Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de MaasDe raad van de gemeente Horst aan de Maas; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 november 2024, gemeentebladnummer 2024.095; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet; de artikelen 8, 8a, eerste en tweede lid, 8b, 10b, vijfde en zevende lid, 41, derde lid, en 47 van de Participatiewet; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; en de artikelen 121, 122, 147 en 150 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas 1.Waarom een omgekeerde verordening? Eind september 2023 heeft het college het Transformatieplan Gezonde en Gelukkige Inwoners in Vitale Kernen aangeboden aan de raad. Dat transformatieplan beschrijft onze focus op een sterke sociale basis en preventie. Dat doen we omdat we geloven in de kracht van onze inwoners en onze gemeenschappen en we daar dagelijks het bewijs van zien. Het past bij de verantwoordelijkheid die ieder heeft voor zijn eigen leven, bij onze gemeenschapszin en ‘handen uit de mouwen’ mentaliteit en bij het omzien naar en zorg(
(1e)dienstverband vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek is (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de landelijke toolkit preferent proces loonkostensubsidie toe. Dit kan vastgesteld worden aan het begin van het dienstverband en opnieuw tijdens het dienstverband. Dit laatste kan enkel als de datum loonwaarde meting vóór datum indiensttreding ligt. Als het dienstverband al is gestart bij de aanvraag, kan de gemeente de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van 50% van het wettelijk minimumloon, in afwachting van vaststelling van de loonwaarde. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. Er wordt maximaal 70% vergoed aan loonkostensubsidie (ook bij een loonwaarde lager dan 30%). Dit is inclusief werkgeverslasten én vakantiegeld, exclusief overwerk. 5.5.10Scholing De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder kortdurende scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode. De scholing kan niet voltijds zijn en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. 5.5.11Opstapsubsidie De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een opstapsubsidie geven. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. De opstapsubsidie is maximaal 40% van de loonkosten en duurt maximaal 6 maanden. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5.5.11Nazorg De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, gedurende een termijn van 6 maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen. 5.5.12Tegenprestatie De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering een passende tegenprestatie vragen. 5.5.13Tegemoetkoming kosten kinderopvang Inwoners kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming kinderopvang: als de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan; of een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft; en opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. De bijdrage aan de kosten van kinderopvang wordt berekend op het bedrag dat de inwoner zelf zal moeten betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden: de kinderopvangtoeslag wordt zoveel mogelijk benut; en de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau; en de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering. Er is sprake van een van onderstaande voorzieningen: de kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt; of de kinderopvang is nodig om een inburgeringscursus te volgen bij een gecertificeerde instelling; of de inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs. De hoogte van de bijdrage wordt bepaald door het aantal uren dat kinderopvang noodzakelijk is gedurende de voorziening en kan na afloop van de voorziening tot maximaal één jaar worden voortgezet. Dit ter voorkoming van de armoedeval. 5.6Bijzondere bijstand (Pw) Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt. 5.6.1Vangnet De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer: extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald; en voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid. 5.7Studietoeslag (Pw) Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald. 5.7.1Doelgroep De studietoeslag is bedoeld voor de student die: een MBO HBO of WO opleiding volgt; en een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; en wel kan werken, maar door een beperking of chronische ziekte niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 5.7.2Vaststellen beperking Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de beperking van de student zo groot is dat hij niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven. 5.7.3Hoogte en duur van de toeslag De hoogte van de studietoeslag is vastgesteld door de wet en wordt elke maand uitbetaald. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd. 5.8Individuele inkomenstoeslag (Pw) Voor inwoners die al 24 maanden moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de inkomenstoeslag bedoeld. Deze toeslag kan jaarlijks worden aangevraagd. 5.8.1Doelgroep De inkomenstoeslag is bedoeld voor: een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW leeftijd; en in een ononderbroken periode van 24 maanden voorafgaande aan de aanvraag, een inkomen heeft gehad dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm; en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft. Als het een verzoek van gehuwden/samenwonenden betreft, moeten beide partners voldoen aan de vereisten zoals gesteld in lid 1. De kostendelersnorm wordt toegepast vanaf 27 jaar. 5.8.2 Hoogte van de toeslag De inkomenstoeslag is per kalenderjaar: voor een alleenstaande: 28% van de gehuwdennorm; voor een alleenstaande ouder: 36% van de gehuwdennorm; voor gehuwden of samenwonenden: 40% van de gehuwdennorm. Dit bedrag ronden we af op hele euro’s. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op de aanvraagdatum een niet rechthebbende partner is in het kader van de Participatiewet, krijgt de partner die wel recht heeft op de individuele inkomenstoeslag het bedrag van een alleenstaande (ouder). Het gaat om situaties, waarbij de niet rechthebbende partner uitgesloten is van recht op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de participatiewet, en wel voldoet aan de vereisten zoals gesteld in lid 5.8.1. De gemeente bekijkt elk jaar of de inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. 5.8.3Geen zicht op inkomensverbetering Onder 'geen zicht op inkomensverbetering' wordt in ieder geval verstaan dat belanghebbende: duurzaam en (nagenoeg) volledig arbeidsongeschikt is verklaard door het UWV; een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft; of duurzaam in een inrichting als bedoeld in de Participatiewet verblijft. 5.9Zorgkosten Voor inwoners die moeten rondkomen van een laag inkomen, kan de gemeente met een zorgverzekeraar een zorgverzekering afspreken die: extra vergoedingen voor bepaalde zorgkosten biedt; in aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming. De gemeente communiceert jaarlijks eind november/begin december de manier waarop de gemeente aan deze regel voldoet. 5.10Schuldhulpverlening (Wgs) De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 5.10.1Samenwerking en toegang De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. 6.Wonen en opgroeien in een veilige en gezonde omgeving (inclusief mobiliteit) Jeugdigen groeien in onze gemeente gezond en veilig op. Inwoners wonen zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving, zijn in staat om voor zichzelf te zorgen en mee te doen in de maatschappij. Dat is in de eerste plaats aan inwoners en hun netwerk zelf. Om inwoners daarbij te helpen, investeert de gemeente in preventie en een sterke sociale basis. Het doel is om de eigen mogelijkheden te versterken en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en zijn sociale netwerk te vergroten. Als inwoners daarbij hulp nodig hebben, dan bekijkt de gemeente samen met de inwoner welke ondersteuning vanuit algemene voorzieningen daarbij kan helpen. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die ondersteuning, dan wordt hulp-op-maat ingezet. 6.1Preventie en algemene voorzieningen De gemeente zorgt dat de belangrijke voorzieningen vrij toegankelijk zijn. Daarvoor is geen verwijzing of besluit nodig. Het gaat in ieder geval om: ontmoetingsplekken in de kern of wijk; dorpsondersteuners, dorpsverbinders of naoberzorgpunten; maaltijdvoorzieningen; lokale vervoersinitiatieven; cliëntondersteuning; hulp bij het huishouden voor mantelzorgers; welzijns- en jongerenwerk; bibliotheek; jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts); gebiedsteams (Wmo-consulenten & gezinscoaches); de kindertelefoon; de luisterlijn; Meldpunt Signaal; een vertrouwenspersoon; Veilig Thuis; crisisdienst voor spoedeisende jeugdhulp. 6.2Hulp-op-maat (Jeugdwet l Wmo) 6.2.1Hulp-op-maat voor jeugdigen De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat voor jeugdigen aanbieden: ambulante alternatieven voor verblijf en behandeling met verblijf; woonvoorzieningen; dagbesteding en dagbehandeling; ambulante hulp; jeugdbescherming; jeugdreclassering; jeugdzorgplus; beschermd wonen (17+); vervoer van de jongere van en naar school of een plek waar jeugdzorg wordt aangeboden. Deze hulp-op-maat is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig of een bepaling van een gecertificeerde instelling nodig, of een besluit van de gemeente. Zie hoofdstuk 3. 6.2.2Hulp-op-maat en 18 jaar Als jeugdigen hulp-op-maat ontvangen en 18 jaar worden, maakt de gemeente of de gecertificeerde instelling samen met de jeugdige, de ouders, het netwerk en de betrokken professionals minimaal een half jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, een plan voor de overgang van 18- naar 18+. Dat plan besteedt aandacht aan de belangrijke leefgebieden, beschrijft welke hulp-op-maat vanaf 18 jaar nodig is en hoe deze wordt ingezet. Als nodig kan de lopende jeugdhulp worden voortgezet tot de jeugdige 23 jaar wordt. Pleegzorg kan doorlopen tot de jeugdige 21 jaar wordt. 6.2.3Hulp-op-maat voor inwoners De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat voor inwoners aanbieden: beschermd wonen; maatschappelijke opvang; traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding); traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding); traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding); traject volwassenen met ouderdomsproblematiek (individuele begeleiding en dagbesteding); traject hulp in het huishouden; logeren; hulpmiddelen; woningaanpassingen; collectief vraagafhankelijk vervoer. Deze hulp-op-maat is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig. 6.3Zelfstandig en veilig wonen (Jeugdwet l Wmo) 6.3.1Geschikte woning De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties: de beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; de inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADLclusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen; de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische bijvoorbeeld deuropeners; het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden; de inwoner is zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning; de inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg; de inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afge schreven; de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of als de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner. 6.4Mantelzorg (Wmo) De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp¬-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners. Daarom stelt het college jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. 6.5Afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet l Wmo) De gemeente draagt eraan bij dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. De aansluiting van deze hulp-op-maat is maatwerk. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. 6.6Uitgangspunten leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat het kind naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of zij hulp van de gemeente kunnen krijgen bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp van de gemeente heet een ‘vervoersvoorziening’. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten of om vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het is mogelijk dat ouders van kinderen op de (speciale) basisschool een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage. 6.7Onderzoek leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) Na een aanvraag onderzoekt de gemeente of ouders een vervoersvoorziening kunnen krijgen. Als dat zo is gaat de gemeente na welke voorziening er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook onderzoekt de gemeente of er begeleiding nodig is bij het reizen. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de afstand van de woning of opstapplaats van het kind is tot de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind. De gemeente betrekt bij het onderzoek de verklaring van school of het kind in staat is zelfstandig te reizen. Wanneer het kind minimaal tien jaar is, kan er in overleg met de ouders en school, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan worden opgesteld. Als het kind naar de (speciale) basisschool, dan onderzoekt de gemeente ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of de ouders een eigen bijdrage moeten betalen. 6.8Voorwaarden leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) 6.8.1Verstrekking vervoersvoorziening De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als het kind: op 1 augustus van het schooljaar vier jaar oud is, of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; in de gemeente Horst aan de Maas woont; ingeschreven staat op een school en daar onderwijs volgt; en vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening, als het kind: op 1 augustus van het schooljaar vier jaar oud is; naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, meer dan vijf kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; of naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool en de ouders in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen de richting van die dichter bij gelegen school; of de dichtstbijzijnde toegankelijke school heeft in een verklaring aangegeven niet te kunnen voldoen aan het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder. De gemeente geeft aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. De gemeente kan een opstapplaats aanwijzen. De ouders zijn ervoor verantwoordelijk dat het kind naar de opstapplaats begeleid wordt. De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening op standaard schooltijden en schooldagen zoals vermeld in de schoolgids. De gemeente kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening aanvullende voorwaarden verbinden. 6.8.2Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer De gemeente geeft aan ouders die een vervoersvoorziening krijgen voor een kind dat speciaal onderwijs volgt en in een internaat of pleeggezin verblijft, ook een vervoersvoorziening voor: het weekendvervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie; het vakantievervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd. De regels uit de andere bepalingen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve regel 6.9.1 punt 2, onderdeel a. 6.8.3Tijdelijk verblijf buiten de gemeente De gemeente kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een kind, dat als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de gemeente Horst aan de Maas. 6.8.4Vervoer naar stageadres De vervoersvoorziening naar een stageadres voor voortgezet (special) onderwijs wordt toegekend als er wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: er moet al een vervoersvoorziening aanwezig zijn; de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; de stage vindt plaats op één stageadres. 6.9Vorm en hoogte leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) 6.9.1Vervoersvoorziening De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan kunnen de ouders een kilometervergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV). Ouders kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de basisschool, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf (zie regel 6.9.2). Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties: het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van de reistijd met het OV; OV naar school ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding); het kind kan niet begeleid worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk; het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan beperkt de gemeente de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider. De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de ‘Reisregeling binnenland’. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de ‘Reisregeling binnenland’. 6.9.2Bijzondere regeling vervoer naar (speciale) basisschool Van ouders van leerlingen die een school voor (speciaal) basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd. Als het jaarinkomen van ouders boven een bepaalde grens uitkomt, trekt de gemeente per kind een bedrag van de vergoeding aan ouders af (drempelbedrag). Voor de berekening van dit bedrag worden de kosten voor de eerste vijf kilometer met het OV geteld. Het gaat om de kosten die in het geval van het gebruik van een OVchipkaart of een andere OVbetaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider zouden worden gemaakt voor de eerste 5 kilometer. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). Eigen bijdrage is niet van toepassing bij een fietsvergoeding. Als de reisafstand meer dan 20 kilometer is, dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar. De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede punt, het drempelbedrag in het eerste punt en de hoogte van de eigen bijdragen in het tweede punt, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de basisnormbedragen leerlingenvervoer, zoals jaarlijks gepubliceerd door de VNG. Als peiljaar voor het inkomen geldt het tweede kalanderjaar voorafgaand aan het kalanderjaar waarin het schooljaar waarvoor een vervoersvoorziening wordt gevraagd begint. Dit is voor het schooljaar 2024-2025 het jaar 2022. Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen (meer dan 3 maanden) niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit regel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage. 6.10Ingangsdatum en duur van het leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) Een vervoersvoorziening gaat in op de door de ouders aangegeven datum. De gemeente moet voor deze datum de aanvraag ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat. 7.Afspraken tussen inwoner en gemeente 7.1Hoe gaan we met elkaar om? De rol van de inwoner en gemeente (Jeugdwet, Wmo, Pw, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb) De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk; de inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met de gemeente; de gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie; de websites van de gemeente voldoen aan erkende kwaliteitseisen; de gemeente streeft naar eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de inwoner een uitkering of voorziening aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn; de gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn; de gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn zoals identiteitsgegevens. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. De gegevens vragen we zoveel mogelijk op tijdens het persoonlijk gesprek met de inwoner. Als nodig kunnen achteraf aanvullende gegevens opgevraagd worden; de gemeente wijst de inwoner op cliëntondersteuning. De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende: de inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: rechten en plichten; wat er van de inwoner wordt verwacht; welk gedrag niet deugt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt; de gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten; de gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen; de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: de ernst van het gedrag; de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier de inwoner het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). 7.3Afspraken en verplichtingen over uitkeringen (Pw l IOAW l IOAZ l Awb) De Participatiewet kent naast rechten ook verplichtingen. Als een bijstandsgerechtigde zich niet aan deze verplichtingen houdt, kunnen er sancties volgen. Als regels niet worden nageleefd is een passende reactie op zijn plaats. Maar hoe belangrijk die naleving van regels ook is, de regels zelf moeten niet het belangrijkst worden. De regels zijn er voor mensen en niet andersom. Alleen op die manier ervaren mensen een lokale overheid die niet uitgaat van wantrouwen, maar van vertrouwen. 7.3.1Afstemming op houding en gedrag van de inwoner De gemeente verlaagt een uitkering niet als het gedrag de inwoner niet te verwijten is. 7.3.2Wanneer wordt de bijstandsuitkering verlaagd? De gemeente verlaagt een bijstandsuitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. Als de gemeente besluit om de bijstandsuitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met: de ernst van het gedrag dat tot het verlagen van de bijstandsuitkering heeft geleid; de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. Voordat een bijstandsuitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek. 7.3.3Afstemming verlaging De gemeente kan de verlaging op de bijstandsuitkering aanpassen als de gemeente daarvoor dringende redenen ziet. Dan wordt de inwoner op de hoogte gebracht. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering niet als: het gedrag de inwoner niet te verwijten is; er meer dan 1 jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld; door een gedraging al een weigering van de bijstandsuitkering op grond van de IOAZ of IOAW heeft plaatsgevonden. 7.3.4Het besluit om de uitkering te verlagen De gemeente stuurt de inwoner een brief als de bijstandsuitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval: waarom de bijstandsuitkering wordt verlaagd; hoe hoog de verlaging is; wanneer de verlaging ingaat; hoe lang de verlaging duurt; en waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is. 7.3.5Ingangsdatum en periode verlaging De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(
- en)nog niet is uitbetaald. Als de bijstandsuitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een bijstandsuitkering gaat ontvangen. 7.3.6Berekening verlaging De bijstandsuitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de bijstandsuitkering die de inwoner in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm, voor een inwoner in de leeftijd 18 tot en met 20 jaar gaat het ook om de aanvullende bijzondere bijstand. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt. De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(
- en)waarin de verlaging wordt toegepast. De verlaging kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand, als de inwoner bijzondere bijstand ontvangt en het verwijtbare gedrag van de inwoner ziet op de bijzondere bijstand. 7.3.7Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, 4e lid van de Participatiewet niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met (onbetaald) werk. De verlaging kan over maximaal 3 maanden worden uitgesmeerd, dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. 7.3.8Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van: een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet; of een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet; niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen; De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm als de inwoner: niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd; niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt; niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: niet voldoende probeert werk te vinden; aangeboden werk niet accepteert; door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd. De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van deze regel houdt. 7.3.9Te weinig besef van verantwoordelijkheid De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner eerder, meer of langer uitkering nodig, dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer of eerder heeft uitbetaald dan nodig was. De verlaging duurt een maand en is: 10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; 20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000; 40% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000; 100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000; 20% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. In afwijking van het bepaalde in punt 2 kan de verlaging als bedoeld in punt 1 worden vastgesteld op 100% gedurende 1 maand, als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De bijzondere bijstand kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 7.3.10Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen) De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht op deze personen en instanties. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen deze personen. 7.3.11Niet nakomen van andere verplichtingen De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 9 (anders dan het niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen zoals genoemd in artikel 18 Participatiewet), 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging duurt een maand en is: 20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk of een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt; 40% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand; 100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand. 7.3.12Samenloop van gedragingen Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De bijstandsuitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen. Als voor het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen door 1 gedraging een bestuurlijke boete wordt opgelegd, wordt hiervoor geen verlaging opgelegd. Bij het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen voor meerdere gedragingen wordt per gedraging een bestuurlijke boete of verlaging opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. 7.3.13Herhaling (recidive) Als een inwoner zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is opgelegd vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dat artikel, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden. De duur van de verlaging wordt telkens verdubbeld als de inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw zo gedraagt. Bij een herhaalde verlaging op grond van artikel 7.3.7 binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden 7.4Terugvorderen uitkering (Pw l IOAW l IOAZ) De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet en de gemeentelijke beleidsregels terugvordering en verhaal. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet. 7.5Beëindigen en terugvorderen voorziening (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ l Wgs l Llv l Wko | Gemeentewet l Burgerlijk wetboek) 7.5.1Beëindiging voorziening De gemeente kan een voorziening beëindigen als: de voorziening niet langer passend of nodig is; de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; de inwoner niet binnen 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). 7.5.2Terugvordering voorziening De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in regel 7.5.1. Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt. 7.6Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ) 7.6.1Controle De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek; bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; signalen en tips van organisaties of particulieren; andere passende onderzoeksmethoden. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om: de kwaliteit van de voorziening te beoordelen; om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt; en/of de in het verslag afgesproken resultaten in relatie tot de daartoe in te zetten maatwerkvoorzieningen worden bereikt. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. 7.6.2Voorkomen van fraude De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke manier over rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. Bij het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor beleidsregels opgesteld, die te vinden zijn op www.overheid.nl. 7.6.3Privacy De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast richtlijnen op. Het gaat in ieder geval om richtlijnen voor de inzet van: huisbezoeken; buurtonderzoeken. De richtlijnen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 7.6.4Toezichthouders De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen. 8.Klachten en bezwaar De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij is aangesloten bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. 8.1Doelen klacht- en bezwaarprocedure (Awb l Gemeentewet) De gemeente ziet een klacht of bezwaar als: een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken; een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken; een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoners te verbeteren; een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren. De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen enkele zin heeft. De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt. 8.2Klachtenprocedure (Awb l Gemeentewet) De inwoner kan een klacht indienen over: het gedrag van bestuursorganen, bestuurders en medewerkers van de gemeente bij de uitvoering van hun taak; over de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld en waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft uitgevoerd. In de Awb, de klachtenregeling en de verordening die gaat over de behandeling van bezwaarschriften en klachten staan de regels die gelden voor het indienen van klachten. 8.3Klachten over andere personen of organisaties (Awb l Gemeentewet) De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een hulpverlenende persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld. De gemeente controleert of de klachtenregeling van hulpverlenende personen of organisaties die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, wordt nageleefd. Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de hulpverlenende persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente. De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld. 8.4Vertrouwenspersoon Jeugd (Jeugdwet l Gemeentewet) De inwoner die jeugdhulp krijgt kan voor een vertrouwenspersoon terecht bij het Advies- en Klachtbureau Jeugdzorg (AKJ). Deze vertrouwenspersoon kan de jongere, ouder of pleegouder op verzoek helpen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). 8.5Bezwaar (Awb l Gemeentewet) Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit. De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen binnen 6 weken bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de verordening die gaat over de behandeling van bezwaarschriften en klachten. Nadat de gemeente een bezwaarschrift heeft ontvangen, neemt de gemeente telefonisch contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De gemeente geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente en kan leiden tot een heroverweging van het besluit. 9.Inwonerparticipatie Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een cliëntenadviesraad is en is de taak van deze adviesraad beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners met een beperking. 9.1Inspraak van inwoners (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ l Gemeentewet) De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening gemeente Horst aan de Maas zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: plannen voor beleid en regels; de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. De gemeente kan inwoners op verschillende manieren inspraak geven: via de cliëntenadviesraad; door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; door samen met inwoners een plan te ontwerpen; op andere geschikte manieren. De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat. 9.2Cliëntenadviesraad (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ l Gemeentewet) 9.2.1Samenstelling en werkwijze De gemeente zet zich ervoor in dat er een cliëntenadviesraad is die een afspiegeling vormt van de verschillende groepen inwoners voor wie deze verordening iets regelt. Het doel van de gemeente om een cliëntenadviesraad in te stellen is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. De leden van de cliëntenadviesraad kunnen kandidaten voordragen, deze mogen geen lid zijn van de gemeenteraad of raadscommissies van de gemeente Horst aan de Maas. De gemeente evalueert elk jaar ten minste één keer met de cliëntenadviesraad hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De cliëntenadviesraad stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college. De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de cliëntenadviesraad, bijvoorbeeld een ambtelijk aanspreekpunt voor de cliëntenadviesraad te verzorgen. een geschikte vergaderruimte; voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid; voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid tijdig bij de cliëntenadviesraad ligt, zodat het gegeven advies nog van invloed kan zijn op het te nemen besluit; Het college zorgt ervoor dat het standpunt van belanghebbenden in de beleidsontwikkeling zichtbaar wordt gemaakt en betrekt het advies van de cliëntenraad zichtbaar bij de besluitvorming. Als het college afwijkt van het advies van de cliëntenraad dan wordt dit bij het voorstel vermeld en een reden voor genoemd. De cliëntenadviesraad ontvangt een werkbudget in de vorm van een jaarlijkse subsidie. Om hiervoor in aanmerking te komen dienen zij (jaarlijks) een subsidieaanvraag in, waarbij voldaan moet worden aan de voorwaarden van de subsidieregeling Exploitatiesubsidie Ondersteuning & Zorg en het subsidiekader Samen werken aan Vitale Gemeenschappen. 9.2.2Taken en bevoegdheden De cliëntadviesraad geeft gevraagd en ongevraagd advies over plannen en beleid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad. De cliëntadviesraad kan ook advies geven over het geldende beleid. De cliëntadviesraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner. Ook kan niet geadviseerd worden op het gebied van de gemeentelijke bedrijfsvoering en financiën. 9.3Inspraak bij zorgaanbieders en leveranciers (Jeugdwet l Wmo) Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven en daarover regels te maken. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een cliëntenraad of andere vormen van inspraak. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieders van Wmo-hulp de regels over inspraak naleven. De gemeente overlegt regelmatig met deze aanbieders over de dienstverlening en onderzoekt jaarlijks hoe tevreden inwoners met de aanbieder zijn. Voor jeugdhulp is het toezicht op inspraak geregeld in de Jeugdwet. De Inspectie voor de Volksgezondheid ziet erop toe dat de aanbieder van jeugdhulp de regels uit de Jeugdwet naleeft. 10.Kwaliteit, inkoop en aanbesteding De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. 10.1Kwaliteit (Jeugdwet l Wmo l Gemeentewet) Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van dusdanige kwaliteit zijn, zodat het gewenste effect voor de inwoner wordt bereikt. De gemeente zorgt voor een goede prijskwaliteitverhouding door: een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder/leverancier; of een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder/leverancier. De diensten en producten: passen bij de behoefte van de inwoner; zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd. De gemeente stelt de kwaliteitseisen vast en controleert of deze eisen door aanbieders en/of leveranciers worden nageleefd. 10.2Inkoop en aanbesteding (Jeugdwet l Wmo l Gemeentewet) De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij rekening houden met de voorwaarden uit regel 10.1 punt 2. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen. Dit geldt ook als zij andere partijen inzetten voor het leveren van diensten en producten. De gemeente houdt zich bij het vaststellen van de prijzen aan de wettelijke regels met betrekking tot reële prijzen. Dat betekent dat de prijs voor een dienst ten minste wordt gebaseerd op de volgende kostprijselementen: kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden); cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; overheadkosten; en kosten voor indexering. 11.Van oud naar nieuw In dit hoofdstuk wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. 11.1Uitvoeringsregels De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet. 11.2Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. 11.3Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: Verordening Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Horst aan de Maas; Verordening cliëntenparticipatie Wmo, Wwb, Wsw en Wij; Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Horst aan de Maas; Verordening jeugdhulp gemeente Horst aan de Maas; Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Horst aan de Maas; Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2022 gemeente Horst aan de Maas; Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2022 gemeente Horst aan de Maas; Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2022 gemeente Horst aan de Maas; Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2022 gemeente Horst aan de Maas; Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas. De volgende beleidsregels worden geacht te berusten op deze verordening: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel inkomensondersteuning gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel Parttime Ondernemen gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel terug- en invordering gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel verlagen uitkering in verband met woonsituatie en inkomsten uit commerciële verhuur Participatiewet gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel voorzieningen Niet-uitkeringsgerechtigden gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel Wet taaleis Participatiewet Horst aan de Maas 2022; Beleidsregels PeuterPlusProgramma en Voor- en Vroegschoolse Educatie gemeente Horst aan de Maas; Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas; Beleidsregels Wet inburgering 2021 gemeente Horst aan de Maas; Beleidsplan schuldhulpverlening 2013 – 2016; Beleidsregels Schuldhulpverlening 2013 -2016 Horst aan de Maas; Beleidsplan handhaving Sociaal Domein gemeente Horst aan de Maas; Besluit beschermd wonen en opvang gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel landelijke toegankelijkheid beschermd wonen gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Horst aan de Maas 2022 11.4Overgangsrecht Een voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2025 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2025 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2025 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de in regel 11.3 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe. Maar als het besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 11.5Ingangsdatum en naam Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2024.De raad voornoemd, De voorzitter, drs. R.F.I. Palmen De griffier, mr. R.J.M. PoelsBegrippenlijst Behorend bij de Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas. In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Deze begrippenlijst maakt in zijn geheel onderdeel uit van deze verordening. Waarom deze begrippenlijst? Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, zodat hij zoveel mogelijk aansluit bij het normale, dagelijkse taalgebruik. Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. Aanbieder(s): de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente. Aangepast vervoer: vervoer met een (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi, niet zijnde openbaar vervoer. Aanvraag: een verzoek van een inwoner om een besluit te nemen. Algemeen gebruikelijke voorziening(en): een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Andere voorziening(en): een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of voorliggende voorziening, of voorliggende voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals alimentatie en toeslagen. Anw-uitkering: een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Aow-leeftijd: leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat. Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in regel 9 van de Participatiewet, regel 37 van de IOAW en regel 37 van de IOAZ. Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. Awb: Algemene wet bestuursrecht. Basisonderwijs: onderwijs op een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Basisschool: basisschool of school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Benadelingsbedrag: netto bedrag dat ten onrechte aan bijstand is verstrekt of het bedrag dat belanghebbende onverantwoord heeft ingeteerd (te snel opmaken van eigen middelen) waardoor hij eerder een beroep dient te doen op bijstand. Beperking(en): de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap. Dat heeft tot gevolg dat er een belemmering is ontstaan in het functioneren op sociaal of maatschappelijk gebied. Bij leerlingenvervoer geldt dat de beperking het vervoer naar school belemmert. Beslagvrije voet: het minimumbedrag dat moet overblijven om van te leven. Bestuurlijke boete: een boete, vanwege het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht op grond van regel 17, eerste lid, van de Participatiewet, regel 13, eerste lid, van de IOAW, regel 13, eerste lid, van de IOAZ, of regel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering, bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet, artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen (IOAZ). De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de eventuele aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). Dichtstbijzijnde school: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een school voor speciaal basisonderwijs gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school in het samenwerkingsverband waarop het kind eerst zat, of een andere school voor speciaal basisonderwijs binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs. Effect: het resultaat of doel. Eigen kracht: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of dat hij kan gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel zoals een deel-, leen- of lease-auto. Financiële buffer: het vermogen boven de vermogensgrens uit artikel 34, lid 3 van de Participatiewet, dat past bij de leefsituatie. Vermogen is de waarde van geld en bezittingen. Fraude: het (opzettelijk) verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Hierdoor wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worde