Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2025De raad van de gemeente Zwolle; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van xx-xx-2024; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2025 (Verordening Afvalstoffenheffing 2025) Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder gebruik maken: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Artikel2Aard van de belasting en belastbaar feit 1.Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2.De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 3.De afvalstoffenheffing bestaat uit: een vast bedrag per jaar, vermeerderd met gedifferentieerde bedragen per keer dat afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden. Artikel3Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel4Zelfstandige gedeelten Als gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de belastingen geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat als twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel5Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door: één persoon € 220,53 meer dan één persoon € 275,66 2.Voor de vaststelling van de gebruikssituatie is beslissend hetgeen ter zake, aan het begin van het belastingjaar, of indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, in de basisregistratie personen is geregistreerd, tenzij blijkt dat de gebruikssituatie anders is. 3.Het tarief van lid 1 wordt als volgt vermeerderd: Per lediging van een grijze restafvalcontainer aan huis (240 liter, buitengebied) € 10,80 Per lediging in een ondergrondse restafvalcontainer van 30 liter € 0,90 Per lediging in een ondergrondse restafvalcontainer van 60 liter € 1,80 Per lediging in een ondergrondse restafvalcontainer van 80 liter € 2,40 Artikel6Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing De belasting bedoeld in artikel 5 van deze verordening, wordt geheven bij wege van aanslag, waarbij voor artikel 5, lid 2, van deze verordening per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd. Artikel8Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De belasting bedoeld in artikel 5, lid 1, van deze verordening, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.De belasting bedoeld in artikel 5, lid 2, van deze verordening, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. 3.Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting in artikel 4, lid 1, van deze verordening, per jaar verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat belastingjaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle etmalen overblijven. 4.Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de belasting in artikel 5, lid 1, van deze verordening per jaar voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle etmalen overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 1,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.