Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2025De raad van de gemeente Ameland, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 november 2024 Gelet op artikel 223 van de Gemeentewet; BESLUIT Vast te stellen de navolgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2025 Artikel1Definitie Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Artikel2Belastbaar feit en belastingplicht 1.Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zichzelf of hun gezin een woning beschikbaar houden. 2.Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel3Maatstaf van heffing 1.Als de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 Wet WOZ en waarvoor op grond van hoofdstuk IV van die wet een waarde is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen, zoals die voor het belastingobject geldt voor het tijdvak waarover de forensenbelasting wordt geheven. 2.In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel d alsmede onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken. 3.In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde. 4.De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet. Artikel4Belastingtarieven De forensenbelasting bedraagt per jaar bij een waarde die: 1. minder is dan € 50.000,- € 236,38 2. € 50.000,- of meer, maar minder dan € 100.000,- € 520,04 3. € 100.000,- of meer, maar minder dan € 200.000,- € 940,28 4. € 200.000,- of meer, maar minder dan € 300.000,- € 1.360,52 5. € 300.000,- of meer, maar minder dan € 400.000,- € 1.728,23 6. € 400.000,- of meer, maar minder dan € 500.000,- € 1.938,35 7. € 500.000,-of meer, maar minder dan € 600.000,- € 2.043,41 8. € 600.000,-of meer, maar minder dan € 700.000,- € 2.148,47 9. € 700.000,-of meer, maar minder dan € 800.000,- € 2.253,53 10. € 800.000,-of meer, maar minder dan € 900.000,- € 2.358,59 11. € 900.000,-of meer, maar minder dan € 1.000.000,- € 2.463,65 12. € 1.000.000,-of meer, maar minder dan € 1.250.000,- € 2.568,71 13. € 1.250.000,-of meer, maar minder dan € 1.500.000,- € 2.673,77 14. € 1.500.000,-of meer, maar minder dan € 1.750.000,- € 2.778,33 Vanaf een waarde van € 1.750.000 geldt per € 250.000 waardestijging een stijging van het tarief van € 105,06. Artikel5Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel6Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel7Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2. Artikel8Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn een maand later. 2.In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in vier gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen. Artikel9Kwijtschelding Bij de invordering van de forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel10Aanmeldingsplicht De belastingplichtige als bedoeld in artikel 2, die voor de eerste maal een woning in de zin van artikel 1 beschikbaar houdt, is verplicht om dat onmiddellijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, sub b en d, van de gemeentewet. Artikel11Inwerkingtreding en citeertitel 1.De “Verordening forensenbelasting 2024” , wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. 3.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. 4.Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening forensenbelasting 2025”. Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Ameland, gehouden op 16 december 2024., voorzitter., griffier.Artikelgewijze toelichting Artikel 1. Definities Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van het in de verordening voorkomende begrip 'woning' is een omschrijving opgenomen in artikel 1. Onder woning wordt verstaan een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Over de vraag wat moet worden verstaan onder een gemeubileerde woning is veel jurisprudentie ontstaan. Van belang zijn de bestemming en de geschiktheid voor bewoning. De vraag moet worden beantwoord of de gemeubileerde woning op zich zelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen (HR 19 december 1962, nr. 14 905, BNB 1963/95 en Hof Leeuwarden 16 september 1974, nr. 248/74, BNB 1975/106). Voor het duurzaam dienen voor bewoning wordt wel gekeken naar de aanwezige voorzieningen zoals de aansluiting op nutsvoorzieningen en riolering, en de aanwezigheid van verwarming, kookgelegenheid en wasgelegenheid. Het ontbreken van aantal van deze voorzieningen is echter niet altijd doorslaggevend (Hof Arnhem 16 mei 1989, nr. 5/1989 E II, Belastingblad 1989, blz. 418 en Hof Amsterdam 14 juni 1990, nr. 3900/90, Belastingblad 1993, blz. 710). De gemeubileerde woning hoeft geen woning te zijn in de zin van de Woningwet. Een stacaravan kan ook een gemeubileerde woning zijn (HR 12 januari 1972, nr. 16 560, BNB 1972/41 en HR 4 maart 1987, nr. 24 399, BNB 1987/117, Belastingblad 1987, blz. 315). Ook een woonschip kan een gemeubileerde woning zijn (HR 2 maart 1994, nr. 29 642, BNB 1994/115, Belastingblad 1994, blz. 305, Hof Arnhem 17 juni 1994, nr. 940535, Belastingblad 1995, blz. 138, en Hof Leeuwarden 10 februari 2006, nr. BK 589/04, Belastingblad 2006, blz. 353). Er zijn echter ook stacaravans en toercaravans die niet beschikken over de meest elementaire voorzieningen voor duurzame bewoning. In dat geval is er geen sprake van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet (Hof Den Haag 23 oktober 1973, nr 16/1973, BNB 1974/213, Hof Leeuwarden 24 december 1982, nr. 1260/81, BNB 1984/149, Belastingblad 1984, blz. 199, Hof Amsterdam 12 maart 1984, nr 46/33, Belastingblad 1985, blz. 599, Hof Amsterdam 21 oktober 1986, nr 1760/85, Belastingblad 1987, blz. 545, Hof Arnhem 21 maart 1989, nr 1492/1988, Belastingblad 1989, blz. 578, Hof Den Haag 11 mei 1989, nr. 4859/87, Belastingblad 1989, blz. 619). Het is niet toegestaan om stacaravans uit doelmatigheidsoverwegingen buiten de heffing te laten. Voor het achterhalen van stacaravans die als gemeubileerde woning zijn aan te merken, is weliswaar een omvangrijk onderzoek nodig, maar dit onderzoek is eenmalig. Aan gemeenten staan volgens de belastingrechter voldoende middelen ten dienste om de medewerking van vakantieparken af te dwingen (verwijzingsprocedure Hof Leeuwarden, 12 augustus 1994, nr. 240/94, nog niet gepubliceerd, na Hoge Raad, 9 februari 1994, nr. 29 504, Belastingblad 1994, blz. 373). Van een gemeubileerde woning, die uitsluitend wordt gebruikt om voor verhuur gereed te maken en te houden, kan niet gezegd worden dat deze door de eigenaar beschikbaar wordt gehouden voor zich of zijn gezin. Indien echter een gemeubileerde woning weliswaar is bestemd voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, moet worden aangenomen dat die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur is uitgesloten (HR 24 juli 1995, nr. 30 470, ECLI:NL:HR:1995:AA1657, Belastingblad 1995, blz. 618). Aan een eigenaar die zijn woning (vrijwel) het gehele jaar aan een derde ter beschikking stelt voor verhuur mag slechts dan geen aanslag forensenbelasting worden opgelegd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.