Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025Artikel1.Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990; houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerapparatuur(plaats): een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur; centrale computer: computer van de gemeente Zoetermeer of de computer van het bedrijf waarmee de gemeente Zoetermeer een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon, webbrowser of een ander communicatiemiddel; belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; dag: een kalenderdag, periode van 00:00 uur tot 24:00 uur; maand: een kalendermaand; jaar: een kalenderjaar, periode van 1 januari tot en met 31 december; vier jaar: een periode van vier aaneengesloten kalenderjaren; vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaats; vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zoetermeer; autodate: (ook wel deelauto’s) het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan een huishouden; wanbetaler: een kentekenhouder die vijf of meer naheffingsaanslagen tegelijkertijd geregistreerd heeft staan op zijn of haar voertuig, waarvoor nog geen betalingen zijn gedaan bij het parkeerservicebureau of zijn bijgeschreven op de rekening die hiertoe wordt aangehouden door of namens de invorderingsambtenaar. bezoekersvergunning: vergunning verleend aan bewoners van een gebied waar het fiscale regime van kracht is, ten behoeve van bezoekers voor het parkeren van een motorvoertuig van bezoekers op een parkeerapparatuurplaats. Artikel2.Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel3.Belastingplicht 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2.Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat: 1e indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2e indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die ingevolge het tweede lid, onderdeel b, van dit artikel is aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel4.Vrijstelling De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven ter zake van: Ambulances, dierenambulances, voertuigen van politie en brandweer voor zover deze voertuigen voor het uitoefenen van de dienst worden gebruikt, mits deze voertuigen als zodanig herkenbaar zijn; Gehandicaptenvoertuigen (voertuigen zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990); Voertuigen voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits deze parkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst; Caravans en aanhangwagens voor een periode van maximaal drie dagen; Voertuigen van huisartsen en verloskundigen die visites maken, mits deze voertuigen als zodanig herkenbaar zijn. Artikel5.Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel en kaarten. Artikel6.Wijze van heffing 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven door voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. 2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt bij aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuur de belasting geheven bij wege van een mondelinge kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling aan de belastingschuldige bekendgemaakt. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven door voldoening op aangifte dan wel geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. 4.Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt, worden opgegeven. Artikel7.Ontstaan van de belastingschuld 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de belasting verschuldigd onmiddellijk na afloop van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon, een ander communicatiemiddel of webbrowser inloggen op de centrale computer. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is bij de aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuur de belasting verschuldigd op het moment van de aanschaf van de dagkaarten. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel8.Termijnen van betaling 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of een met het internet verbonden apparaat inloggen op de centrale computer. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet bij aanschaf van dagkaarten anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen de belasting worden betaald op het moment van het doen van de kennisgeving. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 5.In afwijking van het vorige lid moet, zolang de verschuldigde bedragen genoemd in hoofdstuk 2 van de tarieventabel behorende bij en deel uitmakende van deze verordening door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, de belasting betaald worden binnen een termijn van 30 dagen voor aanvang van de vergunningsperiode. 6.Een naheffingsaanslag moet onmiddellijk worden betaald. Artikel9.Ontheffingen van parkeerbelasting 1.Ontheffing van parkeerbelasting zoals bedoelt in artikel 2 onder b. wordt uitsluitend op aanvraag verleend. De aanvraag tot aanspraak op ontheffing wordt ingediend bij de heffingsambtenaar binnen een termijn van zes weken nadat de omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft voorgedaan. 2.Indien een vergunning wordt ingetrokken of vervalt, wordt op aanvraag ontheffing van parkeerbelasting verleend over de nog niet ingetreden volle maanden waarop de vergunning betrekking heeft. 3.Indien als gevolg van maatregelen getroffen door of met instemming van het gemeentebestuur de vergunninghouder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt geen gebruik kan maken van de vergunning, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle maanden gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest. 4.lndien voor een motorvoertuig parkeerbelasting als genoemd in de bij deze verordening behorende tarieventabel naar een jaartarief of vierjaarlijks tarief is geheven en aannemelijk is dat niet of slechts gedurende een gedeelte van de desbetreffende periode van de parkeermogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, wordt op aanvraag ontheffing van parkeerbelasting verleend. Er bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de verschuldigde belasting als er in de geldigheidsduur van de parkeervergunning, na het einde van de belastingplicht, nog volle maanden overblijven. 5.Ontheffing van parkeerbelasting wordt niet verleend indien het bedrag daarvan minder zou bedragen dan € 40,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.