen zijn wel toekomst vast. Ter toelichting op het vierde lid: Onderzoeks- en communicatieprojecten zijn gericht op het ontwikkelen van kennis over de toepassing van de maatregelen ter vergroting van de kwaliteit van de knooppunten. Ze kunnen weliswaar betrekking hebben op de specifieke situatie van een bepaald knooppunt, maar uit de kennis die het oplevert kunnen generieke conclusies getrokken worden in het voordeel zijn van andere knooppunten. Dit moet dan wel duidelijk blijken uit de aanvraag. Artikel 4.
  4. Aanvraag Ter toelichting op het derde lid: Kortweg bestaan de baten (B) uit: Afname van de OV-reistijden gesommeerd over het aantal verwachte reizigers in de gehele periode waarop de investering is berekend en met behulp van ‘value of time’ zoals gedefinieerd door het Kennisinstituut van Mobiliteitsbeleid; Exploitatiebesparingen gesommeerd over het aantal verwachte busbewegingen in de gehele periode waarop de investering is berekend en de uurprijs gespecificeerd door de provincie Utrecht. Het kan gaan om vooruitgeschoven baten die invulling geven aan het OV- netwerkperspectief van de provincie Utrecht, waarvan accenten staan voor de toekomstige OV-lijnvoering. De kosten (K) zijn de som van alle subsidiabele kosten. Deze hebben betrekking op de OV-onderdelen binnen het maatregelenpakket. Bij aanvullende OV-maatregelen binnen een bestaand project moeten de meerkosten expliciet gemaakt worden. Toelichting bij paragraaf 5 Goederenvervoer De provincie Utrecht zet zich in voor schonere en duurzamere vormen van mobiliteit en logistiek. Het verminderen van uitstoot, het efficiënter maken van goederenstromen en het stimuleren van innovatie binnen het goederenvervoer zijn speerpunten van het Uitvoeringsprogramma Gezonde en veilige mobiliteit 2024-
  5. Paragraaf 5 van deze subsidieregeling richt zich op het ondersteunen van projecten die bijdragen aan deze doelen via de actielijn “Verschonen mobiliteit”. In deze paragraaf vindt u de toelichting met daarin voorbeelden voor subsidies voor goederenvervoerprojecten. Dit kan variëren van de aanschaf van uitstootvrije voertuigen tot investeringen in overslaginfrastructuur voor vervoer over water. Artikel 5.
  6. Subsidiabele activiteiten en criteria Hieronder zijn 3 voorbeelden omschreven van subsidiabele activiteiten. Voorbeeld 1: Transportbedrijf in stadsdistributie Subsidie kan worden aangevraagd voor de aanschaf of aanpassing van uitstootvrije voertuigen die specifiek worden ingezet voor duurzame logistiek in stedelijke gebieden. Hieronder vallen onder andere: L1e: Licht gemotoriseerd voertuig op twee wielen (bijvoorbeeld elektrische scooters). L2e-U: Bromfiets op drie wielen, specifiek bestemd voor vrachtvervoer. L6e-B-U: Lichte quadri-mobile, specifiek ontworpen voor vrachtvervoer. L3e: Motorfiets op twee wielen, inclusief modellen met laag, middelmatig en hoog vermogen. L4e: Motorfiets op twee wielen met zijspan, ontworpen voor stabielere of grotere lasten. L5e-B: Driewieler specifiek ontworpen voor vrachtvervoer (bedrijfsdriewieler). L7e-C-U: Zware quadri-mobile, specifiek ontworpen voor vrachtvervoer. Een transportbedrijf dat werkt aan stadsdistributie schaft twee uitstootvrije driewielers aan voor pakketbezorging binnen de Utrechtse binnenstad. Tot 50% van de aanschafkosten met een maximum van €25.000,- per voertuig, gefinancierd door de provincie. Voorbeeld 2: een Niet-watergebonden bedrijf: Een onderneming gevestigd aan een kade, oorspronkelijk bedoeld voor watergebonden bedrijvigheid, overweegt verplaatsing naar een bedrijventerrein dat beter aansluit op haar logistieke activiteiten over de weg. Subsidie kan worden verstrekt voor een haalbaarheidsstudie naar de verplaatsing. Voorbeeld 3: Overslaginfrastructuur Een logistiek dienstverlener investeert in een nieuwe overslagkraan bij een haven, zodat goederenstromen die eerder per vrachtwagen werden vervoerd, voortaan via de binnenvaart gaan. De provincie kan tot 50% van de kosten subsidiëren, met een maximum van €50.000,-. Artikel 5.
  7. Hoogte van subsidie De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de subsidiabele kosten per project. Voor voertuigen en infrastructuur bedraagt de maximale bijdrage 50% van de kosten, afhankelijk van het specifieke type activiteit. Voorbeeldberekening: Bij de aanleg van een overslagkade voor goederenstromen die over water worden vervoerd, bedragen de totale kosten €80.000,-. Indien de aanvraag aan alle subsidievoorwaarden voldoet kan de provincie 50% subsidiëren, wat neerkomt op €40.000,-, mits dit binnen het subsidieplafond valt. Toelichting bij paragraaf 6 Slotbepalingen Artikel 6.1 De provincie Utrecht gaat bij een subsidieaanvraag na of mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatsteun.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.