Brandbeveiligingsverordening Amsterdam 1995Hoofdstuk 1 Algemene bepaling Art. 1.1 Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: inrichting: een voor mensen toegankelijke, ruimtelijk begrensde plaats; Regeling Bouwbesluit brandveiligheid: regeling van 26 mei 1992 (Staatscourant 1992, nr. 104), gewijzigd bij regeling van 22 september 1992 (Staatscourant 1992, nr. 188). Art. 1.2 Werkingssfeer 1. Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de Woningwet en de Bouwverordening Amsterdam 1993. 2. Deze verordening is voorts niet van toepassing op schepen waarop de Binnenschepenwet (wet van 30 september 1981, Staatsblad nr. 678) van toepassing is. Art. 1.3 Voorschriften en beperkingen 1. Burgemeester en Wethouders kunnen aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van het voorkomen, het beperken en het bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en het beperken van ongevallen bij brand. 2. Burgemeester en Wethouders kunnen, indien het in het eerste lid bedoelde belang dat vereist, de voorschriften en beperkingen, verbonden aan een vergunning of ontheffing, wijzigen en intrekken, dan wel aan een vergunning of ontheffing nieuwe voorschriften of beperkingen verbinden. Hoofdstuk 2 Brandveilig gebruik Paragraaf 1 Vergunning Art. 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting 1. Het is verboden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden waarin: meer dat vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn; bedrijfsmatig de in art. 2.2.2 bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen; aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal worden verschaft; aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft; aan meer dan vier personen bedrijfsmatigwoonverblijf zal worden verschaft. Art. 2.1.2 Weigeren vergunning Burgemeester en Wethouders weigeren een vergunning indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet kan worden geacht een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan worden gerealiseerd. Art. 2.1.3 Intrekken vergunning 1. Burgemeester en Wethouders kunnen een vergunning intrekken, indien: blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de vergunning; van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning, dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden; van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; het belang waarvoor de vergunning is verleend, dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden, gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen. Art. 2.1.4 Verplicht aanwezige bescheiden In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning betrekking heeft, moet de vergunning aanwezig zijn en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven. Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar Art. 2.2.1 Gebruikseisen voor inrichtingen 1. De gebruikseisen, neergelegd in de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 6 van de Bouwverordening Amsterdam 1993, zijn van overeenkomstige toepassing. 2. Het is verboden, een inrichting te gebruiken in strijd met de in het eerste lid genoemde gebruikseisen. 3. Burgemeester en Wethouders kunnen bepalen dat het vijfde en zesde lid van art. 6.4.3 van de Bouwverordening Amsterdam 1993 niet van toepassing zijn. Art. 2.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben 1. Het is verboden, stoffen als bedoeld in art. 4 van de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere niet bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van de Bouwverordening Amsterdam 1993 aangegeven maximumhoeveelheden niet overschrijdt; het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig art. 2.1.1 is verleend; de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmte-ontwikkelend toestel. 3. Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid, volledig meegerekend. Art. 2.2.3 Opslag en verwerking stoffen Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid moeten worden opgeslagen op de in de paragrafen 7 tot en met 10 van hoofdstuk 6 van de Bouwverordening Amsterdam 1993 aangegeven wijze. Art. 2.2.4 Verrichten van werkzaamheden Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid of gereedschappen worden gebruikt waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand. Art. 2.2.5 Verbod open vuur en roken 1. Het is verboden, te roken of vuur te hebben: in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer van de stoffen, vermeld in art. 4 a tot en met h van de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.