Beleidsregels re-integratie voorzieningen Participatiewet 20251.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ, het Bbz 2004, de Wgs, het Burgerlijk Wetboek en de Awb. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; PW: de Participatiewet; uitkering: de door het college toegekende uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de PW, het Bbz 2004, de IOAW of de IOAZ al dan niet in de vorm van een lening, dan wel de op grond van artikel 35 lid 1 PW toekende bijzondere bijstand al dan niet in de vorm van een lening; 3.Als de inhoud van een begrip bij de toepassing van deze regeling niet eenduidig blijkt te zijn, bepaalt het college de nadere invulling of uitleg van dit begrip. 2.Re-integratievoorzieningen Artikel2.Scholing 1.Het college betrekt bij de beoordeling of een in artikel 7 van de Participatieverordening bedoeld scholingstraject wordt aangeboden ook: indien van toepassing, het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden uitvoert; de scholingswens van de belanghebbende; de capaciteiten van de belanghebbende. Artikel3.Premie participatieplaats 1.Het college verstrekt aan de uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de PW, artikel 8, derde lid van de Participatieverordening en artikel 38a, zesde lid van de IOAW/IOAZ een premie. 2.De premie bedraagt per maand maximaal € 100,- op basis van een deelname van 32 uur per week. De minimale deelname aan een participatieplaats is 16 uur per week. 3.Indien de activiteiten minder dan 32 uur per week bedragen, wordt de hoogte van de premie naar rato vastgesteld. 4.De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden. 5.Het college verlangt van degene in opdracht van wie de uitkeringsgerechtigde onbeloonde additionele werkzaamheden verricht, na het eerste jaar halfjaarlijks, een vergoeding die overeenstemt met de hoogte van de premie als bedoeld in het derde lid. Artikel4.Beschut werk 1.Het college realiseert beschutte werkplekken conform artikel 9 van de Participatieverordening. 2.Voordat Beschut werk wordt ingezet, wordt eerst beoordeeld of de inzet van andere voorzieningen en of het doen van vrijwilligerswerk mogelijk is. Artikel5.Persoonlijke ondersteuning/jobcoach 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 11 van de Participatieverordening, aanbieden in de vorm van een jobcoach op de werkplek. 2.De omvang van het aantal in te zetten uren van de jobcoach wordt op individuele basis bepaald en minimaal iedere 12 maanden wordt beoordeeld of voortzetting wenselijk is. 3.Het college betrekt de persoon voor wie de jobcoaching wordt ingezet en de werkgever bij de keuze voor een externe jobcoach. 4.Als de werkgever de begeleiding zelfstandig wil uitvoeren dan dient voor de aanvraag en de verantwoording gebruik te worden gemaakt van de door het college beschikbaar gestelde formulieren. 5.De jobcoaching kan zowel gericht zijn op coaching van de werknemer als op de werkgever. 6.Een jobcoach wordt niet langer ingezet dan voor de duur van de proefplaatsing of voor de duur van een arbeidsovereenkomst met een maximum van 3 jaar. 7.Een jobcoach kan worden ingezet bij een werkervaringsplaats mits er een intentie is uitgesproken door de werkgever om werknemer in dienst te nemen na het voorspoedig doorlopen van de werkervaringsplaats. Jobcoaching kan in dit geval maximaal 3 maanden worden ingezet met een mogelijkheid tot éénmalige verlenging van 3 maanden. 8.Indien de persoon als bedoeld in artikel 11 lid 1 van de Participatieverordening vanwege in de persoon gelegen factoren langdurig aangewezen is op jobcoaching, kan een jobcoach, in afwijking van het voorgaande lid, langer worden ingezet. 9.Het college kan, naar aanleiding van de aanvraag daartoe, besluiten dat jobcoaching door de werkgever zelf plaatsvindt als de persoonlijke ondersteuning wordt verzorgd door: iemand werkzaam bij die werkgever die: een training heeft gevolgd om personen met beperkingen te begeleiden op de werkplek; minimaal zes maanden aantoonbare ervaring heeft met het geven van werkinstructies; aantoonbare ervaring heeft met de werkzaamheden die de te coachen persoon uitvoert; is vrijgesteld voor een deel van de werkuren om de begeleiding te kunnen bieden; een jobcoach in dienst bij de werkgever die: ten minste hbo werk- en denkniveau heeft; een opleiding tot jobcoach heeft gevolgd waarvoor een certificaat is behaald; een jobcoach ingehuurd door de werkgever die: werkzaam is voor een jobcoachorganisatie waar de gemeente een contract mee heeft gesloten of die erkend is door het UWV op grond van het meest actuele ‘Erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV’ of een hbo werk- en denkniveau heeft en een opleiding tot jobcoach heeft waarvoor een certificaat is behaald. 10.Als de werkgever de begeleiding zelfstandig uitvoert dan komt de werkgever voor een door het college vastgestelde vergoeding in aanmerking die is gebaseerd op de bedragen zoals vastgelegd in de “normbedragen Voorzieningen 2018” (e.v.) van het UWV. 11.Als een jobcoach wordt ingezet op een werkervaringsplaats dient voor “werkgever” te worden gelezen: “organisatie die een werkervaringsplek heeft opengesteld” en voor “werkplek”: “werkervaringsplek”. Artikel6.Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening 1.De loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 14 Participatieverordening bedraagt maximaal 50% van het brutoloon inclusief werkgeverslasten. 2.De hoogte, de duur en het percentage van de loonkosten is afhankelijk van de individuele situatie, omstandigheden en mogelijkheden van de medewerker voor wie de loonkostensubsidie wordt toegekend. Dit is ter beoordeling aan het college. 3.Minimaal eenmaal per twaalf maanden wordt beoordeeld of de loonkostensubsidie bedoeld in lid 1, nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van de medewerker waarvoor de loonkostensubsidie is toegekend. Artikel7.Overige vergoedingen 1.Voor de hieronder genoemde noodzakelijke kosten van re-integratie worden conform artikel 35 van de PW vergoedingen “om niet” verstrekt. Het gaat hierbij om de volgende kosten: kosten voor werkkleding; reiskosten; verwervingskosten; eigen bijdrage voor kinderopvang; studiekosten; individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de PW. 2.De vergoeding voor andere noodzakelijke kosten van re-integratie, die een maximumbedrag van € 250,00 overschrijden, wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Voor zover de kosten onder dit bedrag blijven worden deze verstrekt “om niet”. 3.Een individuele studietoeslag bedraagt, conform de PW verordening 2019 Scherpenzeel, maximaal € 150,00 per maand en wordt slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden toegekend aan de persoon die hiervoor in aanmerking komt. Artikel8.Proefplaatsing 1.Een proefplaatsing betreft het verrichten van, reguliere werkzaamheden bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van de belanghebbende in reguliere arbeid te bevorderen. 2.Een proefplaatsing wordt toegekend voor maximaal 2 maanden. 3.De proefplaatsing als bedoeld in het voorgaande lid kan steeds met periodes van maximaal 2 maanden worden verlengd tot een maximumduur van in totaal 6 maanden als: in de persoon van de belanghebbende gelegen factoren een langere periode noodzaken belanghebbende deze periode langer dan een week ziek is geweest; de werkgever aan kan tonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is; meer tijd nodig is om de loonwaarde te bepalen. 4.Voorafgaand aan de proefplaatsing worden in een schriftelijke overeenkomst tussen college en de werkgever minimaal afspraken gemaakt over: het doel van de proefplaatsing; de duur van de proefplaatsing; dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 616b Burgerlijk 7 Wetboek, artikel 7 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; de werkgever tijdens de proefplaatsing geen salaris is verschuldigd; de wijze van begeleiding; 5.Een intentieverklaring dat de werkgever belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaatsing een dienstverband van minimaal 6 maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaatsing is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaatsing blijkt dat de uren in het belang van belanghebbende verlaagd moet worden. 6.Dat de werkgever tijdens de proefplaatsing voor de belanghebbende een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart voor alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades; 7.Het feit dat door de proefplaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 8.Dat belanghebbende de werkzaamheden zal verrichten conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen. Een proefplaatsing kan niet worden aangeboden indien belanghebbende eerder bij de betreffende werkgever, organisatie of inlener heeft gewerkt of stage heeft gelopen in dezelfde of vergelijkbare functie, tenzij er sprake is van gewijzigde omstandigheden die naar het oordeel van het college een proefplaatsing rechtvaardigen. Artikel9.Meeneembare voorzieningen 1.Definities: Meeneembare voorziening: een op een medewerker met een arbeidsbeperking toegesneden hulpmiddel dat noodzakelijk is om naar behoren de werkzaamheden te kunnen verrichten; het gaat om een voorziening die niet aard- en nagelvast is en; waarover een werkgever normaliter niet beschikt. Belanghebbende in de zin van dit artikel: de medewerker met een arbeidsbeperking die een meeneembare voorziening nodig heeft. 2.Aan een belanghebbende kan een meeneembare voorziening dan wel een vergoeding voor de aanschaf daarvan worden toegekend voor zover aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de meeneembare voorziening is naar verwachting gedurende minimaal zes maanden noodzakelijk om de belanghebbende zijn of haar werk te kunnen laten uitvoeren; er is sprake van een dienstverband voor de duur van tenminste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week; er kan voor de meeneembare voorziening geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening; de meeneembare voorziening behoort niet tot de standaarduitrusting van de belanghebbende en is evenmin algemeen gebruikelijk binnen de betreffende branche; de kosten van de mee te nemen voorziening dienen proportioneel te zijn. 3.In afwijking van artikel 2 van de PW onder b kan een meeneembare voorziening ook worden toegekend bij een proefplaatsing met behoud van uitkering. 4.Bij de keuze van een mee te nemen voorziening wordt gekozen voor de meest adequate en goedkoopste oplossing. 5.Een meeneembare voorziening die in natura wordt toegekend wordt in beginsel in bruikleen beschikbaar gesteld aan de belanghebbende tenzij sprake is van een individuele maatwerkvoorziening en /of dat bruikleen gezien de aard van de voorziening niet mogelijk of wenselijk is. 3.SLOTBEPALINGEN Artikel10.Hardheidsclausule Het college kan op grond van artikel 4:84 Awb in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels als toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel11.Inwerkingtreding en citeertitel 1.De Beleidsregels Participatiewet 2021 gemeente Scherpenzeel worden met ingang van 1 januari 2025 ingetrokken. 2.Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.