Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2025De raad van de gemeente Steenwijkerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 november 2024, nummer 2024_B&W_00774; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2025 (Verordening riool- en waterzorgheffing Steenwijkerland 2025). Artikel1Definities Deze verordening verstaat onder: perceel: een roerende of onroerende zaak; voor de toepassing van deze verordening wordt als één onroerende zaak aangemerkt: een gebouwd eigendom; een ongebouwd eigendom; een gedeelte van een in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer van de in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoelde eigendommen of in onderdeel 3 bedoelde gedeelten daarvan, die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen; een geheel van twee of meer van de in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoelde eigendommen of in onderdeel 3 bedoelde gedeelten daarvan of in onderdeel 4 bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd; het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel 1 of onderdeel 2 bedoeld eigendom, van een in onderdeel 3 bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel 4 bedoeld samenstel of van een in onderdeel 5 bedoeld geheel; een roerende zaak is gelijk aan een onroerende zaak in de zin van onderdeel b; gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; woning: een woning in de zin van artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, of een (recreatie)woonschip; boerderij: een niet woning, zijnde een samenstel van een woning en bedrijfsonderdelen of een samenstel van bedrijfsonderdelen, die in het kader van agrarische bedrijfsvoering wordt ingezet; waarde: de heffingsmaatstaf voor de eigenarenbelasting van de onroerende-zaakbelastingen dan wel voor de eigenarenbelasting van de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten, zoals die voor het perceel voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt. Artikel2Aard van de belasting Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel3Belastbaar feit en belastingplicht 1.De belasting wordt geheven: van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel, verder te noemen: eigenarendeel; en van de gebruiker van een perceel, verder te noemen: gebruikersdeel. 2.Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3.Voor het gebruikersdeel wordt: gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat dat huishouden; gebruik door degene aan wie een gedeelte van een perceel, niet zijnde een gedeelte als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3, in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat gedeelte in gebruik heeft gegeven; het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel4Maatstaf van heffing 1.Het eigenarendeel voor woningen wordt geheven naar een vast bedrag per perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 2.Het gebruikersdeel voor woningen wordt geheven naar een vast bedrag per perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 3.Het eigenarendeel voor niet-woningen wordt geheven naar de waarde van het perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 4.Het gebruikersdeel voor boerderijen wordt geheven naar de waarde van het perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 5.Het gebruikersdeel voor niet-woningen, niet zijnde boerderijen, wordt geheven naar de waarde van het perceel, verhoogd met een bedrag, geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd indien het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 6.Het aantal kubieke meters water, bedoeld in het vijfde lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het einde van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 7.In afwijking van het zesde lid, wordt bij afwezigheid van een verbruiksperiode voor het perceel in geval van nieuwbouw of verbouw, of als er in de verbruiksperiode geen water naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt, het aantal kubieke meters afvalwater gesteld op 500 m3, tenzij aannemelijk is dat er meer dan 500 m3 wordt afgevoerd. In de laatste situatie zal de gebruiker worden verplicht een aangifte in te vullen. In dat geval wordt de belastingschuld voor het eerste belastingjaar vastgesteld aan de hand van het waterverbruik in het eerste jaar. 8.Indien gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie voorzien zijn van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.