Nota Omgevingskwaliteit Leidschendam-VoorburgDe raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg, gezien het voorstel van het college d.d. 9 juli 2024
(1908)(Bron: gemeentearchief Den Haag) Karakteristieken Planmatig ontworpen woningbouw uit de periode 1920-1940. Hiërarchische opzet van hoofd en buurtstraten en pleintjes. Brede hoofdstraten veelal met bomen aan weerzijden en middenbermen, en een fijnmazig netwerk van buurtstraten met eenvoudiger profiel, groen voorzieningen, beklinkerde rijbanen en vaak aan weerzijde trottoirs. Parkeren op straat. Geen of ondiepe voortuinen met veelal groene of laag gemetselde erfafscheidingen. (Semi)gesloten woonblokken met grote samenhang op blokniveau en accentuering op hoeken. Eenvoudige hoofdvormen met twee tot drie bouwlagen met kap of plat dak. Bebouwing bestaat uit portiekappartementen, beneden boven woningen en geschakelde rijwoningen. Voorgevel gericht op de hoofdweg. Op hoeken ook voordeuren in zijgevels. Overwegend platte daken en schild en zadeldaken. Nokrichting vooral evenwijdig aan de hoofdweg. Samenhangende architectuur op blokniveau, afwisselend traditionalistische stijl (jaren ’30 architectuur) en expressionistische stijl van de Nieuwe Haagse School herkenbaar aan meer kubistische vormen. Aandacht voor detaillering en plasticiteit in gevels met horizontale (beton)banden penanten, erkers, entreepartijen, open portieken en zorgvuldig vormgegeven hoekoplossingen (expressie naar beide straten). Materiaalgebruik en kleur: geel, rood en roodbruin metselwerk, hout, glas (accenten met glas-in-lood) en (keramische) dakpannen. e. Tuinstad vanaf ca. 1940 De naoorlogse woongebieden in Voorburg en Leidschendam hebben een aanzienlijk meer open en vrije verkaveling dan de oudere stratenplannen en stadsblokken van voor de Tweede Wereldoorlog. De naoorlogse uitbreidingen in Voorburg werden oorspronkelijk gepland volgens een stratenplan voor Nieuw Noord, dat al in 1937 werd vastgelegd en aansloot op de bestaande bebouwing. De bouw begon omstreeks 1950. In de jaren '60 volgde de woonwijk 't Loo. In Leidschendam werd een tuinstadomgeving gerealiseerd volgens het uitbreidingsplan Noord, opgesteld door Wim De Bruyn, met onder andere twee "superhoven": De Heuvel en Prinsenhof. Dit zijn rechthoekige binnenhoven met een dubbele rij flatgebouwen rondom een groene ruimte met voorzieningen. De Heuvel en Prinsenhof zijn aangewezen als wederopbouwgebieden van nationaal belang. De tuinstadwoonwijken hebben een sterke seriematigheid, kenmerkend voor de grootschalige wederopbouw in deze periode. Vaak werd gebruik gemaakt van repeterende stempels van vergelijkbare woonblokken met identieke rij- woningen, portiek en galerijflats. Altijd in een sterk rechtlijnige en open stedenbouwkundige opzet (orthogonaal). De woonbebouwing bestaat uit rijwoningen, portiekflats van drie of vier verdiepingen met platte daken of flauwe zadeldaken, en hogere galerijflats tot acht verdiepingen. De vormgeving is ingetogen en functioneel, met eenvoudige metselwerkgevels, gebruik van beton, hout, kunststof en dakpannen. Op sommige plaatsen zijn kleinschalige nieuwbouwprojecten binnen de bestaande structuur gerealiseerd met een eigentijdse uitstraling. De straten hebben primair een verkeersfunctie met rijbanen, fietspaden en trottoirs voor voetgangers. Daarnaast zijn grotere plantsoenen en parkjes aangelegd om te verblijven en/of te spelen. Karakteristieken Planmatig ontworpen woningbouw uit de periode 1940-1965. Samenhang door eenvormigheid en seriematigheid (herhaling). Sterk rechtlijnige verkaveling met (half)open bouwblokken en een heldere compositie bebouwing en buitenruimte. Ruim opgezette openbare ruimte met duidelijke functiescheiding. (Hoofd)straten met primair een verkeersfunctie, trottoirs voor voetgangers en plantsoenen en parkjes voor verblijf en spelen. Parkeren vooral op straat, parkeerhoven en in garageboxen. Gevarieerde woningtypen: vrijstaand, twee-onder-een-kap, rijwoningen, portiek en galerijflats. Rijwoningen veelal voorzien van voortuinen. Rechthoekige hoofdvormen met overwegend zadeldaken of platte daken. Voorgevel gericht op de hoofdweg of plantsoen. Rijwoningen twee bouwlagen met zadelkap. Portiek en galerijflats van drie tot acht bouwlagen. Rechthoekig, plat dak of met flauwe zadelkap. Horizontale gevelopbouw en geleding. Sobere en seriematige architectonische uitwerking. Veelal functionalistische stijlkenmerken soms gemengd met traditionele kenmerken (Shake hands architectuur) waarbij de zichtbare constructie van beton ingevuld is met een traditioneel materiaal als baksteen. Vrijstaande woningen en bijzondere functies zijn individueler in hoofdvorm en bouwstijl. Materiaalgebruik en kleur ingetogen en functioneel: (wit)geel en rood bruin metselwerk, beton, hout, staal, kunststof en (keramische) dakpannen. f. Suburbaan vanaf ca. 1965 De bouwopgave was vanaf de jaren ‘60 enorm. Seriematige woningbouw speelt vanuit het oogpunt van efficiëntie nog steeds een grote rol, maar al snel werd duidelijk dat het bouwen van nog meer relatief goedkope woningen en (portiek)flats niet meer in het belang was van de volkshuisvesting. Er moest een ommekeer komen in de eenvormige woningbouw. Waar de planmatige strokenverkaveling uit de jaren ’50 en ’60 vooral gekenmerkt wordt door een rechtlijnige veelal monotone opzet, wordt de opzet vanaf ca. 1970 minder strak. De typerende bloemkoolstructuur doet zijn intrede met besloten wijken en aandacht voor kleinschaligheid waarin bewoners zich thuis voelen (menselijke schaal). Kenmerkend voor deze periode is de verwevenheid van privéterrein met de openbare ruimte en het ontbreken van duidelijke overgangen daartussen. Het onderscheid tussen voor- en achterkant van woningen is mede daardoor niet altijd duidelijk. De eengezinswoningen zijn overwegend geclusterd in kleinere ruimtelijke eenheden met hofjes, (groene) pleintjes en woonerven. De auto is veel meer de gast en de woonerven worden kindvriendelijk ingericht met speelplekken en openbaar groen (plantsoenen en plantenbakken). Langs de hoofdwegen en aan randen staan vaak hogere portiek en galerij flats. De wijken Essesteijn, Duivenvoorde, De Oude Bleijk en Het Hert zijn kenmerkende bloemkolenwijken. Andere suburbane woonbuurten met een met geordende strokenverkaveling zijn ’t Lien, Edelenbuurt en Kapelbos. Karakteristieken Planmatig ontworpen woningbouw uit de periode 1965-1990. Samenhang op wijk- en buurtniveau. Functionele verkaveling met half open woonblokken en de meer structuralistische verkaveling met geknikte straten en voorgevellijnen en een verkaveling met woonerven en hofjes. Duidelijke scheiding wijkontsluiting en woonstraten/ erven met een verblijfsfunctie. Openbaar groen rondom en door de wijk heen. Parkeren vooral op straat, parkeerhoven en in garageboxen. Gevarieerde woningtypen: vrijstaand, twee-onder-een-kap, rijwoningen en gestapelde woningbouw. Geen of ondiepe voortuinen. Hoofdvormen eenvoudig en rechthoekig tot gedifferentieerd veelal samengesteld uit dezelfde kleinere eenheden. Twee bouwlagen met kap of (deels) plat dak. Gestapelde woningbouw tot acht bouwlagen met plat dak. Diverse kapvormen. Niet altijd een duidelijk representatieve voorgevel. Sobere en samenhangende architectonische uitwerking met een functionele gevelindeling en geen tot weinig detaillering en ornamenten. Veel plasticiteit door aanbouwen, erkers, loggia’s, dakopbouwen etc. Gemetselde gevels, eventueel ingevuld met puien of bekleed met houten rabatdelen of panelen. Veel gebruik van beton, baksteen, dakpannen en bitumineuze dakbedekking. Kleurgebruik is divers en op woonblokniveau nog vaak samenhangend. g. Recente ontwikkelingen vanaf circa 1990 Vanaf de jaren ’90 zijn vooral locaties ontwikkeld door sloop en nieuwbouw, herbestemming en inbreiding. Deze ontwikkelingen kennen verschillende stedenbouwkundige concepten en variatie in architectonische invulling. Er is veelal sprake van een integraal conceptueel ontwerp met een onderliggende landschappelijke of cultuurhistorische context. Bijvoorbeeld de herstructurering van het Neherpark, waarbij de nieuwbouw is geïntegreerd met de monumentale bebouwing en oorspronkelijk besloten opzet van het gebied. In de periode na 1990 is een verschuiving te zien van seriematig naar een meer organische ontwikkeling met individuele invulling van woonwensen. Ook worden nieuwe eigentijdse architectuurstijlen toegepast naast een (eigentijdse) revival van traditionele jaren ’20 en ‘30 stijlvormen en industriële bouwstijlen. Tegelijkertijd is de bewustwording over klimaatadaptatie en verduurzaming verder toegenomen en zichtbaar. Grotere herstructureringen zijn Nieuw Essesteijn, Zijdezigt en Westboschlaan en omgeving. Recentere ontwikkelingen zijn Mariënpark, het Damcentrum, De Vlietoevers en Klein Plaspoelpolder langs Cornelis Voorhoevelaan. Karakteristieken Planmatige inbreiding en herstructurering vanaf circa 1990 tot 2023. Samenhang per ruimtelijke eenheid, soms een collage aan diverse en sembles met eigen uitstraling. Grootschalige compositie met duidelijk stedenbouwkundig patroon aansluitend op bestaande (onderliggende) structuren. Veel (her)gebruik van water en groenstructuren in openbare ruimte. Parkeren op diverse manieren op straat, parkeerhoven, parkeergarages en op eigen terrein. Gevarieerde woningtypen: vrijstaand, twee-onder-een-kap woningen, rij- woningen en gestapelde woningbouw. Bijzondere typologieën komen voor. Hoofdvormen eenvoudig rechthoekig tot gedifferentieerd. Tot drie bouwlagen met kap of vier met plat dak. Appartementencomplexen hoger tot acht bouwlagen. Diverse kapvormen. Gemengde stijlvormen en expressieve architectonische uitwerking (gevelarchitectuur). Eigentijdse architectuur vaak met verwijzingen naar oudere bouwstijlen (neostijlen), zoals postmodernisme, neomodernisme en neotraditionalisme. Ook revival van meer historiserende traditionele en industriële stijlkenmerken zoals Oud-Hollandse of jaren ’30 bouwstijl. Veel aandacht voor de energietransitie en klimaatadaptatie. Divers kleur en materiaalgebruik. 2.3.3. Werkgebieden Dit zijn de gebieden die een sterk op de functie gerichte uitstraling hebben zoals bedrijventerreinen, winkelcentra, scholen, kantoren en andere voorzieningen. Er is onderscheid gemaakt in: a. Bedrijventerreinen b. Voorzieningen (winkelcentra, scholen, kantoren etc.) a. Bedrijventerreinen In Leidschendam-Voorburg liggen meerdere kleinschalige bedrijventerreinen, Populierendreef in Essesteijn, Prinses Irenelaan, De Star aan de stadsrand van Leidschendam en in Stompwijk het Klaverblad en Veenpoldersweg. De omvang van de terreinen is beperkt van 1 tot 4 hectare per terrein. De terreinen kenmerken zich door gemengde functies gericht op handel, productie, nijverheid en soms lichte industrie. Op deze terreinen kan ook in beperkte mate dienstverlening (zoals kantoorgebouwen, detailhandel) aanwezig zijn. De inrichting is sober, functioneel en gestructureerd. Samenhang zit vooral in de rechte situering en veelal rechthoekige hoofdvorm van bebouwing. Bebouwing is functioneel sober vormgegeven met uitzonderingen voor de kantoorgedeelten die vaker representatief zijn vormgegeven. Karakteristieken Kleinschalig, functioneel en daarbij passende uitstraling. Stedenbouwkundige samenhang per terrein. Naar binnen gerichte zonering, structuur en inrichting. Goede bereikbaarheid, met name voor auto en vrachtverkeer. Structuur bestaande uit een hoofdontsluitingsweg met daarop aantakkende bedrijfspercelen. Openbare ruimte gaat, waar functioneel, over in parkeer-, laad-/los- en opslagruimte bij de afzonderlijke bedrijven. Water- en groenstructuren hebben een belangrijke rol in de inrichting van de openbare ruimte. Diversiteit in schaal bebouwing. Uniformiteit of juist diversiteit in hoofdvormen en architectuur. Representatieve bebouwing langs hoofdwegen en bij entrees van de terreinen. Reclame-uitingen aan gevels en bij entrees van de terreinen en bedrijven. b. Voorzieningen (winkelcentra, scholen, kantoren etc.) Er zijn meerdere kleine en grotere voorzieningen verspreid gelegen in het stedelijk gebied. Soms onderdeel van de hoofdstructuur en soms ingebed in de structuur van een woonwijk. Er zijn in totaal vier kernwinkelcentra, alleen de grootste voorzieningenclusters zijn de kernwinkelcentra Julianabaan en Westfield Mall of the Netherlands (voorheen Leidsenhage) hebben een strenger regime. Winkelcentrum Julianabaan is een woon-winkelgebied uit de jaren ’60 van de vorige eeuw met winkels in de plint en wonen daarboven. Het zuidelijk deel is later gebouwd in de jaren ’90. Naast winkels en woningen zijn in het gebied ook andere voorzieningen aanwezig zoals een bibliotheek en kantoren. In 1971 werd winkelcentrum Leidsenhage geopend. Vanaf 2008 zijn verschillende scenario's ontwikkeld voor een ingrijpende vernieuwing die geleid hebben tot Westfield Mall of the Netherlands. Het winkelcentrum is volledig overkapt en voorzien van winkels van één of twee lagen hoog gelegen in één herkenbaar en samenhangend gebouw. Langs de hoofdstructuren bevinden zich nog enkele grotere kantoorlocaties, zoals tussen de Noordsingel en Veurse Achterweg en aan de Vlietweg (Overgoo). Overgoo is in ontwikkeling om te transformeren naar een gemengd woon en werkgebied. Verder bevinden zich op diverse locaties in het stedelijk gebied kleinere geclusterde accommodaties voor onderwijs en verzorgingstehuizen. Soms gecombineerd met andere voorzieningen. Zoals aan de Delflandlaan in de wijk ’t Loo en Fluitpolderplein tussen Prinsenhof en de Heuvel met scholen en sportvoorzieningen. In de gemeente is sprake van twee ziekenhuizen, namelijk HMC Antoniushove aan de Burgemeester Banninglaan in Leidschendam en het voormalige Diaconessenziekenhuis (nu o.a. ivf kliniek) aan de Fonteynenburghlaan in Voorburg. Karakteristieken Gelegen langs de hoofdstructuren en/of ingepast in de structuur van de woonwijk. Functioneel en representatief karakter. Stedenbouwkundige samenhang per terrein. Architectonische samenhang op complexniveau. Goede bereikbaarheid, met name voor auto-, vracht- en fietsverkeer. Openbare ruimte is functioneel en verzorgd. Diversiteit in schaal bebouwing. Diversiteit in hoofdvormen en architectuur. Veelal representatieve bebouwing vooral langs hoofdwegen en entrees. Representatieve uitstraling aan alle zijden met duidelijke entree aan straatzijde. Beperkte reclame-uitingen aan gevels (vooral bij ingang van het gebouw) en aan entrees van de gebieden en bedrijven. 2.3.4. Stedelijke hoofdgroenstructuur De hoofdgroenstructuur van Leidschendam-Voorburg die bepalend is voor de ruimtelijke structuur en ook de beleving van een aangename groene woon- en leefomgeving. Daarbij gaan naast een aangename omgeving ook aspecten van duurzaamheid een steeds grotere rol spelen, zoals klimaatadaptatie, water en biodiversiteit. In de Bouwsteen Groene Woongemeente is een hoofdgroenstructuur voorgesteld die bestaat uit 'groene lijnen' (veelal gekoppeld aan hoofdinfrastructuur) en vier groenzones: 1. Spoorzone Landelijk karakter met natuur, extensieve recreatie en educatie (wandelen, fietsen, volks- en schooltuinen, natuureducatie, informeel spelen e.d.) Thema: Landschap, Natuur en educatie Karakter: Landelijk, extensief, natuur, informeel spelen. 2. Centrale Zone De centrale groenzone bestaat overwegend uit groene stedelijke functies zoals sporten, dieren, scouting en begraafplaats. Tussen de Prins Bernhardlaan en het Essepad is nog een deel van het oude polderlandschap/slagenlandschap zichtbaar. Thema: Actief in het groen Karakter: Intensief gebruik door middel van sport en andere groene stedelijke functies. 3. Vlietzone De groenstructuur van de Vlietzone kenmerkt zich vooral door de aanwezigheid van de Vliet, oevers, buitenplaatsen en woonmilieus aan het water. Thema: Oever- en waterpark Karakter: Lineair, bewegen langs en over het water, oeverrecreatie. 4. Loo-zone Parkstrook haaks op de overige groenzones met hierin parkgerelateerde functies zoals ligweiden, speeltuinen, picknickplekken, een rosarium e.d. Thema: Stadspark Karakter: Parkachtig Op de kaart uit de Bouwsteen Groene Woongemeente zijn tevens het wijk groen, de ‘groene’ verbindingen, privé en geveltuinen en ander groenvoorzieningen aangegeven. Zie kaart op volgende pagina. In de hierna volgende beschrijving voor het stedelijk groen is onderscheid gemaakt in: Groene stadsstraten Parken Sport en recreatie Volkstuinen Begraafplaatsen Landgoed(relicten) en overig historisch groen a. Groene stadsstraten De hoofdinfrastructuur die parallel lopen met de strandwallen en Vliet vormen ook belangrijke groenstructuren. Zoals de Monseigneur van Steelaan, Prins Bernhardlaan en de Parkweg. Deze zogenaamde groene stadsstraten kenmerken zich door brede profielen met bomenrijen en groenstroken, waardoor ze aantrekkelijke routes zijn voor fietsers, wandelaars en automobilisten. Ze dienen als groene aderen die stedelijke en groene omgevingen met elkaar verbinden. b. Parken Een park is een openbaar gebied, meestal begroeid met gras, bomen en planten, dat is ingericht om te verblijven, recreëren, ontspanning en natuurbeleving, waar mensen kunnen genieten van de buitenlucht. Er is binnen de parken in de gemeente een redelijke diversiteit aanwezig. Zo heeft het Zijdepark een boskarakter, het Klein Zijdepark heeft meer een natuurkarakter, terwijl Park ’t Loo meer een klassiek stadspark is. Daarnaast zijn er wijkparken die meer aansluiten op de typologie en stedenbouwkundige opzet van de wijk. c. Sport en recreatie De sport- en recreatiegebieden zijn - vaak aaneengesloten - terreinen met voornamelijk op sport gerichte functies. De gebieden hebben een functioneel en groen karakter en worden alleen bezocht door bezoekers, sporters en toeschouwers. Beheer en onderhoud van de afzonderlijke complexen zijn in handen van de sportverenigingen en/of de gemeente. d. Volks- en buurttuinen Een volks of buurttuin is een klein stuk grond waar, vaak in verenigingsverband, particulieren tuinieren en groenten, fruit en bloemen telen voor persoonlijk gebruik. e. Begraafplaatsen Leidschendam-Voorburg herbergt diverse begraafplaatsen die sterk variëren in stijl, grootte en beheer, van historische begraafplaatsen met monumentale grafstenen tot moderne begraafplaatsen met sobere grafzerken. De Naast individuele graven kunnen er ook gedenktekens, kapellen en tuinen zijn voor herdenking en bezinning. Begraafplaatsen hebben een culturele en emotionele waarde en vaak ook een parkachtige waarde. f. Landgoed(relicten) en overig historisch groen Kenmerkend voor Leidschendam-Voorburg is de rijke erfenis van buitenplaatsen en landgoederen. Deze historische domeinen kenmerken zich door statige landhuizen, fraaie tuinen en omliggende natuur, deels in gebruik als landgoedpark. Ze weerspiegelen de grandeur van het verleden en bieden vandaag de dag groene oases voor wonen, ontspanning en cultureel erfgoed. Daarnaast zijn er ook andere groenstructuren die karakteristiek en van historische belang zijn. Zie paragraaf 6.3 met een overzicht van historische groenstructuren. Karakteristieken Plekken voor rust, sport, recreatie, cultureel erfgoed en natuurgevoel in de directe woonomgeving. Vaak ook onderdeel van ecologische verbindingen. Over het algemeen een hoge mate aan openbaarheid en toegankelijkheid. Onderscheid tussen hoofdgroenstructuur voor de hele gemeente en wijk /buurtgroenstructuur per wijk. Continuïteit van hoofdgroenstructuur parallel aan de strandwallen en Vliet versterkt de stedenbouwkundige structuur. De lijnen haaks op de strandwallen, hebben een meer discontinu karakter, overeenkomstig de veranderende stedenbouwkundige ontstaansgeschiedenis van de wijken langs deze lijnen en de veranderende bodemsamenstelling (veen, zand, klei). Diversiteit in functie, beleving en uitstraling. Per groenstructuur samenhang in groene inrichting. Groene stadsstraten: breed profiel, continuïteit, begeleiding en ondersteuning van infrastructuur. Parken: openbare gebieden ingericht voor rust, sporten, spelen, verblijven, ontmoeten, verkoeling en natuurbeleving. Sport en recreatiegebieden: besloten gebieden ingericht voor sporten, spelen en recreëren. Volks- en buurttuinen: (semi)openbare gebieden met een verblijfs- en tuinkarakter. Begraafplaatsen: een mix van historie, rust, eerbetoon en bezinning. Soms voorzien van monumentale graven en fraaie groenvoorzieningen. Historische buitenplaatsen en overig historisch groen: parkachtige setting en beleving van erfgoed met zorgvuldig beheer en onderhoud. 2.3.5. Buitengebied Een belangrijk onderdeel van de identiteit van Leidschendam en omstreken is de diversiteit van het buitengebied met verschillende landschappen met elk een eigen ontstaansgeschiedenis, gebruik, karakteristiek en in het geval van Zoetermeersche Meerpolder, Duivenvoordecorridor en de landgoederenzone een unieke uitstraling. a. Natuur- en recreatielandschap Er is onderscheid te maken tussen Duivenvoordse en Veenzijdse Polder aan de noordwestzijde van het spoor, Leidschendammerhout met Vlietland langs de A4 en de Nieuwe Driemanspolder bij Wilsveen. De Duivenvoordse en Veenzijdse Polder is gelegen tussen de oude strandwallen en heeft een kenmerkende historische uitstraling. In het gebied zijn de historisch geografische, landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken uit de zeventiende tot en met de vroege twintigste eeuw nog goed herkenbaar. Met hakhoutbossen uit de Middeleeuwen en oude weteringen, die voor afwatering zorgen. De Schenk (of vroeger Scheyt) is van oudsher de scheiding tussen de polders en tegenwoordig de gemeentegrens tussen Wassenaar en Leidschendam-Voorburg. Het gebied is onderdeel van het rijksbeschermde dorpsgezicht 'Landgoederenzone Wassenaar - Voorschoten - Leidschendam - Voorburg'. Lees meer daarover in paragraaf 5.3. Leidschendammerhout met onder andere Vogelplas Starrevaart en het plassengebied Vlietland is een uniek landschap waar natuur en recreatie samen komen. Binnenin het gebied is sprake van een grote diversiteit in ruimtebeleving met 5 hoofdgebieden. Vanaf Leidschendam zijn dat respectievelijk recreatief graslandschap met golfbaan (pitch- en puttbaan), agrarisch weidegebied, recreatief bosgebied, omdijkte Vogelplas Starrevaart en de recreatieplassen Vlietland omsloten door transparante beplanting. Het meest oorspronkelijke deel is de Leidschendammerhout met de Vliet hoog boven het landschap. De veenontginning leidde tot een plas die later is drooggemaakt. Het gebied heeft nog enkele 19e eeuwse boerderijen met grote erven en kleinschalige burgerwoningen op dijken. De unieke meidoorn hagen langs de weg dragen bij aan het karakter. Vlietland is een oude zandwinlocatie die gelegen is langs de A4. Waar men in het overige landelijk gebied terughoudend is met intensieve recreatie, is dat hier ruim aanwezig en mogelijk. Jaarlijks komen in dit gebied meer dan een miljoen recreanten. De snelweg vormt een van de belangrijkste ruimtelijke, landschappelijke en ecologische barrière in het landelijk gebied. De Nieuwe Driemanspolder (N3MP) is een nieuw natuur- en recreatiegebied dat aansluit bij het Westerpark en het Buytenpark in Zoetermeer. Daarbij heeft het gebied belangrijke natuurwaarden. Zo is het onder meer een rustgebied voor watervogels. Het gebied is geopend in 2020 en sindsdien in ontwikkeling als plek voor recreatie. Het gebied heeft drie hoofdfuncties: waterberging, natuur en recreatie. Tegelijkertijd vangt de polder bij extreme regenval het overtallige water uit de omgeving op. Doordat het gebied niet veel lager ligt en doordat de opgave voor waterretentie groot was is een groot deel van het gebied omdijkt. Er zijn vele waterpartijen, wandel, fiets en ruiterpaden en groenvoorzieningen aangebracht. Het deel van het gebied wat gelegen is in Zoetermeer heeft een meer publieksfunctie met camping en horeca. Karakteristieken Gemengd gebruik met natuur en/of recreatie als belangrijkste dragers. Rustgebied voor watervogels. Relatieve beslotenheid door opgaand groen van Vlietland en deels ook de Duivenvoordse en Veenzijdse Polder door bosschages. Openheid van Leidschendammerhout en waterretentiegebied De Nieuwe Driemanspolder. Cultuurhistorische landschappelijke structuren zijn leidend met: kleinschalige strookverkaveling met kavelsloten; landgoederenzone van Duivenvoordse en Veenzijdse Polder; het hoger gelegen Oostvlietweg (jaagpad) met karakteristieke doorgaande meidoornhagen op de dijk langs de Vliet; karakteristieke boerderijen; vergezichten over het veenweidelandschap; zichtlijnen zoals van en naar kasteel Duivenvoorde over de Vogelplas Starrevaart richting Stompwijk; Veel wandel, fiets en ruiterpaden en groenvoorzieningen. Nagenoeg geen bebouwing, met uitzondering van enkele boerderijen en burgerwoningen in Leidschendammerhout. b. Agrarisch polderlandschap Het gebied is rond de 11e eeuw ontgonnen. Hiervoor is het verkaveld, vanuit de ontginningsbasis. Dit waren oorspronkelijk vaarten, zoals de Stompwijkse vaart waar later ook wegen langs kwamen. Vanaf de 15e eeuw tot midden 19e eeuw zijn grote oppervlakten uitgegraven voor de turfwinning, waardoor grote plassen ontstonden. In het volgende stadium zijn deze drooggemalen (droogmakerijen). Het polderlandschap kent nu vooral een grondgebonden agrarisch gebruik (melkveehouderijen en paardenhouderijen) gecombineerd met recreatief medegebruik zoals fiets- en wandelpaden. Het agrarische weidelandschap heeft een open karakter. De eeuwenlange ontstaans- en ontginningsgeschiedenis is goed afleesbaar in het landschap. Het gebied kent belangrijke en zelfs enkele unieke landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden, zoals de structuur van dijken en watergangen, het verkavelingspatroon, de linten, de boerderijen, de poldermolens en allerlei kleine landschapselementen, zoals de unieke meidoornhagen langs de dijkwegen, bosschages, dammen en de vele bruggen over de Stompwijkse Vaart. Voor de beleving van deze open ruimten is de oorspronkelijke verkaveling (lange opstrekkende percelen door sloten gescheiden; de zogenaamde slagenverkaveling) en het microreliëf door de variatie in de hoogte van het maaiveld van groot belang. De Stompwijkse vaart ligt hoger waardoor vergezichten over de weidegronden aanwezig zijn. Van oudsher zijn weinig bosschages aanwezig, waardoor grote openheid een basiskenmerk is. De oorspronkelijke rijenbeplanting is grotendeels verdwenen. In de Meeslouwerpolder en aan de Ondermeerweg komt glastuinbouw voor. Aan de Ondermeerweg is sprake van maar één kleiner complex. De Meeslouwerpolder wordt gedomineerd door kassen en bijbehorende voorzieningen (zoals waterbassins, parkeerterreinen). Naast glastuinbouw komen er ook aan glastuinbouw toeleverende bedrijven voor en enkele andere bedrijven. De bebouwingsstructuur is opgebouwd langs de Huysitterweg en de Tuinbouwweg. Aan deze linten zijn de bedrijfswoningen, opstallen, kassen, waterbassins en burgerwoningen gelegen. Doordat met de aanleg van de kassen de oorspronkelijke ingepolderde landschapsstructuur is veranderd en het gebied nadien ruimtelijk gedomineerd is door glas heeft de locatie weinig relatie met de omgeving en is er sprake van een op zichzelf staande ruimtelijk eenheid. Karakteristieken Grotendeels grondgebonden agrarische bedrijven, met name weidegronden voor melkveehouderijen. Beperkt akkerbouw. Een deel langs Tuinbouwweg en Huysitterweg is in gebruik voor glastuinbouw. Diepgelegen droogmakerijen uit begin 17e tot eind 19e eeuw met vrij strakke slagenverkaveling. Cultuurhistorische landschappelijke structuren zijn leidend met: kleinschalige strookverkaveling met kavelsloten; lintdorpen en lintwegen; rechte dijken en waterlopen (vaarten, tochten en sloten); weidegronden; landpaden/ kerkepaden; molens en kerktorens als markante bakens in het landschap. Open ruimte met vergezichten. Met uitzondering van Meeslouwerpolder die door kassenbouw een meer besloten opzet heeft. Smalle landelijke wegprofielen met veelal geasfalteerde rijbaan begeleid door dijk, groene bermen, sloten, hagen en soms een bomenrij. Parkeren en opslag op eigen terrein. Ruime en met opgaand groen omzoomde erven als groene eilanden in het open landschap. Bebouwing staat in lijn van de verkaveling (soms schuin ten opzichte van de weg). Vrijstaande agrarische bebouwing afgewisseld met woningen. Onderscheid in representatief voorerf en functioneel achtererf. Doorzichten tussen de bebouwing en erven. In Meeslouwpolder staat de bedrijfswoning aan de weg en kassen daarachter of op naastgelegen percelen. Eenvoudige rechthoekige hoofdvormen. Eén tot soms twee bouwlagen met kap. Overwegend traditionele architectuur. In erfinrichting, gebruik en architectuurstijl is het agrarisch gebruik en verleden vaak duidelijk herkenbaar. Materiaalgebruik en kleur traditioneel en functioneel: metselwerk, hout en (keramische) dakpannen. Nieuwe schuren en hallen met geprofileerd plaatmateriaal (wanden en daken). 2.4. Grotere (her)ontwikkelingen Deze nota bevat geen beoordelingskaders voor (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken, zoals herstructurering- en nieuwbouwgebieden. Er is sprake van een grote (her)ontwikkeling als: een ontwikkeling de bestaande fysieke structuur en bestaande karakteristiek van de directe omgeving doorbreekt; een ontwikkeling niet gericht is op één gebouw, maar van invloed is op een heel gebied; er sprake is van een nieuw stedenbouwkundig plan, waarbij veelal een bestemmingsplan of omgevingsplan nodig is of sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In deze gevallen is sprake van een zodanige schaalvergroting of contrast met de omgeving dat een stedenbouwkundig plan nodig is. Hiervan mag van de ontwerper of aanvrager een grotere inspanning worden verwacht om de kwaliteit van het gebied te helpen opbouwen. Bij incidentele/individuele bouwplannen die vooral objectgericht (gericht op één gebouw of bouwwerk) zijn en toch afwijken van de bestaande karakteristiek volstaan de criteria voor het uiterlijk van grote bouwplannen in relatie tot de gebiedskwaliteiten en ambities (paragraaf 4.2). Voor een grotere (her)ontwikkeling is vaak een ‘ontwikkelregie’ (zie paragraaf 2.2. Vormen van regie) van toepassing. Het opstellen van kaders en regels heeft pas zin als de ambities in samenspraak met alle stakeholders zijn gedefinieerd. Vervolgens kunnen instrumenten worden ingezet die gericht zijn op de specifieke ontwikkeling, zoals beeldkwaliteitsplannen en het inzetten van een supervisor of kwaliteitsteam. Opstellen beeldkwaliteitsplan of vergelijkbaar Zodra een (her)ontwikkelingsproject aan de orde is kunnen nieuwe beoordelingskaders opgesteld worden, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitsplan. Een beeldkwaliteitsplan of vergelijkbaar heeft een ontwikkelgericht karakter en vormt een sturingsinstrument voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Een beeldkwaliteitsplan kan de volgende onderdelen bevatten. De precieze invulling is afhankelijk van de opgave(
- n)en ruimtelijke impact van het plan op de omgeving. een duidelijke begrenzing van het werkingsgebied waarop het beleid van toepassing is; een analyse en waardering van de huidige situatie: de cultuurhistorische, landschappelijke en/of stedelijke omgeving; een visie op de nieuwe situatie en indien van toepassing de motivering van de ontwerpkeuzes die gemaakt zijn ten aanzien van de inpassing van het plan in zijn omgeving; de criteria of richtlijnen. De ‘Gouden regels’ voor een goede omgevingskwaliteit (hoofdstuk 3) vormen uitgangspunten bij het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan of een vergelijkbaar instrument wordt (samen met een omgevingsplan) vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op deze nota. Om de adviescommissie, de supervisor of het kwaliteitsteam in staat te stellen de criteria of richtlijnen als beoordelingskader te gebruiken is het belangrijk in het raadsbesluit en eventueel in de inleiding van het beleids- document ook te verwijzen naar deze nota en artikel 4.19 van de Omgevingswet. Het beeldkwaliteitsplan of vergelijkbaar is van toepassing als beoordelingskader voor het betreffende gebied totdat het beeldkwaliteitsplan wordt ingetrokken. Of, en zo ja, wanneer een beeldkwaliteitsplan wordt ingetrokken kan per gebiedsontwikkeling verschillen. Het kan automatisch vervallen na een ontwikkelperiode, maar het is ook mogelijk een beeldkwaliteitsplan formeel in te trekken als deze niet meer van toepassing is. Bijvoorbeeld bij een evaluatie van deze Nota Omgevingskwaliteit. Als een beeldkwaliteitsplan wordt ingetrokken dan zal de beoordeling voor het uiterlijk van bouwwerken plaatsvinden op basis van de beoordelingskaders zoals opgenomen in deze nota of anders zoals door de gemeenteraad wordt bepaald. Nieuwbouw Molenpad (Foto: BPD | Bouwfonds Gebiedsontwikkeling) 3. ‘Gouden regels’ voor een goede omgevingskwaliteit De gemeente onderschrijft de maatschappelijke doelstelling die de Omgevingswet ons allen - inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en overheid oplegt om te zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. De basis voor deze zorgplicht ligt voor de gemeente Leidschendam-Voorburg in deze ‘Gouden regels’. Hiermee geeft de gemeente aan op welke manier we omgaan met onze gedeelde fysieke leefomgeving. De Gouden regels gelden voor de gemeente maar ook voor private partijen en ontwerpers. Ze gelden altijd: voor alle (grotere) initiatieven, projecten en beleidsuitwerkingen. Ze garanderen dat bestaande gebiedskwaliteiten worden gerespecteerd en bieden ruimte voor het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De Gouden regels hebben betrekking op het ontwerp- en ontwikkelproces, maar ook op gedrag en rollen van de overheid, private partijen, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Ze gaan uit van draagvlak en respect voor de bestaande kwaliteiten en identiteit zonder vernieuwing te belemmeren. Zo dragen ze bij aan ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 4. Beoordelingskader uiterlijk van bouwwerken Voor alle (ver)bouwplannen is een beoordelingskader van toepassing met betrekking tot het uiterlijk van bouwwerken; de architectonische verschijning. Aan de hand van het beoordelingskader en de regels van het omgevingsplan wordt de vergunning beoordeeld. Hierbij geldt dat elke situatie uniek is. Elke aanvraag wordt voorzien van een passend advies. Uitgangspunt is om bouwwerken zó vorm te geven dat ze aansluiten op de bestaande gebiedskarakteristieken en dat rekening wordt gehouden met de aanwezige kernkwaliteiten zoals beschreven in bijlage 1 en de gebiedskarakteristieken in paragraaf 2.3. De omgeving is echter niet onveranderbaar. Veranderingen bieden kansen en mogelijkheden om nieuwe ruimtelijke kwaliteiten toe te voegen. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de gebiedskarakteristieken en het beoordelingskader voor het uiterlijk van bouwwerken (zie ook paragraaf 1.5. Juridische status). Het omgevingsplan regelt het toestaan van bepaalde bouwactiviteiten, het gebruik, de situering en vaak ook de maatvoering. Voor bepaalde ontwikkelingen zijn beeldkwaliteitsplannen of andere aanvullende uitwerkingen van toepassing die gebruikt worden als inspiratiebron bij planvorming en als aanvullend beoordelingskader bij vergunningverlening. Relatie met de verschillende vormen van kwaliteitsregie Uitgangspunt voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken is dat elke situatie uniek is. Vooraf kan men niet bedenken welke soort bouwwerk men wil bouwen en hoe deze van invloed is op de omgeving. Elke situatie, elke aanvraag om een omgevingsvergunning moet daarom dan ook elke keer specifiek bekeken en beoordeeld worden. Daarmee krijgt elke aanvraag ook een passend advies waarbij beoordelingsaspecten aan bod komen. De drie vormen van regie bepalen vooral de mate van toepassing van het beoordelingskader. Bij gebieden met een basisregie zal de nadruk van de beoordeling liggen op de ruimtelijke hoofdaspecten (bijvoorbeeld situering en hoofdvorm) en bij gebieden met een maatwerkregie ook op basis van de tailaspecten (bijvoorbeeld gevelopbouw, kleur en materiaalgebruik). Voor monumenten, beeldbepalende panden en de rijksbeschermde dorpsgezichten zijn aanvullende criteria van toepassing ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Deze criteria zijn opgenomen in hoofdstuk 5. 4.1. Kleine (ver)bouwplannen In deze paragraaf zijn de criteria opgenomen voor kleinere (ver)bouwplannen bij bestaande gebouwen. Dit zijn vooral bouwplannen met een beperkte invloed op de samenhang en kernkwaliteiten van een gebied. Er zijn criteria opgenomen voor de volgende veelvoorkomende kleine bouwplannen: Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) Erfafscheidingen Dakkapellen Dakopbouwen Zonnepanelen en -collectoren Technische installaties (airco’s, warmtepompen, antennes etc.) Kozijn- en gevelwijzigingen Reclame-uitingen Voor dakterrassen wordt verwezen naar de beleidsnotitie met sneltoetscriteria voor dakterrassen ‘Het dak op!’, zoals opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan/omgevingsplan voor stedelijk gebied (vastgesteld op 17 januari 2023). Voor grotere verbouw-, nieuwbouw- of renovatieplannen gelden de criteria voor grote bouwplannen in paragraaf 4.2. Grote (ver)bouwplannen. Belangrijk is dat eventuele maatvoeringen zoals die zijn opgenomen in het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) leidend zijn. Bijvoorbeeld als het gaat over plaatsing, hoogte, breedte en oppervlak van een bouwwerk. Ambtelijke beoordeling Een klein (ver)bouwplan zoals bedoeld in deze paragraaf wordt ambtelijk beoordeeld aan de criteria. Dat betekent dat ambtelijk wordt gekeken of het uiterlijk van een bouwwerk past binnen de omgeving en of er een vergunning verleend kan worden. In bepaalde gevallen wordt het plan alsnog voor advies aan de commissie voorgelegd: als er sprake is van een (rijks)beschermd dorpsgezicht, een monument of een beeldbepalend object; als het bouwplan afwijkt van de gestelde criteria voor kleine (ver)bouwplannen, in bijzondere situaties of bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria te beoordelen door de ambtenaar; als er voor een bepaald type bouwplan geen criteria zijn opgenomen. De commissie houdt in haar advies rekening met het beoordelingskader voor kleine (ver)bouwplannen, maar ook met specifieke gebiedskarakteristieken en de kenmerken van het hoofdgebouw. Eventueel kan de initiatiefnemer gevraagd worden om het ontwerp aan te passen zodat het bouwplan wel past in zijn omgeving. Bij monumenten, beeldbepalende objecten en beschermde dorpsgezichten wordt ook rekening gehouden met de uitgangspunten in hoofdstuk 5 Beoordelingskader voor cultureel erfgoed. Dakkapellen en andere kleine bouwplannen op en bij monumenten, beeldbepalende panden of in beschermde dorpsgezichten worden altijd voor advies voorgelegd aan de adviescommissie. Voor- en achterkant Het bouwen aan de voorkant is in het algemeen van grotere invloed op het straatbeeld dan het bouwen aan de achterkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. Daarom wordt in de criteria waar nodig onderscheid gemaakt in ‘achterkant’ (achtererfgebied), ‘voorkant’ (voorerfgebied). Daarbij wordt in deze nota ook bedoeld de aansluitende gevels en dakvlakken. Voor de definitie van achter en voorkant sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin wordt met ‘achtererfgebied’ (achterkant) het erf bedoeld achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1.00 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Het achtererfgebied begint dus altijd op 1.00 meter achter de voorgevel. Erkers en andere ondergeschikte aan- of uitbouwen blijven buiten beschouwing bij het bepalen van de voorgevel. Onder openbaar toegankelijk gebied wordt verstaan openbaar groen, wegen, paden en vaarwater. Wijze van meten Alle in de criteria genoemde afstanden zijn loodrecht gemeten, tenzij anders aangegeven. Het uitgangspunt is dat gemeten wordt vanaf het aansluitend terrein zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt. De hoogte wordt gemeten aan de kant waar het aansluitende afgewerkte terrein het hoogst is. 4.1.1. Bijbehorend bouwwerk (erfbebouwing) Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid in: Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage, carport, overkapping en dergelijke. Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten of groentekas en dergelijke. Criteria Aangebouwd bouwwerk Aan de voorgevel binnen de zijgevellijnen en vormgeven als erker en afgestemd op vormgeving hoofdgebouw. Aan de zijgevel minimaal 1.00 meter achter de voorgevellijn. Aan de voor en zijgevel minimaal 1.00 meter tot de weg of openbaar toegankelijk gebied. Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Plat afgedekt of voorzien van een kap met een hellingshoek gelijk aan of kleiner dan de kap van het hoofdgebouw. Een carport of overkapping is aan minimaal drie zijden open. Een overkapte fietsberging bij een woning voor de voorgevellijn tot 1.00 meter hoog. Indien plat afgedekt voorzien van groen dak. Gevelgeleding afstemmen op de gevels van het hoofdgebouw. Bij tussenwoningen voorzien van een eenvormige overgang door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens (muurdam) of een scheidende penant. Materialen, kleuren en detaillering gelijk aan of afgestemd op het hoofdgebouw. Een ander materiaal en/of kleurgebruik is mogelijk, mits goedgekeurd door de gemeentelijke adviescommissie. Op het achtererf eventueel als serre uitgevoerd. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. Losstaand bouwwerk Minimaal 1.00 meter tot de weg of openbaar gebied. Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Plat afgedekt of voorzien van een kap met een hellingshoek gelijk aan de kap van het hoofdgebouw. Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boeibord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw. Materialen en kleuren afgestemd op het hoofdgebouw, erf of tuinkarakter. Op het achtererf eventueel als kas uitgevoerd. Een carport of overkapping is aan minimaal drie zijden open. Een overkapte fietsberging bij een woning voor de voorgevellijn tot maximaal 1.00 meter hoog. Indien plat afgedekt voorzien van groen dak. Bij integratie in erfafscheiding materialen en kleuren gelijk aan of afgestemd op deze erfafscheiding. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. 4.1.2. Erfafscheidingen Een erfafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of de openbare weg. Begroeide hekwerken en beplantingen (hagen) kunnen een meer open en vriendelijke uitstraling hebben en genieten de voorkeur boven lange, gesloten schuttingen. Criteria Maximaal 2.00 meter hoog op het achtererf en het zijerf die niet grenst aan openbaar toegankelijk gebied (de openbare weg, groen, water, e.d.). Voor overige situaties maximaal 1.00 meter hoog. De erfafscheiding heeft een duurzame en degelijke uitvoering. Er is één vormgeving per erf toegepast waardoor de samenhang niet wordt verstoord door te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen. Vormgeving, kleur en materiaalgebruik afgestemd op het tuinkarakter of hoofdgebouw hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan smeedijzeren hekwerken in een donkere kleur, gemetselde tuinmuren met penanten of gemetselde penanten met daartussen een invulling in hout of ijzerwerk. Geen gesloten plaatmateriaal toepassen zoals profielplaten of betonpanelen. Kleur is naturel/materiaaleigen, afgestemd op het hoofdgebouw of geschilderd in een donkere kleurtint. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. 4.1.3. Dakkapellen Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Gestreefd wordt naar gelijkheid met eerder geplaatste dakkapellen op hetzelfde dakvlak. Onderstaande criteria zijn niet van toepassing voor dakkapellen in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak in door de gemeente bepaalde vergunningvrije zones en de daarbij gestelde voorwaarden. Zie kaart Vergunning dakkapellen behorende bij een raadsbesluit over een pilot voor welstandsvrije dakkapellen. Dit is van toepassing tot het omgevingsplan anders bepaald of tot het besluit wordt ingetrokken. Criteria Plaatsing aan voor-, zij- en achterkant De dakkapel plaatsen op het oorspronkelijk dakvlak. Meerdere dakkapellen op een dakvlak, gebouw of bouwblok regelmatig rangschikken op een gelijke horizontale onderlijn, waarbij de onderlinge afstand minstens 1.00 m. bedraagt. Geen dakkapel boven een ander dakkapel. Bij een mansardekap in het onderste dakvlak plaatsen en aansluiten op de knik. Geen dakkapel op een wolfseind van een kap. Plaatsing op dakvlak: minimaal 0.50 meter tot zijkant dak of hart bouwmuur; minimaal 0.50 meter boven de dakvoet; minimaal 0.50 meter tot de nok (bovenzijde dak). Maatvoering Hoogte dakkapel: op het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak niet hoger dan 50% van het dakvlak (maximaal 1.75 meter). Op het achterdakvlak niet hoger dan 1.75 meter. Breedte dakkapel op het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak maximaal 60% van breedte dakvlak met een maximum van 3.20 meter. Vormgeving, materiaal en kleur Voorzien van een plat dak. Vormgeving, kleur en materiaal afstemmen op de architectuurstijl van het hoofdgebouw: Gevelgeleding dakkapel aan de voorkant afgestemd op de gevels van het hoofdgebouw; Detaillering zoals overstek, boeibord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw; Materialen en kleuren gelijk aan, of afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw of wat gebruikelijk is in de omgeving. Voorkant van de dakkapel bestaat uit kozijnen met grotendeels glas. Dichte verticale panelen alleen tussen de kozijnen met een maximale breedte van 0.30 meter. Zijwangen zijn dicht. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. 4.1.4. Dakopbouwen Een dakopbouw is een dominante uitbreiding van de kap of opbouw op een plat dak van een gebouw (optoppen). Een dakopbouw kan grote gevolgen hebben voor de hoofdvorm en het profiel van het gebouw en kunnen leiden tot een onevenwichtig straatbeeld. Een dakopbouw kan op twee manieren uitgevoerd worden: het verhogen van de nok van een bestaande kap (nokverhoging) door: een enkelzijdige nokverhoging, waarbij het dak aan een zijde verlengd wordt en er extra ruimte onder de nok ontstaat; een tweezijdige nokverhoging, waarbij de gehele nok verhoogd wordt en aan beide zijden ruimte onder het dak ontstaat; het oprichten van een opbouw op een plat dak. Een dakopbouw volgt in beginsel altijd de hoofdvorm, positionering en architectuur van eventueel bestaande dakopbouwen op hetzelfde bouwblok. Door een dakopbouw conform (bestaande) dakopbouwen op hetzelfde bouwblok te ontwerpen, d.w.z. met een gelijke hoofdvorm, positionering en architectuur, ontstaat een doorgaande extra bouwlaag die de eenheid van de architectuur van het bouwblok benadrukt. Criteria nokverhoging Alleen enkelzijdig toegepast waarbij het dakvlak doorloopt naar de achterkant. Andere vormen zoals een tweezijdige nokverhoging zijn zeer beeldbepalend en in beginsel niet wenselijk. Deze worden altijd voor advies voorgelegd aan de adviescommissie. Alleen enkelzijdig toegepast waarbij het dakvlak doorloopt naar de achterkant. Andere vormen zoals een tweezijdige nokverhoging zijn zeer beeldbepalend en in beginsel niet wenselijk. Deze worden altijd voor advies voorgelegd aan de adviescommissie. Alleen op een zadelkap waarvan de hellingshoek gelijk is aan of kleiner is dan 35° (bij een grotere hellingshoek is een dakkapel beter geschikt); Niet hoger dan 1.00 meter boven bestaande nok; Geen dichte gevelelementen onder het glas; Gevelgeleding afgestemd op de gevels van het hoofdgebouw; Detaillering zoals overstek, boeibord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw; Materialen en kleuren gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. Criteria opbouw op plat dak Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Minimaal 1.00 meter achter de oorspronkelijke gevel geplaatst waardoor een deel van het oorspronkelijke dakvlak en de daklijst van het hoofdgebouw behouden blijft. De dakopbouw is een neutrale toevoeging op het dak, waarbij een dak opbouw afwijkend kan zijn ten opzichte van de vormgeving van het hoofdgebouw, maar wel ingetogen in materiaal en kleur is. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. 4.1.5. Zonnepanelen en -collectoren Met een zonnecollector wordt warmte opgewekt, die via een warmwateropslag meestal wordt gebruikt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Met een zonnepaneel wordt elektriciteit opgewekt uit daglicht op voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk. Criteria Voor zover plaatsen op het dak geen (afdoende) oplossing biedt is het plaatsen van zonnepanelen of collectoren als een zelfstandig bouwwerk op het erf achter het hoofdgebouw mogelijk onder voorwaarden van het omgevingsplan. In het buitengebied op het erf landschappelijk inpassen als onderdeel van het erf en bebouwde cluster. Omzomingen met gebiedseigen beplanting, grassen, heesters, bomen, al naar gelang de directe context. Niet aan gevels. Niet op of aan bijzondere gebouwtypen zoals kerktorens, molens, forten, historische gemalen, fabrieksschoorstenen en in cultuurhistorisch waardevol groen aanleg. Op het dakvlak geplaatst in een regelmatige rangschikking in een rechthoekig en aaneengesloten vlak, dus zonder verspringingen. De hellingshoek van het paneel of de collector is nagenoeg hetzelfde als die van het dakvlak. Op platte daken bij plaatsing aan de voorkant ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als het paneel of de collector hoog is. 4.1.6. Technische installaties (airco’s, warmtepompen, antennes etc.) Installaties horen bij gebouwen, zoals schoorstenen, airco units, elektriciteitshuisjes en dergelijke. Verwachting is dat ook steeds meer installaties aan gebouwen worden toegevoegd ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid. Bijvoorbeeld warmtepompen, complete energie units en klimaatsystemen. Naast onderstaande criteria moeten installaties ook nog voldoen aan de geldende technische normen zoals ten aanzien van veiligheid, geluid etc. Aanvragen voor plaatsen van windmolens op de grond worden altijd voor advies voorgelegd aan de adviescommissie waarbij ook gekeken wordt naar landschappelijke inpassing. Criteria Plaatsing Plaatsing zoveel mogelijk inpandig, tenzij er voor de werking van de installatie redenen zijn dat deze niet (deels) inpandig geplaatst kan worden, zoals de buitenunit van een warmtepomp of airco. Plaatsing op het erf minimaal 1.00 meter achter de voorgevellijn op een plek die niet storend zichtbaar is vanuit het openbaar gebied. Bij plaatsing op een plat dak op minstens 1.00 meter van de dakrand. Geen plaatsing op een balkon aan de voorgevel, tenzij niet zichtbaar geplaatst achter een gesloten balkonhek. Niet op een dakkapel of een schuin dakvlak. Maatvoering Installaties zoals airco’s en warmtepompen maximaal 1.00 meter hoog en met een maximale oppervlak van 2.00 m2. Schotelantenne maximaal 1.00 meter in doorsnede en maximaal 3.00 meter hoog vanaf de voet. Vormgeving, materiaal en kleur Installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven. Leidingen en dergelijke zijn binnen het pand aangelegd of zorgvuldig weggewerkt. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. 4.1.7. Kozijn- en gevelwijzigingen Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen van een gevel door bijvoorbeeld het verplaatsen van een kozijn, een nieuwe gevelopening of kozijninvulling. Alleen kozijn- en gevelwijzigingen die zichtbaar zijn vanuit het openbaar toegankelijk gebied worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria. Bij twijfel en bij aanvragen voor buitenschilisolatie wordt het plan voor advies voorgelegd aan de adviescommissie. Criteria Een kozijn of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. De samenhang en ritmiek van gebouw, straatwand en/of bouwblok blijft behouden. Een individuele gevelwijziging maakt geen inbreuk op de architectonische hoofdkenmerken van de oorspronkelijke gevel. Nieuwe gevelopeningen zijn gelijnd aan bestaande openingen en afgestemd op de bestaande gevelgeleding. Materialen, kleuren en detaillering gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw. Bij vervanging van kozijn- en raamhout door een ander materiaal blijft de dimensionering en profilering van de oorspronkelijke situatie zoveel mogelijk gehandhaafd. Geen felle of opvallend afwijkende kleuren. Een wijziging aan de gevel moet passen bij de oorspronkelijke architectuur van het pand. Een naoorlogse woning vraagt om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. 4.1.8. Reclame-uitingen Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames veelal op zijn plaats en kunnen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving verhogen. In andere gebieden zijn (bepaalde) reclame uitingen niet of minder gewenst. Voor de toepassing van de richtlijnen maakt het verschil in welk gebied de reclame wordt aangebracht. Reclame-uitingen dienen ook te voldoen aan eventuele uitgangspunten van het betreffende winkelcentrum of bedrijventerrein. Criteria Algemeen De reclame uitingen zijn voor wat betreft plaatsing, vormgeving, afmeting en materiaal en kleur zorgvuldig afgestemd op het gebouw en de omgeving . De omgeving en het uitzicht mogen door de plaatsing van de reclame uitingen niet op een ongewenste wijze worden verstoord. Er zijn alleen reclame uitingen toegestaan voor diensten of producten die in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht. Reclame dient beperkt te worden tot het hoogst noodzakelijke, de essentie, een overdaad aan reclame uitingen dient te worden voorkomen. De architectuur van het gebouw en de omgeving mogen door de reclame-uitingen niet worden overheerst en de samenhang en ritmiek van het straatbeeld mag niet worden verstoord. Knipperende, bewegende, verblindende, reflecterende en overheersende reclames zoals bv. kabelkranten, lichtobjecten, lichtlijnen, e.d. zijn niet toegestaan. Bij winkels en in winkelstraten, winkelgebieden en woonwerkgebieden dienen reclame-uitingen te worden beperkt tot de begane grond; met andere woorden geen reclame-uitingen boven de onderdorpel(
- s)van de gevelopeningen op de verdieping, c.q. op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie. Bij bedrijfsverzamelgebouwen zonder duidelijk te onderscheiden parcellerings of bedrijfseenheden slechts één naamsaanduiding voor het gehele gebouw. Anders maximaal 2 per te onderscheiden eenheid (1 loodrecht op en 1 evenwijdig aan de gevel). In het buitengebied, aan monumenten en in de rijksbeschermde dorpsgezichten geen lichtbakken. Reclame-uitingen aan de gevel Loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan, de gevel. Alleen aan de voorgevel of entreegevel. Bij hoekpanden is reclame aan 2 straatzijden mogelijk. Maximaal 1 reclame evenwijdig aan de gevel (max. 2 m2) en 1 loodrecht op de gevel (max. 0.70 x 0.70 meter). Voor winkels geldt voor reclame-uitingen een maximale breedte van 70% van de gevelbreedte en een maximale hoogte van 0.70 meter. Op een woning met een toegestane bedrijfsactiviteit is 1 onverlicht reclameobject van maximaal 0,50 m2 mogelijk. Op bedrijventerreinen en meer grootschalige bedrijfsbebouwing zijn meerdere reclames toegestaan met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 5% van de oppervlakte van de gevel, waarbij geen cumulatie is toegestaan. Reclame is aangepast aan gevelcompositie, architectuur en schaal van het gebouw. Het font (de achtergrond) bij voorkeur in een gedekte (veelal donkere) kleur. Meer heldere (bedrijfs)kleuren en wit kunnen worden gebruikt voor de belettering/invulling. Reclame uitingen los van de gevel. Plaatsing bij de entree van het erf of op een parkeerplaats. Maximaal één reclame uiting per erf. Afmetingen van een staande reclamezuil is maximaal 2.50 meter hoog en1.20 meter breed. In woongebieden geen vrijstaande reclame uitingen, behalve in het geval van een positieve bedrijfsbestemming, in dat geval is een bescheiden vrijstaande reclame uiting van maximaal 1.00 meter hoog. Op bedrijventerreinen zijn grotere reclame-uitingen mogelijk. Afmetingen van een staande reclamezuil is maximaal 4.00 meter hoog en 1.50 meter breed. Reclame uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met het gebouw en de omgeving. 4.2. Grote (ver)bouwplannen Beoordeling van nieuwbouw- en herstructureringsplannen vindt altijd plaats in combinatie met de ruimtelijke context en kernkwaliteiten in bijlage 1 en de uitwerkingen van gebiedskarakteristieken zoals opgenomen in paragraaf 2.3. A. Situering Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Daarbij kunnen hogere eisen worden gesteld naarmate de betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. De plint van het gebouw aan de openbare ruimte gaat de interactie aan met de openbare ruimte om deze te verrijken. Het bouwwerk respecteert: de karakteristiek van de bestaande omgeving (stedenbouwkundige omgeving, zoals straatwand, open/gesloten bebouwing, hoek-situatie en dergelijke); de toekomstige omgeving (zoals verwoord in een stedenbouwkundige visie, vastgesteld beeldkwaliteitsplan, reeds goedgekeurde, nog te bouwen, bouwwerken op aangrenzende percelen); de aanwezige architectuur. Variatie en bijzonderheden buiten de bandbreedte van afwijkingen is mogelijk als daarvoor een stedenbouwkundige aanleiding is. Voorbeelden daarvan zijn hogere gebouwen op hoeken of architectonische bijzonderheden als accentuering van gebiedsentrees of bijzondere zichtlijnen. De specifieke terreinomstandigheden zijn benut (denk aan: helling van het terrein, speciale locatie, ligging in het landschap). Grootschalige bebouwing in een groene ruimte is vrijstaand en aan alle kanten ontworpen met voldoende ruimte voor groen zodat de grotere (groen)structuur versterkt wordt. Er is sprake van zorgvuldige overgangen tussen openbaar en privégebied. Technische installaties voor duurzaamheid (zoals zonnepanelen of warmtepompen) zijn achter de voorgevellijn geplaatst of bij nieuwbouw integraal mee ontworpen. B. Hoofdvorm Het bouwwerk past qua hoogte en opbouw in de structuur van de directe omgeving, tenzij er andere ambities van toepassing zijn en hoogteaccenten mogelijk worden gemaakt. Een afwijkende hoofdvorm is mogelijk op plekken waar een stedenbouwkundig accent gewenst is of als er sprake is van een bijzondere publieke functie, zoals bijvoorbeeld een kerk, school en theater of een bijzondere locatie zoals bij een OV-knooppunt. Dit vraagt altijd een stedenbouwkundige onderbouwing. De bouwmassa's zijn harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen en ze vertonen een duidelijke samenhang en richting. De massaopbouw is afgestemd op de structuur van de plattegronden. Eventuele negatieve effecten voor de bestaande omgeving zijn meegenomen bij het ontwerpproces, zoals wind, schaduwwerking, privacy- aantasting en gebruiksmogelijkheden. C. Daken De dakvorm past bij het kenmerkende daklandschap en bij het ontwerp van het gebouw, waarbij de vorm aansluit bij de gekozen (richting van
- de)plattegrond(en). De dakhelling en het dakvlak staan in goede verhouding tot de gevels. De vorm, afmetingen en verhoudingen van toevoegingen aan het dak (zoals dakkapellen, ramen, loggia’s etc.) hebben een relatie met en zijn ondergeschikt aan het dakvlak en de totale bouwmassa. De aansluiting op de gevel is zorgvuldig vormgegeven. Groen op daken en aan gevels is vormgegeven in relatie tot context, omliggende groenstructuren en oriëntatie. D. Gevel Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld met betrekking tot de vorm, afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen, zonder dat de aantrekkingskracht van het bouwplan verloren gaat door simpelheid of een te veel aan gelijkvormigheid. Het uiterlijk van een gebouw heeft een relatie met het (oorspronkelijke) gebruik en de wijze waarop het gemaakt is. Uitzonderingen zijn mogelijk als rekening wordt gehouden met de uitstraling van de omgeving en aansluiting op de openbare ruimte. Bij renovatie is de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en indeling behouden. Bij splitsing is de architectonische eenheid van het pand behouden. Bij samenvoeging is de individualiteit van de panden behouden. De gevel aan de straatzijde is representatief vormgegeven en kent een duidelijke oriëntatie op de openbare ruimte. Er is geen sprake van gesloten gevels grenzend aan het openbaar gebied. Eventuele gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelsamenstelling, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. E. Detaillering, materiaal, kleur en textuur Het bouwwerk is zo ontworpen dat sprake is van detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de (gekozen) architectuurstijl. Bij renovatie en verbouwingen zijn de aanwezige fijne en ambachtelijke onderdelen en kenmerkende ornamenten als overstekken, dak en gevellijsten, pilasters en luiken behouden. Het bouwwerk is zo ontworpen dat textuur, materiaal- en kleurgebruik in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek. Het materiaal is (technisch) goed toepasbaar voor de gekozen vormgeving en detaillering. Er is gebruik gemaakt van duurzame materialen die langdurig mooi blijven en zo veel mogelijk herbruikbaar (circulair) zijn. F. Duurzaamheid Duurzaamheid dient als ontwerpuitdaging te worden gehanteerd, zowel stedenbouwkundig of landschappelijk op gebiedsniveau als architectonisch op gebouwniveau. Bij individuele nieuwbouw van een woning, pand of complex kan duurzaamheid ook de basis zijn voor de algehele vormgeving. Toepassing van voorzieningen voor duurzaamheid, zoals zonnecollectoren/ panelen, groene gevels/daken, isolatiemaatregelen zoals buitengevelisolatie passen binnen het architectonische concept van het gebouw of de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving. In bijzondere situaties zijn zonnepanelen aan de gevel mogelijk, mits zorgvuldig ingepast en als ‘nieuwe’ gevel ontworpen. Bij buitenschilisolatie blijft de samenhang en ritmiek van gebouw, straatwand en/of bouwblok behouden, waarbij belangrijke karakteristieke bouwkundige elementen en detaillering zoals lateien en raamlijsten worden gerespecteerd. Plaatsen van windmolens bij agrarische bedrijven (met een ashoogte van maximaal 6 meter, zie bestemmingsplan/omgevingsplan) dienen zorgvuldig ingepast te worden, rekening houdend met aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 5. Beoordelingskader voor cultureel erfgoed In Leidschendam-Voorburg staan meerdere beschermde monumenten en er is sprake van Unesco Werelderfgoed ‘Neder-Germaanse Limes’ en drie rijksbeschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt is dat het erfgoed behouden blijft en dat de aanwezige waarden waar mogelijk worden versterkt. Voor deze gebieden en gebouwen is altijd het maatwerkregie van toepassing. Verandering moet echter mogelijk blijven. We gebruiken daarom het motto ‘behoud door ontwikkeling’. Dit motto is uitgewerkt in dit hoofdstuk. Naast de beoordelingskaders voor cultureel erfgoed zijn ook de beoordelingskaders voor het uiterlijk van bouwwerken van toepassing (hoofdstuk 4). Bij conflicten tussen de beoordelingskaders zijn de hierna volgende beoordelingskaders leidend. 5.1. Monumenten en beeldbepalende objecten De hierna volgende uitgangspunten zijn bedoeld om sturing te geven aan een ingreep aan, in en op een gebouwd beschermd rijks- en gemeentelijk monument en alle door de gemeente aangewezen beeldbepalende objecten. Dit is een bewerking van ‘10 uitgangspunten voor het omgaan met monumenten’, Werkgroep Monumentenpublicaties/Federatie Welstand, 2008. De uitgangspunten gelden tevens als criteria voor gemeentelijke beoordeling. A. Monumenten en beeldbepalende objecten zijn deel van ons collectief geheugen. Bij de beoordeling van een ingreep weegt het belang voor de lange termijn en daarmee het behoud voor toekomstige generaties zwaarder dan korte termijn belangen. In de beleving en waardering van onze leefomgeving spelen monumenten en beeldbepalende objecten vaak een grote rol. De manier waarop we kijken naar deze objecten is voor iedereen verschillend. Bij ingrepen kan een spanningsveld ontstaan tussen de verschillende belangen. In dat geval worden de belangen vooral gewogen in het belang van een duurzame instandhouding. B. Monumenten en beeldbepalende objecten kunnen veranderen. Bij beoordeling vormt het behoud van het bijzondere karakter van het monument of beeldbepalend object en de waardevolle elementen (exterieur en interieur) die het bevat, het uitgangspunt. Het komt voor dat een monument of beeldbepalend object niet meer gebruikt kan worden voor zijn oorspronkelijke functie. Dan is het vinden van een passende herbestemming een oplossing. Niet alle monumenten of beeld bepalende objecten zijn echter geschikt voor alle vormen van gebruik. Bij veranderingen zal steeds gezocht moeten worden naar een goede balans tussen de erfgoedwaarden en de eisen van een nieuwe functie. C. Ieder monument of beeldbepalend object heeft zijn eigen specifieke waarde, iedere wijziging vraagt om een individuele aanpak. Bij de beoordeling van de plannen zal onder meer worden gekeken of de waardevolle aspecten voldoende worden gerespecteerd. Voor ingrepen is het belangrijk dat er een goed beeld bestaat van de aspecten die juist dát object waardevol maken. Alleen op basis hiervan kan bij plannen het benodigde maatwerk worden geleverd. Een eerste bron voor het achterhalen van de waarde is de ‘redengevende beschrijving’. Deze beschrijving geeft in veel gevallen niet voldoende informatie over de specifieke waarden om een verantwoord plan (bouwplan en/of functiewijziging) te kunnen maken. Nader onderzoek naar de bouwkundige, (bouw)historische, kunsthistorische en architectuurhistorische aspecten en transformatieruimte kan in veel gevallen nodig zijn. D. Een rijke bouw- en gebruiksgeschiedenis maakt monumenten en beeldbepalende objecten interessant. Bij nieuwe toevoegingen kan gekozen worden voor reconstructie maar het advies kan ook zijn deze juist op een eigentijdse manier vorm te geven. Zo blijft de bouwgeschiedenis voor volgende generaties duidelijk en herkenbaar. Slechts weinig monumenten of beeldbepalende objecten zijn sinds de bouw of aanleg geheel onveranderd gebleven. De meeste gebouwen zijn in de loop van de tijd wel eens aangepast. Deze aanpassingen horen bij de geschiedenis en vertellen hun eigen verhaal. Nieuwe wijzigingen kunnen dan ook waardevol zijn vanuit architectonisch, landschappelijk of bouw- en cultuurhistorisch oogpunt. De voortgaande bouw- en gebruiksgeschiedenis laat de opeenvolgende historische ‘lagen’ zien. Daarom wordt alleen in uitzonderlijke gevallen en op kleine schaal voor reconstructie gekozen. E. Behoud heeft altijd de voorkeur boven vernieuwing. Het huidige monument of beeldbepalend object is uitgangspunt bij de wijziging. Behoud van een monument of een beeldbepalend object en van alle bijbehorende onderdelen heeft altijd de voorkeur boven vernieuwing, al is herstel of vervanging