Regionale visie werklocatiesDe gemeenteraad van Bergeijk, overwegende het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 29 oktober 2024, overwegende het advies van de commissie GZ d.d. 21 november 2024, gelet op artikel 4:81 van de Awb: ‘ Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.’ besluit: 'Visie werklocaties Zuidoost-Brabant, versie 4.1' vast te stellen. Kennis te nemen van de uitvoeringsstrategie en concept-uitvoeringsagenda. Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking. Visie op werklocaties voor een toekomstbestendige toppositie Leeswijzer Voor u ligt de visie werklocaties voor een toekomstbestendige toppositie van de Metropoolregio Eindhoven. Deze visie is de basis voor de programmeringsafspraken die later dit jaar opgesteld zullen worden. We starten deze visie met in hoofdstuk 1 een toelichting op de aanleiding en achtergrond voor het opstellen ervan. Vervolgens lichten we in hoofdstuk 2 de kernboodschap van de visie toe aan de hand van zeven bouwstenen. In hoofdstuk 3 zoomen we even uit en schetsen we de landelijke, provinciale en regionale context van bestaande visies en beleid, die als basis hebben gediend voor het opstellen van de visie. Daarna zoomen we in hoofdstuk 4 weer in en duiden we per bouwsteen de opgaven en de leidende principes voor programmering.
(2022)Welke campussen kennen we binnen de MRE? In de afbeelding onder staan de campussen vermeld die sectorgerelateerd zijn. Daarnaast bevinden zich in de regio nog een viertal corporate campussen die gelieerd zijn aan bedrijven: ASML, Veldhoven Philips Healthcare, Best Prodrive, Ekkersrijt, Son en Breugel als potentiële campuslocatie was ook Metalot, Cranendonck, aangeduid. De ontwikkeling hiervan op beoogde locatie ligt echter stil. Deze campussen leveren een belangrijke bijdrage aan het behouden van de toppositie. Bron: Uitvoeringsagenda Toekomstbestendige clusters en triple helix samenwerking provincie Noord-Brabant Criterium 3 | Milieucategorie (MC) Op meer dan de helft van de bedrijventerreinen binnen de MRE geldt een maximale milieucategorie. Tegelijkertijd hebben slechts negentien bedrijventerreinen een minimale milieucategorie. Dit kan in praktijk betekenen dat bijvoorbeeld een sportschool zich bevindt in de nabijheid van een circulaire afvalverwerker op een terrein met maximaal categorie 5. Je wilt de ruimte van de sportschool eigenlijk benutten voor een bedrijf dat zich alleen kan vestigen op een plek met milieucategorie 5. Een sportschool kan zich vestigen op een terrein met een lagere milieucategorie. Er liggen kansen voor de regio om te onderzoeken of het introduceren van een minimale milieucategorie eraan kan bijdragen dat overlastgevende bedrijven zich clusteren. Tevens borg je zo voldoende ruimte voor deze bedrijven. Daarnaast voorkomt een minimale milieucategorie dat bedrijvigheid die zich laat mengen met wonen, schaarse ruimte inneemt op terreinen waar die bedrijvigheid eigenlijk niet past. Het is de moeite waard om op het moment van intensivering of revitalisering met het zittende bedrijfsleven in gesprek te gaan omtrent een passende milieucategorie in relatie tot de gevestigde en gewenste bedrijvigheid. 86 van 161 terreinen vallen in de hoogste categorieën 4 en 5 3 van 9 terreinen met maximale milieucategorisering 5 bevinden zich in Son en Breugel Leidende principes voor programmering We zetten in op voldoende complementaire werkmilieus die ruimte bieden voor de grote diversiteit van economische activiteiten die de motor van onze regio vormen: gemengd stedelijk, regulier werkmilieu, grootschalige distributie en grootschalige productie. Mogelijk moeten we in de programmering nog tot een nadere duiding van werkmilieus komen. Bepalende differentiaties voor werkmilieus zijn: grootte van de bedrijvigheid; type bedrijvigheid en economische sector; milieucategorie. We heroverwegen de huidige ‘grootte-indeling’ van bedrijfskavels als criterium voor lokale regionale bedrijventerreinen, om daarmee gedifferentieerd te kunnen inspelen op een adequaat gemeentelijk aanbod van middelgrote kavels. We hanteren bij nieuwe terreinen zowel een boven- als ondergrens met betrekking tot deze milieucategorie. Op deze manier borgen we dat de juiste bedrijven op de juiste plek terechtkomen. We voorkomen hiermee dat schaarse ruimte ingenomen wordt door bedrijven die bijvoorbeeld ook bij uitstek passen in een gemengde woon-werkomgeving. Bij bestaande terreinen voeren we op het moment van revitalisering, intensivering of transformatie het gesprek met het zittende bedrijfsleven omtrent de passende milieucategorie op het betreffende terrein. 4 Creëren van ruimte De regio maakt slim gebruik van wat schaars is: ruimte. Intensiveren draagt bij aan het creëren van meer ruimte voor bedrijvigheid. In de programmeringsafspraken geven we prioriteit aan het creëren van ruimte op bestaande terreinen én zorgen we dat nieuwe terreinen tijdig worden voorbereid. Visie op creëren van ruimte De beschikbare ruimte in de MRE toont een neerwaartse trend en is niet toereikend voor prognoses van de provincie. Hierbij plaatsen we de voetnoot dat deze prognoses de totale vraag weergeven en niet enkel de vraag binnen het economisch profiel. De prognose van de provincie toont tot 2030 een ruimtevraag van 242 tot 376 hectare. De provincie vraagt de regio in ieder geval uit te gaan van het lage scenario tot 242 ha en daarnaast rekening te houden met de ruimtevraag die na 2030 wordt voorzien. In de programmeringsafspraken geven we prioriteit aan het creëren van ruimte op bestaand terrein én zorgen we dat nieuwe terreinen tijdig kunnen worden voorbereid Ruimte is schaars. Daarom zet de regio in eerste instantie in op het creëren van ruimte op bestaande bedrijventerreinen en het creëren van schuifruimte¹. De eerste analyses wijzen erop dat er te weinig ruimte is om alle hectares op bestaande terreinen te laten landen. Er is om deze reden dus ook nieuwe ruimte nodig. De route naar nieuwe terreinen zullen we dan ook verkennen. We realiseren ons dat intensiveren en het realiseren van nieuwe terreinen een ander tijdspad vragen. We zorgen ervoor dat, mede gelet op de doorlooptijden, we hierop inspelen in de programmeringsafspraken zodat we tijdig kunnen starten met de planvoorbereiding. Leidende principes komen voort uit de ontwikkelstrategie en bouwsteen 1 en 3 De leidende principes ten behoeve van het creëren van ruimte komen voort uit de leidende principes rondom ruimte en werklocaties in de Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant en bouwsteen 1 en 3 van dit document. De beperkte ruimte die beschikbaar is zetten we in voor bedrijven die passen in het economisch profiel en het regionale ecosysteem. Deze bedrijven hebben behoefte aan een plek binnen een kwalitatief en kwantitatief passend werkmilieu. De leidende principes uit de Ontwikkelstrategie zijn: We geven prioriteit aan het intensiveren, revitaliseren en het naar de huidige eisen aanpassen van bestaande bedrijventerreinen. Bovendien zijn er nieuwe terreinen nodig om de gewenste groei te kunnen faciliteren. We houden aandacht voor voldoende ruimte voor lokaal mkb omwille van leefbaarheid en benutten de hefboom van de groei van bedrijvigheid om deze opgave in te vullen. We zetten nieuwe regionale bedrijventerreinen strategisch in voor de vestiging van nieuwe ‘stuwende bedrijven’ die het ecosysteem versterken, of het uitplaatsen van bedrijven die niet meer passen in stedelijke transformatiegebieden, of te intensiveren of revitaliseren bestaande bedrijventerreinen, en realiseren zodoende ‘schuifruimte’ voor bedrijven. We maken afspraken over hoe om te gaan met de schaarse ruimte, de beoogde transformatie van bedrijvenlocaties en met de inzet van regionale bedrijvenlocaties. Bronnen: IBIS, 2017-2022 Stec, Behoefteraming bedrijventerreinen Noord-Brabant, 2022 Leidende principes voor programmering We zetten als MRE stevig in op het intensiveren van het ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen. Daartoe zullen we een 'intensiverings-percentage' als ambitie opnemen; in de uitwerking bieden we maatwerk. We zetten in op het revitaliseren en naar de huidige eisen aanpassen van bestaande terreinen We gaan terughoudend om met transformatie van bedrijventerreinen naar wonen. Dit vraagt om een afweging over de meerwaarde van wonen en 'waardeverlies bedrijvigheid', én om het realiseren van een alternatieve locatie voor te hervestigen bedrijvigheid. We spannen ons in om nog onbenutte geprogrammeerde bedrijventerreinen alsnog aan het werkelijke aanbod toe te voegen; als dit niet mogelijk blijkt halen we deze uit de kortetermijnprogrammering. Op basis van de nadere analyse van de confrontatie van de toekomstige vraag en het beschikbare, werkelijke (harde en zachte) aanbod brengen we de behoefte aan nieuwe terreinen in beeld, zowel op niveau van de regio, de sub-regio’s als naar werkmilieus. We programmeren op basis daarvan nieuwe locaties of duiden voor de langere termijn na 2030 strategische ruimtelijke afwegingen. We wegen hierbij zowel ruimtelijke als economische belangen af en zetten in op een evenwichtige economische ontwikkeling en ruimtelijke inrichting van de regio en de subregio’s waarbij ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit, identiteit en voldoende ruimte voor wonen, bereikbaarheid en natuur en landschap afwegingscriteria vormen. We zetten nieuwe regionale bedrijventerreinen strategisch in voor de vestiging van nieuwe ‘stuwende bedrijven’ die het ecosysteem versterken of het uitplaatsen van bedrijven die niet meer passen in stedelijke transformatiegebieden, of te intensiveren of revitaliseren bestaande bedrijventerreinen, en realiseren zodoende ‘schuifruimte’ voor bedrijven. We realiseren nieuwe lokale bedrijventerreinen alleen als er onvoldoende ruimte is op bestaande terreinen en zetten deze strategisch in (voor het accommoderen van nieuwvestiging of doorgroei van lokaal en regionaal mkb en het creëren van schuifruimte). We hebben bij het realiseren van deze nieuwe terreinen aandacht voor bedrijven die behoefte hebben aan kleine kavels tot 5000 m2. We faciliteren voldoende ruimte voor bedrijvigheid in een hoge milieucategorie ten behoeve van circulaire activiteiten en infrastructuur Voormalig agrarische bedrijfslocaties (VAB’
- s)zien wij niet als mogelijkheid voor nieuwe bedrijventerreinen of vestiging van industriële bedrijven. Dat neemt niet weg dat op deze locaties nieuwe (bij de kwaliteiten van het (buiten)gebied) economische activiteiten gevestigd kunnen worden. 5 Toekomstbestendige werklocaties Werklocaties zijn toekomstbestendig. Het revitaliseren van bedrijventerrein draagt bij aan transitieopgaven energie, mobiliteit, klimaat en circulariteit. Zo visualiseert de provincie het heden (links) en de toekomst (rechts) van bedrijventerreinen Bron: Factsheet Grote Oogst, Provincie Noord-Brabant, 2023 Vier transitieopgaven voor toekomstbestendige werklocaties: energie, mobiliteit, klimaat en circulariteit Werklocaties moeten niet alleen nu, maar ook in de toekomst een plek bieden aan bedrijvigheid binnen het economisch profiel. Nederland en de MRE staan voor verschillende grote uitdagingen. In deze bouwsteen focussen we ons op vier belangrijke uitdagingen in relatie tot werklocaties: energie, mobiliteit, klimaat en circulariteit. De intensivering en revitalisering van terreinen is een ingewikkelde klus, mede door het (tijdelijk) stilleggen of verhuizen van bedrijvigheid. Daarnaast is het ontbreken van een passende toekomstbestendige energie-infrastructuur op dit moment een beperkende factor bij de ontwikkeling van ruimte voor bedrijvigheid. Daarom is het van extra groot belang dat de vier transities integraal worden meegenomen om het terrein toekomstbestendig te maken. Daarbij leveren werklocaties ook een belangrijke bijdrage aan deze transities. Andere relevante opgaven buitende scope van deze visie: Digitale transformatie: ook de digitale transformatie kent een impact op de ruimte. Naast dat de digitale infrastructuur gefaciliteerd moet worden op bedrijventerreinen (dit hangt tevens nauw samen met de transitieopgave Energie), kent ook de veranderende bedrijvigheid en ruimtebehoefte een ruimtelijke impact. Denk hierbij aan logistieke centra waar vanuit online bestellingen worden verspreid. Woningopgave: een andere opgave die ook haar weerslag heeft op de ruimte voor bedrijventerreinen is de woningopgave. De aanhoudende bevolkingsgroei, huishoudensverdunning en schaarse ruimte doen verwachten dat wonen de komende jaren een opgave zal blijven. In 2021 zijn negen geheel verouderde terreinen aangemerkt voor transformatie. Al deze terreinen zijn binnenstedelijk en worden getransformeerd naar woninglocaties (IBIS, 2022), terwijl in de prognose nu al een tekort is aan deze terreinen. Energie De energietransitie gaat over de transitie van fossiele energie naar duurzame energie ten behoeve van klimaatneutrale bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen gebruiken 53% van de energie in de provincie 5 Factsheet Grote Oogst, Provincie Noord-Brabant, 2023. In 2022 is er nog een pauze ingelast voor het aanleggen van bedrijventerreinen op het elektriciteitsnet. Er bestaat dus niet alleen in de toekomst 6Hoogspanningsnet zit vol, geen aansluitingen meer voor nieuwe bedrijven’, Omroep Noord-Brabant, 2022, maar ook nu urgentie. Dat betekent dat er slim gebruik moet worden gemaakt van het net. In de praktijk betekent dit dat bedrijven idealiter zo energiezuinig mogelijk werken en zijn bedrijventerreinen zo zelfvoorzienend mogelijk in het opwekken en onderling delen van energie en warmte. Dit gaat niet alleen over energie voor gebouwen, maar ook voor vervoer. Bij de invulling van bedrijventerreinen wordt meegenomen dat er een slimme en duurzame bronnenmix aanwezig is. Dat betekent een mix van warme en koude energie en (het tijdstip van) energieopwek en -verbruik en dat er ruimte is voor opslag. Mobiliteit De mobiliteitstransitie gaat over de transitie van fossiel gedreven mobiliteit naar duurzaam vervoer. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de bereikbaarheid met het openbaar vervoer of de fiets. Binnen de MRE heeft 31% van de terreinen geen OV-ontsluiting. Dit zijn allen mkb-terreinen³. De transformatie van binnenstedelijke terreinen zorgt ervoor dat steeds meer bedrijvigheid zich bevindt aan de randen van de stad. De OV-ontsluiting op deze terreinen is niet altijd even goed. Maar liefst 56% van de bedrijventerreinen is afhankelijk van bussen voor OV-bereikbaarheid 7IBIS, 2022. Naast OV-bereikbaarheid hebben toekomstbestendige terreinen ook voorzieningen voor het opladen van elektrisch vervoer en is waar nodig deelmobiliteit beschikbaar. Het verbeteren van deze voorzieningen draagt niet alleen bij aan de mobiliteitstransitie, maar ook aan het behouden en aantrekken van werknemers en jong talent. Jonge werknemers bezitten vaker geen auto8 CBS, 2022. Daarnaast brengt het opladen van elektrisch vervoer ook een ruimtelijk vraagstuk met zich mee, omdat deze voertuigen tijdens het laden een plek nodig hebben. Ook de aanleg van veilige fietsverbindingen heeft ruimtelijke impact. Bij de mobiliteitstransitie is ook de nadrukkelijke link met de regionale mobiliteitsvisie. Klimaat en leefomgeving Er wordt rekening gehouden met en ruimte gegeven aan blauw/groen en daarnaast worden klimaatadaptieve maatregelen genomen. Dit betekent dat bedrijven geen onnodige schade aanrichten door uitstoot van schadelijke stoffen en ook op andere wijze geen schade aanrichten aan blauw/groen. Een bedrijventerrein kan ook juist een positieve bijdrage leveren, bijvoorbeeld door duurzame afval- en milieuverwerking. Daarnaast is het belangrijk dat bedrijventerreinen klimaatadaptieve maatregelen treffen, bijvoorbeeld rondom hittestress, wateroverlast bij extreem weer en de opslag van warmte en water ten behoeve van perioden van schaarste.. Denk hierbij aan het toevoegen van groen op de gevels en het toepassen van halfverharding op parkeerplekken. Deze maatregelen stimuleren en faciliteren bovendien de lokale biodiversiteit. Het in acht nemen van klimaat gaat daarnaast over aandacht voor de omgeving waar het terrein gevestigd is. Daarmee dragen terreinen niet alleen bij aan een gezond klimaat, maar ook aan een prettige en aantrekkelijke werkomgeving voor werknemers en hun gezondheid. Circulariteit De ambitie van het rijk is dat Nederland in 2050 circulair is. Circulariteit gaat over de transitie van een lineaire naar een circulaire economie. Hier worden kringlopen gesloten, binnen en buiten bedrijventerreinen. Mogelijke tussenstappen zijn modulaire initiatieven en grondstoffen die worden hergebruikt op hoogwaardig niveau. Het sluiten van kringlopen in de regio zal vooral plaatsvinden door bedrijven zelf. Samen vormen zij een regionaal ecosysteem van grondstofstromen. Het is van belang dat de MRE de mate van circulariteit van bedrijven laat meewegen in welke bedrijven ze ruimte biedt op haar terreinen. Daarnaast is het belangrijk dat de regio ruimte faciliteert die hiervoor nodig is, bijvoorbeeld voor opslag, reparatie, hergebruik en het verwerken van grondstoffen, materialen en reststromen. Tevens is het van belang dat vooraf wordt nagedacht over welke bedrijven zich dicht bij elkaar vestigen, zodat bedrijven zoveel mogelijk gebruik kunnen maken van elkaars reststromen. Hiervoor is kennis en capaciteit nodig, onder andere om de stromen van grondstoffen in kaart te brengen. Een georganiseerd bedrijfsleven kan een rol spelen bij initiatieven rondom klimaat- en energietransitie Op de meeste terreinen is geen initiatief aanwezig rondom waterbeheer, hittestress of duurzame energie (figuur 1). Juist bedrijventerreinen zijn vaak compleet verhard en daarmee gevoelig voor hittestress en wateroverlast bij hevige regenval. Op bedrijventerreinen waar parkmanagement aanwezig is zijn vaker initiatieven aanwezig die bijdragen aan toekomstbestendige terreinen. Op dit moment heeft slechts 35% van de terreinen parkmanagement. Wanneer de regio inzet op het actief stimuleren van een georganiseerd bedrijfsleven op bedrijventerreinen, zal dit naar verwachting bijdragen aan de toekomstbestendigheid van deze terreinen. Naast collectieve organisatie is ook de beschikbaarheid van kapitaal van belang. Figuur 1: Initiatieven (bestaand of in oprichting) rondom klimaatadaptatie en duurzame energie in MRE¹ Figuur 2: Aanwezigheid parkmanagement op bedrijventerreinen in de MRE Leidende principes voor programmering Naast programmeringsafspraken maakt de regio afspraken over duurzame principes voor bestaande en de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Denk hierbij aan afspraken over: toekomstbestendige digitale- en energie-infrastructuur; toepassing van klimaatadaptieve maatregelen; toepassing van dubbel dakgebruik; stimuleren van korte ketens; stimuleren van maatregelen gericht op de mobiliteitstransitie. Gemeenten stimuleren en faciliteren een vorm van organisatie op bedrijventerreinen, zoals parkmanagement, om initiatieven rondom bijvoorbeeld energiebesparing, het benutten van restwarmte, het in beeld brengen van grondstoffenstromen, energie-opwek, klimaatadaptatie en waterbeheer te stimuleren. Als onderdeel van de programmeringsafspraken stellen we een handelingsperspectief op, inclusief instrumentarium, om de transities op de bedrijventerreinen vorm te geven. Het betreft de uitwerking hoe we uitvoering geven aan de duurzame principes. 5.Hoe we deze ambitie waar gaan maken 6 Proactief programmeren Proactief programmeren en sellectief alloceren Proactief programmeren en selectief alloceren voor een sterk economisch profiel en passende werklocaties Net als de economie zal de behoefte aan ruimte voor werken blijven fluctueren. Waar een aantal jaar geleden nog een overschot was aan ruimte, is er nu sprake van een tekort. De regio kiest ervoor om niet reactief, maar proactief te programmeren. Dat betekent dat zij in staat is om adaptief in te spelen op de vraag van nu en de toekomstige vraag, waarbij we zowel de korte als de lange termijn voor ogen houden. Dit vraagt om een ander aanpak en een andere wijze van het inrichten van het proces. Dit doet de regio door: Proactief programmeren De regio zet in op een adaptieve programmering van werklocaties met als doel adequaat in te kunnen spelen op het accommoderen van de groei in de sectoren in het gekozen economisch profiel. We maken tijdig richtinggevende keuzes en locatiekeuzes voor (nieuwe) bedrijventerreinen en bereiden deze voor om ze binnen een redelijke termijn uitgeefbaar te laten zijn. We ontwikkelen (als alternatief voor het huidige model) een sturingsinstrument om ervoor te zorgen dat we regie kunnen voeren op de gewenste fasering van het uitgeven van terreinen. Selectief alloceren We voeren regie op het traject gericht op ‘het juiste bedrijf op de juiste plaats’. We ontwikkelen een afsprakenkader dat ervoor zorgt dat we op het juiste schaalniveau hieraan invulling kunnen geven. Door selectief te zijn in welk bedrijf op welke plek komt, behoudt de regio haar economisch profiel en kunnen bedrijven zich vestigen op de meest passende werklocatie. Bij het proactief programmeren en selectief alloceren houdt de regio steeds voor ogen dat het een bijdrage levert aan het gehele ecosysteem van de MRE. De uitgangspunten in deze gezamenlijke visie dragen daaraan bij. Dansen tussen de schalen Leidende principes bij programmering We ambiëren om een Programmering Werklocaties op te stellen voor de gehele MRE vanuit het besef dat de MRE als één ecosysteem fungeert. Daarbinnen werken we de subregionale programmering uit. Het proactief programmeren van nieuwe terreinen en de kaderstelling voor de wijze waarop we omgaan met bestaande terreinen vindt plaats op het niveau van de gehele MRE waar naast de gemeenten ook de provincie en waterschappen onderdeel van zijn. We programmeren alleen realistisch te ontwikkelen locaties. Dit wil zeggen dat de planologische voorbereiding voor een terrein vergevorderd is, inclusief instrumentarium om selectief te kunnen alloceren. We programmeren op basis van een afweging waarbij zowel strategisch ruimtelijke afwegingen als economische afwegingen en belangen integraal worden afgewogen. Voor het behouden en versterken van de regionale economie is ontwikkeling en innovatie van HTSM-bedrijven van groot belang. Het ecosysteem van de HTSM-bedrijven vormt zowel een drijvende kracht voor de gehele Metropoolregio als voor de subregio’s; we willen dan ook op alle niveaus ruimte bieden voor de groei van HTSM-bedrijven. De campussen hebben een bijzondere rol in de innovatieve kracht van de HTSM-bedrijven; we zetten ons dan ook in om die campussen te versterken. We hanteren daarom als ordeningsprincipe dat HTSM-bedrijven die van meerwaarde zijn op campussen te stimuleren en faciliteren zich daadwerkelijk op campussen te vestigen. Selectief alloceren doen we op subregionaal niveau in subregionale overleggen. Deze subregionale overleggen zien niet alleen toe op het alloceren op nieuwe bedrijventerreinen, maar ook op het alloceren van nieuwe ruimte op bestaande bedrijventerreinen. Ten behoeve van het selectief alloceren stellen we regionale uitgiftecriteria op. De duurzame principes uit bouwsteen 5 maken hier onderdeel van uit. We onderzoeken of we, naar het voorbeeld van het SGE, kunnen komen tot een marktconforme grondprijsmethodiek. In de programmeringsafspraken maken we helder hoe we het proces inrichten om te kunnen komen tot (vraaggericht) proactief programmeren en selectief alloceren. We maken hierbij uitvoeringsgerichte afspraken met betrekking tot wanneer je extra programmeert. Welk proces doorlopen we met wie? Ten behoeve van het selectief alloceren maakt de regio gebruik van een subregionaal bedrijvenloket, geleid door een onafhankelijke voorzitter. We borgen afstemming op het niveau van de gehele MRE door een afstemmingsoverleg tussen de vertegenwoordigers van de subregio’s. 7 Rol overheid en bedrijven De overheden binnen de regio pakken hun regierol, sturen door middel van heldere kaders en faciliteren waar nodig ondernemers. Zowel overheden als het bedrijfsleven leveren vanuit hun rol een bijdrage aan een toekomstbestendige regio Zonder bedrijven is een toekomstbestendige toppositie niet mogelijk. Ondernemers vragen regie vanuit de overheid én vrijheid om te ondernemen. Het is van belang dat voor alle partijen duidelijk is welke regie de overheid pakt en welke verantwoordelijkheid, middelen en vrijheid bedrijven wordt toebedeeld. We benadrukken daarbij zowel de gezamenlijke verantwoordelijkheid als de complementaire verantwoordelijkheid die ondernemers en overheden hebben bij het waarmaken van de ambities. Rol overheid: verantwoordelijk voor goede ruimtelijke ordening; kaderstellend met hardheidsclausule; verantwoordelijk voor een goed vestigingsklimaat; faciliterend en verbindend en soms regievoerend. Rol triple-helix: samenwerking tussen overheid, (een collectief van) ondernemers, vastgoedeigenaren en kennisinstellingen, ieder vanuit eigen rol; aansluiten bij ruimtebehoefte ondernemers en kennisinstellingen; ondersteunend bij transitieopgaven. Leidende principes voor programmering We maken gebruik van ieders rol en verantwoordelijkheid. We benutten elkaars kracht om gezamenlijk regie te kunnen voeren op de opgaven met als doel het behouden van de economische toppositie. We onderzoeken welk (juridisch & financieel) instrumentarium en welke bijpassende governance wenselijk en haalbaar zijn om gezamenlijk de intensivering, revitalisering en ontwikkeling van bestaande en nieuwe werklocaties waar te maken. Zoals besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Bergeijk van 19 december 2024. De gemeenteraad, Y.Y.E. van BakelRaadsgriffier A. Callewaert-de GrootVoorzitter Bijlage 1.Gehanteerde definities - Werkmilieus Omdat de behoefteraming bedrijventerreinen Noord-Brabant de basis is voor de visie en de programmeringsafspraken, hanteren we de definities die in de behoefteraming worden geduid. Gemengd stedelijk Type bedrijven: B2B & B2C; mkb, diensten, bouw, handel, kleinschalige stadslogistiek. Activiteiten: handel en reparatie, (stedelijke) diensten als verhuur, schoonmaak, beveiliging, consumentendiensten,bedrijfsverzamelgebouwen, kleinschalige productie, R&D, opslag, werkplaats, last mile. Regulier werkmilieu Type bedrijven: B2B; mkb, bouw, groothandel, logistiek, industrie, diensten. Activiteiten: handel en reparatie, opslag, werkplaats, productie/assemblage, transport/distributie. Overwegend (boven)lokale bedrijvigheid van kleine tot middelgrote omvang. Grootschalige distributie (> 3
- ha)Type bedrijven: E-commerce, logistieke dienstverlening, value added logistics, agrologistiek. Activiteiten: distributie, opslag/warehousing, assemblage. Grootschalige productie Type bedrijven: o.a. chemie, HTSM, industriële bouw (prefab), voedingsmiddelenindustrie. Activiteiten: productie, recycling, circulair. In toenemende mate circulair, veelal regionaal georiënteerd, maar gaat ook om hoogwaardige bedrijven die internationale oriëntatie hebben. Deze ruimtevraag bestaat voor een groot deel uit Hoge Milieucategorie (HMC-)bedrijven. Noot BMC: er is een verschil in duiding van de werkmilieus in de prognose van de provincie en de programmering en de manier waarop deze in IBIS worden bijgehouden. Ons voorstel is om in de tweede fase van de opdracht hierin helderheid te creëren. Campus 9Vastgoedmonitor Stedelijk Gebied Eindhoven, 2021, Savillis, Dynamis en Verschuuren en Schreppers. ‘Campuslocaties vinden vaak hun oorsprong in één of enkele onderwijsinstellingen of bedrijven. De kennisinstellingen en bedrijven zijn vaak actief in zeer specifieke niches, waar beide onderling van elkaar afhankelijk zijn op het gebied van uitwisseling van kennis en talent. Hierdoor is clustervorming onder gebruikers op campusgebieden belangrijker dan bij reguliere kantoorgebieden of bedrijventerreinen. Single-use-campussen bieden ruimte aan slechts één of enkele gebruikers, en verhuur van kantoor- of bedrijfsruimte aan derden is niet of nauwelijks mogelijk. Mixed-use-campussen vormen een ecosysteem van meerdere bedrijven en instellingen waarbij verhuur aan derden wel mogelijk is. Dat is daar vaak zelfs de norm. Daarnaast is hier sprake van een ‘triple-helix’. Overheid, kennisinstellingen en bedrijven wisselen kennis uit en versterken elkaar in deze gebieden.’ Noot BMC: De voetnoot die we moeten plaatsen is de volgende: De bovenstaande definitie van campussen biedt ruimte voor interpretatie. Daardoor worden er in verscheidene documenten binnen de MRE (IBIS, vastgoedmonitor) verschillende terreinen bestempeld als campus. Voor de programmering op regionale schaal, die dient als uitvoeringsprogramma van de visie, is het van belang om integraal te bepalen welke campussen we onderscheiden binnen de MRE. We zullen daarom de definitie van campussen nader uitwerken en hieraan duiding geven per locatie. Bijlage 2.Gehanteerde definities Intensiveren (bouwsteen 4) Meer netto-hectare of bruto-vloeroppervlakte voor bedrijvigheid op bestaand terrein, bijvoorbeeld door de hoogte in te bouwen, een groter bebouwingspercentage of dubbelgebruik (van bijv. opslag of parkeren). Revitaliseren (bouwsteen 5) Het toekomstbestendig maken door bijvoorbeeld klimaatadaptatie en/of lokale energievoorzieningsmaatregelen te treffen, en/of het creëren van een prettiger werkklimaat, bijvoorbeeld door het aanleggen van blauw/groen, vernieuwen van wegen, wandel- en fietspaden en parkeervoorzieningen. Schuifruimte Ruimte voor het verplaatsen van bedrijven, waardoor op bestaande bedrijventerreinen in de regio ruimte ontstaat voor ontwikkeling van andere bedrijven en voor revitalisering. Transformeren De locatie krijgt een nieuwe bestemming en gaat verloren als ruimte voor bedrijvigheid (in de praktijk is dit vrijwel altijd wonen).