NADERE REGELS MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNINGIntulé Het college van burgemeester en wethouders van gemeente De Fryske Marren; gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de Verordening Wmo van gemeente De Fryske Marren; b e s l u i t vast te stellen de navolgende nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Fryske Marren 2024 Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente De Fryske Marren 2024 treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Inleiding Deze nadere regels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Fryske Marren 2024. De verordening en deze nadere regels zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen de basis van de wijze waarop gemeente De Fryske Marren de maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert. In de nadere regels wordt zoveel mogelijk de volgorde van de Wmo-verordening 2024 aangehouden en wordt verwezen naar de toepasselijke artikelen van de Wmo-verordening. Doelgroep De doelgroep van de Wmo-verordening bestaat uit inwoners uit De Fryske Marren met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Ook mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen. Voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen geldt landelijke toegankelijkheid. Dit betekent dat voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen ook inwoners van andere gemeenten zich kunnen melden bij de gemeente De Fryske Marren. Andersom kunnen ook inwoners van De Fryske Marren bij andere gemeenten terecht voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen. 1Begripsbepalingen 1.1Begrippen In deze nadere regels wordt verstaan onder: Wmo-verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Fryske Marren 2024. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de Wmo-verordening. Afkorting Definitie ADL Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen Awb Algemene wet bestuursrecht AOW Algemene Ouderdomswet CAK Centraal Administratie Kantoor Cao Collectieve arbeidsovereenkomst CIZ Centrum Indicatiestelling Zorg CPI Consumentenprijsindex Hbh Hulp bij het huishouden Mpt Modulair pakket thuis NEA index Nationale Energie Efficiency Index OGGZ Openbare Geestelijke Gezondheidszorg OVA Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling Pgb Persoonsgebonden budget PTSS Posttraumatische stressstoornis PvE Programma van Eisen Pwet Participatiewet SVB Sociale verzekeringsbank SWT Sociaal Wijkteam UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Vpt Volledig pakket thuis WA Wettelijke Aansprakelijkheid Wajong Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten WIA Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wlz Wet langdurige zorg Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning ZIN Zorg in Natura Zvw Zorgverzekeringswet ZRM Zelfredzaamheid Matrix Zzp Zelfstandig zonder personeel 2Sociale basis en het Sociaal Wijkteam In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat we bedoelen met de ‘sociale basis’. Daarnaast geven we een korte omschrijving van de werkzaamheden van het Sociaal Wijkteam. 2.1Sociale basis De gemeente verwacht van haar inwoners dat zij in eerste instantie zelf in hun netwerk, via een inwonersinitiatief of in basisvoorzieningen, naar een oplossing zoeken voor een probleem. Eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid zijn belangrijke begrippen. De inwoner draagt verantwoordelijkheid voor zichzelf en zijn omgeving. De gemeente ondersteunt inwoners hierin door de dragende samenleving en basisvoorzieningen te ondersteunen en te versterken. Een sterke sociale basis draagt bij aan een inclusieve samenleving waarin iedereen (naar vermogen) meedoet. Een dragende samenleving Met dragende samenleving bedoelen we dat wat inwoners zelf doen of zelf zouden kunnen doen, voor zichzelf, voor elkaar en gezamenlijk. Het gaat dan om het individuele niveau (mantelzorg, onderlinge hulp, vrijwilligerswerk), maar ook het collectieve niveau (verenigingen, clubs, buurt- en inwonersinitiatieven, religieuze organisaties). De dragende samenleving zorgt ervoor dat inwoners die ondersteuning nodig hebben, langer zonder of met minder professionele hulp zelfstandig kunnen blijven wonen, veilig over straat kunnen en zelfstandig kinderen groot kunnen brengen. De gemeente ondersteunt de dragende samenleving waar mogelijk en zet zich in om de dragende samenleving te versterken. Basisvoorzieningen Basisvoorzieningen zijn algemene voorzieningen en activiteiten die in buurten en wijken nodig zijn voor het goed functioneren van de samenleving. Deze basisvoorzieningen zijn toegankelijk voor alle inwoners. Het zijn voorzieningen waar alle inwoners van gemeente De Fryske Maren (kunnen) komen en zonder verwijzing gebruik van (kunnen) maken. Een basisvoorziening heeft een regulier aanbod. Er wordt bijvoorbeeld informatie en advies geboden, maar ook voorlichting en preventie. De gemeente zet zich in voor een breed aanbod van basisvoorzieningen. Hier wordt op tijd herkend of en wordt voorkomen dat inwoners maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. 2.2Sociaal Wijkteam Informatie en advies Inwoners moeten goede informatie kunnen krijgen. Dat is belangrijk in onze dienstverlening. Daarom kunnen inwoners bij het Sociaal Wijkteam terecht met allerlei vragen. Het Sociaal Wijkteam geeft informatie en advies bij deze onderwerpen: • zorg en ondersteuning • opvoeden en opgroeien • onderwijs • welzijn • wonen • werk en inkomen • financiële problemen (bijvoorbeeld moeite om rond te komen) Integrale diensteverlening Als een inwoner een vraag of probleem heeft, kan hij of zij op verschillende plekken hulp krijgen. Het risico daarvan is dat hulpverleners dan niet goed van elkaar weten wat ze doen. Daarom kiezen we in onze gemeente voor integrale hulp en ondersteuning. Dit betekent bijvoorbeeld dat er 1 plan komt voor iemand met meer dan 1 probleem. In het plan kijken we dan hoe de hulp voor de verschillende problemen bij elkaar kan passen. Ons uitgangspunt is: 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. Het is de taak van de gemeente om het overzicht te houden. Het Sociaal Wijkteam voert deze taak uit. Binnen het Sociaal Wijkteam werken verschillende medewerkers samen om de problemen aan te pakken. Daarnaast biedt het Sociaal Wijkteam ook vrij toegankelijke zorg, dit is zorg die door het wijkteam zelf uitgevoerd en ingezet wordt. Dit is individuele en groepsgerichte hulpverlening. De inzet vanuit het SWT is: verbinden (van het voorliggende veld (basisvoorziening en netwerk) met de hulpvrager); coachen (van hulpvrager en netwerk in het onderzoeken en uitwerken van het persoonlijk plan); regisseren (bewaken van de voortgang van het persoonlijk plan); rapporteren (vastleggen en uitwerken van het persoonlijk plan, contactverslagen, het hulpverleningsproces); voorlichten (in het geven van inzicht in bijvoorbeeld basisvoorzieningen, mogelijkheden werk, routes bij huiselijk geweld). Ondersteuning aan inwoners met ingewikkelde problemen Als dat nodig is, ondersteunt het Sociaal Wijkteam ook inwoners bij wie er zorgen zijn over hun welzijn. Bijvoorbeeld doordat een inwoner de openbare orde verstoort. Of doordat een inwoner zorgt voor maatschappelijke onrust of overlast. Het Sociaal Wijkteam benadert deze inwoners actief. Ook biedt het Sociaal Wijkteam hen ondersteuning op verschillende leefgebieden. Toegang Het Sociaal Wijkteam heeft naast de bovengenoemde taken een belangrijke rol in het kader van de toegang tot maatwerkvoorzieningen. 3Toegang In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de procedure verloopt wanneer een cliënt met een ondersteuningsvraag zich meldt bij de gemeente. Op deze manier maken we inzichtelijk wat de cliënt van de gemeente kan verwachten. 3.1Melding en ondersteuningsvraag Melding Wanneer iemand met een ondersteuningsvraag zich meldt bij de gemeente, dan is dit een melding en geen aanvraag. De procedure om een maatwerkvoorziening te krijgen, start namelijk met een melding die de gemeente gaat onderzoeken. Een cliënt kan pas een aanvraag doen nadat het onderzoek is uitgevoerd. Tenzij dit niet binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd. Door of namens cliënt Een melding van behoefte aan ondersteuning kan door of namens de cliënt worden gedaan. De persoon die namens de cliënt een melding doet, hoeft niet een vertegenwoordiger van de cliënt te zijn, maar kan ook een huisgenoot, iemand uit het sociaal netwerk van de cliënt, een professionele hulpverlener, arts of een medewerker van het transferpunt van het ziekenhuis zijn. Melding is vormvrij Er kan op verschillende manieren een melding worden gedaan. Dit kan persoonlijk, telefonisch, schriftelijk of per email. De medewerker die de melding aanneemt zal in eerste instantie informatie en advies geven. Wanneer na een korte vraagverkenning duidelijk wordt dat er verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, dan zal de melding worden geregistreerd. Afzien van nader onderzoek Wanneer cliënt al bekend is vanwege een eerdere melding van behoefte aan ondersteuning of het betreft een vervanging van een hulpmiddel vanwege technische mankementen en de situatie is ongewijzigd, dan kan dit een reden zijn om af te zien van nader onderzoek. Dit dient altijd in overleg en met goedkeuring van de cliënt plaats te vinden. De medewerker die de melding aanneemt kan direct de nodige vervolgacties inzetten. Schriftelijke bevestiging van de melding Wanneer er nader onderzoek nodig is wordt er een afspraak gemaakt voor een vervolggesprek. Wanneer de situatie van de cliënt voldoende bekend is dan kan het vervolggesprek telefonisch plaatsvinden. Is de situatie nog niet bekend of vraagt de situatie om een fysiek overleg, dan zal er bij voorkeur een afspraak bij de cliënt thuis worden gemaakt. Op verzoek van de cliënt kan het gesprek ook ergens anders plaatsvinden, bijvoorbeeld op het gemeentehuis. Cliënt ontvangt van de melding en de afspraak een schriftelijke bevestiging. Onafhankelijke cliëntondersteuning Bij de melding wordt de cliënt geïnformeerd om zich tijdens het gesprek te laten bijstaan door een mantelzorger of een persoon uit het sociaal netwerk. De cliënt ontvangt ook uitleg over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Persoonlijk plan Bij de melding krijgt cliënt uitleg over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. In een persoonlijk plan kan de cliënt aangeven welke ondersteuning naar zijn mening het meest geschikt is. Cliënt heeft de mogelijkheid om het persoonlijk plan binnen 8 dagen na de melding te overhandigen aan de medeweker van het sociaal wijkteam. Het persoonlijk plan wordt betrokken bij het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte. Aan het persoonlijk plan kunnen geen rechten, voor de toekenning van de aanvraag, worden ontleend. Spoedeisende gevallen Wanneer het gaat om spoedeisende gevallen kan er niet worden gewacht op de uitkomst van nader onderzoek. De medewerker van het sociaal wijkteam zal direct overgaan tot het inzetten van een maatwerkvoorziening. Bijvoorbeeld in gevallen van huiselijk geweld. 3.2Onafhankelijke clientondersteuning De onafhankelijke cliëntondersteuner kan de inwoner ondersteunen bij hun persoonlijke hulpvraag. Ze geven algemene ondersteuning in de vorm van advies, informatie en begeleiding bij het proces rondom wet en regelgeving. Hierbij staat het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt centraal en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van: maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. In de Wmo is de onafhankelijke cliëntondersteuning voor het hele Sociale Domein en de andere levensdomeinen geregeld. Het belang van de cliënt is het uitgangspunt. Voor het onderzoek naar maatschappelijke ondersteuning plaatsvindt, wordt de cliënt en zijn mantelzorger geïnformeerd dat er gebruik kan worden gemaakt van onafhankelijke cliëntondersteuning. Er is geen sprake van een eigen bijdrage voor het gebruik van een onafhankelijke cliëntondersteuner. 3.3Vooronderzoek Voorafgaand aan het gesprek onderzoekt de medewerker welke gegevens er al bekend zijn bij de gemeente over de cliënt, zodat al bekende gegevens niet opnieuw gevraagd hoeven te worden. Er wordt alleen onderzoek gedaan naar de gegevens die binnen de Wmo bekend zijn. Bij aanvang van het gesprek meldt de consulent aan de cliënt welke informatie uit dit vooronderzoek naar boven is gekomen. Ook wordt de bescherming van de privacy van de cliënt besproken. 3.4Onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte Het gesprek Een melding van behoefte aan ondersteuning wordt nader onderzocht op basis van het eventueel aanwezige persoonlijk plan van de cliënt, één of meer gesprekken met de cliënt en mantelzorger en indien nodig aangevuld met een (medisch) advies van een deskundige. Het onderzoek Aan de hand van de Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen (artikel 4.1 Verordening) Voorwaarden en weigeringsgronden (artikel 4.2 Verordening) en indien van toepassing de aanvullende criteria betreffende de specifieke maatwerkwerkvoorziening (artikel 4.3 t/m 4.9 Verordening) wordt onderzocht of de cliënt ondersteuning nodig heeft en zo ja, welke vorm van ondersteuning. Het is belangrijk dat de medewerker van het Sociaal Wijkteam goed motiveert hoe een genomen besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie. Dit geldt zowel bij een afwijzing als bij een toekenning. Om tot een besluit te komen doet de medewerker van het Sociaal Wijkteam zorgvuldig onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden. In de Wet (artikel 2.3.2 lid 4) en in de Verordening (artikel 3.4) zijn de factoren weergegeven welke deel uitmaken van het onderzoek en deze vormen de basis voor het gesprek. In jurisprudentie heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB 11-7-2018, ECLI:NL: CRVB:2018:2182) bepaald dat een zorgvuldig onderzoek naar de factoren in een bepaalde volgorde moet plaatsvinden. Het onderzoek moet worden uitgevoerd op basis van de volgende processtappen: Stel vast wat de precieze hulpvraag is. Breng de beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie of bij het zich handhaven in de samenleving in kaart. Stel vast welke ondersteuning in aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. Vervolgens wordt onderzocht in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Wanneer de mogelijkheden ontoereikend zijn kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wmo 2015 wordt ook onderzocht welke bijdrage de cliënt daarbij verschuldigd zal zijn. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waardoor de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden dan stopt de procedure. Cliënt ontvangt ter bevestiging een ondersteuningsplan waarin de oplossingen en afspraken zijn benoemd (het eigen krachtplan). Het is ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De medewerker van het Sociaal Wijkteam bespreekt de mogelijkheid om te kiezen voor een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. De cliënt zal op de hoogte worden gebracht van zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure. Vaststellen identiteit De medewerker van het Sociaal Wijkteam moet bij het onderzoek naar de melding de identiteit van de cliënt vaststellen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs (artikel 2.3.4 lid 1 Wmo). Om de identiteit vast te stellen moet de cliënt zich legitimeren met een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. De medewerker vermeld in het ondersteuningsplan of het registratiesysteem het type document (paspoort, identiteitsbewijs, rijbewijs of Nederlands vreemdelingenbewijs) en de geldigheidsduur en de datum waarop het document is gezien. 3.5Ondersteuningsplan Op basis van het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte wordt een verslag gemaakt en indien nodig kan dit in de vorm van een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven: Wat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is. In verband met welke beperkingen ondersteuning nodig is. Welke doelen en resultaten moeten worden behaald. Door wie en op welke wijze deze ondersteuning wordt geboden. Wat de bijdrage aan het te behalen resultaat is van het sociaal netwerk, andere voorzieningen, algemene voorzieningen en/of individuele maatwerkvoorzieningen. Welke afspraken er zijn gemaakt met de cliënt, o.a. over de (tussentijdse) evaluatie van de doelen en resultaten. In het ondersteuningsplan wordt rekening gehouden met de wensen en behoeften van de mantelzorger. De cliënt krijgt de mogelijkheid om het ondersteuningsplan te lezen en een reactie hierop te geven. Naar aanleiding van de reactie van de cliënt worden eventuele feitelijke onjuistheden in het ondersteuningsplan aangepast. Cliënt kan tekenen voor akkoord of voor gezien. Wanneer cliënt tekent voor gezien dan worden de opmerkingen en aanvullingen van de cliënt aan het ondersteuningsplan toegevoegd. 3.6Aanvraag Een uitkomst van het onderzoek naar aanleiding van de melding van behoefte aan ondersteuning kan een aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening zijn. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet in beginsel schriftelijk worden ingediend. Een ondertekent ondersteuningsplan kan worden gezien als aanvraag van een individuele maatwerkvoorziening. Op de aanvraag zal in beginsel binnen twee weken een besluit (beschikking) genomen moeten worden. Deze termijn is relatief kort omdat het voorwerk al tijdens de onderzoeksfase is gebeurd. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat er nader onderzoek gedaan moet worden naar bijvoorbeeld de specifieke aandoening en daardoor veroorzaakte beperkingen, om de juiste maatwerkvoorziening te bepalen. In dat geval kan de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. De eerste verlenging is maximaal 8 weken en daarna afgestemd met de cliënt. 3.7Advisering Soms is het nodig om extern (medisch) advies op te vragen om een besluit te kunnen nemen. De gemeente schakelt in dit soort gevallen in principe een onafhankelijk adviesorgaan in. Zodra tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding blijkt dat mogelijk sprake zal zijn van een (aanvraag voor een) maatwerkvoorziening, kan ook in die fase al dit externe adviesorgaan ingeschakeld worden, zo verkorten we de afhandelingstermijn. In artikel 3.7 Verordening is aangegeven dat het mogelijk is om extern advies aan te vragen als dit nodig is voor het onderzoek. De gemeente heeft hierover afspraken gemaakt met een onafhankelijk adviesbureau. 3.8Toegang en besluit Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorzieningen. Van de cliënt wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij een aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de cliënt niet aan deze voorwaarde, dan kan het aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De cliënt voldoet dan niet aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 Wmo). 3.9Inhoud beschikking In artikel 3.9 Verordening is vastgelegd wat in de beschikking wordt opgenomen. Als een voorziening voor een bepaalde tijd wordt toegekend, wordt ook dat vermeld. In sommige gevallen wordt de omvang van het recht ook vermeld, bijvoorbeeld de hoogte van het toegekende pgb-bedrag. In de beschikking voor een maatwerkvoorziening wordt het recht van de cliënt vastgelegd, evenals daarbij horende voorwaarden en verplichtingen. Het zorgplan (hulp bij het huishouden) en het afsprakenformulier (begeleiding) maken onderdeel uit van de beschikking. Daarin is concreet opgenomen welke ondersteuning wordt geboden, waaronder vorm, omvang en frequentie. Als de gemeente voornemens is een negatieve of afwijkende beschikking af te geven, neemt degene die het onderzoek heeft uitgevoerd contact op met de cliënt om deze hierover te informeren en uitleg te geven. Er wordt hierbij ook de gelegenheid geboden om aanvullende informatie te geven en/of nader onderzoek in te stellen. Tegen de beschikking van de gemeente is, als de cliënt het er niet mee eens is, bezwaar bij de gemeente en beroep bij de rechtbank mogelijk. 4Maatwerkvoorzieningen In dit hoofdstuk worden de criteria beschreven om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorzieningen. Naast de algemene criteria (4.1) wordt ingegaan op de voorwaarden en weigeringsgronden (4.2) en vervolgens worden de aanvullende criteria omschreven waaraan cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening. 4.1Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen Stap 1: Stel vast wat de hulpvraag is. Allereerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van wat de cliënt (en eventueel zijn mantelzorger) graag wil en waarom, wat goed gaat en wat niet meer lukt. Zo nodig wordt de cliënt ondersteund bij het duidelijk formuleren van zijn hulpvraag. Als duidelijk is wat de vraag is, is het van belang om samen met de cliënt vast te stellen wat het te behalen resultaat is. Dus: wanneer vindt iemand dat zijn ondersteuningsvraag voldoende is opgelost. Stap 2: Breng de beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie of bij het zich handhaven in de samenleving in kaart. De cliënt heeft: een fysieke beperking die (medisch) geobjectiveerd is vastgesteld en heeft als gevolg daarvan verlies van zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden of problemen bij het zich handhaven in de samenleving vanwege psychische of psychosociale problemen of al dan niet gedwongen de thuissituatie verlaten. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid van de cliënt kan gebruik worden gemaakt van de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM). De ZRM (bijlage 1) is een instrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk in beeld te brengen. De ZRM heeft elf domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën, Dagbesteding, Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke gezondheid, Verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven, Sociaal netwerk, Maatschappelijke participatie en Justitie. De Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) is ontwikkeld om het functioneren van personen op alle belangrijke domeinen van het leven in kaart te brengen en drukt dit uit in een score over de mate van zelfredzaamheid van de persoon op dat moment. We gebruiken de zelfredzaamheidsmatrix voornamelijk als screeninginstrument waarmee je integraal kunt kijken naar een cliënt, doordat alle belangrijke domeinen van het functioneren aan bod komen. De ZRM bevordert het integraal werken en de samenwerking tussen verschillende disciplines rondom de cliënt door het spreken van één taal. Daarnaast draagt de ZRM bij aan het structureren van de informatie rondom de cliënt. De ZRM wordt als hulpmiddel gebruikt voor de nadere afstemming tussen de zorgaanbieder, medewerker van het Sociaal Wijkteam en de cliënt over de te behalen resultaten. De ZRM wordt niet gebruikt om een diagnose te stellen. Het stellen van een diagnose wordt altijd gedaan door een bevoegd deskundige (arts, psychiater). Stap 3:Stel vast welke ondersteuning in aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. Om het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving van de cliënt te bepalen, wordt het volgende gewogen: Welk niveau past bij de huidige situatie en mogelijkheden van de cliënt. Welk niveau staat in redelijke verhouding met de situatie van de cliënt voordat er sprake was van een beperking of problematiek. Welk niveau staat in redelijke verhouding tot dat van personen in vergelijkbare omstandigheden en dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen of problematiek hebben. Welk niveau is minimaal noodzakelijk in het licht van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving. Binnen welke aanvaardbare termijn het gewenste resultaat behaald dient te zijn. Stap 4: Vervolgens wordt onderzocht in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. a. Eigen kracht De mate waarin de cliënt en/of de leefeenheid van de cliënt zelf of samen met het sociaal netwerk van de cliënt op eigen kracht het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. De Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken en alle inwoners, met of zonder beperking, te stimuleren om hun talenten en mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier in het gesprek ruimte en aandacht aan te geven, door bijvoorbeeld oplossingsmogelijkheden aan te reiken of samen te zoeken naar een geschikte oplossing, kunnen cliënten hun eigen kracht benutten en vergroten. Eigen kracht kan ook betekenen zelf betalen. Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost met het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening. b. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot (partner of degene waarmee een gezamenlijke huidhouding wordt gevoerd), ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Van belang is dat de genoemde personen moeten inwonen bij de cliënt, anders is er geen sprake van gebruikelijke hulp. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp kan een reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren. De medewerker van het Sociaal Wijkteam zal altijd goed onderzoeken: of gebruikelijke hulp verwacht kan worden, en zo ja; in welke omvang die gebruikelijke hulp verwacht kan worden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Personen binnen de leefeenheid van de cliënt zijn altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van de leefeenheid. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de leefeenheid deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke hulp kan door de cliënt ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden. Bij uitval van een persoon wordt door andere personen binnen de leefeenheid, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten. De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Tot 18 jaar wordt verwacht dat zij hun bijdrage leveren door bijvoorbeeld hun eigen kamer schoon te houden, helpen bij de afwas of een kleine boodschap te halen. Vanaf 18 jaar wordt verwacht dat ze zelfstandig een éénpersoonshuishouden kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze zelfstandig een meerpersoonshuishouden kunnen voeren. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: De aard van de benodigde ondersteuning. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de leefeenheid niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege: (langdurige) fysieke afwezigheid een beperking of een beperkte leerbaarheid. (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Cliënt een korte levensverwachting heeft. c. Mantelzorg Mantelzorg is hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg en kan niet verplicht worden. Wanneer niemand mantelzorg wil of kan leveren, zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken. Alleen wanneer er daadwerkelijk mantelzorg beschikbaar is, kan de medewerker van het Sociaal Wijkteam bij het bepalen van de ondersteuning hiermee rekening houden. Het is belangrijk om goed te kijken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger. Er wordt uitgegaan van wat redelijkerwijs de mogelijkheden van de mantelzorger zijn. Wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een mantelzorger, verschilt van persoon tot persoon en is mede afhankelijk van de aard van de relatie, en de situatie waarin de cliënt en de mantelzorger zich op dat moment bevinden. De medewerker van het Sociaal Wijkteam zal daarbij vooral uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. Extra aandacht is er voor kinderen die mantelzorg verlenen. De inzet van kinderen voor mantelzorg moet zo mogelijk voorkomen worden door snelle inzet van hulpverlening die voor de noodzakelijke zorg een directe oplossing zoekt of biedt. Mantelzorg door kinderen gaat in de meeste gevallen ten koste van hun welbevinden en ontwikkeling, zoals het omgaan met leeftijdgenoten, vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties. Uit de praktijk van de hulpverlening blijkt dat de kinderen op de langere termijn, tot in hun volwassenheid, problemen ontwikkelen waarbij zij vooral geleerd hebben alleen voor anderen te zorgen en niet voor zichzelf. d. Hulp van andere personen uit het netwerk Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Het sociale netwerk verwijst naar de sociale context waarin de cliënt leeft. Het beslaat het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen (bijvoorbeeld verenigingen) waarvan de cliënt deel uitmaakt. Van belang bij het bepalen van het sociaal netwerk is dat er sprake is van een sociale relatie met de cliënt. Personen in het netwerk zijn vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of voor de cliënt te organiseren. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de cliënt om een beroep te doen op het sociaal netwerk alvorens bij de gemeente aan te kloppen voor ondersteuning. Als een cliënt met hulp uit het sociale netwerk in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, of hiermee wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang, hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Hulp uit het sociaal netwerk kan niet worden afgedwongen. Wanneer er geen hulp uit het sociaal netwerk beschikbaar is, of het sociaal netwerk is niet bereid om ondersteuning te verlenen, dan zal het college de ondersteuning moeten organiseren. e. Algemeen gebruikelijke voorziening: Er wordt geen voorziening verstrekt wanneer het gaat om een algemeen gebruikelijke voorziening. Het is bedoeld om te voorkomen dat de gemeente een voorziening verstrekt, waarvan de kans groot is dat de cliënt er ook over zou beschikken als hij geen beperking had. Dat betekent dat iedereen deze voorziening zelf moet betalen. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als: 1. deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2. daadwerkelijk beschikbaar is; 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; 4. financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Financieel gedragen In de Wet is ‘financieel gedragen’ niet gedefinieerd. In De Fryske Marren sluiten we aan bij een uitspraak van de rechtbank in Den Haag. Bij financieel gedragen gaan we ervan uit dat de kostprijs van de voorziening binnen 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de bijstandsnorm die voor de cliënt van toepassing is. Inkomen op minimumniveau Met een inkomen op minimumniveau gaan we uit van een inkomen op bijstandsniveau. In de Wmo wordt minimumniveau niet nader gedefinieerd. De CRvB heeft minimumniveau gebruikt voor een cliënt met een bijstandsuitkering (zie CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRvB:2019:3690). We gaan er daarom vanuit dat het bij een inkomen op minimumniveau gaat om bijstandsniveau. Ook wanneer een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet er nog naar de individuele situatie worden gekeken. Wanneer een cliënt een algemeen gebruikelijke voorziening niet kan betalen is het in beginsel aan de cliënt om dit aan te tonen. Maar wanneer er sprake is van bijvoorbeeld een schuldhulpverleningstraject, dan is de aflossingsmogelijkheid niet aanwezig en kan het zijn dat er alsnog een maatwerkvoorziening moet worden ingezet. f. Algemene voorzieningen Een algemene voorzieningen is “het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuningen” (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo). Een algemene voorziening moet geleverd worden door een aanbieder. De gemeente moet afspraken met de aanbieder hebben gemaakt. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle inwoners van de gemeente. Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken, is geen uitgebreid onderzoek naar de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager noodzakelijk. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: mantelzorgondersteuning; sociaal (vrijwilligers) vervoer; opvang voor dak- en thuislozen; diensten van het Sociaal Wijkteam; anonieme hulp op afstand (Sensoor); activiteiten met een sociaal-recreatief of sportief karakter voor specifieke doelgroepen; sociaal culturele activiteiten; algemeen toegankelijke activiteiten voor mensen die anderen willen ontmoeten of een zinvolle invulling willen geven aan de dag. Een algemene voorziening kan een voorliggend en volwaardig alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt de medewerker van het Sociaal Wijkteam, waarbij de volgende aspecten worden gewogen: de voorziening is daadwerkelijk beschikbaar; de voorziening kan door de cliënt financieel worden gedragen; de voorziening biedt adequate compensatie. g. Andere voorzieningen Bij andere voorzieningen kan worden onderzocht of de cliënt gebruik kan maken van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. De cliënt kan zelf ondersteuning van vrijwilligers ontvangen of cliënt kan door het zelf verrichten van vrijwilligerswerk het aanvaarbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving bereiken of behouden. Bij andere voorzieningen kan ook worden onderzocht of cliënt gebruik kan maken van voorzieningen uit andere wetgeving zoals kinderopvang, de Jeugdwet, ziektekostenverzekering, de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet werk en inkomen na arbeidsvermogen (WIA), Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) of de Participatiewet (Pwet). Afbakening Wlz en Wmo Via de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt zorg geleverd aan mensen die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg. De zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De zorgkantoren voeren de Wlz uit. In de Wmo 2015 is over de afbakening met de Wlz geregeld dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo ): 1. de cliënt een Wlz-indicatie heeft; 2. er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking komt voor de Wlz, maar weigert een aanvraag hiervoor te doen. Ad. 1) Alsnog zorgvuldig onderzoek doen bij een Wlz indicatie Ondanks dat het college niet verplicht is om een maatwerkvoorziening te verstrekken aan een Wlz- gerechtigde, is ze hier wel toe bevoegd. Als een cliënt met een Wlz-indicatie verzoekt om Wmo ondersteuning, moet het college dus een 'normaal' onderzoek uitvoeren. Het college zal hierbij de ondersteuningsvraag van de cliënt in kaart brengen en onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor de inzet van eigen zelfredzaamheid, het sociale netwerk, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen zoals ondersteuning op grond van de Wlz. Naar verwachting is in veel gevallen de uitkomst van het onderzoek, dat de ondersteuningsvraag van de cliënt voldoende is opgelost met de zorg die vanuit de Wlz wordt geboden. Als er recht op zorg op basis van de Wlz bestaat, is de gemeente voor de onderdelen die het betreft, niet verplicht maatschappelijke ondersteuning te bieden. Ad. 2) Wanneer cliënt weigert mee te werken aan indicatie Wlz Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking komt voor de Wlz, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een indicatie. In die situaties moet het college zelf onderzoeken of cliënt voldoet aan de voorwaarden voor de Wlz. In de meeste gevallen zal het nodig zijn om daarvoor een medisch advies op te vragen en anoniem met het CIZ af te stemmen over de casus. Weigert cliënt mee te werken aan dit onderzoek, dan kan een maatwerkvoorziening geweigerd worden omdat niet vastgesteld kan worden of cliënt in aanmerking komt voor ondersteuning vanuit de Wmo (artikel 2.3.8 lid 3 Wmo ). Het college moet dan wel kunnen aantonen dat de cliënt, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en het college, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen. Wlz-registertoets In een situatie waarin niet duidelijk is of een cliënt een Wlz-indicatie heeft, is het CIZ op grond van artikel 5.2.5 lid 3 Wmo, verplicht deze gegevens aan het college te verstrekken. Hiervoor hoeft het CIZ geen toestemming van de cliënt te hebben. De gemeente kan ook de Wlz-registertoets raadplegen. Het college mag de Wlz-registertoets alleen raadplegen als: • een cliënt zich daadwerkelijk voor maatschappelijke ondersteuning heeft gemeld. • uit het onderzoek en het gesprek niet duidelijk wordt of een cliënt een Wlz-indicatie heeft of als er reden is om te twijfelen aan de uitspraken van de cliënt. Het college mag dus niet bij elke melding en bij elke cliënt een Wlz-registertoets doen. Hulpmiddelen en woningaanpassingen voor thuiswonenden Wlz-gerechtigden Het college hoeft geen Wmo-maatwerkvoorzieningen te verstrekken aan cliënten die aanspraak maken op de Wlz (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo). Op deze hoofdregel is een uitzondering gemaakt voor hulpmiddelen en woningaanpassingen voor Wlz-gerechtigden die thuis wonen. Een Wlz-gerechtigde “woont thuis” wanneer de zorg geleverd wordt in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt), een modulair pakket thuis (mpt) of een persoonsgebonden budget (pgb). Onder hulpmiddel wordt in de Wmo 2015 verstaan: "een roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen". Rolstoelen, roerende woonvoorzieningen en vervoershulpmiddelen aan Wlz-gerechtigden, vallen voor thuiswonende Wlz- gerechtigden dus nog onder de Wmo 2015. Mobiliteitshulpmiddelen voor Wlz-gerechtigden in een Wlz-instelling Vanaf 1 januari 2020 hebben alle cliënten die in een Wlz-instelling wonen recht op mobiliteitshulpmiddelen op grond van de Wlz. Met 'wonen in een Wlz-instelling' wordt bedoeld dat sprake is van een Wlz-indicatie in natura. Tot 1 januari 2020 was het zo dat mobiliteitshulpmiddelen voor Wlz-geïndiceerden onder de Wmo vielen als ze in een instelling verbleven zónder behandeling (op grond van het voormalige artikel 8.6a onderdeel b Wmo 2015). Deze uitzondering is echter vervallen per 1 januari 2020. Dat betekent het college per 1 januari 2020 een mobiliteitshulpmiddel voor een cliënt die in een Wlz-instelling verblijft kan weigeren, omdat hij aanspraak kan maken op de Wlz (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo). Afbakening Jeugdwet en Wmo Als de cliënt aanspraak kan maken op jeugdhulp waarmee in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning wordt voorzien, dan hoeft de gemeente geen Wmo maatwerkvoorziening te verstrekken. Een uitzondering zijn hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen (gericht op participatie) en woonvoorzieningen voor jeugdigen, deze vallen onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Jeugdhulp na 18e levensjaar Een jongere, ouder dan 18 jaar, kan over het algemeen geen aanspraak maken op jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. Meestal kan de jongere dan een beroep doen op een voorziening uit een andere wet, zoals bijvoorbeeld de Wmo, Wlz of Zvw. In een paar gevallen kan jeugdhulp op grond van de Jeugdwet doorlopen tot 23 jaar. Dit omdat er geen andere wet is die de hulp na het 18e jaar biedt. Denk hierbij aan het wonen van een jeugdige in een pleeggezin. Er is geen andere wet die deze hulp biedt en een van de volgende 3 situaties zijn aan de orde: 1. De jeugdige ontving voordat hij 18 jaar werd al jeugdhulp en doorgaan met deze hulp is noodzakelijk. 2. Voor de jeugdige is voordat hij 18 jaar werd, bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is. 3. Na beëindiging jeugdhulp – die startte voordat de jeugdige 18 jaar was -, is bepaald dat hervatting van deze hulp binnen 6 maanden noodzakelijk is. Jeugdstrafrecht en jeugdreclassering Daarnaast kan ook jeugdhulp binnen het jeugdstrafrecht of de jeugdreclassering na de 18e verjaardag doorlopen. Hiervoor is geen eindleeftijd vastgesteld. Stap 5: Wanneer de mogelijkheden ontoereikend zijn kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Een individuele maatwerkvoorziening (ZIN of pgb) is pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de cliënt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen voldoende in staat is om het aanvaarbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving te bereiken of te behouden. Om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening wordt achtereenvolgens gekeken naar de voorwaarden en weigeringsgronden (artikel 4.2 Verordening) en naar de aanvullende criteria die van toepassing zijn voor specifieke individuele maatwerkvoorzieningen (artikel 4.3 t/m 4.9 Verordening). 4.2Voorwaarden en weigeringsgronden Langdurig noodzakelijk Er wordt alleen een maatwerkvoorziening verstrekt wanneer deze langdurig noodzakelijk is. Een uitzondering wordt gemaakt voor huishoudelijke hulp en begeleiding. Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt de voorziening voor langere tijd nodig moet hebben. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, niet voor een voorziening op grond van de Wmo in aanmerking komt. Denk bijvoorbeeld aan iemand die door een ongeluk tijdelijk beperkt is. Bij langdurig noodzakelijk gaan we in beginsel uit van een periode van 6 maanden. We sluiten aan bij de periode dat cliënt (6 maanden) een beroep kan doen op het hulpmiddelendepot vanuit de Zorgverzekeringswet. Dat wil niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk exact op zes maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag ervan uit worden gegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal ziek is. Als de levensverwachting bijvoorbeeld vier maanden is, is duidelijk dat het probleem voor betrokkene blijvend is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak. Soms is er ook een wisselend beeld, waarbij verbetering in de situatie gevolgd wordt door situaties van terugval. Wanneer het wisselende beeld permanent is, dan kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak. Voor hulp bij het huishouden en begeleiding maken we een uitzondering. Soms is kortdurend hulp bij het huishouden nodig, gedacht kan worden aan een kortdurende inzet (6 weken) wanneer een cliënt moet herstellen van een medische ingreep. Het kan ook voorkomen dat begeleiding tijdelijk nodig is en cliënt zichzelf na een bepaalde periode weer kan redden. Geen ingezetene van De Fryske Marren We verstrekken alleen een maatwerkvoorziening wanneer de cliënt een inwoner is van De Fryske Marren, tenzij het gaat om het bezoekbaar maken van de woning of van Beschermd Wonen. Bij het bezoekbaar maken van de woning heeft cliënt zijn hoofdverblijf in een (erkende) zorginstelling. Er kan worden gekozen om een woonruimte waar cliënt regelmatig verblijft eenmalig aan te passen. Hulpmiddelen die vanuit de Wmo al zijn verstrekt kunnen in de woning blijven staan als de cliënt naar een Wlz-instelling gaat maar regelmatig thuis logeert. Een uitzondering kan ook gemaakt worden in geval van een kind met een beperking en gescheiden ouders, waarbij het kind op afgesproken tijden, wekelijks of maandelijks meerdere dagen achtereen bij een van de ouders verblijft en dan belemmeringen in de woning van deze ouder ervaart. Er dient per situatie beoordeeld te worden, wat de beperkingen van het kind zijn en wat nodig is om de belemmeringen op te heffen. Ook geldt, net als bij elke aanvraag, wat de ouder zelf kan oplossen en waarbij nog compensatie nodig is en wat goedkoopst compenserend is. Het kind moet met zijn beperkingen en aanwezig hulpmiddelen zo zelfstandig mogelijk in de woning kunnen functioneren. Voor de maatwerkvoorzienig beschermd wonen geldt een landelijke toegankelijkheid. Dit betekent dat voor beschermd wonen ook inwoners van andere gemeenten zich kunnen melden bij De Fryske Marren. Andersom kunnen ook inwoners van De Fryske Marren bij andere gemeenten terecht voor beschermd wonen. De Friese gemeenten hebben samen met Centrumgemeente Leeuwarden afspraken gemaakt. Voor deze vormen van ondersteuning wordt dan ook verwezen naar de vigerende verordening en beleidsregels van de gemeente Leeuwarden. Goedkoopst compenserende voorziening De begrippen “goedkoopst” en “compenserend” moeten in onderlinge samenhang worden bekeken. De volgorde waarin de begrippen zijn geplaatst, betekent niet dat in de beoordeling die bij het verstrekken van een voorziening wordt gemaakt, de hoogte van de kosten van de voorziening voorop staat en pas op de tweede plaats wordt bekeken of de voorziening compenserend is. “Goedkoopst compenserend” betekent dat een voorziening altijd compenserend moet zijn. Pas als er meerdere compenserende voorzieningen zijn, kan de goedkoopste compenserende voorziening worden gekozen. Het begrip ‘goedkoop’ moet bij de beoordeling niet in absolute zin worden uitgelegd. Zo kan een in aanschaf duurdere voorziening bijvoorbeeld langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. Anti-revaliderende werking Het komt voor dat een cliënt een voorziening aanvraagt die voor hem anti-revaliderend zal werken. Door het verstrekken van een voorziening wordt de beperking versterkt of in stand gehouden. Een voorziening met een anti-revaliderend karakter kan niet als doeltreffend worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen. Voorzienbaarheid Als een cliënt kan voorzien dat er op termijn ondersteuning nodig is, gaat de gemeente ervan uit dat hij hierop anticipeert. We verwachten dat cliënt zelf of samen met zijn netwerk oplossingen zoekt voor ervaren of te verwachten belemmeringen. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig zoeken van een andere woonruimte, maar ook aan het tijdig regelen van tijdelijke hulp na een operatie. Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bijvoorbeeld bij het betrekken van een nieuwe woning rekening houdt met zijn huidige gezondheidssituatie en dus niet naar een voor hem ongeschikte woning verhuisd. Vervanging van een eerder verstrekte voorziening Een maatwerkvoorziening kan worden afgewezen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid een rol. Gericht op het individu Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, c.q. voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze persoon noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo, de maatwerkvoorziening moet op die persoon gericht zijn. In principe worden maatwerkvoorzieningen verstrekt waarvan men zelfstandig gebruik kan maken. Wanneer de persoon met beperkingen de voorziening niet zonder hulp kan gebruiken, maar deze wel de enige adequate oplossing biedt voor het probleem, kan deze bij uitzondering worden toegekend. 4.3 Aanvullende criteria hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden (Hbh) is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten van cliënten die dit niet of niet meer zelf kunnen (regelen). We onderscheiden vijf te bereiken resultaten: 1. een schoon en leefbaar huis; 2. beschikken over schone en draagbare kleding; 3. beschikken over primaire levensbehoefte waaronder maaltijden; 4. zorgen voor kinderen die tot het huishouden behoren; 5. het voeren van regie over het doen van het huishouden. Hulp bij het huishouden kan ook worden geboden aan de cliënt als zijn mantelzorger overbelast is of dreigt te raken. De noodzakelijke inzet van de huishoudelijke hulp wordt bepaald in overleg tussen cliënt en zorgaanbieder en betreft altijd maatwerk. Voor de resultaten van hulp bij het huishouden worden de activiteiten en frequentie benoemd in het zorgplan van de aanbieder dat naast het ondersteuningsplan wordt opgesteld. Ad. 1) Schoon en leefbaar huis Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke) overname van schoonmaakactiviteiten nodig zijn. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald wat daadwerkelijk gedaan moet worden. Ad. 2) Beschikken over schone en draagbare kleding Elke cliënt moet kunnen beschikken over schone was. Hieronder wordt verstaan dat de normale, dagelijkse kleding, inclusief textiel zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat eenieder kan beschikken over strijkvrije bovenkleding. Op grond hiervan maakt strijken alleen bij uitzondering deel uit van het resultaat schone en draagbare kleding. Ad. 3) Beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden Dit resultaat heeft betrekking op de boodschappen die voor elke cliënt nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als boodschappenservices ontoereikend zijn. Beschikken over maaltijden Het klaarzetten van brood- en/of warme maaltijden valt onder hulp bij het huishouden. Als dat nodig is, wordt de cliënt één keer per dag ondersteund bij het opwarmen van een maaltijd. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als maaltijdservices ontoereikend zijn. Het bereiden van warme maaltijden is gezien het aanbod van kant en klaar maaltijden in beginsel niet noodzakelijk. Kant en klaar maaltijden zijn voorliggend op het bereiden van maaltijden. Ad. 4) Zorgen voor kinderen die tot het huishouden behoren Bij het thuis zorgen voor kinderen gaat het om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders/verzorgers niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, een maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook problemen op het gebied van mobiliteit, zoals het begeleiden van kinderen naar school vallen eronder. Het is de verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers om opvang te regelen, op tijden dat zij beiden niet in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. Om het resultaat thuis zorgen voor kinderen te behalen wordt, als het om opvang gaat, in beginsel drie maanden ondersteuning ingezet. Deze niet-structurele opvang van kinderen wordt alleen ingezet bij ontwrichting of calamiteiten, bijvoorbeeld bij het acuut wegvallen van één of beide ouders/verzorgers. Voor de verzorging van kinderen kan langer hulp worden ingezet. Hierbij wordt rekening gehouden met gebruikelijke hulp voor kinderen per levensfase. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft vooral een taak in het bijspringen, zodat voor het gezin ruimte ontstaat om zelf een al dan niet tijdelijke oplossing te vinden. Dit betekent dat er naar andere voorzieningen wordt gekeken als bijvoorbeeld, crèche, kinderopvang, buitenschoolse opvang. Ad. 5) Het voeren van regie over het doen van het huishouden Dit gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de cliënt niet (of onvoldoende) zelf de regie voert en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Met adequaat wordt hier bedoeld dat de huishoudelijke hulp voldoende aangestuurd wordt om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De cliënt is niet in staat om aan te geven wat er moet gebeuren door bijvoorbeeld psychische klachten, psychiatrische aandoening (waaronder psycho- geriatrisch, dementie) en/of psychosociale problematiek en/of een visuele handicap of een verstandelijke beperking. Er kan dan dagelijkse organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bepalen wat wanneer moet gebeuren) en het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn). Aanvullende uitgangspunten hulp bij het huishouden • Per huishouden worden alleen de huiskamer, de als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s), sanitaire ruimten, de keuken en de hal structureel schoongemaakt. Als een trap aanwezig is hoort deze bij de hal. Overige en niet in gebruik zijnde ruimtes worden incidenteel of niet schoongemaakt. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal inwoners van de woning heeft geen invloed op het aantal te behalen resultaten binnen het huishouden. De grootte van de woning en het aantal bewoners kan wel invloed hebben op de frequentie van ondersteuning. • Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van het huis, zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van hulp bij het huishouden. Ook het onderhouden van de tuin, het uitlaten van huisdieren en overige activiteiten buiten het huis, vallen buiten de reikwijdte van hulp bij het huishouden. Dit is ook van toepassing op hand- en spandiensten zoals het vervangen van een lamp of ophangen van een plank. Eigen kracht/gebruikelijke hulp/algemeen gebruikelijke voorzieningen • Van de cliënt wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de cliënt wordt verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Ook wordt van de cliënt gevraagd om binnen zijn mogelijkheden werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Het schoonmaken van verzamelingen valt niet onder hulp bij het huishouden. • Ter versterking van de zelfredzaamheid van de cliënt wordt allereerst gekeken naar de mogelijkheden en vaardigheden van de cliënt zelf om het huishouden op eigen kracht te organiseren en uit te voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan: het aanschaffen van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een uitschuifbare ramenlapper, een wringmechanisme voor een dweil of strijkvrije kleding, een strijkservice, het anders organiseren van de boodschappen of de maaltijden of het inzetten van vormen van opvang, zoals een crèche, kinderopvang of buitenschoolse opvang. • Er wordt rekeningen gehouden met de leeftijd van de kinderen: Tot 18 jaar wordt verwacht dat zij hun bijdrage leveren door bijvoorbeeld hun eigen kamer schoon te houden, helpen bij de afwas of een kleine boodschap te halen. Vanaf 18 jaar wordt verwacht dat ze zelfstandig een éénpersoonshuishouden kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze zelfstandig een meerpersoonshuishouden kunnen voeren. • Een droger of afwasmachine of robotstofzuiger hoeft niet verplicht aangeschaft te worden. Maar als deze aanwezig zijn, is het gebruik ervan voorliggend op de inzet van hulp bij het huishouden. • In situaties waarin cliënt al langere tijd op eigen kosten iemand inhuurt voor huishoudelijke taken of gebruik maakt van een wasservice, en er zijn geen wijzigingen in de situatie, gaat de medewerker van het Sociaal Wijkteam in gesprek over de noodzaak tot het indienen van een aanvraag. Wanneer cliënt alsnog in aanmerking wil komen voor hulp bij het huishouden, en cliënt voldoet aan de criteria, dan zal het college deze maatwerkvoorziening verstrekken. 4.4Aanvullende criteria voor individuele begeleiding Individuele begeleiding omvat activiteiten gericht op het bevorderen, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, opdat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen en opvang dan wel beschermd wonen kan worden voorkomen. Bij Individuele begeleiding gaat het onder meer om de volgende activiteiten: • Toezicht op of aansturing bij activiteiten en praktische vaardigheden (zowel thuis als buitenshuis). • Ondersteuning bij het aanbrengen van structuur dan wel het voeren van regie. • Oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag. • Ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, voeding, medicijnen, agenda, administratie, geldzaken, regelzaken). Individuele begeleiding is gericht op het verhogen van de kwaliteit van leven en op persoonlijke ontplooiing van de cliënt waarbij de zelfredzaamheid, en de maatschappelijke participatie wordt bevorderd, gestabiliseerd of ondersteuning wordt geboden bij achteruitgang. Dit wordt bereikt door het behalen van concrete resultaatafspraken. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met individuele omstandigheden en mogelijkheden. Een maatwerkvoorziening Individuele begeleiding kan indien nodig worden gecombineerd met de inzet vanuit het eigen netwerk, vrijwilligers, basisvoorzieningen en de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke hulp, dagbesteding, kortdurend verblijf, vervoer, en/of persoonlijke verzorging. Als de ondersteuningsbehoefte gericht is op het bieden van dagstructuur, dan is dagbesteding de aangewezen vorm. Betreft het echter het één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de ondersteuningsbehoefte ligt niet op gebied van dagstructuur, dan is Individuele begeleiding de aangewezen vorm. Dagbesteding kan ook worden ingezet met het doel om de mantelzorg te ontlasten. 4.5Aanvullende criteria dagbesteding Dagbesteding is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid, het op zinvolle wijze structureren van de dag en de participatie van de cliënt. Het gaat veelal om activiteiten in groepsverband. De cliënt heeft soms een beperkt lerend vermogen, onvoldoende eigen netwerk en/of er is sprake van een sociaal isolement. Er kan ook sprake zijn van overbelasting van de mantelzorger. Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding als, a. de cliënt onvoldoende in staat is om zelf of met behulp van zijn netwerk zinvolle tijdsinvulling met sociale contacten of deelname aan het maatschappelijk verkeer te organiseren, of b. er sprake is van een beperking of een specifieke omstandigheid, waardoor gedurende de dagbesteding deskundigheid vereist is, of c. overbelasting van mantelzorgers daardoor wordt voorkomen. Dagbesteding kent verschillende verschijningsvormen: • Niet arbeidsmatige dagbesteding (recreatie, educatie, socialisatie/ontmoeting en ontspanning); • Vrijblijvende vormen van arbeidsmatige dagbesteding (maken van producten en leveren van diensten zonder of met beperkte productie-eisen). Het gaat bij dagbesteding om vormen van onbetaald werk en dagactiviteiten. Voor cliënten jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bij elke aanvraag eerst gekeken welk perspectief er is op (begeleid) werk. Arbeidsmatige dagbesteding wordt ingezet in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden. De begeleiding is enerzijds gericht op ondersteuning, coaching (motivatie, werknemersvaardigheden) en anderzijds op het creëren van veiligheid en structuur. Arbeidsmatige dagbesteding dient bij te dragen aan de mogelijkheden om uit te stromen naar beschut, begeleid of ondersteund werk, deelname aan (basis) voorzieningen in de buurt, vrijwilligerswerk of betaald werk. Samen met de cliënt worden concrete resultaatafspraken gemaakt. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met individuele omstandigheden en mogelijkheden. Als een cliënt door zijn beperking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.