Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Opsterland 2025Het college van burgemeester en wethouders van Opsterland, gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 108 Gemeentewet en artikel 35 Participatiewet besluit de volgende regeling vast te stellen: Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Opsterland 2025 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: AZC: Asielzoekerscentrum; belanghebbende: degene die bijzondere bijstand aanvraagt; de gemeente: het college van burgemeester en wethouders van Opsterland; de wet: de Participatiewet; Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; bijstandsnorm: de normen opgenomen in paragraaf 3.2 van de wet Nibud prijzengids: de meest recente prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; Pgb: persoonsgebonden budget; rekenhuur: kale huur vermeerderd met de servicekosten; vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet; Wht: Wet op de huurtoeslag; Wlz: Wet langdurige zorg; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen; Msnp: Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Zvw: Zorgverzekeringswet. Artikel2:Moment van aanvraag en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht Een aanvraag bijzondere bijstand moet worden ingediend binnen 12 maanden na factuurdatum de kosten zijn ontstaan, waarbij het niet uitmaakt of de kosten al zijn betaald. Artikel3:Aanvraag 1.Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt schriftelijk of digitaal aanvraagformulier ingediend. Artikel4:Vaststellen van het inkomen 1.Bij het vaststellen van het inkomen wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen, zoals bedoeld in artikel 32 en 33 van de wet. 2.De middelen genoemd in artikel 31, tweede lid van de wet is bij vaststelling van het inkomen van toepassing. 3.De pensioenvrijlating genoemd in artikel 33, vijfde lid van de wet is bij de vaststelling van het inkomen van toepassing. 4.Heeft belanghebbende een wisselend inkomen dan wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen ontvangen in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum. 5.Is de belanghebbende zelfstandige, dan wordt uitgegaan van het inkomen op de meest recente (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting. 6.Het inkomen wordt vastgesteld exclusief vakantietoeslag. 7.In de volgende situaties wordt bij de bepaling van het inkomen uitgegaan van het feitelijk besteedbaar inkomen: WSNP; MSNP; Executoriaal beslag of derdenbeslag; 8.Een sociale zekerheidsuitkering gebaseerd op 70% van het sociaal minimum wordt voor de berekening van de draagkracht gelijkgesteld met de bijstandsnorm die voor belanghebbende geldt. Artikel5:Vaststellen van het vermogen 1.Voor het vaststellen van het vermogen geldt het saldo op de rekening-courant en spaarrekening, beleggingen en bitcoins van het gezin. 2.Daarnaast wordt rekening gehouden met waarde van een motorvoertuig als deze meer waard is dan € 3500,00. Voor de waarde vaststelling wordt de ANWB-koerslijst gebruikt. 3.De peildatum voor de vaststelling van de hoogte van het vermogen is de aanvraagdatum. 4.Op het vermogen wordt éénmaal de maandelijkse bijstandsnorm in mindering worden gebracht. Artikel6:Draagkracht uit inkomen 1.Er is geen sprake van draagkracht uit inkomen als het inkomen minder is dan 100 procent van de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid is er bij deelname aan de collectieve zorgverzekering geen dracht bij een inkomen minder dan 130 procent van de bijstandsnorm 3.Van het inkomen hoger de grens genoemd in het eerste, tweede en derde lid geldt een draagkracht van 35 procent. 4.Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten. 5.Bij het beoordelen van het recht op bijstand wordt geen rekening gehouden met reserveringscapaciteit uit het inkomen. 6.Draagkracht wordt maandelijks verrekend. Artikel7:Draagkracht uit vermogen 1.Er is geen sprake van draagkracht uit vermogen wanneer het vastgestelde vermogen lager is dan de van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 Participatiewet. Het vermogen boven deze grens wordt volledig in aanmerking genomen als draagkracht. 2.In afwijking van het vorig lid wordt bij de volgende kostensoorten al het vermogen tot de draagkracht gerekend: woonkostentoeslag; inrichtingskosten; duurzame gebruiksgoederen; uitvaartkosten. 3.De draagkracht uit vermogen wordt in een keer verrekend. Artikel8:Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld, en gaat in op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand is toegekend. 2.Als er geen sprake is van draagkracht uit inkomen en/of vermogen, wordt in afwijking van lid 1 de draagkracht vastgesteld voor een periode van drie jaar voor belanghebbenden die uitsluitend een bijstandsuitkering, of sociale zekerheidsuitkering ontvangen. Artikel9:Bijstand in de vorm van een lening 1.Bij duurzame gebruiksgoederen en in situaties zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid onderdelen a en b van de wet wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening. 2.De geldlening moet terug worden betaald door maandelijkse aflossing. 3.De aflossing bedraagt 5% van de geldende bijstandsnorm. 4.Als er sprake is van een minnelijke schuldregeling of Wsnp wordt de bijstand in afwijking van lid twee verstrekt als een lening met uitgestelde aflossing, die wordt omgezet in bijstand om niet als de schuldregeling positief is doorlopen en afgerond. Artikel10:Hoogte van de bijzondere bijstand 1.Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de meest goedkope en adequate voorziening waarbij maximaal de normbedragen uit de Nibud prijzengids worden gehanteerd. 2.Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de noodzakelijke kosten die worden uitgespaard. Hoofdstuk2Bijzondere bijstand voor medische kosten Artikel11:Algemene bepalingen Voor medische kosten worden de Zvw, de Wlz, de WMO 2015 en de Jeugdwet gezien als een voorliggende voorziening. Daarnaast geldt de gemeentelijke collectieve zorgverzekering als voorliggende voorziening Hoofdstuk3Overige kosten Artikel16:Reiskosten 1.Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waar belanghebbende in beginsel zelf in moet voorzien. 2.Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de goedkoopste manier van reizen met het openbaar vervoer of de maximale onbelaste reiskostenvergoeding vrijstelling per kilometer als met eigen vervoer wordt gereisd 3.Reiskosten bij bezoek aan gezinsleden in een instelling komen in aanmerking voor bijzondere bijstand met een maximum van 4 keer per maand. Artikel17:Uitvaartkosten 1.Uitvaartkosten behoren tot de bijzondere, noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze kosten kan worden voorzien door de nalatenschap van de overledene en/of een uitvaartverzekering. De wettelijke of per testament bepaalde erfgenamen zijn aansprakelijk voor de kosten van de uitvaart. 2.Als de erfgenaam (zijn of haar deel van) de kosten niet kan betalen, kan er bijzondere bijstand worden verleend. 3.De maximale vergoeding voor uitvaartkosten is € 3.500,- (naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen). Artikel18:Beschermingsbewind, curatele en mentorschap 1.Voor de kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap wordt bijzondere bijstand verleend, als de noodzaak blijkt uit een beschikking van de rechtbank. 2.Bijzondere bijstand wordt verleend voor de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren genoemde kosten en de kosten van griffierecht. 3.Voor de beheerskosten van een Pgb wordt geen bijzondere bijstand verleend, als er sprake is geweest van een specifiek, concreet keuzemoment waarin de belanghebbende heeft gekozen voor zorg via een Pgb, terwijl zorg in natura ook mogelijk was. Artikel19:Budgetbeheer 1.Voor de kosten van budgetbeheer kan bijzondere bijstand worden verleend, als aan alle voorwaarden uit dit artikel wordt voldaan. 2.De noodzaak tot budgetbeheer en de looptijd van dit traject dient te blijken uit een beoordeling van de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente. 3.De hoogte van de maandelijkse vergoeding bedraagt maximaal 60% van de kosten van bewind genoemd in artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. 4.De budgetbeheerder dient aangesloten te zijn bij de brancheorganisatie NVVK. Artikel20:Rechtsbijstand en griffierechten 1.Voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierechten kan bijzondere bijstand worden verleend als een toevoeging hiervoor is afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand. 2.Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd rekening gehouden met de toepasselijke korting van het Juridische Loket. Daarnaast wordt rekening gehouden met mogelijke peiljaarverlegging. 3.Kosten die via de gerechtelijke procedure aan belanghebbende worden vergoed moeten worden terugbetaald, wanneer hiervoor bijzondere bijstand is verstrekt. Artikel21:Bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van 18-21 jaar 1.Voor kosten levensonderhoud van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar kan bijzondere bijstand worden verleend, wanneer men geen beroep kan doen op eigen middelen en de onderhoudsplicht. 2.De jongere als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als: de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.