/akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR734428 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1695/2025/Regeling59b5137d4ca44c7a8e940ba2883a2bbe /join/id/stop/work_019 2025-01-20 2025-01-20 /akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR734428/nld@2025-01-21 /join/id/proces/gm1695/2023/proceduref647d4db022b48dc9519abdd0aa2675a 2025-01-21 2025-01-21 /akn/nl/act/gm1695/2025/Regeling59b5137d4ca44c7a8e940ba2883a2bbe/nld@2025-01-17;10290632 /akn/nl/act/gm1695/2025/Regeling59b5137d4ca44c7a8e940ba2883a2bbe /akn/nl/act/gm1695/2025/Regeling59b5137d4ca44c7a8e940ba2883a2bbe/nld@2025-01-17;10290632 /join/id/stop/work_019 1 Omgevingsvisie gemeente Noord-Beveland 1 Inleiding 1.1 Wat is de omgevingsvisie? De Omgevingsvisie gemeente Noord-Beveland van onze gemeente geeft aan wat wij met elkaar belangrijk vinden als het om de fysieke leefomgeving gaat: over alles wat we buiten zien, ervaren, horen en ruiken. Dit kan over gebouwen, wegen en water gaan, maar ook over groen, bomen en monumenten. In weer breder verband gaat deze visie over behoud en verdere ontwikkeling van de leefomgeving van Noord-Beveland. De onderdelen van deze leefomgeving die we belangrijk vinden, willen we graag beschermen en verbeteren. Maar we willen ook nieuwe doelen bereiken. De Toekomstvisie Noord-Beveland 2030 (hierna: Toekomstvisie) die we samen met onze inwoners hebben gemaakt is het vertrekpunt voor deze omgevingsvisie. In wezen wordt de Toekomstvisie vertaald naar de betekenis voor onze leefomgeving. Daarnaast kijken we ook naar ons huidige beleid en het beleid dat nu voor bepaalde onderwerpen en gebieden wordt gemaakt, zoals de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030, de Zeeuwse omgevingsvisie, de visie op De Bevelanden, de warmtetransitievisie, de Banjaardvisie etc. Doel Met de omgevingsvisie willen we inwoners, ondernemers én bestuurders inspireren om onze gemeente nog mooier en gezonder te maken om in te wonen, werken en verblijven. We hebben in de omgevingsvisie per gebied aangegeven wat we daar belangrijk vinden. Het gaat dan om thema’s, waarden en ambities. Wij nodigen u uit om met plannen te komen die binnen deze kaders passen. Het motto van de Omgevingswet is: ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Met benutten wordt bedoeld het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen. Bij beschermen gaat het over het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Voor onze omgevingsvisie is dit een belangrijk vertrekpunt. De omgevingsvisie van onze gemeente geeft aan wat we met elkaar belangrijk vinden als het om de fysieke leefomgeving gaat: over alles wat we buiten zien, ervaren, horen en ruiken. Dit kan over gebouwen, wegen en water gaan, maar ook over groen, bomen en monumenten. Over vergrijzing, het omgaan met het buitengebied, bereikbaarheid, en winkelaanbod. Over gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. In de omgevingsvisie denken we vanuit de maatschappelijke opgaven. De onderdelen van deze leefomgeving, waar we trots op zijn, willen we graag beschermen en verbeteren. Maar we willen ook nieuwe doelen bereiken om een antwoord te geven op allerlei nieuwe opgaven die op ons af komen op het gebied van klimaat, energie, landbouw, mobiliteit etc. Deze maatschappelijke uitdagingen vertalen we in opgaven en ambities en leggen we vast in de omgevingsvisie. Zo beschrijven we waar we de komende 10 jaar mee aan de slag gaan. De Toekomstvisie is het vertrekpunt voor de omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een dynamisch document. Dat wil zeggen dat we de visie in de toekomst kunnen aanpassen als er nieuwe ontwikkelingen zijn of als onderdelen niet meer actueel zijn. We beoordelen de visie regelmatig. Als het nodig is, passen we de inhoud van de visie op onderdelen aan. Dit doen we op vaste momenten (bijvoorbeeld elke 4 jaar) of op momenten dat maatschappelijke ontwikkelingen daarom vragen, bijvoorbeeld als er nieuwe doelen zijn voor duurzame energie. Het proces van het formuleren en het wijzigen van het beleid voor de fysieke leefomgeving wordt de beleidscyclus genoemd. Initiatieven Een nieuw initiatief (plan of idee), dat niet past binnen de regels van de gemeente (bestemmingsplan of straks het Omgevingsplan als nieuw instrument onder de Omgevingswet), wordt getoetst aan de omgevingsvisie. Wanneer het initiatief aansluit bij de omgevingsvisie, gaan we ermee aan de slag. Aan de slag betekent niet dat de gemeente het plan gaat uitvoeren. Samen met de initiatiefnemer bespreken we wie welke rol hierin pakt. De visie zelf maakt nog geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Vaak heeft u hiervoor nog een vergunning nodig. Eisen uit de Omgevingswet De omgevingsvisie is vormvrij. Dat betekent dat we als gemeente zelf keuzes kunnen maken in de vorm en de inhoud. In de Omgevingswet staat wel een aantal eisen waaraan de omgevingsvisie moet voldoen. In deze visie is hiermee rekening gehouden. Beleidscyclus In de Omgevingswet staat de beleidscyclus centraal. Deze cyclus laat de samenhang tussen de omgevingsvisie en de andere instrumenten van de Omgevingswet zien. Het beschrijft hoe de overheid handelt in de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet kent 4 instrumenten waarmee gemeenten kunnen werken: - Omgevingsvisie: het gemeentelijk beleid; - Omgevingsprogramma: de uitwerking/ uitvoering van beleid; - Omgevingsplan: de regels voor de fysieke leefomgeving; - Omgevingsvergunningen: toestemming voor activiteiten (zoals bouwen). 1.2 Proces Bij het opstellen van de Toekomstvisie hebben we onze inwoners gevraagd om mee te denken over de toekomst van onze gemeente. De Toekomstvisie is vertaald in deze omgevingsvisie. Bij het tot stand komen van de omgevingsvisie hebben we verder allerlei organisaties en instanties gesproken, die straks bij uitvoering en doorwerking van de visie een rol hebben. Door het organiseren van deze participatie-, consultatie- en afstemmingsprocessen hebben we voldaan aan de eisen die de Omgevingswet stelt ten aanzien van het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Aanvullend geldt dat het ontwerp van deze visie ter inzage heeft gelegen en dat eenieder heeft kunnen reageren. Voorbereiding De Omgevingsvisie is op basis van een uitgebreid en zorgvuldig participatietraject tot stand gekomen. Van 18 tot 27 maart 2019 is de Week van de Visie georganiseerd. Tijdens deze week konden de bewoners van Noord-Beveland aangeven hoe zij de toekomst van Noord-Beveland in 2030 zien. Er zijn gedurende die week gesprekken gevoerd met inwoners, basisschoolleerlingen, dorpsraden, de jongerenraad, clubs en verenigingen. Daarnaast zijn er zes toekomstateliers in de verschillende kernen gehouden, waarbij er in alle kernen een hoge opkomst was en een goede sfeer. Ook konden inwoners via antwoordkaartjes en formulieren op de gemeentelijke website toekomstwensen insturen. Leerlingen van basisscholen hebben maquettes gemaakt van hoe zij willen dat Noord-Beveland er in 2030 uitziet. Deze inbreng is gebruikt voor het opstellen van de Toekomstvisie en de Omgevingsvisie voor Noord-Beveland. De Toekomstvisie is door de raad vastgesteld op 4 juli
- In de omgevingsvisie is een verdere vertaalslag gemaakt voor de onderwerpen die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving. Vervolgens is deze vertaald in een omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving. Er zijn in december 2019 en januari 2020 expertise-interviews gehouden met de Regionale Uitvoeringsdienst, de Veiligheidsregio, de Ggd, Rijkswaterstaat, het Waterschap, Cleijenborch, Rijckholt, ZLTO, de natuur- en landschapsorganisaties en de recreatiesector. In de periode 1 februari tot 8 maart 2021 zijn 59 organisaties in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorontwerp Omgevingsvisie Noord-Beveland. Hier hebben 26 organisaties gebruik van gemaakt. Besluitvorming en zienswijzen Niet alle ambities gaan samen. We hebben hiervoor alle informatie naast elkaar gelegd en in de gemeenteraad besproken hoe we omgaan met deze botsingen in een gebied of voor een bepaalde opgave. Met het maken van keuzes heeft de gemeenteraad het beleid vastgesteld. Vanaf 14 juni tot en met 25 juli 2021 heeft de ontwerp-omgevingsvisie ter inzage gelegen. Tijdens deze terinzagelegging is een digitale informatiebijeenkomst gehouden, waarin een toelichting op de visie is gegeven, er vragen gesteld konden worden en de deelnemers zijn geattendeerd op de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de terinzagelegging zijn 13 zienswijzen ingediend. In de zienswijzennotitie (link opnemen) zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Een aantal zienswijzen heeft geleid tot aanpassingen die in de vast te stellen omgevingsvisie van 16 december 2021 zijn verwerkt (na vaststelling tekst nog aanpassen). 1.3 Hoe werkt de website? Onze omgevingsvisie is vormgegeven op deze website. Hiermee kunnen we op een duidelijke manier laten zien wat we belangrijk vinden in onze gemeente en waar we naartoe willen. Via de kaart kunt u naar een bepaald gebied gaan, maar als u juist benieuwd bent naar thema’s of ambities kunt u ook via de trefwoorden aan de slag. De omgevingsvisie bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk: ambities, waarden, thema’s en gebieden. Als u benieuwd bent wat er in een gebied speelt, kunt u per gebied bekijken wat het ontwikkelperspectief voor de relevante thema’s is en welke afwegings- en beoordelingskaders hier gelden. Onderstaand leggen we uit wat we met de verschillende termen bedoelen. Ambities: de ambities geven aan waar we in de toekomst naartoe willen met onze gemeente, mede gelet op de opgaven die op ons af komen. Bij een nieuw initiatief zullen we bekijken of dit bijdraagt aan het behalen van onze ambities. Waarden: de waarden geven aan wat de kracht en kwaliteiten zijn van Noord-Beveland. De waarden bepalen het DNA en de identiteit van de gemeente. Deze waarden willen we graag behouden of zelfs versterken met nieuwe initiatieven. Deze waarden zijn grotendeels in de Toekomstvisie benoemd en worden aangevuld met de waarden die de Omgevingswet benoemt. Denk hier bijvoorbeeld aan stilte in het buitengebied, een goede gezondheid en een veilige fysieke leefomgeving. Opgaven: we leven in een dynamische tijd. Er komt een groot aantal maatschappelijke opgaven op ons af, waar we de komende jaren iets mee moeten en iets van moeten vinden. Als voorbeelden noemen we: de energietransitie, de vergrijzing, klimaatadaptatie en de landbouwtransitie en de effecten van de COVID-19-crisis. Ontwikkelperspectieven: per gebied geven we aan wat de ontwikkelrichting en de mogelijkheden binnen dit gebied zijn. De gebieden zijn bepaald op basis van de kwaliteiten van de fysieke leefomgeving, de ruimtelijk-functionele structuur, de mate van dynamiek, de opgaven en de ambities uit de Toekomstvisie. Thema's: in een thema wordt beschreven hoe we in onze gemeente om willen gaan met een bepaald onderwerp. Bij het thema ‘Wonen’ geven we bijvoorbeeld aan welke typen woningen we in Noord-Beveland willen bouwen de komende jaren. Met de omgevingsvisie laten we zien waar we als gemeente voor staan. De combinatie van ‘thema’s’, ‘waarden’ en ‘ambities’ wordt ook wel het toetsings- en afwegingskader genoemd voor nieuwe plannen. Past een plan binnen dit kader, dan kunt u er in beginsel vanuit gaan dat we hier als gemeente positief naar kijken. Voordat een formele aanvraag wordt ingediend hecht de gemeente er aan om alvast het gesprek met de initiatiefnemer aan de gaan. Het is dus belangrijk dat een nieuw initiatief op de juiste manier omgaat met verschillende thema’s, onze waarden behoudt of versterkt en een bijdrage levert aan het behalen van onze ambities! U kunt de website op verschillende manieren gebruiken. Door op de kaart een gebied aan te klikken vindt u alle informatie over het gebied. Wilt u zich juist verdiepen in een thema? Klik dan op het thema in de inhoudsopgave. Op de themapagina leest u waar we staan, welke ontwikkelingen er op ons af komen en wat we daarbij belangrijk vinden. Ook leest u in welke gebieden het thema speelt en welke andere thema’s, waarden en ambities hiermee samenhangen. 1.4 Relatie en samenhang met andere visies en beleid Onze omgevingsvisie heeft relaties met allerlei andere visies en beleidsstukken.De Omgevingswet gaat er vanuit dat de omgevingsvisie hét integrale visiedocument is voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie bevat tenminste de inhoud van het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de structuurvisie. In de omgevingsvisie worden de hoofdopgaven en keuzes gemaakt voor het te voeren integrale beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving.De verhouding en samenhang tussen de omgevingsvisie en andere visies en beleidsdocumenten hebben we opgedeeld in vier categorieën: Gemeentelijke gebiedsgerichte visies: Dit zijn eerder vastgestelde visies of in ontwikkeling zijnde visies die gericht zijn op de ontwikkeling of uitwerking van een specifiek gebied. Denk hierbij aan de Banjaardvisie of de Visie Rondom Colijnsplaat. De essentie en het doel van deze visies zijn opgenomen in deze omgevingsvisie. De gebiedsgerichte visies “hangen” als gebiedsgerichte uitwerkingen/ programma’s onder deze omgevingsvisie. Gemeentelijk sectoraal beleid: De beleidscomponent van dit beleid is opgenomen in deze omgevingsvisie. De sectorale uitvoeringsprogramma’s, voor zover nog actueel, zijn als (beleidsgerichte) programma’s onder deze omgevingsvisie opgenomen. Zo wordt bijvoorbeeld het bestaande archeologiebeleid vertaald c.q. omgezet naar een programma. Provinciale, regionale en gemeentelijke integrale visies: De (maatschappelijke) hoofdopgaven van het provinciaal beleid (Zeeuwse omgevingsvisie) zijn in de omgevingsvisie Noord-Beveland lokaal vertaald. Dit geldt eveneens voor de Visie op de regionale opgaven van de Bevelanden. Hierin worden de bovenlokale en gezamenlijke opgaven opgepakt. De Omgevingsvisie Gemeente Noord-Bevelandvervangt de Structuurvisie Noord-Beveland van
- Bovengemeentelijke gebiedsgerichte visies: Hiermee wordt voor Noord-Beveland gedoeld op de Kustvisie en de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-
- Dit is beleid dat we samen met andere gemeenten/partijen gemaakt hebben, maar dat geen regionaal beleid is maar wel het grondgebied van onze gemeente overstijgt. Deze visies worden eveneens gezien als een gebiedsgerichte uitwerking. In deze omgevingsvisie vindt beleidsmatige afstemming plaats en wordt naar deze visies verwezen als gebiedsgericht programma. De navolgende figuur geeft de samenhang tussen deze omgevingsvisie en de Toekomstvisie Noord-Beveland 2030 weer. Deze figuur laat ook zien welk beleid uit deze omgevingsvisie vertaald wordt naar beleidsuitwerkingen en/of maatregelen in diverse gebiedsgerichte of beleidsgerichte programma’s. Hiermee wordt de opbouw van het toekomstige "beleidshuis" inzichtelijk gemaakt. Op deze wijze wordt een integrale beleidsbenadering en - werkwijze geborgd. Het "beleidshuis" zal de komende jaren geleidelijk worden ingericht. Deze programma’s maken de inhoud van deze omgevingsvisie concreet voor diverse gebieden in of beleidssectoren van de gemeente. In het raadsbesluit is een overzicht van beleidsdocumenten per categorie opgenomen. 1.5 De effecten van de omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving De ambities, zoals opgenomen in de Toekomstvisie, vormen de basis van het te voeren beleid voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren, zoals opgenomen in deze omgevingsvisie. Om de doorwerking van de ambities op de fysieke leefomgeving in beeld te brengen, is een leefomgevingsanalyse opgesteld. Doel leefomgevingsanalyse Het doel van de leefomgevingsanalyse is om aandachtspunten en aanbevelingen voor de vervolgprocessen (programma's, omgevingsplannen en vergunningen) mee te geven aan de gemeente. De aandachtspunten zijn daarom gericht op de ambities van de omgevingsvisie. Inzicht in de waarden van de leefomgeving De analyse is onderverdeeld in verschillende thema’s voor de fysieke leefomgeving. Deze sluiten aan bij de vier waarden van de fysieke leefomgeving in Noord-Beveland. Onder deze waarden hangen verschillende thema’s, dit is weergeven in onderstaande tabel. De fysieke leefomgeving is een breed begrip. Voor de indeling in verschillende categorieën sluit deze leefomgevingsanalyse aan bij de vier waarden uit de omgevingsvisie:
- Gezonde en veilige leefomgeving.
- Cultuurhistorie en erfgoed.
- Groene leefomgeving.
- Een goed toegankelijk en bereikbaar eiland. In de leefomgevingsanalyse is -aanvullend op de ambities- ook naar algemene kenmerken, zoals het ruimtegebruik, de bevolking en het woningaanbod gekeken. Onder de vier waarden hangen verschillende milieuthema’s. De analyse brengt de kwaliteiten van de waarden en onderliggende (milieu)thema’s in beeld en beoordeelt wat dit betekent voor de ambities van de omgevingsvisie. Hieruit volgen aandachtspunten en aanbevelingen, voor de verdere uitwerking van de omgevingsvisie.De bevindingen zijn opgenomen in het rapport Leefomgevingsanalyse Omgevingsvisie Noord-Beveland. 1.6 Rol van de gemeente De rol van de gemeente verandert. Met de omgevingsvisie bekijken we per project, idee of plan welke rol we pakken. Niet voor ieder project neemt de gemeente dus de regie. Er is ook ruimte voor u om als initiatiefnemer zelf aan de slag te gaan. De rol van de gemeente verandert. De gemeente is meer en meer een regisseur en verbinder geworden. Er wordt aan verschillende opgaven gewerkt in verschillende netwerken en met verschillende partners. We zijn tijdens het maken van de Toekomstvisie gesprekken aangegaan met onze inwoners. Op basis daarvan is de Toekomstvisie opgesteld. In het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie is tevens aangegeven welke onderdelen worden opgepakt vanuit deze omgevingsvisie. De gemeente kan de gestelde doelen niet alleen realiseren en wil in samenwerking met inwoners, ondernemers en organisaties de aanpak organiseren. Ook bij de omgevingsvisie maken we een uitvoeringsprogramma dat we toevoegen aan het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie. Daarmee ontstaat een samenhangend programma met beleidsuitwerkingen en maatregelen waarmee de Toekomstvisie (de delen die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving) en de omgevingsvisie werkelijkheid kunnen worden. De gemeenteraad heeft in haar raadsprogramma 2018-2022 aangegeven dat gezamenlijk optreden een basisvoorwaarde en gewenst is om de uitdagingen voor de toekomst aan te gaan. “Kijkend naar onze inwoners willen wij als lokale overheid een andere rol innemen, waarin wij de regie voeren en faciliteren en waarbij de inzet is om te komen tot een gedeelde verantwoordelijkheid voor de verdere ontwikkeling van Noord-Beveland. En daarbij gaat het om zowel de inwoners als de ondernemers en maatschappelijke organisaties. Dat vraagt ook om een andere manier van communiceren. We zijn ons ervan bewust dat een aantal speerpunten van gemeentelijk beleid slechts gerealiseerd kan worden als dat in samenwerking met andere gemeenten, maatschappelijke instellingen etc. geschiedt”. Deze bestuurlijke ambities sluiten aan bij de verbeterdoelen van de Omgevingswet en onze omgevingsvisie. 1.7 Van visie naar uitvoering Voor de uitvoering van deze visie en de relatie met het geldende beleid hanteren we een indeling die is afgestemd op de doorwerking van de omgevingsvisie in programma's en omgevingsplannen. De Omgevingswet beoogt dat met de omgevingsvisie er één beleidsdocument bestaat waarin het beleid voor fysieke leefomgeving op hoofdlijnen en in samenhang is opgenomen. In de omgevingsvisie is dit als uitgangspunt genomen. Tegelijkertijd constateren we dat actuele opgaven telkens om nieuw beleid vragen. Tevens is er sprake van recent vastgesteld (sectoraal) beleid met daaraan gekoppelde uitvoeringsprogramma’s, die nog niet in samenhang met andere beleidsvelden zijn opgesteld. Kortom, er is een continue stroom van beleidsontwikkeling op allerlei beleidsvelden. Iets dat met de Omgevingswet ook niet zal veranderen. Vandaar dat het gehele stelsel van de Omgevingswet is gebaseerd op de zogenaamde beleidscyclus. Het bovenstaande vraagt wel om een nieuwe benadering van beleid en uitvoering, om ook in de toekomst de beleidscyclus op een goede wijze te kunnen hanteren. Van visie naar uitvoering In deze omgevingsvisie hebben we ons strategisch beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving tot 2030 uiteengezet. De wijze waarop we dat gaan doen (de ‘hoe'- vraag) is opgenomen in het uitvoeringsprogramma. Het uitvoeringsprogramma wordt samengevoegd met het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie, zodat er 1 uitvoeringsprogramma ontstaat.De Omgevingswet gaat er van uit dat het beleid voor de fysieke leefomgeving in één document, de omgevingsvisie, in samenhang is beschouwd en opgenomen. In de praktijk is “de winkel tijdens de verbouwing” gewoon open gebleven. Dit betekent dat er nieuw (gebiedsgericht) beleid in ontwikkeling is (bijvoorbeeld de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020 - 2030), maar er ook al langer bestaand beleid van kracht is. Het bestaande beleid kent vaak een beleids- en uitvoeringscomponent en kan niet altijd 1- op-1 worden opgenomen in de omgevingsvisie. Het simpelweg intrekken van het bestaande beleid dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving zou betekenen dat er allerlei hiaten en leemtes gaan ontstaan. Dat willen we uiteraard voorkomen. Daarom gaan we bouwen aan een nieuw 'beleidshuis'. Hiermee wordt inzichtelijk op welke wijze we het bestaande beleid en de lopende trajecten gaan organiseren. Met de vaststelling van deze omgevingsvisie is hiermee een start gemaakt. De transformatie zal de komende jaren gaandeweg gaan plaatsvinden. De reden dat we dit doen is dat we ons beleid, in de geest van de Omgevingswet, meer in samenhang willen bezien (van sectoraal naar integraal). Deze benadering is gebaseerd op de volgende principes: De omgevingsvisie is het enige en overkoepelende beleidsdocument waarin de strategische koers voor de fysieke leefomgeving is beschreven; Het uitvoeringsprogramma van de omgevingsvisie wordt geïntegreerd in het bestaande uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie; Binnen het 'beleidshuis' worden drie componenten onderscheiden: Een uitvoeringscomponent op basis van de Toekomstvisie; Een gebiedsgerichte programmacomponent; Een beleidsgerichte programmacomponent. In de onderstaande figuur is deze nieuwe benadering weergegeven. Programma's Met deze drie componenten worden zowel de lopende gebiedsgerichte projecten als de lopende beleidsmatige trajecten een plek gegeven in het beleidshuis. Daarnaast zijn er ook vastgestelde sectorale of thematische beleidsdocumenten (zoals het gemeentelijk klimaatbeleid), die nog steeds actueel zijn en het afwegings- en beoordelingskader voor nieuwe initiatieven vormen. Deze sectorale (beleids)documenten worden onder de vijf beleidsgerichte programma’s “gehangen”. Deze vijfdeling zorgt ervoor dat de toekomstige uitwerking ook integraal plaatsvindt. In het raadsbesluit, waarbij deze visie is vastgesteld, is aangegeven op welke wijze deze programma's zijn 'gevuld'. Bij het opstellen van het omgevingsplan wordt bepaald welke visie- en programmaonderdelen hierin worden geborgd. Het uitvoerings- en actieprogramma zal geënt zijn op de nog vast te stellen participatienota.Samengevat betekent dit het volgende: We rangschikken ons bestaande beleid onder 5 beleidsgerichte uitvoeringsprogramma’s; Onder deze 5 programma’s kunnen meerdere deelprogramma’s worden opgesteld (bijvoorbeeld een Klimaat- en energieprogramma); We spreken voortaan niet meer over “visies” (bijvoorbeeld “klimaatvisie”) maar over programma’s. De term visie is voorbehouden aan de omgevingsvisie. Dit om in de toekomst verwarring te voorkomen; De programma’s (dit kunnen beleidsprogramma’s, uitvoeringsprogramma’s of gebiedsgerichte programma’s zijn) passen binnen het beleid van de omgevingsvisie. Is dit niet het geval, dan wordt de visie geactualiseerd of herijkt. Zo houden we ons beleid actueel en voorkomen we dat er beleidsconflicten ontstaan. Deze nieuwe ordening heeft uiteraard geen consequenties voor de inhoud van het beleid en/of beleidskeuzes. Dit is aan de gemeenteraad. COVID 19 Hoewel de omgevingsvisie op de lange termijn is gericht
(2030), is het niet ondenkbaar dat de gevolgen van de COVID-19-pandemie vragen om maatregelen en acties die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving, het beleid of een ruimtebeslag tot gevolg hebben. De omgevingsvisie zou eventuele maatregelen na de coronacrisis in ieder geval niet in de weg moeten staan. Voor zover mogelijk is bij het opstellen van de visie rekening gehouden met de gevolgen van de coronacrisis. Bij de consultatie van de stakeholders is hier nadrukkelijk aandacht aan besteed. Rol van de gemeente in het uitvoeren van de omgevingsvisie Bij uitvoering van de omgevingsvisie handelen we in de geest van de Omgevingswet. Hiermee zetten we onze huidige sturingsfilosofie in wezen voort. We betrekken de stakeholders, nemen de regie waar nodig en faciliteren waar dit kan, waarbij stimuleren de rode draad in ons handelen is. Kostenverhaal en financiële bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkelingen Bij het uitvoeren van projecten van initiatiefnemers maken wij als gemeente kosten. Deze kosten betaalt de initiatiefnemer. Hiervoor leggen we in principe afspraken vast in een (anterieure) overeenkomst met deze initiatiefnemer. Lukt dit niet, dan kunnen we (nu nog) met een exploitatieplan de kosten alsnog (achteraf) verhalen. Een exploitatieplan voorziet in een publiekrechtelijke borging van het kostenverhaal. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt het exploitatieplan. Dit publiekrechtelijke kostenverhaal wordt/is geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De term grondexploitatiekosten wordt/is vervangen door kosten die gemaakt zijn voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen: wetscontext Bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen hebben betrekking op maatschappelijk belangrijke functies, zoals natuur, recreatie, landschap, een evenwichtige woningvoorraad en infrastructuur.De Wet ruimtelijke ordening bood met artikel 6.24 de mogelijkheid om daarvoor anterieur een financiële bijdrage te vragen van initiatiefnemers als deze ontwikkelingen in een structuurvisie zijn opgenomen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is artikel 13.22 in de plaats van artikel 6.24 Wro getreden. De aangewezen ontwikkelingen waarover een overeenkomst kan worden gesloten staan in artikel 8.20 van het Omgevingsbesluit (Ob). Naast deze minnelijke variant (artikel 13.22 Ow) hebben de financiële bijdragen in de Omgevingswet ook een publiekrechtelijk afdwingbare variant (artikelen 13.23 en13.24 Ow). Voor de omgevingsvisie Noord-Beveland 2030 richten we ons op de minnelijke (vrijwillige) variant. In de onderstaande figuur is het bovenstaande gevisualiseerd. De gevraagde financiële bijdrage kan worden ingezet voor de realisatie van maatschappelijke functies. De gemeente kan dit dus opnemen in een overeenkomst met de betreffende initiatiefnemer. Er dient wel sprake te zijn van een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de betalende en ontvangende ontwikkeling. Deze samenhang wordt in deze paragraaf beschreven c.q. toegelicht. Omdat de omgevingsvisie is vastgesteld onder de Wro is het overgangsrecht zoals opgenomen in de Invoeringswet Omgevingswet ten aanzien van het kostenverhaal en financiële bijdragen van toepassing. Deze regeling heeft een eerbiedigende werking. Toepassing minnelijke financiële bijdrage In deze omgevingsvisie is beschreven welke basiswaarden de gemeente wenst te behouden, verbeteren of ontwikkelen. Daarnaast is in de visie beschreven voor welke (maatschappelijke) opgaven de gemeente staat, zoals de klimaat- woningbouw- en energietransitieopgave. Bij de beoordeling van een initiatief wordt nagegaan welke ruimtelijke impact dit heeft op de basiswaarden. De gemeente vindt het daarnaast belangrijk dat ontwikkelingen die worden toegestaan een bijdrage leveren aan de verduurzaming en de toekomstbestendigheid van Noord-Beveland. De financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkeling wil de gemeente daarom onderbrengen in een fonds. In termen van betalende en ontvangende ontwikkelingen zien wij een volgende samenhang. Energieopwekking: Het plaatsen van zonnepanelen op niet primair-agrarische gronden draagt bij aan de verduurzaming van onze gemeente, maar heeft impact op het landschap. In deze omgevingsvisie zet de gemeente in op het stimuleren van zonnepanelen op daken en het verlenen van subsidie voor het isoleren van woningen, waarmee op termijn het landschap niet meer aangetast wordt. Daar waar de gemeente de plaatsing van zonnepanelen op daken/constructies boven agrarische gronden wel toestaat, wordt een bijdrage gevraagd van € 10,00 per m2 dak/constructie op welke zonnepanelen worden gelegd, welk bedrag wordt gestort in het fonds om de stimuleringsmaatregelen/subsidies op het gebied van verduurzaming/energietransitie voor particulieren mede te kunnen financieren.Het bedrag van € 10,00 per m2 is als volgt tot stand gekomen: de prijs van bedrijfsgrond bedraagt € 100,00 per m
- Het bedrag dat in het fonds wordt gestort vertegenwoordigt 10% van de grondprijs voor bedrijfsgrond, dit in verband met het meervoudig ruimtegebruik dat als expliciete voorwaarde geldt voor de plaatsing van zonnepanelen op daken/constructies boven agrarische grond. In Noord-Beveland dienen richting 2050, 4.500 woningen te worden verduurzaamd. Verduurzaming kost gemiddeld € 25.000,00 per woning. Gelet hierop moet er voor een bedrag van 112,5 miljoen euro worden verduurzaamd. De gemeente wil hier een bijdrage aan leveren middels subsidies en stimuleringsmaatregelen die worden gefinancierd vanuit het fonds. Recreatieontwikkeling en woningbouwmogelijkheden: Recreatieve ontwikkelingen in de vorm van functiewijzigingen naar bijvoorbeeld recreatiewoningen* dan wel uitbreiding van (recreatieve) bouwmogelijkheden leiden tot ruimteclaims die impact hebben op de kernkwaliteiten, basiswaarden en structuren van en op Noord-Beveland. Om ervoor te zorgen dat deze landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten en structuren binnen onze gemeente behouden blijven dan wel versterkt worden (zoals fiets-wandelstructuur, landschapsontwikkeling) vragen wij in de volgende gevallen een vrijwillige bijdrage ten behoeve van het fonds: Bij een functiewijziging van kampeereenheden naar recreatiewoningen en/of permanente woningen bedraagt de bijdrage € 5.000,00 per bestemde recreatie- of permanente woning; Bij een bestemmingswijziging waarbij sprake is van nieuw te bestemmen recreatie- of permanente woningen bedraagt de bijdrage € 5.000,00 per bestemde recreatie- of permanente woning. Het bedrag van € 5.000,00 is gebaseerd op de Handreiking Verevening 2012-2018 van de Vereniging Zeeuwse Gemeenten (VZG). * Recreatiewoning: een gebouwd recreatief nachtverblijf met een vloeroppervlak (begane grond) van meer dan 70 vierkante meter en/of een nokhoogte hoger dan 5,5 meter. 2 Ambities 2.1 Kernambitie De kernambitie is dat Noord-Beveland in 2030 bruist en leeft dankzij de divers samengestelde bevolking, de innovatieve en ondernemende inwoners en ondernemers en het toerisme, en dat tegelijkertijd de rust, de natuur en het weidse landschap behouden worden. Noord-Beveland staat daarmee richting 2030 voor de opgave om de balans te behouden tussen rust en ruimte en bedrijvigheid en toerisme. Deze kernambitie is vertaald naar vier ambities (opgaven). 2.2 Vitale kernen in een vitale gemeente Noord-Beveland investeert in een goede leefomgeving. Noord-Beveland gaat verpaupering van de woningen in de kernen tegen en zoekt naar een passende oplossing voor vrijkomende gebouwen in het buitengebied. In de hechte gemeenschap op Noord-Beveland wordt iedereen betrokken. In alle kernen is ruimte voor activiteiten, gericht op elkaar ontmoeten. Verenigingen en bewonersinitiatieven gericht op kleinschalige en persoonlijke woon- en zorgvormen worden door de gemeente ondersteund. 2.3 Bruisende en bedrijvige gemeente Noord-Beveland is een bruisende en bedrijvige gemeente. De agrarische sector en de toeristische sector zijn belangrijke pijlers voor de economie op Noord-Beveland. Daarnaast stimuleert Noord-Beveland initiatief en innovatie in diverse sectoren, zoals zorg, aquacultuur en detailhandel. Om een florerende economie te behouden is het van belang om innovatie en vernieuwing te stimuleren, passend bij het DNA van Noord-Beveland. De sectoren recreatie & toerisme, landbouw en aquacultuur moeten kunnen groeien naar behoefte en passendheid. Er worden verbindingen gelegd tussen sectoren zoals gezondheid, recreatie & toerisme en landbouw waarbij ondernemers, gasten en inwoners baat hebben. De agrarische sector is innovatief, hierbij speelt Proefboerderij Rusthoeve een belangrijke rol. Initiatieven voor het invullen voor leegstaande (agrarische) gebouwen worden zoveel mogelijk ondersteund. 2.4 Open en klimaatneutraal eiland Noord-Beveland wordt een klimaatneutraal en klimaatbestendig eiland. De overstap naar duurzame energie gaat niet ten koste van het landschap. Noord-Beveland koestert haar open landschap, water en erfgoed. 2.5 Regie over eigen eiland Het bestuur op Noord-Beveland is bereikbaar en toegankelijk. De gemeente werkt intensief samen met buurgemeenten en betrekt burgers zoveel mogelijk bij besluitvorming. Deze ambitie uit de Toekomstvisie geeft in grote lijnen aan op welke wijze het bestuur haar rol ziet. In de omgevingsvisie wordt deze ambitie vertaald in gebiedsgerichte kaders. Die kaders beschrijven wat er, gelet op de waarden en ambities, mogelijk is op een specifieke plek in de gemeente. Naarmate de waarden en/of ambities toenemen in belang worden de kaders, en daarmee de sturing, sterker. 3 Waarden 3.1 Inleiding Onder de waarden van onze gemeente verstaan we de huidige kwaliteiten van onze fysieke leefomgeving. Sommige waarden hebben betrekking op de identiteit van het gebied en zijn in het verleden ontstaan. Bij nieuwe initiatieven wordt rekening gehouden met de waarden. Ze blijven behouden of worden het liefst zelfs versterkt. Deze beschrijving van de kwaliteiten leidt tot de vijf kernkwaliteiten van Noord-Beveland en vier kernwaarden. Voorzorgsbeginselen In de Omgevingswet zijn vier beginselen opgenomen, waarmee in de omgevingsvisie rekening gehouden moet worden, namelijk: het voorzorgsbeginsel; het beginsel van preventief handelen; het beginsel dat milieubelastingen bij voorrang aan de bron bestreden moeten worden; het beginsel dat de vervuiler betaalt. Deze beginselen beschermen de fysieke leefomgeving tegen onevenredig nadelige gevolgen van activiteiten en komen uit het milieurecht zoals dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt. We gebruiken deze beginselen om te bepalen welke regels we (in het omgevingsplan) aan activiteiten gaan stellen. De doorvertaling van de beginselen vindt dus plaats bij de uitwerking en vertaling van het omgevingsvisiebeleid in een omgevingsplan. Kernwaarden Onder de waarden van onze gemeente verstaan we de kwaliteiten van de fysieke leefomgeving in een gebied. Sommige waarden hebben betrekking op de identiteit van het gebied en zijn in het verleden ontstaan. Hierbij kan in de kernen gedacht worden aan monumentale gebouwen en het stratenpatroon. In het buitengebied zijn de waarden terug te vinden in de eigenschappen van het landschap. Bij nieuwe initiatieven wordt rekening gehouden met de waarden. Ze blijven behouden of worden het liefst zelfs versterkt.In de Omgevingswet worden tien onderdelen van de fysieke leefomgeving opgesomd waaraan de omgevingsvisie in ieder geval aandacht moet besteden. We hebben hier nog aspecten aan toegevoegd die sterk van invloed zijn op de (toekomstige) kwaliteit van de leefomgeving. Voor de beschrijving van de kwaliteit van de leefomgeving op Noord-Beveland gebruiken we de volgende indeling: Basiskwaliteiten De basiskwaliteiten omschrijven we in deze omgevingsvisie per gebied. Hieronder geven we een overzicht van de basiswaarden binnen de fysieke leefomgeving en de wijze waarop we hiermee willen omgaan (strategie). 3.2 Vijf kernkwaliteiten In de Toekomstvisie zijn vijf kernkwaliteiten van Noord-Beveland benoemd: Kernkwaliteit 1: Centraal eiland in de Delta. Kernkwaliteit 2: Open landschap en natuur. Kernkwaliteit 3: Bedrijvigheid in agrarische sector. Kernkwaliteit 4: Bruisend toerisme. Kernkwaliteit 5: Saamhorigheid in de kernen. Deze kwaliteiten vormen de kern van wat Noord-Beveland onderscheidt en bijzonder maakt. Deze vijf kernkwaliteiten gelden in deze omgevingsvisie als vertrekpunt en uitgangspunt voor het beleid voor de (fysieke) leefomgeving. Daarbij zijn zij ook gebruikt om tot een gebiedsindeling te komen. Binnen deze gebieden worden doelen en opgaven verder uitgewerkt en wordt aangeven wat de kaders zijn voor ontwikkelingen en initiatieven. Kernkwaliteit 1: Centraal eiland in de Delta Noord-Beveland is een voormalig eiland, centraal gelegen in de Zeeuwse Delta. Het wordt omringd door drie wateren: in het noordwesten de Noordzee, in het noorden en oosten het Nationaal Park Oosterschelde en in het zuiden het Veerse Meer. Dit geeft de gemeente duidelijke grenzen en zorgt voor een sterke identiteit. Inwoners delen een eilandgevoel. Door de centrale ligging was Noord-Beveland in het verleden een knooppunt in het handelsnetwerk. In de Romeinse tijd ontstond een bloeiende haven en handelsnederzetting ter hoogte van het huidige Colijnsplaat. Reders, schippers en handelaren plaatsten ter bevordering van een behouden vaart een altaar in de tempel ter ere van de inheemse godin Nehalennia. In Colijnsplaat staat een gereconstrueerde Romeinse tempel die aan haar is gewijd. Tot 1960 was Noord-Beveland alleen per boot bereikbaar. Daarna is Noord-Beveland ontsloten door de aanleg van de Zandkreekdam, de Veerse Gatdam, de Zeelandbrug en de Oosterscheldekering. Deze vier waterstaatswerken maken deel uit van de wereldberoemde Deltawerken. Er zijn nu goede verbindingen. Vlissingen, Middelburg en Goes zijn binnen een half uur te bereiken en Rotterdam en Antwerpen binnen een uur. De doorstroming en bereikbaarheid van de ontsluitingswegen, met name naar Goes, zijn aandachtspunten. Kernkwaliteit 2: Open landschap en natuur Dat Noord-Beveland een eiland is, komt ook tot uiting in het landschap. Het eiland kent een geschiedenis van bedijken, overstromen en opnieuw bedijken. Door de grote stormvloeden in 1530 (Sint Felix quaede Saturdach) en 1532 (Allerheiligenvloed) raakte het hele eiland overstroomd. Het land heeft bijna 70 jaar lang grotendeels onder water gelegen, waarna het langzaam weer is ingepolderd. De laatste polders zijn in de eerste helft van de 19e eeuw tot stand gekomen. De nieuwe polders kregen een grootschalige en zakelijke inrichting, waarvan de Oud-Noord-Bevelandpolder het beste voorbeeld is. Het landschappelijke beeld van Noord-Beveland kan vooral worden gekenmerkt als een grootschalig weids zeekleilandschap. De eindeloze vergezichten over het agrarische land en het water geven Noord-Beveland karakter. Het open landschap, afgewisseld met boomdijken, geeft een gevoel van ruimte, overzichtelijkheid en veiligheid. Noord-Bevelanders en toeristen genieten van het landschap en de rust en ruimte.Het landschap verandert met de seizoenen. In de zomer bloeien de akkerranden, in de winter ogen de polders nog weidser. Stoere boerderijen en kleine linten bebouwing liggen verspreid over de polders. Dijkbeplanting, kleinschalige boomgaarden en bossen, zoals de Goudplaat, de Schotsman en het Bokkegat, doorbreken de weidsheid. Aan de noordrand van Noord-Beveland is een aaneengesloten reeks inlagen en karrevelden te vinden. De inlagen, op Noord-Beveland ook wel kupen genoemd, zijn kleine gebiedjes tussen twee dijken in. Hier varieert het huidige landschapsbeeld van moerassig grasland of rietveld tot open water. Veel (water)vogels vinden hier hun rust en voedsel. De noordelijke dijken liggen aan de Oosterschelde, het grootste en natste Nationaal Park van Nederland. De Oosterschelde was van oorsprong een riviermonding en is door de aanleg van de Deltawerken in 1986 veranderd in een half-afgesloten zeearm. De Oosterschelde is naast een beschermd natuurgebied ook economisch van belang door de mossel- en oestervisserij, beroepsvaart en recreatieondernemers. Aan de zijde van het Veerse Meer wisselen recreatieve clusters en natuurgebieden, zoals de Schotsman en Goudplaat, elkaar af. Kernkwaliteit 3: Bedrijvigheid in agrarische sector Noord-Beveland is een ondernemende gemeente. De bedrijvigheid op Noord-Beveland is grotendeels verdeeld over twee belangrijke economische pijlers: de agrarische sector en de toeristische sector. Het midden-en kleinbedrijf maakt hier het overgrote deel van uit, maar Noord-Beveland kent ook een aantal grote bedrijven.De agrarische sector is een van de belangrijkste pijlers van de economie van Noord-Beveland. Noord-Beveland is van oorsprong agrarisch gebied. Het grootste deel van het eiland bestaat dan ook uit agrarisch land. Agrariërs richten zich met name op de teelt van aardappels, tarwe, uien en suikerbieten en zijn de stoffeerders van het (open) landschap. Ook zijn fruitteeltbedrijven en melkveehouderijen aanwezig. Het Agrarische Innovatie- en Kenniscentrum Rusthoeve speelt een belangrijke rol bij het stimuleren van innovatie in de agrarische sector. Nieuwe bedrijven houden zich bezig met aquacultuur, waarin Noord-Beveland zich koploper mag noemen. Aquacultuur is afhankelijk van zout water van hoge kwaliteit, dat is in de Oosterschelde en specifiek in het deel van de Oosterschelde rondom Colijnsplaat in grote mate beschikbaar. Beleidsmatig is daarom tussen Colijnsplaat en Kats een gebied voorzien waar de aquacultuur zich verder kan ontwikkelen. Door de vorming van een cluster kunnen bedrijven op het gebied van aquacultuur elkaar versterken. Tevens wordt voorzien in gemeenschappelijke (facilitaire) voorzieningen. Hiermee wordt deze pionierende sector versterkt en behoudt Noord-Beveland zijn rol als koploper in aquacultuur. Aquacultuur kan mooie combinaties opleveren met de visserij, die in Colijnsplaat vanaf 1961 een plek heeft gekregen, nadat de Veerse Gatdam Arnemuiden afsloot van de Noordzee. Kernkwaliteit 4: Bruisend toerisme De toeristische sector is de tweede pijler waar de economie van Noord-Beveland op steunt. Noord-Beveland beschikt over 50 kilometer kustlijn, recreatiestranden en jachthavens. Dit maakt Noord-Beveland tot een geliefde recreatieve bestemming.Toerisme en recreatie is een belangrijke economische drager. De kust biedt veel mogelijkheden op het gebied van waterrecreatie voor inwoner en toerist. De stranden en jachthavens behoren tot de top van Nederland en worden jaarlijks beloond met een Blauwe Vlag. De verblijfsrecreatie vindt hoofdzakelijk plaats in de zone langs het Veerse Meer, de Noordzee en een gedeelte van de Oosterscheldekust. Daarmee speelt het gebied in op haar primaire aantrekkingskracht: het water. Ook het agrarisch open landschap lokt veel mensen naar Noord-Beveland, juist de combinatie van dit landschap met de watergerelateerde recreatie maakt het eiland aantrekkelijk. Ook de vele watersportmogelijkheden zijn belangrijke aanjagers van het toerisme. In de zomer verblijft ten opzichte van het aantal vaste inwoners een veelvoud van mensen op het eiland. Ruimte, rust en openheid nodigen toeristen uit om van de natuur te genieten op de stranden of wandel- en fietspaden. De verblijfsrecreatie kent een diverse samenstelling. De zes grote campings bedienen elk een eigen markt. Dankzij de vele toeristen is het voorzieningenniveau op Noord-Beveland hoog. Kernkwaliteit 5: Saamhorigheid in de kernen De inwoners voelen zich verbonden met het eiland. Als eilandbewoners zijn de Noord-Bevelanders van oudsher op zichzelf aangewezen. De strijd tegen het water heeft het eiland en de oorspronkelijke bewoners gevormd. Hierdoor laten Noord-Bevelanders zich niet snel uit het veld slaan en zijn ze ondernemend. Noord-Beveland kent zes woonkernen en een aantal buurtschappen. Elke kern heeft door haar ligging en functie een eigen identiteit en kwaliteiten. Noord-Beveland kent een actief en divers verenigingsleven. Hier nemen Noord-Bevelanders, maar ook mensen van buiten het eiland, op een betrokken manier deel aan de Noord-Bevelandse samenleving. Muziekverenigingen, sportclubs, initiatieven op het gebied van cultuur en andere sociale verenigingen brengen inwoners op Noord-Beveland samen. Er zijn kwalitatief goede sportvoorzieningen. Er zijn vier betrokken basisscholen. Ook voor de jeugd wordt veel georganiseerd. Stichting Ouderenzorg Noord-Beveland levert op innovatieve wijze kwalitatief goede zorg op het eiland. Daarnaast voorziet het zorgconcept “Landgoed Rijckholt” bij Geersdijk in een toenemende zorgvraag. 3.3 Vier kernwaarden 3.3.1 Gezonde en veilige leefomgeving Het in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een van de hoofddoelen van de Omgevingswet. Veel onderwerpen hebben hiermee te maken. Een gezonde leefomgeving gaat enerzijds over milieuaspecten (de effecten als gevolg van activiteiten zoals geluid, geur) en anderzijds om de omgevingsaspecten (de aanwezigheid van groen, ruimte, kwaliteit van de ruimte om ons heen). Geluid Er zijn twee geluidbronnen op Noord-Beveland; het wegverkeersgeluid en het industrielawaai die gebonden zijn aan zeer specifieke locaties (provinciale wegen en bedrijfskavels). Daarnaast komen verspreid over Noord-Beveland horeca (voornamelijk in de kernen), windturbinesen verspreide bedrijvigheid voor. Deze functies kunnen geluid en de bijbehorende overlast veroorzaken. Ook luchtverkeer boven Noord-Beveland produceert geluid.Binnen de geluidcontouren van de drie hoofdontsluitingswegen (N255; N57 en N256) zijn met uitzondering van Campensnieuwland geen kernen of bebouwingsconcentraties gelegen. Deze liggen op ruime afstand van de genoemde wegen. In de directe omgeving van de N57 ligt wel een aantal verblijfsrecreatieclusters, maar deze zijn van het geluid afgeschermd met een geluidswal. Op Noord-Beveland heeft de groenvoederdrogerij nabij Kortgene een geluidszone industrielawaai (50 decibel) op basis van de EU Richtlijn omgevingslawaai 2018-
- Daarnaast heeft de Haven Kats een geluidzone. In de haven van Kamperland is een betonbedrijf gevestigd met een geluidzone, zie het navolgende figuur. Binnen het geldende bestemmingsplan voor de haven van Kamperland bestaan geen conflicten tussen deze geluidzone en de omliggende bestemmingen. Op veel plekken en in de meeste kernen is met betrekking tot geluid sprake van een overwegend rustig woon- en leefklimaat met normale woon- en leefgeluiden. Geluidzone betonbedrijf in de haven van Kamperland( de geluidzone is de geaccentueerde contour) Geur De groenvoederdrogerij nabij Kortgene en de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap nabij Kamperland hebben een geurzone. Daarnaast is er een aantal agrarische bedrijven die geurhinder veroorzaken. Deze bedrijven zijn zodanig gelegen dat er geen conflicten zijn met gevoelige functies. Bij mogelijke wijzigingen van de functie van agrarische bedrijven, naar bijvoorbeeld wonen of andere geurgevoelige functies, wordt rekening gehouden met de ontwikkelmogelijkheden van agrarische bedrijven. Daarnaast wordt rekening gehouden met wet- en regelgeving om agrarische bedrijven voldoende perspectief te bieden. Hierbij wordt steeds gekeken op welke wijze een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Lucht(kwaliteit) Op Noord-Beveland zijn er naast het gemotoriseerde verkeer geen bronnen die een invloed van betekenis hebben op de luchtkwaliteit. Op het gebied van de mobiliteit geldt er vanuit de klimaatdoelstelling een landelijk CO2-reductiedoel dat gezamenlijk met alle betrokken partners wordt opgepakt. In alle kernen van Noord-Beveland zijn openbare laadpunten voor elektrisch vervoer aanwezig. Het aantal laadpunten is echter nog beperkt. Water- en bodemkwaliteit Vrijwel geheel Noord-Beveland bestaat geologisch gezien uit Duinkerke-IIIb-afzettingen. Deze zijn ontstaan door de vele overstromingen die sinds 1300 hebben plaatsgevonden. In 1530 en 1532 vonden stormvloeden plaats met als gevolg dat het eiland vele jaren onder water heeft gestaan. In deze periode had de dynamiek van de zee vrij spel. Tevens ontstonden kreken door de langdurige blootstelling aan de werking van de zee.Vanaf 1598 zijn grote delen van Noord-Beveland als rationele polders ingepolderd en ontstond het nieuwland. Op enkele plaatsen zijn nog kreekrestanten herkenbaar als lagere delen in het landschap of als smalle kronkelende watergangen. De bodem van het buitengebied van Noord-Beveland bestaat voornamelijk uit lichte schorgronden. Zware schorgronden zijn met name aan de zuidwestzijde van Noord-Beveland te vinden. De concentraties zand- en plaatgronden zijn centraal en in de zuidelijke punt van het eiland te vinden. De diepere bodemlaag bestaat voor het overgrote deel uit klei. Ter plaatse van de duinen langs de kust zijn zandgronden te vinden.Water dringt in de bodem tot het een niet-doorlatende laag bereikt. Boven deze laag raakt de grond verzadigd en spreken we over grondwater. De hoogte waarbij deze verzadiging optreedt, is het grondpeil.Op Noord-Beveland is er geen tot zeer geringe zoetwaterbelvorming. Alleen in de westelijke punt zijn twee gebieden aangeduid als locatie met een geringe belvorming. Binnen het gehele grondgebied van Noord-Beveland zijn geen grondwater-beschermingsgebieden aanwezig. Wel zijn er kwetsbare gebieden, bestaande uit natuur, landbouw/natuur en drinkwater en de bijbehorende bufferzone, aanwezig. Deze liggen vooral aan de randen van het eiland, enkele zijn meer centraal gelegen. Mogelijkheden voor water om in de bodem te dringen zijn er maar weinig. Alleen rondom Colijnsplaat en langs de zuidwestzijde van Noord-Beveland zijn er mogelijkheden voor deze infiltratie. Ditzelfde geldt voor de zettingsgevoeligheid. Zetting is een proces in de bodem waarbij grond door belasting/druk van bovenaf wordt samengedrukt. De zettingsgevoeligheid hangt af van het bodemtype en de hoeveelheid vocht in de bodem. Waar er infiltratiemogelijkheden zijn, is het gebied weinig zettingsgevoelig. Het grootste gedeelte van Noord-Beveland is zettingsgevoelig. Bodem De overheid werkt aan beleid voor duurzaam gebruik van de bodem. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie. De gemeentelijke rol wat betreft bodem is om te zorgen dat er bij het vaststellen van ruimtelijke plannen wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is voor het huidige of toekomstige gebruik van de bodem. Verontreiniging Verontreinigingen in de bodem kunnen een bedreiging vormen voor mens en natuur. Een goed beeld van mogelijke verontreinigingen helpt de overheid om risico’s voor gezondheid of natuur te voorkomen. Over het algemeen is de bodem in de gemeente Noord-Beveland voldoende onderzocht en/of gesaneerd. Plekken waar onvoldoende bekend is over de kwaliteit van de bodem zijn in kaart gebracht. Voormalige stortplaatsen Voormalige stortplaatsen vormen een potentiële bedreiging voor de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. Na het beëindigen van de stortactiviteiten worden daarom maatregelen getroffen, die blootstellings- en verspreidingsrisico’s moeten voorkomen. De monitorings-frequentie is afhankelijk van de aard en omvang van de restverontreinigingen en het bodemgebruik van de nazorglocatie.In Noord-Beveland zijn negen voormalige stortlocaties aanwezig (zie onderstaand figuur). Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen manieren van afronding: een afdeklaag en grondwaterzuivering of afgraven.Een afdeklaag en grondwaterzuivering worden in combinatie uitgevoerd. De volgorde in tijd kan hierin echter sterk verschillen. Dit heeft te maken met de voormalige functie van de stortplaats. Wanneer hier verhoogd risico is op grondwaterverontreiniging door de functie van bedrijfsafval of agrarisch afval, dan is de urgentie hoger om het grondwater te zuiveren. In de gevallen van bouw- en sloopafval wordt er vaak in beginsel een afdeklaag aangebracht.Afgraving wordt overwogen wanneer er een verhoogd risico is ingeschat en er een voldoende dikke afdeklaag wordt aanbevolen. Dit is op Noord-Beveland op één enkele plek uitgevoerd, in de inlaag Anna Frisopolder. Voormalige stortlocaties Provincie Zeeland Voormalige stortlocaties De meeste aandachtsgebieden voor bodemkwaliteit liggen in het buitengebied. Bij eventuele aanleg van nieuwe functies dient hier rekening mee gehouden te worden. Binnen de stedelijke gebieden van Noord-Beveland liggen enkele locaties waar de bodemkwaliteit onbekend of onvoldoende onderzocht is. Door deze gebieden in het nog op te stellen omgevingsplan te beschermen door middel van een onderzoeksplicht kunnen gezondheidsrisico’s voorkomen worden. Omgevingsveiligheid/externe veiligheid Op basis van het regionale risicoprofiel zijn met name de klimaatrisico’s van belang voor deze omgevingsvisie. Het gaat hierbij om waterveiligheid, natuurbrandrisico, calamiteitenroutes en hittestress. Het regionaal risicoprofiel is een inventarisatie en analyse van aanwezige risico's in één van de 25 veiligheidsregio’s in Nederland, inclusief relevante risico's uit aangrenzende gebieden. Waterveiligheid De dijken die Zeeland beschermen tegen (extreem) hoog water zijn op deltahoogte. Mocht het waterpeil ooit weer op het niveau van 1953 komen, dan kunnen deze dijken dat waterpeil weerstaan. Op nationaal en provinciaal niveau worden de klimaatrisico’s voor de Delta gezamenlijk beleidsmatig opgepakt en uitgewerkt (onder andere Deltaplan Waterveiligheid, Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050). Mogelijke maatregelen die hieruit voortvloeien voor Noord-Beveland zullen rechtstreeks worden doorvertaald in het nog op te stellen omgevingsplan. Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050: agenda 2030 Oosterschelde en Veerse Meer Het voorkomen van overstromingen heeft in de Zuidwestelijke Delta de allerhoogste prioriteit door onder andere dijkversterkingen en waterkeringen. Toch bereidt de regio zich ook voor op de gevolgen van een overstroming. Er zijn immers grenzen aan preventieve maatregelen en de verwachting is dat weersomstandigheden steeds extremer worden. Daarbij wordt ingezet op meerlaagse veiligheid. Het gaat daarbij om 3 lagen:
- het voorkomen van overstromingen;
- waterrobuuste ruimtelijke ordening en
- evacuatie en zelfredzaamheid van burgers en organisaties. Op dit moment is Noord-Beveland nog onvoldoende voorbereid op deze extreme omstandigheden. Zo loopt een deel van de belangrijkste doorgaande weg, de N256, als eerste onder en er zijn nog geen geschikte hoogwatervluchtplaatsen. De visie heeft een termijn van 10 jaar. De kans dat dergelijke ontwikkelingen zich al binnen deze periode voordoen is misschien niet waarschijnlijk, maar het is wel raadzaam om dit mee te nemen als afweging bij ruimtelijke ontwikkelingen of als er zich koppelkansen voordoen. Zo kan bijvoorbeeld bij een eventuele verbreding van de N256 een ophoging worden aangekaart, er kunnen zoekgebieden worden aangewezen voor “safe shelters” / hoogwatervluchtplaatsen” en waar mogelijk als zodanig worden ingericht. Doorlaten met ongewenste effecten kunnen van een deur worden voorzien (fietstunnels en dergelijke) en met overtollige grond kunnen lage vlakken dijk opgehoogd worden. Verdergaand is een maatregel als ‘omhoog bouwen’. Niet de grond in met de fundering, maar op bestaand maaiveld. Dit vraagt nadere uitwerking in een programma.Thema’s als klimaatadaptatie en zoetwatervoorziening worden wel nader uitgewerkt in deze omgevingsvisie. Klimaatadaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren, moeten we ons voorbereiden op klimaatverandering. We moeten rekening houden met hevige regenbuien, (langere) periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Volgens het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie moeten gemeenten, samen met waterschappen, provincies en het Rijk de kwetsbaarheid van hun gebied in beeld gebracht hebben met een stresstest. De stresstesten worden vervolgens iedere zes jaar herhaald. Voor Noord-Beveland is in 2016 een klimaatstresstest uitgevoerd.In deze test zijn vijf thema’s onderzocht, te weten: hittestress en droogte, wateroverlast, kort en hevig, langdurig nat en waterveiligheid. Geconstateerd wordt dat Noord-Beveland het veiligste eiland is in de Zeeuwse Delta. De test heeft geleid tot een groot aantal aanbevelingen, die om een nadere uitwerking vragen. Deze uitwerking vindt plaats in ons klimaatbeleid. Klimaatstresstest: overstromingsrisico's en risicobeheersing Natuurbrandrisico Regionaal is de Risico Index Natuurbrand (RIN) & Analyse opgesteld. Hierin staat een aantal concrete maatregelen, waarmee rekening gehouden kan worden om de natuurbrandrisico’s en de effecten ervan te beheersen. Gedacht moet worden aan het toepassen van afstandsmaten tussen een natuurgebied en een recreatiegebied. Dit is een aandachtspunt bij nieuwe ontwikkelingen, waarop de Veiligheidsregio zal toetsen. Calamiteiten- en hulpverleningsroutes De vergrijzing, het wegtrekken van jongeren uit de gemeente en de grote hoeveelheid toeristen zijn ontwikkelingen die de kans op de noodzaak tot acute hulpverlening binnen de gemeente verhogen. Het is van belang dat de kernen, de recreatiegebieden en het gehele eiland goed bereikbaar blijven. Dit vormt een aandachtspunt. De Oost-Westweg is een belangrijke hoofdader. Daarnaast vormt de Deltaweg een belangrijke ontsluitingsroute van en naar Noord-Beveland. Met name de bereikbaarheid van de Deltaweg van en naar Goes vormt een knel- en aandachtspunt. In geval van calamiteiten op deze route wordt de toegankelijkheid van Noord-Beveland voor de hulpverlening belet. Externe veiligheid Op Noord-Beveland bevinden zich zogenaamde Bevi-inrichtingen. Dit zijn inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden en die daarom aan veiligheidsnormen moeten voldoen. De Bevi-inrichtingen zijn het tankstation aan de Deltaweg (zie onderstaande risicokaart) en Roompot Beach Resort Kamperland, omdat op dit recreatiepark een propaantank aanwezig is die onder het Bevi valt.De N57 maakt deel uit van het basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Veerse Meer is aangemerkt als vaarroute voor gevaarlijke stoffen. Hoewel de contour van het plaatsgebonden risico niet over de oevers heen gaat, kan dit tot conflicten leiden met het recreatieve karakter en gebruik van het Veerse Meer.Aan de Deltaweg (N256) is ter hoogte van de kruising met de Oost-Westweg (N255) een LPG-tankstation gevestigd. De risicocontour die bij het LPG-vulpunt en de LPG-tankinstallatie hoort, overlapt geen (beperkt) kwetsbare objecten en vormt daarmee vanuit externe veiligheid bezien geen aandachtspunt verspreid over Noord-Beveland komen risicobronnen als propaantanks op recreatiebedrijven (die niet onder het Bevi vallen) en windturbines voor. In het algemeen veroorzaken deze risicobronnen door de huidige ruimtelijke ordening van de gemeente geen onevenredige risico’s. Bij de planvorming voor concrete projecten wordt met deze risicobronnen rekening gehouden en worden functies zodanig toegedeeld aan locaties dat er geen onevenredige risico’s ontstaan. Risicokaart Risicokaart.nl Sociale cohesie (welzijn) Noord-Beveland kent een actief en divers verenigingsleven. Hier nemen Noord-Bevelanders, maar ook mensen van buiten het eiland, op een betrokken manier deel aan de Noord-Bevelandse samenleving. Muziekverenigingen, sportclubs, initiatieven op het gebied van cultuur en andere sociale verenigingen brengen inwoners op Noord-Beveland samen. Er zijn kwalitatief goede sportvoorzieningen. Er zijn vier betrokken basisscholen. Ook voor de jeugd wordt veel georganiseerd. Stichting Ouderenzorg Noord-Beveland levert op innovatieve wijze kwalitatief goede zorg op het eiland. Daarnaast voorziet het zorgconcept “Landgoed Rijckholt” bij Geersdijk in een toenemende zorgvraag.Tegelijkertijd staat huisartsenzorg in geheel Zeeland onder druk. De zelfredzaamheid zal zich wijzigen met de aanwezigheid van meer zorgbehoevende inwoners. Met minder jongeren voorhanden zal de mantelzorgdruk toenemen. (Volks)gezondheid De volksgezondheid is afhankelijk van veel factoren. Enkele (milieu)factoren zijn al beschreven. Op basis daarvan kan worden gesteld dat Noord-Beveland een gezond woon- en leefklimaat heeft. Daarnaast zijn er andere factoren die van invloed zijn op de volksgezondheid. Deze hebben te maken met mogelijkheden in de directe leefomgeving om te spelen, sporten en bewegen, maar ook sociale factoren die het mogelijk maken om in goede gezondheid langer thuis te wonen, zoals de aanwezigheid van zorgvoorzieningen, dagbestedingen, mantelzorg, ontmoetingsplekken en toegankelijke buitenruimte. In de meeste kernen op Noord-Beveland zijn deze voorzieningen aanwezig. De inrichting van de openbare ruimte kan worden geoptimaliseerd. Mede gelet op de toenemende vergrijzing vormen nieuwe concepten alsmede het beschikken over gekwalificeerd personeel een aandachtspunt voor de komende jaren.Op basis van de Leefbaarometer (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) scoren de kernen op Noord-Beveland ruim voldoende tot zeer goed. Deze Leefbaarometer is op diverse gegevens gebaseerd, zoals het type huizen, de mensen (jong-oud, arm-rijk, afkomst, opleiding), criminaliteit, parken en voorzieningen in de omgeving. Leefbaarheid en gezondheid zijn sterk aan elkaar gerelateerd. 3.3.2 Cultuurhistorie en erfgoed De cultuurhistorische waarde van Noord-Beveland wordt bepaald door het landschapspatroon (de inpolderingsgeschiedenis in het algemeen en de Oud Noord-Bevelandpolder in het bijzonder), de rijksmonumenten
(44)en de vele historisch waardevolle boerderijen en molens. Het gebied met het historische rationele stratenpatroon van Colijnsplaat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. De gemeente vindt het belangrijk dat het erfgoed beleefbaar en zichtbaar is en bijdraagt aan de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. Beschermen en benutten zijn hierbij de centrale termen. Cultuurhistorische waarde Naast het landschapspatroon, de rijksmonumenten en het beschermde dorpsgezicht Colijnsplaat, zijn ook de omliggende wateren, het voormalige geulenstelsel en de grote ingenieurswerken in relatie tot landschap en erfgoed van cultuurhistorisch belang. Hoe we omgaan met archeologie is vormgegeven door het gemeentelijk archeologiebeleid dat is vastgelegd in de bestemmingsplannen (straks omgevingsplan). De volgende elementen zijn van cultuurhistorisch belang in relatie tot landschap en erfgoed: Kust Deltawateren (Ooster- en Westerschelde, Veerse Meer); Oosterscheldekust Noord-Beveland structuur met deltadijk, inlagen, schorren en slikken. (Voormalige) geulenstelsels Kreekrestanten en welen. Deltawerken en andere grote ingenieurswerken De Zeelandbrug; De Zandkreekdam; De Veerse Gatdam; De Oosterscheldekering. Tevens zijn er diverse historische maritieme objecten en elementen binnen de gemeente. Naast de ligplaatsen voor traditionele, historische schepen in Kamperland, betreffen dit: Het weegbrughuisje in de haven van Kamperland (bij Havenzicht); Het haventje van Geersdijk en weegbrug; In Kortgene de coupure (hoek Graaf van Buren) en muraltmuurtje + het peil van de watersnood van 1953 in het huis, hoek Kaaistraat; De muraltmuurtjes in onder andere Kats, Colijnsplaat en de Soelekerkepolder; Het Katse Kaaitje, restant met meerpalen en coupure bij het dorp zelf (zie foto hieronder); De twee portaalkranen in de werkhaven van Kats waar gewerkt is aan betonelementen voor o.a. de Zeelandbrug en de Oosterscheldekering; Het monument voor de verdronken dorpen in Zeeland op de dijk tussen de Zeelandbrug en Colijnsplaat; In Colijnsplaat de coupure met het monument Houen Jongens tegenover de Patrijs. De gehele noordkant van Noord-Beveland geniet vanuit natuur en landschap voldoende bescherming, waaronder de Oesterput (haventje), de inlagen, het Waterhoefje en andere elementen. Ook zijn er de aanlegsteigers bij Kamperland (naar Veere) en bij Kortgene (naar Wolphaartsdijk). Daarnaast zijn de diverse molens op Noord-Beveland aan te merken als belangrijke cultuurhistorische elementen. Op Noord-Beveland zijn enkele verdedigingswerken terug te vinden. Het gaat om versterkte veldstellingen uit de Tweede Wereldoorlog die deel uitmaakten van de Duitse Atlantikwall, een kustverdediging vanaf de Noorse Noordkaap tot aan de Frans-Spaanse grens. Deze manschappenonderkomens zijn binnen de Atlantikwall typerend voor Walcheren en de beide Bevelanden. Op Walcheren, waar deze veelvuldig zijn gebouwd, is ook bijna alles weer afgebroken. Op Noord-Beveland zijn deze nog steunpuntsgewijs in de voormalige kustverdediging te herkennen. Werelderfgoed Op Noord-Beveland zijn geen gebieden of objecten aangewezen die tot het werelderfgoed behoren. 3.3.3 Groene leefomgeving De groene leefomgeving wordt gevormd door het landschap, de biodiversiteit en de natuur om ons heen. Noord-Beveland heeft als belangrijkste kenmerk het grootschalig karakter van het landschap. Dit karakter kenmerkt zich door de openheid van landschap die afgewisseld/onderbroken wordt door de erven van boerderijen, bosschages, kreekresten, maar ook door bebouwing van de kernen en recreatieparken. Veel van de natuurwaarden op Noord-Beveland maken deel uit van het Natuur Netwerk Zeeland/Natura 2000-gebieden en worden daarmee beschermd. Met name aan de randen van Noord-Beveland zijn gebieden te vinden die vanuit het oogpunt van natuur waardevol zijn. De biodiversiteit buiten de natuurgebieden staat, evenals in geheel Nederland onder druk. De landschaps- en natuurwaarden bepalen in belangrijke mate de identiteit van ons eiland. Daarom willen we deze behouden en versterken. Landschap Het landschap op Noord-Beveland is gevormd door de stapsgewijze inpoldering die vanaf 1598, bijna 260 jaar in beslag heeft genomen. Noord-Beveland heeft als belangrijkste kenmerk het grootschalig karakter van het landschap. Dit karakter kenmerkt zich door de openheid van landschap die afgewisseld/onderbroken wordt door de erven van boerderijen, bosschages, kreekresten, maar ook door bebouwing van de kernen en recreatieparken. Buitendijks bestaat het landschap uit dijken met het kenmerkende zicht op het water en de buitendijkse stranden en inlagen. Grenzend aan het Veerse Meer bestaan de buitendijkse gronden overwegend uit bossen. Op de Goudplaat en rondom de Schotsman worden deze bossen afgewisseld met graslanden. In het landschap worden weidse zichten over de agrarische gronden onderbroken door de aanwezige dijken. De dijken markeren enerzijds de overgang tussen het land en het omliggende water. Vanaf deze dijken is de beleving van Noord-Beveland als eiland het sterkst. Anderzijds vormen de binnendijken een ruimtelijke geleding van het open landschap. De beleving van het landschap is gebaat bij goede (recreatieve) routestructuren (fietsnetwerken) en de toegankelijkheid van het landschap. Op Noord-Beveland vormen de dijken en het buitendijks fietspad de basis voor de routestructuren. Behoudens het buitendijks fietspad is voor de overige routes hoofdzakelijk sprake van een gemengd gebruik. Binnendijks (bijvoorbeeld langs de Oudedijk en de Kortgeenseweg) liggen ook diverse vrijliggende fietspaden. Deze (vrijliggende) fietspaden verbinden de kernen op Noord-Beveland. De dijken maken tevens de ontstaansgeschiedenis van het eiland leesbaar en vormen hierdoor een belangrijk cultuurhistorisch element. Het landschap van Noord-Beveland bestaat uit de inlagen, de buitendijkse bosgebieden en de kenmerkende polderverkaveling. Daarnaast bestaan er, verdeeld over het grondgebied van Noord-Beveland, kleinschalige bospartijen en kreekresten. Het inlagenlandschap wordt gekenmerkt door belangrijke ecologische en natuurlijke waarden. Bebouwing komt in dit gebied sporadisch voor en stelt zich ondergeschikt op ten opzichte van het landschap. Voor de buitendijkse gebieden aan de westkant van Noord-Beveland geldt dat, ondanks dat deze nog maar een beperkte ontstaansgeschiedenis hebben, ze nu al belangrijke ecologische waarden hebben verkregen. De structuur van de polderverkaveling is met name zichtbaar in de Oud- Noord-Bevelandpolder die vanwege het verkavelingspatroon een bijzondere waarde heeft. Deze waarde uit zich in de schaal van de polder, maar ook in de geometrische verkaveling met rechthoekige kavels, rechte dijken en rechte wegen die elkaar loodrecht kruisen. Dit ademt de principes van de renaissance, de tijd waarin de Oud-Noord-Bevelandpolder gerealiseerd is. De grote erven van de boerderijen in de polder versterken het grootschalig karakter. Met hun erfbeplanting vormen de erven ‘groene eilanden’ in de polder. Het orthogonale verkavelingspatroon is doorgezet in het stratenpatroon van Colijnsplaat, dat als beschermd dorpsgezicht is aangewezen. Natuur/biodiversiteit Op Noord-Beveland komen in verschillende gebieden natuurwaarden voor. Veel van deze natuurwaarden maken deel uit van het Natuur Netwerk Zeeland en Natura 2000-gebieden en worden daarmee beschermd. Met name aan de randen van Noord-Beveland zijn gebieden te vinden die uit het oogpunt van natuur waardevol zijn. Aan de noord- en oostzijde wordt Noord-Beveland begrensd door het Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’. Aan de zuid- en westzijde wordt Noord-Beveland begrensd door het Natura 2000-gebied ‘Veerse Meer’. Rondom wordt onze gemeente dus begrensd door Natura 2000-gebieden. De gronden tussen de Veerse Gatdam en de Oosterscheldekering grenzen aan het Natura 2000-gebied ‘Voordelta’. Deze Natura 2000-gebieden bestaan niet alleen uit het water rondom Noord-Beveland. Zo is het gebied tussen het Camperpark Zeeland en het Veerse Meer ook onderdeel van het Natura 2000-gebied Veerse Meer, net als een deel van de Goudplaat. Ook de inlagen van de Oosterschelde en binnendijks gelegen delen daarvan, zijn onderdeel van het Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’. Geheel binnendijks ligt aan de Dorpsdijk in Wissenkerke een perceel dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’. Aan de noord- en oostzijde is het Nationaal Park Oosterschelde gelegen, de begrenzing van dit gebied valt samen met die van het Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde. Het nationaal Park Oosterschelde is een uniek en dynamisch natuurgebied. Als gevolg van de getijdenstromen vinden erosie- en sedimentatieprocessen plaats die resulteren in een wisselend patroon van diepe getijdengeulen, slikken, platen en schorren. Duizenden vogels vinden hier dan ook de ruimte om te eten, te rusten en te broeden. Maar ook onder water is een rijke flora en fauna aanwezig die het gebied een populair duikgebied maakt. Tussen de Oosterscheldedijken en de landinwaarts gelegen binnendijken liggen inlagen en karrevelden. De noordkust van Noord-Beveland tussen de Oosterscheldekering en Colijnsplaat wordt gevormd door een aaneengesloten reeks inlagen. Inlagen en karrevelden zijn diepgelegen natte moerassen die oorspronkelijk in gebruik waren als akker of weide. Deze werden echter opgeofferd omdat men op deze plaatsen een doorbraak van de dijk vreesde. Landinwaarts werd een nieuwe dijk gebouwd, waarvoor grond werd afgegraven die met karren werd afgevoerd. Zo ontstond de benaming karrevelden. De inlagen, gelegen tussen de zeedijk en de nieuwe dijk, kwamen door afgraving dieper te liggen en liepen onder waardoor deze niet meer voor de landbouw kon worden gebruikt. Hierdoor is het huidige landschapsbeeld een variatie van moerassig grasland of rietland tot open water te zien. De inlagen zijn zowel voor planten als vogels van belang. Inlagen aan de Oosterschelde Aan de zuidzijde grenst Noord-Beveland aan het Veerse Meer; een kunstmatig zoutwatermeer dat is ontstaan als gevolg van de afdamming van het Veerse Gat in het kader van de Deltawerken. Het Veerse Meer is niet alleen voor recreatie, maar ook voor de natuur van grote betekenis. Op de voormalige platen in het Veerse Meer is een aantal buitendijkse bosgebieden te vinden. De Schotsman en de Goudplaat zijn hiervan de grootste. De bosgebieden zijn nog te jong om uit het oogpunt van natuur over belangrijke waarden te beschikken. Als vestigingsgebied voor bosvogels en kleinere zangvogels in de bosrand zijn de bossen inmiddels uitermate waardevol. Daarnaast zijn de stroken (nat) grasland rond de buitendijkse bosgebieden, met name aan de westzijde van de Schotsman, en langs de oevers van het Veerse Meer voor wat betreft de vegetatie van belang. Op de westelijke punt van Noord-Beveland zijn de natuurrijke Kamperlandse Duintjes gelegen, waarin zich ook een mooie slufter bevindt. Ook binnendijks zijn verschillende natuurwaarden te vinden. Zo zijn de dijken niet enkel visueel en cultuurhistorisch, maar ook ecologisch van groot belang voor het Zeeuwse landschap. De natuurwaarden van een dijk worden beïnvloed door de intensiteit van het gebruik en door het al dan niet aanwezig zijn van beplanting. Ook op de beplante dijken komen verschillende verschijningsvormen voor die leiden tot diversiteit aan natuurwaarden. Op een aantal dijken wordt een bewust vegetatiebeheer gevoerd. In de polders zijn enkele botanisch waardevolle weilanden te vinden, veelal zijn deze weilanden in particulier bezit. Deze gebieden zijn tevens van belang als broed- en foerageergebied voor vogels. Deze zijn gelegen op de volgende locaties: de westhoek van de Thoornpolder; ten zuiden van de Thoorndijk in de Geersdijkpolder; op een strook weiland langs de Valkreek bij Colijnsplaat. Daarnaast zijn er ook botanisch waardevolle graslanden in natuurgebieden. Vooral de Schotsman en de Goudplaat zijn bijzonder waardevol. In de jaren '70 van de vorige eeuw is, in het kader van de ruilverkaveling, verspreid over het binnendijks gebied van Noord-Beveland een aantal kleine boscomplexen aangelegd. Deze bossen bestaan uit gemengd loofhout. De vegetatie kent geen bijzondere waarde, maar is in het open landschap van groot belang voor de vogelsamenstelling op het eiland. Deze binnendijkse bosgebieden zijn gelegen op de volgende locaties: ten zuiden van Kamperland in de Jacobapolder (8 hectare); ten noordoosten van Kamperland in de Camperlandpolder; in de Westpolder bij Geersdijk; rond het Bokkegat in de Wissenkerkepolder (13 hectare); aan de Valkreek onder Colijnsplaat; in de Leendert Abrahampolder ten zuiden van Kats. Op Noord-Beveland liggen drie relatief kleine kreekresten, namelijk: het Bokkegat ten oosten van Wissenkerke; de Valkreek bij Colijnsplaat; het Katse Gat in de Leendert Abrahampolder ten zuiden van Kats. Deze kreekresten zijn van belang vanwege de overgangen van nat naar droog en van zout naar zoet. Dit biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor bijzondere soortenrijke vegetaties. 3.3.4 Een goed bereikbaar en toegankelijk eiland Noord-Beveland is aan de oost- en westzijde goed bereikbaar en ontsloten. Het op peil houden van de kwaliteit van de infrastructuur, waarmee Noord-Beveland goed en veilig bereikbaar en toegankelijk is en blijft, vormt een belangrijke waarde voor onze inwoners, bedrijven en gasten. Infrastructuur Noord-Beveland kent drie hoofdontsluitingswegen: Aan de oostzijde: de 1e Deltaweg (N256) verbindt Noord-Beveland met Schouwen-Duiveland en Goes. Aan de westzijde: de N57 die via de Oosterscheldekering de verbinding maakt met Schouwen- Duiveland en via de Veerse Gatdam toegang geeft tot Walcheren. Deze twee belangrijke verbindingswegen worden dwars over het eiland verbonden door de Oost-Westweg (N255). Op deze hoofdinfrastructuur takt een wegenstructuur aan die de lokale functie vervult. Fiets- wandel- en ruiterstructuur Het fiets- en wandelnetwerk vormt een belangrijke recreatieve factor voor de beleving van Noord-Beveland. Op Noord-Beveland vormen de dijken, het buitendijkse fietspad en de vrijliggende fietspaden tussen de kernen de basis voor de fietsroutestructuren. Daarnaast zijn er drie mountainbikenetwerkroutes aanwezig. Naast de kernen, die op deze routes liggen, zouden meer faciliteiten geboden kunnen worden, zoals pleisterplaatsen en oplaadpunten voor elektrische fietsen, gebruik deelfietsen en snelfietspaden (naar bijvoorbeeld Goes). Koppeling van een nieuw snelfietspad aan de verbreding van de Deltaweg zou hierin een katalysator kunnen zijn. Noord-Beveland heeft een uitgebreid wandelnetwerk van 150 kilometer. Daarnaast kan de structuur van het fietspadennetwerk (bijvoorbeeld rondom De Banjaard) verbeterd worden. Specifiek voor de omgeving van De Banjaard geldt dat we samen met het waterschap zoeken naar een goede aanpassing van de bestaande fietsroute vanaf de Ruiterplaat naar De Banjaard. Daarnaast beschikt Noord-Beveland over een netwerk van hoogwaardige ruiterroutes. Dit netwerk is meer dan 10 kilometer lang. Watersystemen/structuur De vaarwegen in Zeeland zijn belangrijke schakels in de economie en het vervoer. Ook hebben zij grote recreatieve en natuurlijke waarde. Rondom Noord-Beveland zijn, afgezien van de Noordzee, twee grote wateren gelegen, de Oosterschelde en het Veerse Meer. De grote wateren zijn, als gevolg van de Deltawerken, voor de scheepvaart alleen via sluizen met elkaar verbonden. Aan de zuidoostzijde van Noord-Beveland verbindt de sluis ‘de Zandkreek’ het Veerse Meer met de Oosterschelde. Wat alle vaarwegen gemeen hebben, is dat zij zowel voor de beroeps- als voor de recreatievaart worden gebruikt.In 2004 is in de Zandkreekdam het doorlaatmiddel Katse Heule in gebruik genomen. Het doorlaatmiddel maakt uitwisseling van water tussen de Oosterschelde en het Veerse Meer mogelijk. Dit komt de waterkwaliteit (met name van het Veerse Meer door verhoging en stabilisatie van het zuurstof- en zoutgehalte van het water) en diverse ecologische processen ten goede. Energienetwerk Met het oog op de klimaatopgave speelt het energienetwerk, zoals ondergrondse hoogspanningskabels en warmtenetleidingen, een belangrijke rol in het uitvoeren van de maatregelen. De capaciteit van het netwerk is een belangrijk aandachtspunt van beleidsmakers en netbeheerders. De behoefte aan elektriciteit zal de komende jaren sterk toenemen. Vanuit de klimaattafels wordt nauw samengewerkt, waarbij onder andere wordt gekeken naar slimme combinaties (zoals zon met wind). Het elektriciteitsnetwerk zal voor 2030 aanpassing behoeven om te kunnen voorzien in de opgaven en behoefte daarna. Aanvullend op het bovenstaande worden op dit moment de mogelijkheden voor realisatie van een glasvezel- en 5G-netwerk onderzocht. 4 Thema's 4.1 Inleiding Onder thema's beschrijven we hoe we in onze gemeente om willen gaan met de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Bij ieder thema, zoals wonen, landbouw en bedrijvigheid omschrijven we wat we eronder verstaan, welke ontwikkelingen hierin spelen en hoe we hiermee om (willen) gaan. Dit kan bestaand beleid zijn, wanneer dit nog actueel is voor het thema. Maar het kan ook juist vragen om nieuwe doelen, die we in deze omgevingsvisie vastleggen. De thema’s hebben we gekoppeld aan de gebieden waar zij gelden. Voor Noord-Beveland zijn de volgende thema's van belang: Wonen Landbouw (Verblijfs)recreatie Gezondheid en zorg Bedrijvigheid Natuur, landschap en cultuurhistorie Energie en klimaat Mobiliteit en bereikbaarheid 4.2 Wonen Het woonbeleid voor de gemeente Noord-Beveland is verwoord in de gezamenlijke Woonvisie 2019-2023 van regio De Bevelanden. De Woonvisie van regio De Bevelanden is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. Met deze visie wil de regio inzicht geven in de gezamenlijke missie en ambities op het gebied van wonen. Aan de hand daarvan én de regionale afspraken uit de Agenda Wonen biedt de visie een helder kader voor politiek, dorpsraden, corporaties, zorgpartijen, marktpartijen en inwoners. Voor Noord-Beveland is in deze agenda voorzien in de ontwikkeling van 288 woningen tot
- Trends & ontwikkelingen Ontwikkelingen die van invloed zijn op de Bevelandse woningmarkt worden hieronder kort toegelicht. Groei Voor de komende jaren voorzien we een groei van het aantal huishoudens. Het passend faciliteren van deze groei vormt de komende jaren één van de belangrijkste uitdagingen voor de regio. Regio de Bevelanden staat echter ook voor een sociaalgeografische kanteling. De huishoudensgroei vlakt gaandeweg af, met een verwacht omslagpunt rond
- Er komen tevens steeds meer eenpersoonshuishoudens, ouderen en arbeidsmigranten. Dit vraagt nieuwe, tijdelijke, flexibele en betaalbare woonconcepten. Demografische veranderingen Net als veel andere regio's heeft regio De Bevelanden te maken met een bevolking die steeds ouder wordt en jongeren die wegtrekken (vergrijzing). Deze veranderingen in de opbouw van de bevolking hebben gevolgen voor het aanbod van woningen en wat we ervan verwachten. Vergrijzing en ontgroening Een deel van de kernen op de Bevelanden heeft te maken met een sterker dan gemiddelde vergrijzing en ontgroening en met een dalende huishoudensomvang. Dit brengt met zich mee dat het draagvlak van voorzieningen in kleine kernen afneemt en deze kernen zich overwegend als woonkernen ontwikkelen. Voor oudere huishoudens kan deze ontwikkeling ongewenst zijn in relatie tot de toegankelijkheid van voorzieningen en daarmee de leefbaarheid van deze kernen beperken. Hervorming huur- en koopsector Met de nieuwe Woningwet zijn de spelregels tussen gemeenten en corporaties veranderd en moeten corporaties zich sec op de kerntaak richten; het huisvesten van de sociale doelgroep. Corporaties zijn gebonden aan nieuwe, strengere toewijzingsregels. Tegelijkertijd heeft het Rijk de hypothecaire eisen flink aangescherpt. De komende jaren zet dit verder door. Meer dan voorheen kiezen starters op de arbeids- en woningmarkt en zzp-ers daarom voor een (vrijesector)huurwoning. Langer zelfstandig wonen De extramuralisering van de zorg, de ontkoppeling van wonen en zorg en de groei van het aantal senioren resulteert in een extra behoefte aan (semi)zelfstandige (huur)woningen met zorg en diensten binnen handbereik als alternatief voor intramurale zorg. Er wordt in Nederland een steeds groter beroep gedaan op de zelfredzaamheid van mensen, ook van diegenen die met beperkingen te maken hebben of krijgen. Om zelfstandig wonen mogelijk te maken, moet wel aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Zo moet de benodigde ondersteuning geboden worden en moet de woonomgeving geschikt zijn (veiligheid, voorzieningen en dergelijke). Ook worden er extra eisen gesteld aan de woningen. Verduurzamingsopgave Er is een energietransitie gaande van fossiele brandstoffen en grondstoffen naar een meer hernieuwbare energiehuishouding. In het Zeeuws Energieakkoord (februari 2017) is afgesproken om de particuliere woningvoorraad te verduurzamen en uiterlijk in 2045 energieneutraal te maken. De reductiedoelstellingen voor het totale netto energieverbruik van de particuliere woningvoorraad zijn: Jaar Reductie 2020 5% 2025 19% 2030 34% 2040 72% 2045 100% Er is inmiddels Zeeuws breed een Regionale Energie Strategie (RES) gereed. Als onderdeel van deze RES wordt verkend hoe samen met partners het verduurzamen van bedrijventerreinen, recreatief vastgoed, huurwoningen en maatschappelijk vastgoed kan worden gestimuleerd. Sinds 1 juli 2018 moeten alle nieuwbouwwoningen in Nederland aardgasvrij zijn: er is een verbod op de aansluiting op aardgas. Ook de bestaande bouw staat voor een verduurzamingsopgave. Arbeidsmigranten De laatste jaren is een gestage groei te zien in de behoefte aan arbeidsmigranten in Zeeland en ook in de Bevelanden is deze trend merkbaar. Ook op Noord-Beveland groeit het aantal arbeidsmigranten. In de horeca, de recreatie en door de toename van de verwerking van onder meer agrarische producten neemt de vraag naar lager geschoolde krachten de laatste jaren sterk toe. Tegelijkertijd neemt het aanbod van Zeeuwse arbeidskrachten af. Ook neemt de groei van de vraag naar specifiek hoogopgeleide mensen toe, met name in de zorg, voor de windenergieprojecten en technisch personeel. Trek stad naar platteland Als gevolg van de algehele druk op de woningmarkt, de voortdurende prijsstijgingen alsmede de effecten van de COVID-19- pandemie (meer thuiswerken), neemt de druk op de woningmarkt in geheel Zeeland merkbaar toe. Ook binnen onze gemeente merkt men deze druk. Willen we hiervan profiteren, dan zullen we extra inspanningen moeten doen om meer woningen en een gevarieerde woonmilieu te (laten) realiseren. Hoe zien we de toekomst van wonen? Net als veel andere gemeenten hebben we te maken met een bevolking die steeds ouder wordt en jongeren die wegtrekken uit de gemeente (vergrijzing en ontgroening). Deze veranderingen in de opbouw van de bevolking hebben gevolgen voor het aanbod van woningen en wat we ervan verwachten. De zogenaamde demografische druk wordt daarmee steeds groter. De demografische druk is de verhouding tussen het niet-werkende deel van de bevolking (jongeren tot 20 jaar en ouderen van 65 jaar en ouder) en het productieve deel van de bevolking (20 tot 65 jaar). De demografische druk in onze gemeente was in 2018 80,8% tegenover het landelijk gemiddelde van 69,6%. De demografische druk kan onderverdeeld worden in groene en grijze druk. Grijze druk is de verhouding tussen het aantal ouderen van boven de 65 jaar en de productieve leeftijdsgroep. Groene druk is de verhouding tussen de jongeren tot 20 jaar en de productieve leeftijdsgroep. De grijze druk ligt in onze gemeente een stuk hoger dan het landelijk gemiddelde. Dit betekent dat er sprake is van vergrijzing. De groene druk ligt lager dan het landelijk gemiddelde, dit betekent dat er relatief weinig jongeren binnen onze gemeente zijn. Daarnaast komen er steeds meer eenpersoonshuishoudens, ouderen en arbeidsmigranten. Dit vraagt nieuwe, tijdelijke, flexibele en betaalbare woonconcepten. Als gevolg van de COVID-19-pandemie zien we daarnaast bewegingen ontstaan van stad naar platteland. Het is niet ondenkbaar dat dit zich verder doorzet en op termijn van invloed is op onze bevolkingssamenstelling. Wat zijn de opgaven? De demografische veranderingen leiden tot een aantal opgaven die te maken hebben met wonen, werken, zorg en voorzieningen: een woningvoorraad die aansluit op een afnemende huishoudensgrootte en een groter wordend aandeel ouderen; een goede bereikbaarheid van de voorzieningen; het ontwikkelen van nieuwe woon- en zorgconcepten; een goede en toegankelijke (inrichting van de) openbare ruimte; het optimaal inzetten op goede en snelle verbindingen tussen de kernen en met Goes; het faciliteren van voorzieningen en woningen voor arbeidsmigranten om te kunnen voorzien in de arbeidsbehoefte in de zorg, landbouw en recreatie. Regionale ambities In de regionale woonvisie worden vijf ambities voor het woonbeleid geformuleerd:
- De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden. Door het uitvoeren van energetische maatregelen in bestaande woningen, door het nemen van extra energiebesparende maatregelen in nieuwbouw en door bewustwording en gedragsverandering. Hiervoor zijn zowel particuliere investeringen als investeringen van woningcorporaties en inzet van het bedrijfsleven nodig.
- De Bevelanden voor iedereen. De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk. Dit is niet alleen vanuit sociaal oogpunt belangrijk, maar ook vanuit het perspectief van economische diversiteit. Een evenwichtige en diverse bevolkingsopbouw en beroepsbevolking is een belangrijke vestigingsvoorwaarde voor bedrijven.
- De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw als die echt iets toevoegt. De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. Tot 2035 wordt groei van het aantal huishoudens verwacht. Het realiseren van het bouwprogramma, met behoud van bestaande kwaliteiten en de regionale identiteit, is een belangrijke regionale opgave voor de komende periode.
- De Bevelanden benut het bestaande. De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continue investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte. Steeds vaker wordt vernieuwing geïnitieerd door burgers. De regio wil deze nieuwe vorm van burgerparticipatie bij vernieuwing van wijken en buurten stimuleren, onder andere door het gezamenlijk opbouwen van kennis en het delen van goede voorbeelden.
- De Bevelanden zorgt. Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hiervoor is samenwerking tussen alle betrokken partijen en een goede koppeling tussen sociaal en fysiek domein een voorwaarde. Ook wil de regio meer dynamiek op de woningmarkt creëren door senioren met een (latente) verhuiswens te coachen en senioren meer bewust te maken van de toekomstmogelijkheden in hun huidige woonsituatie. Tot slot ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten. Specifiek gemeentelijk beleid Verhuur permanente woningen We zetten ten aanzien van de verhuur van permanente woningen ons bestaande beleid voort. In de meeste bestemmingsplannen voor de bebouwde kommen van de kernen is een goede regeling voor B&B en kamerverhuur opgenomen. In de bestemmingsplannen waar dat nog niet is gebeurt zal dit nog gedaan worden. In de Huisvestingsverordening is een verbod voor recreatieve verhuur opgenomen. Een B&B is dus toegestaan, maar recreatieve verhuur van de hele woning niet. In de bungalowparken en recreatieparken is het voeren van B&B niet toegestaan. De infrastructuur is er namelijk niet op ingericht en een verdichting van het aantal toeristen is niet wenselijk. We vinden het niet wenselijk dat de kwaliteit van de parken er op achteruit gaat door verdichting van het aantal overnachtingsmogelijkheden en verrommeling van de percelen. Het bieden van logies met ontbijt in een bijgebouw in de kernen kan tot overlastsituaties leiden. Gelet op de planologische ruime mogelijkheden om dit logies binnen de woning te bieden, is het ook niet wenselijk dit uit te breiden. In het buitengebied is het toegestaan om, met vergunning, logies met ontbijt te bieden in een bijgebouw. Deeltijd wonen Het beleid van de gemeente met betrekking tot het deeltijd wonen blijft gehandhaafd. Dit betekent dat binnen alle kernen er niet deeltijd gewoond mag worden, dit om de leefbaarheid van de kernen in stand te houden. Een uitzondering hierop zijn de reeds vergunde gevallen. Permanente bewoning recreatieparken Voor permanente bewoning van recreatieparken wordt op dit moment beleid ontwikkeld. Aandachtspunten hierbij zijn: het woningcontingent; de bouwkundige staat van de recreatiewoningen; de geschiktheid hiervan voor permanente bewoning; het prijsopdrijvende effect; en de toekomst van het toeristische product. Dit beleid zal in een programma nader wordt uitgewerkt, zodat een zorgvuldig afzonderlijk traject kan worden doorlopen. Kaders voor ontwikkeling De vijf regionale woonambities zijn leidend voor het verder uitwerken van het gemeentelijk woonbeleid en het woningbouwprogramma. Bij nieuwe initiatieven op het gebied van wonen gelden de volgende kaders: De ontwikkeling /het initiatief dient bij voorkeur energieneutraal te zijn, maar minimaal passend te zijn in het gemeentelijke klimaatbeleid; Bij nieuwbouw geeft de initiatiefnemer aan welke klimaatadaptieve mogelijkheden zijn onderzocht en worden toegepast, rekening houdend met de directe woonomgeving. Hierbij worden de initiatieven beoordeeld aan de hand van de gemeentelijke Handreiking kernen en ruimtelijke kwaliteit die voor de betreffende kern geldt; Nieuwe initiatieven worden beoordeeld aan de hand van de vijf ambities zoals opgenomen in de regionale woonvisie van De Bevelanden; Bij gebiedsontwikkeling van meer dan 10 woningen wordt voorzien in een gedifferentieerd aanbod in prijsklassen en koop-huur; Bij gebiedsontwikkeling van meer dan 10 woningen worden de bouw- en inrichtingsplannen beoordeeld op de toegankelijkheid van de openbare ruimte, het voldoende aanwezig zijn van ontmoetingsplaatsen, en de principes en gebruik van circulaire materialen. Dit gebeurt aan de hand van de gemeentelijke Handreiking kernen en ruimtelijke kwaliteit die voor de betreffende kern geldt; Bij elk initiatief c.q. plan wordt beoordeeld hoe dit zich verhoudt tot de basiskwaliteiten, zoals benoemd onder Waarden. We stimuleren initiatieven die een bijdrage leveren aan de strategie “versterken” en zo mogelijk aan de strategie “verbeteren”. Een initiatief moet een aantoonbare toegevoegde maatschappelijke waarde hebben. Hierbij wordt gedacht aan een investering in de openbare ruimte, mobiliteit en infrastructuur, klimaatadaptatiemaatregelen, natuurinclusief bouwen, cultuurhistorie, fiets- of voetgangersverbindingen en/of parkeergelegenheid op de planlocatie en/of in de directe omgeving van de planlocatie. Terughoudend wordt omgegaan met hoogteaccenten. Een bouwhoogte van maximaal 5 bouwlagen en maximaal 18 meter (nok)hoogte op locaties die zich lenen voor appartementsgebouwen, wordt passend geacht bij de identiteit en omgeving van Noord-Beveland. Deze hoogteaccenten zijn mogelijk in de kernen, gelegen aan het water. Bij locatieontwikkeling is een stedenbouwkundige uitwerking vereist met aandacht voor passendheid bij de identiteit en omgeving van Noord-Beveland. Bij hoogteaccenten van meer dan 12 meter is tevens instemming van de gemeenteraad vereist. Link met: Gezondheid en zorg, Energie en klimaat 4.3 Landbouw Het beleid is er op gericht om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw op een goede wijze te borgen. Dit geldt voor alle deelgebieden. Behoud van openheid van het landschap en de verkavelingsstructuren zijn hierbij belangrijke uitgangspunten. Bouwblokken mogen vergroot worden mits voldaan wordt aan de eisen die opgenomen zijn in het bestemmingsplan. In hoofdzaak komen deze eisen neer op een goede landschappelijke inpassing van bouwblokken en het houden van afstanden tot kernen, verblijfsrecreatieterreinen en natuurgebieden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven wordt niet toegestaan. Dit geldt ook voor intensieve aquacultuur buiten de oostelijke zone. Trends & ontwikkelingen Noord-Beveland heeft voornamelijk akkerbouwbedrijven, maar ook een aantal fruitteeltbedrijven en melkveehouderijen. In de afgelopen decennia heeft hierin al een schaalvergroting plaatsgevonden die zich de komende jaren zal voortzetten. Er zullen bedrijven stoppen, omdat ze de nodige ontwikkeling niet door kunnen maken of omdat er geen opvolging is. Dit betekent dat we in het buitengebied steeds grotere agrarische bedrijven zien en de kleinere bedrijven verdwijnen. Dit zorgt ook voor lege gebouwen, waar een andere invulling voor nodig is. Deze trend is niet alleen van toepassing op onze gemeente, maar is een landelijke trend. Tegelijkertijd zien we dat de consumenten en afnemers meer kwaliteit vragen met aandacht voor milieu en dierenwelzijn en meer duurzaamheid. Net als in andere sectoren zien we in de agrarische sector een beweging naar meer digitalisering en duurzamere vormen van productie. De agrarische sector kan hierdoor minder arbeidsintensief worden. Dit geldt niet voor alle onderdelen binnen de sector, waardoor de komende jaren nog steeds een beroep gedaan moet worden op arbeidsmigranten, die een huisvestingsopgave met zich meebrengen. Verduurzaming in de agrarische sector leidt tot allerlei innovaties waarbij het Agrarisch Innovatie- en Kenniscentrum Rusthoeve een belangrijke rol speelt. Het behouden en versterken van het maatschappelijk draagvlak van de agrarische sector is een landelijke uitdaging die het nodig kan maken dat agrarische bedrijven meer aandacht gaan besteden aan innovaties. Hoe zien we de toekomst van de landbouw? Met betrekking tot vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen wordt voorgestaan om bij voorbaat geen functies uit te sluiten, maar vanuit het behoud en versterken van de basiskwaliteiten naar mogelijkheden te zoeken. Hiermee wordt ruimte gegeven aan een innovatieve invulling van vrijkomende agrarische bebouwing. Met deze werkwijze heeft de gemeente goede ervaringen opgedaan. Deze werkwijze wordt daarom voortgezet bij de uitwerking/toepassing van de omgevingsvisie. Ook initiatieven die bijdragen aan de klimaat- en energieopgave worden in principe positief ontvangen (denk hierbij aan het inrichten van vrijkomende agrarische bedrijven en het gebruik van bouwblokken voor energieopwekking (zonne-energie) door bijvoorbeeld een energiecoöperatie). Daarnaast is de plaatsing van windmolens met een tiphoogte van 21 meter mogelijk binnen het bouwblok. Op grond van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2013’ mogen nu binnen het bouwblok windturbines met een tiphoogte van 20 meter gerealiseerd worden. Gelet op de nieuw toegestane tiphoogte van 21 meter mogen deze bestaande windturbines verhoogd worden naar 21 meter. Het genoemde bestemmingsplan wordt hier te zijner tijd op aangepast. Deze mogelijkheid tot het verhogen van bestaande windturbines geldt niet voor windturbines met een hogere tiphoogte.Tevens is het kwalitatief goed huisvesten van tijdelijke arbeidsmigranten een belangrijke voorwaarde om de agrarische sector vitaal te houden. Hierbij heeft het niet de voorkeur om hiervoor bij elk agrarisch bedrijf mogelijkheden te bieden, maar dit meer structureel vorm te geven. Ook hier geldt dat gekeken moet worden naar combinatie van functies, zoals personeelshuisvesting en ouderenhuisvesting.Ontwikkelmogelijkheden voor de landbouw betekenen dat het landbouwverkeer zich goed moet kunnen verplaatsen. Bij deze verplaatsingen kunnen conflicten ontstaan met andere verkeersdeelnemers, in het bijzonder (recreërende) fietsers. Een voorname oorzaak van deze conflicten zijn wegen die te smal zijn en/of te weinig draagkracht hebben om het landbouwverkeer te kunnen accommoderen. De gemeente spant zich allereerst in om conflicten tussen landbouwverkeer en recreatieverkeer waar mogelijk te voorkomen. Indien nodig worden daarvoor investeringen in de infrastructuur gedaan. Aanvullend doet de gemeente investeringen in de infrastructuur als dit nodig is om wegen geschikt te maken voor het landbouwverkeer.Het agrarisch landschap is met haar weidsheid en openheid en de hierin gelegen landschapselementen een belangrijke factor en drager in de beleving van de Noord-Beveland. Er ligt een belangrijke uitdaging om de landbouwkundige mogelijkheden, de behoefte aan zoet water, de versterking van de biodiversiteit en klimaatadaptieve maatregelen(waaronder bosaanleg) in samenhang te versterken. Dit zal met de betrokken partijen in een programma nader worden uitgewerkt. Transities in de landbouw De agrarische sector is volop in beweging. Schaalvergroting, de druk van milieu wet- en regelgeving, de innovatiekracht en de energietransitie zijn aspecten die van invloed zijn op het gebruik en de inrichting van het agrarische gebied op Noord-Beveland. De verduurzaming van de landbouw zien we als gezamenlijke (maatschappelijke) opgave. Daar waar mogelijk zal de gemeente een stimulerende rol spelen om verduurzaming te bevorderen. Wat zijn de opgaven? De transities in de landbouw leiden tot de volgende opgaven: Algehele verduurzaming van de landbouw; Borgen van de ontwikkelingsmogelijkheden; Inzetten op slimme combinaties en innovaties (bijv. energie en zoetwaterbekkens); Zorg voor zoetwatervoorzieningen; Zorg voor goede en structurele huisvesting van (tijdelijke) arbeidskrachten; Zorg voor het versterken en stimuleren van biodiversiteit; Waarborgen creëren voor een vitale agrarische sector (primaatgebied/hoofdstructuur); Nieuwe en innovatieve mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen stimuleren (vb. “energieboerderij”); Verdere ontwikkeling van de aquacultuur (dierlijk en plantaardig). Kaders voor ontwikkeling Bij nieuwe initiatieven gelden de volgende kaders: Bij elk initiatief c.q. plan wordt beoordeeld hoe dit zich verhoudt tot de basiskwaliteiten, zoals benoemd onder waarden; We stimuleren initiatieven die een bijdrage leveren aan de strategie “versterken” en zo mogelijk aan de strategie “verbeteren”; De ontwikkeling /het initiatief dient bij voorkeur energieneutraal te zijn, maar minimaal passend te zijn in het gemeentelijk klimaatbeleid; Indien mogelijk, dient de ontwikkeling/het initiatief bij te dragen aan duurzame vervoersvormen; Indien mogelijk dient de ontwikkeling /het initiatief bij te dragen aan het versterken van de biodiversiteit (in ieder geval in combinatie met de landschappelijke inpassing); De locaties voor het huisvesten van arbeidsmigranten voorzien bij voorkeur in structurele huisvesting ten behoeve van meerdere bedrijven. Link met: (Verblijfs)recreatie, Gezondheid en zorg, Natuur, Landschap en cultuurhistorie, Energie en klimaat, Mobiliteit en bereikbaarheid 4.4 (Verblijfs)recreatie De verblijfsrecreatie is een vitale sector en een motor voor de eilandelijke economie. Ook voor de regio De Bevelanden geldt dat bedrijven in staat zijn om te innoveren en te investeren, om zodoende een hoogwaardig product te kunnen blijven aanbieden dat voldoet aan de wensen van de recreant, die steeds meer wil beleven en die het belangrijk vindt om betekenis te geven aan een verantwoorde wijze van recreëren (betekeniseconomie). Dat wil zeggen dat er aandacht is voor duurzaamheid, authenticiteit, gezondheid en wellness. Hiermee worden er direct verbindingen gelegd met andere sectoren (zoals een combinatie van zorg- en recreatiesector). Gezondheidstoerisme (of zorgtoerisme) wordt gezien als een van de kansrijke combinaties. Ook daar waar het gaat om het aantrekken van gekwalificeerd personeel kunnen de sectoren elkaar versterken, waarmee ook structurele en duurzame mogelijkheden worden geboden voor arbeidsmigranten. Trends & ontwikkelingen Het aantal Nederlanders dat de voorkeur geeft aan vakantie in eigen land is de afgelopen jaren gestegen. NBTC-NIPO Research verwacht dat het aantal Nederlanders die vakantieplannen hebben om in Nederland te blijven zal toenemen. Het mooie zomerweer van afgelopen jaren heeft een positief effect op de zomervakantieplannen in eigen land. Het aantal vakantieplannen voor vakanties naar het buitenland bleef in 2018 bovendien achter ten opzichte van vorige jaren. De behoeftes van toeristen veranderen bovendien. Aan de ene kant is er grotere vraag naar luxe en comfortabele vakanties. Aan de andere kant groeit de vraag naar eenvoudige vakanties en verbondenheid met de natuur. Als gevolg van de COVID-19-pandemie zagen we een toename van het binnenlandse toerisme en een grotere toeristisch-recreatieve druk op Zeeland.Veel toeristen brengen hun vakantie door op Noord-Beveland, waarmee de toeristische druk toeneemt. Tegelijkertijd is het toerisme een belangrijke inkomensbron en bepalend voor het voorzieningenniveau op Noord-Beveland. Indien dit zich doorzet zal dit ook van invloed zijn op het aanbod aan recreatieve voorzieningen.Consumenten zijn daarnaast steeds vaker milieubewust en willen duurzame, eerlijke producten en diensten. Ook neemt het aantal mensen toe dat bij zijn/haar vakantie rekening houdt met zijn ecologische voetafdruk. Een andere trend is dat mensen gemiddeld korter, maar vaker op vakantie gaan. Behalve een zonvakantie wil de consument ook nog een weekend naar een stad of een paar dagen varen. In de korte vakanties vervaagt het onderscheid tussen verblijfsrecreatie en dagrecreatie steeds meer. De consument wil in korte tijd een ultieme beleving.Tenslotte heeft ook in het toerisme de overgang van bezit naar gebruik gevolgen. Bedrijven zoals Airbnb, waarbij iedereen zijn woning kan verhuren wanneer hij niet thuis is, spelen hier handig op in en hebben grote impact op het toerisme. Het landelijk onderzoek CELTH voorspelt daarnaast een verdere stijging van het aantal vaste gasten met een tweede woning en een verdere daling van alle andere accommodatietypen. Initiatieven gericht op gebruik in plaats van bezit bieden mogelijk een oplossing voor leegstand wanneer de vaste gast niet aanwezig is.Noord-Beveland is een geliefde vakantiebestemming. In het zomerseizoen neemt het aantal bezoekers in Noord-Beveland toe naar ongeveer 50.000 mensen. Noord-Beveland telt ruim 8.000 vakantie-eenheden, waar meer dan 30.000 slaapplekken zijn. Er zijn elk jaar ongeveer 1.500.000 overnachtingen op Noord-Beveland. In Noord-Beveland staan verhoudingsgewijs veel vakantieaccommodaties van vaste gasten. De gemeente Noord-Beveland heeft ongeveer 5.100 vaste gasten, die jaarlijks bijna 700.000 nachten in hun vakantieaccommodatie op Noord-Beveland verblijven. Dit is 44% van alle overnachtingen in de gemeente.Het toerisme in Zeeland groeit. Het nationaal bureau voor toerisme NBTC voorspelt dat de kust binnen 12 jaar rekening moet houden met een verdubbeling van het aantal gasten. 97% van de toeristen in Zeeland komt uit Nederland, Duitsland of België. Kijkend naar het type accommodatie, is er in Zeeland een sterke groei van het aantal hotelovernachtingen te zien: 13% in
- Ook het aantal nachten op bungalowparken en in verhuurchalets op campings groeit met circa 10% in
- Het aantal mensen dat kiest voor toeristisch kamperen daalt. De afgelopen jaren is Airbnb in Zeeland gegroeid. In 2017 werden gemiddeld 1.098 eenheden aangeboden en verhuurd op Airbnb in Zeeland. Eind 2015 werden er slechts 113 eenheden aangeboden in Zeeland. Het merendeel van de accommodaties op Airbnb zijn complete woningen. Gedeelde ruimtes worden nauwelijks aangeboden in Zeeland.Het watertoerisme is op Noord-Beveland groot. Hierbij is een trend dat zeilboten op de Oosterschelde steeds groter worden. Door de overgang van bezit naar gebruik zijn meer mensen in staat gebruik te maken van een jacht. Bovendien stijgt de gemiddelde leeftijd van de watertoerist en wordt deze veeleisender. Zij vragen om passende voorzieningen in en om jachthavens. Vanuit de samenwerking in De Bevelanden willen we meer handen en voeten geven aan waterrecreatie, bijvoorbeeld de versterking van het pontjesnetwerk, mogelijkheden rond duiken en dergelijke. Water is ons verbindend element dat we meer willen benutten. Hoe zien we de toekomst van (Verblijfs)recreatie? Bij de ontwikkeling van de verblijfsrecreatie is het uitgangspunt ‘niet meer van hetzelfde, maar beter’. De verblijfsrecreatie langs de Oosterschelde en het Veerse Meer wordt verbonden met de bijzondere kwaliteiten die Noord-Beveland biedt (rust en ruimte, dynamiek, natuur, onderwaterbeleving, historie, visserij, culinair, Deltawerken). Vooral in een versterkte verbinding met het water liggen kansen om tot een onderscheidend product te komen. De inzet is om de relatie tussen de verblijfsrecreatie, de eilandidentiteit en de beleving van het water te versterken.Langs de randen van de Oosterschelde en het Veerse Meer zal de focus gericht zijn op kwaliteitsverbetering. Voor nieuwvestiging van verblijfsrecreatie langs de Oosterschelde zijn de algemene kaders van de provinciale Omgevingsverordening uitgangspunt. Voor het Veerse Meer wordt verwezen naar de kaders die zijn vastgelegd in de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-
- In essentie betekent dit dat kwaliteitsverbetering en mogelijkerwijs enige uitbreiding is voorbehouden aan de zittende bedrijven langs het Veerse Meer.De verblijfsrecreatie is een vitale sector en een motor voor de eilandelijke economie. Het centrale doel, dat ook voor de regio De Bevelanden geldt, is dat bedrijven in staat zijn om te innoveren en te investeren, om zodoende een hoogwaardig product te kunnen blijven aanbieden dat voldoet aan de wensen van de recreant, die steeds meer wil beleven en die het belangrijk vindt om betekenis te geven aan een verantwoorde wijze van recreëren (betekeniseconomie). Dat wil zeggen dat er aandacht is voor duurzaamheid, authenticiteit, gezondheid en wellness. Hiermee worden er direct verbindingen gelegd met andere sectoren (zoals een combinatie van zorg- en recreatiesector). Gezondheidstoerisme (of zorgtoerisme) wordt gezien als één van de kansrijke combinaties. Ook daar waar het gaat om het aantrekken van gekwalificeerd personeel kunnen de sectoren elkaar versterken, waarmee ook structurele en duurzame mogelijkheden worden geboden voor arbeidsmigranten.Voor enkele recreatiecomplexen aan de randen van de Oosterschelde, het Veerse Meer en de Noordzeekust worden verbeter- en ontwikkelplannen ontwikkeld. Dit betreffen de Banjaardvisie en de herontwikkeling van Roompot Beach Resort. Daarnaast hebben ook RCN De Schotsman, camping Molenhoek en camping Anna Friso verbeter- en ontwikkelplannen. Deze plannen dienen te passen in dit ontwikkelperspectief en de randvoorwaarden en worden als een locatiegerichte uitwerking van deze omgevingsvisie gezien. Daarbij zal tevens het beleid van de Zeeuwse Kustvisie de Provinciale Omgevingsverordening en de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030 betrokken worden.Leidend voor nieuwe, niet aan deze wateren gelegen recreatieve ontwikkelingen is dat inpassing en versterking in het landschap en de toegevoegde maatschappelijke waarde (bijvoorbeeld versterking van de routestructuren) de draagkracht bepalen van de omvang van de ontwikkeling. Dit betekent dat initiatiefnemers worden uitgedaagd om vernieuwende duurzame concepten te ontwikkelen. Daarbij geldt dat: Er geen nieuwe vakantieparken op bestaande agrarische grond worden voorgestaan; Ontwikkelingen in principe alleen mogelijk zijn vanuit bestaande locaties, tenzij er een (milieu)knelpunt kan worden opgelost; Er geen uitbreiding plaatsvindt van het aantal eenheden op bestaande parken; Kwalitatieve verbetering van bestaande parken (en omgeving) gepaard kan gaan met fysieke uitbreidingsruimte. Hierbij stimuleren we initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de diversiteit van doelgroepen en op productvernieuwing; Een goede landschappelijke inpassing vereist is. Voor mini-campings geldt een wintergroene beplantingszone van 5 meter, bij vakantieparken een wintergroene zone van 10 meter. Wat zijn de opgaven? De toename van het toerisme leidt tot de volgende opgaven: Een focus op ontwikkeling van kwaliteit (zie ook Kustvisie en de Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030); Zorg voor een goede bereikbaarheid van de gemeente en het oplossen van knelpunten (N256); Het scheiden van landbouw- en fietsroutes; Verduurzamen van het recreatief product (energieneutraal en circulair); Zorg voor het behoud van een gedifferentieerd aanbod van verblijfs- en dagrecreatie. Kaders voor ontwikkeling Bij nieuwe initiatieven op recreatief gebied gelden de volgende kaders: Bij elk initiatief c.q. plan wordt beoordeeld hoe dit zich verhoudt tot de basiskwaliteiten, zoals benoemd onder Waarden; We stimuleren initiatieven die een bijdrage leveren aan de strategie “versterken” en zo mogelijk aan de strategie “verbeteren”; Een initiatief moet een aantoonbare toegevoegde maatschappelijke waarde hebben. Hierbij wordt gedacht aan een investering in de openbare ruimte, mobiliteit en infrastructuur, klimaatadaptatiemaatregelen, natuurinclusief bouwen, cultuurhistorie, fiets- of voetgangersverbindingen en/of parkeergelegenheid op de planlocatie en/of in de directe omgeving van de planlocatie; Terughoudend wordt omgegaan met hoogteaccenten. Een bouwhoogte van maximaal 5 bouwlagen en maximaal 18 meter (nok)hoogte op locaties die zich lenen voor appartementsgebouwen, wordt passend geacht bij de identiteit en omgeving van Noord-Beveland. Deze hoogteaccenten zijn mogelijk in de kernen, gelegen aan het water. Bij locatie-ontwikkeling is een stedenbouwkundige uitwerking vereist met aandacht voor passendheid bij de identiteit en omgeving van Noord-Beveland. Bij hoogteaccenten van meer dan 12 meter is tevens instemming van de gemeenteraad vereist; Indien mogelijk, dient de ontwikkeling/het initiatief bij te dragen aan duurzame vervoersvormen; Er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op basis van de geldende parkeernormen; Het gebruik van circulaire materialen wordt gestimuleerd; Het vergroten van de diversiteit van doelgroepen en productvernieuwing wordt gestimuleerd; De ontwikkeling /het initiatief dient bij te dragen aan het versterken van de biodiversiteit (in ieder geval in combinatie met de landschappelijke inpassing); Het vernieuwen van de bestaande vakantieparken/campings naar parken voor kwalitatief hoogwaardige verblijfsrecreatie, bij eventuele uitbreiding moet sprake zijn kwaliteitsverbetering van het landschap. Link met:Gezondheid en zorg, Natuur, landschap en cultuurhistorie, Energie en klimaat 4.5 Gezondheid en zorg Gezondheid in het kader van de Omgevingswet richt zich op drie perspectieven: het beschermen, het bevorderen en het faciliteren. Gezondheid is een belangrijk thema in de omgevingsvisie. In een gezonde omgeving wordt de burger beschermd tegen zaken als fijnstof, hinderlijke geluiden of stank. Sporten en actief bewegen, zoals wandelen en fietsen moet voor iedere burger vlakbij huis mogelijk zijn. De overheid moet zorgen dat gezonde plekken om te recreëren en te ontspannen toegankelijk en bereikbaar zijn voor iedereen. De gemeente beschermt, bevordert en faciliteert op die manier het welbevinden van haar inwoners. Trends & ontwikkelingen Een gezonde omgeving wordt door ruimtelijke, milieu- en sociale aspecten bepaald. Deze zijn in beeld gebracht bij de beschrijving van de kwaliteiten van de leefomgeving. Behouden en versterken van deze aspecten is het uitgangspunt. Vanuit een meer maatschappelijk en sociaal oogpunt zijn er een aantal ontwikkelingen die op ons afkomen en die invloed hebben op het thema gezondheid. We hebben het dan over langer thuis wonen, ‘positieve gezondheid’ en mantelzorg. Per ontwikkeling leggen we kort uit wat het inhoudt en waarom het invloed heeft. Langer thuis wonen Er komen steeds meer ouderen in onze gemeente. Ouderen willen graag zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Dat betekent dat er soms wel aanpassingen nodig zijn, bijvoorbeeld met advies van een wooncoach kunnen we daar oplossingen voor vinden. Het thema wonen is hier nauw mee verbonden. Positieve gezondheid Zorg gaat vaak over het beter maken van mensen als ze ziek zijn. Positieve gezondheid staat daar tegenover en gaat over het voorkomen van problemen (preventie). Het idee is dat gezondheid zes kanten kent: lichaam, mentaal, idealen proberen te halen, genieten en gelukkig zijn, meedoen en dagelijkse dingen kunnen doen. Als iemand zich op één of meer van die zes kanten u beter voelt, dan gaat het daardoor ook op de andere kanten beter. Positieve gezondheid heeft invloed op hoe we met zorg omgaan, als we niet alleen aandacht hebben voor de zieken, maar juist zorgen dat al onze inwoners zich beter voelen in alle facetten van positieve gezondheid. Mantelzorg Mantelzorg is de zorg en ondersteuning die partners, kinderen, familie, vrienden en andere bekenden aan een naaste verlenen. Dit doen mensen vaak vrijwillig en onbetaald. Mantelzorg kost mensen veel energie en moet vaak gebeuren naast opleiding, werk of hobby’s. Het kan dus een fijne oplossing zijn voor de persoon die zorg nodig heeft, maar we moeten oppassen dat de mantelzorger (die de zorg verleent) ook voldoende steun krijgt. Hoe zien we de toekomst van gezondheid? In onze gemeente vinden we het belangrijk dat er voldoende plekken zijn om te sporten, bewegen en ontmoeten. In de zes kernen willen we dit nog verder verbeteren, bijvoorbeeld door speelplekken te maken in het groen. Daarnaast willen we in het buitengebied meer mogelijkheden om te bewegen, zoals veilige en aantrekkelijke wandel- en fietspaden. Op het gebied van zorg en ondersteuning werken het sociale en ruimtelijke domein binnen de gemeentelijke organisatie steeds meer en beter samen. Centraal in het gebied tussen Geersdijk en Kortgene zijn “Landgoed Rijckholt” en een zorgboerderij gelegen. Een verdere uitbouw tot een zorgcluster, waarin voor diverse doelgroepen, (zorg)voorzieningen worden aangeboden, wordt voorgestaan. Ook hier geldt dat gekeken moet worden naar combinatie van functies, zoals personeelshuisvesting en ouderenhuisvesting. De ontwikkelingen dienen in ieder geval passend te zijn in het landschap. Ook de leefomgeving kan gevolgen hebben voor onze gezondheid. Waar de kwaliteit van de leefomgeving goed is, willen we die behouden en versterken. Waar de leefomgeving leidt tot knelpunten op het gebied van gezondheid, pakken we deze knelpunten aan samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Naast alle ruimtelijke mogelijkheden om gezondheid in de toekomst te bevorderen, zetten we als gemeente ook in op aandacht voor gezonde voeding. Kaders voor ontwikkeling Bij nieuwe initiatieven op het gebied van gezondheid en zorg gelden de volgende kaders: Bij elk initiatief c.q. plan wordt beoordeeld hoe dit zich verhoudt tot de basiskwaliteiten, zoals benoemd onder Waarden; We stimuleren initiatieven die een bijdrage leveren aan de strategie “versterken” en zo mogelijk aan de strategie “verbeteren”; Bij gebiedsontwikkeling van meer dan 10 woningen worden de bouw- en inrichtingsplannen beoordeeld op de toegankelijkheid van de openbare ruimte, het voldoende aanwezig zijn van ontmoetingsplaatsen, en de principes en het gebruik van circulaire materialen. Hierbij worden de initiatieven beoordeeld aan de hand van de gemeentelijke Handreiking kernen en ruimtelijke kwaliteit die voor de betreffende kern geldt; De ontwikkeling /het initiatief dient bij voorkeur energieneutraal te zijn, maar minimaal passend te zijn in het gemeentelijk klimaatbeleid. Link met:Wonen, Landbouw, Natuur, landschap en cultuurhistorie, Energie en klimaat 4.6 Bedrijvigheid Het faciliteren van kleinschalige bedrijvigheid en bedrijvigheid passend bij het karakter van Noord-Beveland is en blijft het centrale beleidsuitgangspunt. Bedrijvigheid Momenteel beschikt de gemeente over één of meerdere kleinschalige bedrijventerreinen bij elk van de vier grotere kernen: Kamperland, Wissenkerke, Kortgene en Colijnsplaat. Deze zijn allemaal gemengde terreinen voor lokale bedrijvigheid, milieucategorie 1 tot en met
- Daarnaast bevindt zich bij Kats een verouderd bedrijventerrein van 9 hectare. Hier is milieucategorie 4 van toepassing. Ook bevindt zich momenteel bij Colijnsplaat nog de Visserijhaven voor visserijgerelateerde bedrijven en liggen bij Kortgene en Kamperland solitaire bedrijfsterreinen. Verder zijn er twee aquacultuurterreinen, respectievelijk bij Kamperland en bij Colijnsplaat.Op dit moment heeft de gemeente Noord-Beveland geen harde plancapaciteit meer beschikbaar voor uitgifte. Wel beschikt de gemeente over strategische voorraad achter het Rip te Kamperland die nog niet bestemmingsplanmatig gereed is. Ook is er nog 1,7 hectare uit te geven door een particuliere partij aan de Oostzeedijk te Colijnsplaat. Hoe zien we de toekomst van bedrijvigheid? In