Obsah (5)
Artikel 17Artikel 20Artikel 22Artikel 24Artikel 29Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2025 De raad van de gemeente Velsen, Gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders, nummer 1802516 van 12 november 2024 Wettelijke
. Artikel
- Reikwijdte verordening Lid 1 Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Velsen. Lid 2 Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Haarlem de bevoegdheid om de meldingen en bijbehorende aanvragen voor maatschappelijke opvang namens de gemeente Velsen af te handelen. Hoofdstuk
- Procedurele bepalingen Artikel
- Melding en bevestiging Lid 1 en 2 Een ieder kan zich bij het college melden. In de meeste gevallen zal dat door de cliënt zelf al dan niet samen met zijn mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk gebeuren. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet. Een melding moet op de eerste plaats te kwalificeren zijn als een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Een verzoek om informatie en advies is geen melding. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van de verordening. Dit is van belang omdat een melding leidt tot een gesprek. Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst van de melding. Hierbij geldt dat de ontvangst niet mondeling bevestigd wordt aan de cliënt. Bij de ontvangstbevestiging wijst het college op de mogelijkheid van kosteloze cliëntondersteuning en de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet: er vindt een gesprek plaats (zie verder artikel 5 van de verordening). Het spreekt voor zich dat het college het persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek na de melding. Lid 3 De hoofdregel is dat het college na de melding eerst een gesprek voert met de cliënt. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zie begripsbepaling van de verordening. Het ligt op de weg van degene die zich meldt het spoedeisende karakter van de situatie aannemelijk te maken. Het college zet in voorkomende gevallen (zo spoedig als mogelijk en nodig blijkt) een maatwerkvoorziening in, dit in afwachting van de uitkomsten van het gesprek. Dit zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen. Artikel
- Onderzoek Lid 1 Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de cliënt plaatsvindt. Alleen dan kan goed in kaart worden gebracht wat iemands problemen zijn, wat zijn leefomstandigheden betreffen en hoe zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) eruit ziet en wat de mogelijke oplossingen voor de problemen zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mantelzorger of andere personen uit diens sociale netwerk. Het kan zijn dat daarvoor meerdere gesprekken nodig zijn, dat is afhankelijke van het individuele geval. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt wordt versterkt of zal kunnen verbeteren. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Dat is overigens een wettelijke opdracht van het college. Lid 2 De wet bepaalt welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod dienen te komen. Deze staan benoemd in art. 2.3.2, vierde lid, van de wet, zijnde: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoek. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale netwerk. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen waarbij wordt afgeweken van de wensen zoals beschreven in het plan, wel nader dienen te motiveren bij de uiteindelijke beslissing op de aanvraag. Verder heeft het college de wettelijke informatieplicht om in begrijpelijke bewoordingen uit te leggen welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn. Voorts zal benoemd moeten worden wat de (geschatte) eigen bijdrage is en wat de gehanteerde kostprijs is. Lid 3 Het beschikken over persoonsgegevens kan noodzakelijk zijn om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Dit kunnen, gelet op de wettelijke opdracht om tot een zo integraal mogelijke benadering te komen, ook gegevens zijn van zorgverzekeraars, zorgaanbieders, jeugdhulp, onderwijs en werk en inkomen. Het is van belang dat de cliënt tijdens het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van de verwerking en verstrekking van deze gegevens en dat het college daarvoor aan de cliënt toestemming vraagt. Lid 4 Er zijn situaties denkbaar dat de ondersteuningsbehoefte bekend is bij het college en dat een gesprek daar niets aan toevoegt. Toch mag het college alleen met toestemming van de cliënt afzien van het gesprek. Denk bijvoorbeeld aan de melding van een reparatie aan een rolstoel. Er kan zo nodig een kort verslag worden opgesteld welke door het college kan worden aangemerkt als aanvraag indien de cliënt dat aangeeft. Artikel
- Cliëntondersteuning Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning ten behoeve van de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is overigens domein overstijgend en hoeft niet alleen betrekking te hebben op de Wmo
- Dit maakt integrale dienstverlening aan cliënten en/of burgers nog beter mogelijk. Na de melding informeert het college de cliënt en/of diens mantelzorger over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar cliënten moeten zich ook kunnen laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat de gemeente er zorg voor moet dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner dient immers onpartijdig te zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. Artikel
- Schriftelijke weergave van de uitkomsten Lid 1 t/m 3 Overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet wordt van het gesprek een verslag opgesteld dat aan de cliënt wordt verstrekt. Daarin staan het in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen die in één of meerdere gesprekken zijn geïnventariseerd. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het verslag. Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Nadat de cliënt beschikt over het verslag is het zijn verantwoordelijkheid, al dan niet in samenspraak met diens mantelzorger, om zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Ook de cliëntondersteuner kan hierbij een rol spelen. Het kan voorkomen dat de cliënt opmerkingen over of aanvullingen heeft op het verslag zoals het college dat heeft verstrekt. Deze kunnen van belang zijn voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Daarom kan het college deze toevoegen aan het verslag. Dit is dan ook aanleiding geweest om de mogelijkheid bij het verslag te geven deze te tekenen voor gezien en akkoord, dan wel gezien en niet akkoord. Aangezien het verslag de meeste informatie bevat om uiteindelijk op een aanvraag te beslissen, is het wenselijk om cliënten de mogelijkheid te bieden het verslag als zijnde een aanvraag aan te merken. Immers, cliënten zouden anders dezelfde gegevens meerdere malen in moeten vullen, dit terwijl deze gegevens reeds bekend zijn bij het college. Daarbij scheelt dit in de administratieve lasten. Bij verwijzing naar een algemene voorziening wordt de toegestuurde informatie, omtrent de algemene voorziening gezien als schriftelijke weergave. Deze informatie wordt aan cliënt toegezonden in de vorm van een brief. Artikel
- Aanvraag Lid 1 t/m 3 Om administratieve lasten te voorkomen kan het verslag ook als aanvraag worden aangemerkt indien de cliënt dat op voorgeschreven wijze aangeeft (zie art. 6 van de verordening). Artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag dient te beslissen. Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 8 van de verordening. Het
dat het college doorgaans niet over een dergelijk advies zal kunnen beschikken binnen de genoemde beslistermijn. Het college heeft op grond van artikel 4:14 van de Awb de bevoegdheid om in dit geval aan de cliënt mede te delen dat het om voormelde reden niet mogelijk is om binnen de wettelijke termijn een besluit te nemen. Het college noemt daarbij een redelijke termijn binnen welke de cliënt de beschikking tegemoet kan zien. Voorts kan de beslissing worden uitgesteld gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met het uitstel heeft ingestemd, artikel 4:15, lid 2, onder a, van de Awb. Uit de wet vloeit verder de mogelijkheid om de beslistermijn op te schorten voort indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden heeft aangeleverd of medewerking heeft verleend aan het onderzoek (als bedoeld in art. 2.3.2, vierde lid, van de wet) voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak, artikel 4:15, lid 1, onder a, van de Awb. Lid 4 In dringende gevallen en bij zorgmijdend gedrag kan het college ambtshalve een maatwerkvoorziening verstrekken. Het gaat dan om situaties waarbij noodzaak is gebleken tot (tijdelijke) ondersteuning en de inwoner en/of een vertegenwoordiger niet in staat is om een melding of aanvraag voor tijdelijk maatwerk in te dienen. Bemoeizorg is een mogelijkheid, er kan geen sprake zijn van dwang. Een ambtshalve beschikking kan ook aan de orde zijn als het recht op een toegekende voorziening wordt beëindigd, omdat iemand is overleden of is verhuisd naar een andere gemeente. Artikel
- Deskundigenadvies Lid 1 Voor de uitvoering van de wet vraagt het college advies als het zelf niet ter zake deskundig is. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Bijvoorbeeld in het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om vast te laten stellen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Lid 2 en 3 Uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het college ook deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een woningaanpassing. Artikel
- Inhoud beschikking Lid 1 en 2 De minimale onderwerpen die de beschikking dient te bevatten staan in deze leden benoemd. De term “in ieder geval” duidt erop dat dit niet een limitatieve opsomming betreft. Ook andere onderwerpen kunnen in de beschikking worden opgenomen. Voorts dient iedere beschikking voorzien te worden van een rechtsmiddelen clausule. In deze rechtsmiddelenclausule staat uitgelegd dat de cliënt de mogelijkheid heeft om tegen de beschikking in bezwaar te gaan en hoe dit dient te geschieden. Voorts wordt de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank hierin uitgelegd. Lid 3 De gegevens als genoemd in het derde lid worden enkel ter informatie aan de cliënt mede gedeeld. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar daartegen, artikel 2.1.4, lid 6, van de wet. Lid 4 Voor sommige maatwerkvoorzieningen die in natura worden verstrekt geldt, omdat dit zo is aanbesteed, dat deze door de gecontracteerde aanbieders in bruikleen aan de cliënt worden gegeven. Hierbij kan de aanbieder verlangen dat de cliënt een bruikleenovereenkomst ondertekend. De cliënt dient zich dan te houden aan hetgeen in deze bruikleenovereenkomst is bepaald. Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel
- Criteria algemene voorzieningen Spreekt voor zich,
. Hoofdstuk
- Maatwerkvoorzieningen Met de artikelen in dit hoofdstuk wordt bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2.1.3, lid 2, aanhef en onder a, van de wet. Artikel
- Criteria voor een maatwerkvoorziening Lid 1 In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1, 1.2.2 en 2.3.5 van de wet. In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: a. beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; b. problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en c. een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen. Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning door het (sociaal) wijkteam of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals de inloop voor drugsverslaafden. De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Lid 2 en 3 Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant. Artikel
- Aanvullende criteria begeleiding ambulant De begeleiding kan zowel individueel als in groepsverband worden gegeven. Het gaat in beide gevallen om individuele begeleiding, waarvan de eerste vorm op individueel niveau wordt gegeven en de tweede vorm in groepsverband. Bijvoorbeeld kooklessen of samen eten worden veelal in groepsverband aangeboden. Het verschil met begeleiding groep zit erin dat het daarbij om een groepsactiviteit gaat, zoals dagbesteding. Artikel
- Aanvullende criteria dagbesteding De voorziening dagbesteding wordt in groepsverband uitgeoefend. Wanneer het voor een cliënt niet mogelijk is om te voorzien in vervoer, dan kan de cliënt geen gebruik maken van de geboden voorziening. Derhalve wordt in deze gevallen onder de voorziening ook het noodzakelijke vervoer verstaan. Artikel
- Aanvullende criteria kortdurend verblijf Lid 1 t/m 3 Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger ontlast moet of wil worden geldt een specifiek criterium om in aanmerking te komen voor deze maatwerkvoorziening. De cliënt is in voorkomende gevallen door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning. Is de cliënt daar niet op aangewezen, dan zou het aanbieden van een andere voorziening uitkomst kunnen bieden. Voor zover de mantelzorger ‘geneeskundige zorg’ verleend als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op eerstelijnsverblijf op grond van de Zvw. Er geldt in die gevallen geen ondersteuningsplicht voor het college. De omvang van de kortdurende verblijfsondersteuning wordt geïndiceerd in een etmaal. Het kan ook voor komen dat de mantelzorger niet voor bijvoorbeeld een etmaal per week ontlast moet worden, maar dat gedurende een langere periode geen mantelzorg geboden kan worden vanwege bijvoorbeeld vakantie. In voorkomende gevallen is er de mogelijkheid om 21 etmalen op te sparen voor een langere aaneengesloten periode. Artikel
- Aanvullende criteria vervoersvoorziening Lid 1 en 2 In deze leden is bepaald wanneer de cliënt voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan komen. De cliënt dient in beginsel gebruik te maken van het openbaar vervoer. Wanneer dit niet mogelijk is, dan kan de cliënt gebruik maken van het collectief vervoer. Indien het voor de cliënt niet mogelijk om hiervan gebruik te maken, dan pas kan de cliënt in aanmerking komen voor een andere individuele vervoersvoorziening. Voorheen stond dit ook wel bekend als het primaat van het collectief vervoer. Lid 3 Het kan voorkomen dat de cliënt voor de korte afstand is aangewezen op een individuele vervoersvoorziening, maar dat deze voorziening niet afdoende is voor de langere afstand. In dat geval is het voor het college mogelijk om verschillende vervoersvoorzieningen aan te bieden. Lid 4 en 5 Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in staat gesteld tot participatie. Het uitgangspunt qua omvang is bepaald op 1500 kilometer per jaar. Hiermee wordt de lijn zoals die gold onder de Wmo 2007 geborgd. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom op grond van de hardheidsclausule bevoegd om in individuele gevallen gemotiveerd af te wijken. Dat zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn als er meer dan één vervoersvoorziening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen 1500 kilometer op jaarbasis bereikt kan worden. Lid 6 Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Daarom is het voorliggend een elektrisch aangedreven hulpmiddel in voorliggende ruimten in of om de woning te plaatsen waar mogelijk. Artikel 16 Financiële tegemoetkoming vervoer Spreekt voor zich,
Artikel 17
. Aanvullende criteria woonvoorziening Lid 1 en 5 De cliënt wordt op deze manier in staat gesteld tot het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft (of zal hebben). Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gaan om het kunnen uitvoeren van elementaire woonfuncties gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Lid 2 t/m 4 (primaat van verhuizen) Volgens dit artikel geldt als hoofdregel het principe van het primaat van verhuizen. Deze beoordeling wordt gedaan indien de kosten van de woningaanpassing of een traplift meer bedraagt dan het in de nadere regels bepaalde bedrag. Kan de cliënt binnen een redelijke en/of medisch aanvaardbare termijn niet verhuizen of zou een verhuizing betekenen dat de ondersteuning vanuit het netwerk niet meer mogelijk is, dan bestaat er aanspraak op een maatwerkvoorziening. Verder is het zo dat het college een maatwerkvoorziening kan verlenen gericht op de verhuizing als het primaat wordt toegepast. Het kan ook zo zijn dat het een maatregel betreft die er op gericht is dat de cliënt kan verhuizen naar de nieuwe woning. Lid 6 Als bijvoorbeeld een kind in een instelling woont, kan de woning ook bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar wil niet zeggen dat het geschikt moet zijn zoals wanneer het kind thuis zou wonen. Het kind is echter wel in de gelegenheid de ouders thuis te bezoeken. In principe wordt slechts één woning bezoekbaar gemaakt. In geval van een echtscheiding van de ouders kan het echter noodzakelijk zijn beide woningen aan te passen, zodat het kind beide ouders kan bezoeken. Lid 7 Spreekt voor zich,
. Artikel
- Aanvullende criteria hulp bij het huishouden Lid 1 Huishoudelijke hulp heeft betrekking op het overnemen van huishoudelijke taken. Daarmee is hulp bij het huishouden bestemd voor cliënten die niet zelf bijvoorbeeld de schoonmaakwerkzaamheden kunnen uitvoeren door een (lichamelijke) beperking. Lid 2 Dit lid bepaalt de resultaten waar de huishoudelijke hulp op is gericht indien de cliënt daarop is aangewezen. Naast schoonmaakwerkzaamheden vallen bijvoorbeeld ook het bereiden van maaltijden en de was verzorging binnen het bereik van huishoudelijke hulp. Lid 3 Voor wat betreft het schoonhouden van de woning geldt het uitgangspunt dat de taken alleen betrekking hebben op ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. In het kader van huishoudelijke hulp gaat het om ruimten die te maken hebben met de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (verkeersruimten). Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn vallen hier dus buiten. Dat wil niet zeggen dat in deze ruimte(n) helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. Lid 4 Het normenkader hulp bij het huishouden en het protocol gebruikelijke hulp bieden een zo objectief mogelijk handvat voor de indicatie van hulp bij het huishouden. Artikel
- Aanvullende criteria maatschappelijke opvang Spreekt voor zich en
Artikel 20
. Aanvullende criteria beschermd wonen Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving (inclusief verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op het psychisch en psychosociaal functioneren, verwaarlozing of maatschappelijke overlast. Daarnaast is het zo dat een andere maatwerkvoorziening geen passende bijdrage kan bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag ondersteuning. Het kan zijn dat de cliënt, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook cliënten zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving. Artikel 21 Aanvullende voorwaarden maatschappelijke opvang en beschermd wonen Spreekt voor zich,
Artikel 22
Aanvullende criteria beschermd thuis Beschermd thuis kan worden aangeboden bij cliënten waarbij sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en die zelfstandig wonen. Anders dan bij beschermd wonen moet de cliënt in staat geacht worden zijn hulpvraag te stellen en met een dagdeel (vier uur) uit te kunnen stellen. De begeleiding is gepland en ongepland beschikbaar. Het grootste deel van de ondersteuning zal ongepland noodzakelijk moeten zijn om in aanmerking te komen voor beschermd thuis. Indien een cliënt in staat is zijn hulpvraag te stellen en uit te kunnen stellen met een dag of met een weekend en de ondersteuning is in te plannen, dan is beschermd thuis niet aan de orde maar kan ambulante begeleiding worden geboden. Artikel 23 Aanvullende criteria opvang slachtoffers huiselijk geweld Spreekt voor zich,
Artikel 24
. Weigeringsgronden Lid 1 aanhef en onder a Wanneer aanspraak op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, is sprake van een voorliggende voorziening waar de cliënt een beroep op dient te doen. Lid 1 aanhef en onder b Het criterium 'algemeen gebruikelijk' komt nog uit de tijd van de WVG en is daarna overgenomen onder de Wmo 2007 en de Wmo
- Het is bedoeld om te voorkomen dat de gemeente een voorziening verstrekt, waarvan de kans groot is dat de cliënt er ook over zou beschikken als hij geen beperkingen had (zie bijvoorbeeld CRvB 03-07-2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AI5993, CRvB 16-04-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0268 en CRvB 14-07-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265). Criteria Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; • financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Inkomen op minimumniveau Het is de vraag wat een 'inkomen op minimumniveau' precies inhoudt. De CRvB heeft in een uitspraak over een boodschappendienst deze bewoordingen gebruikt voor een cliënt met een bijstandsuitkering (zie CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3690). We gaan er daarom vanuit dat het bij een inkomen op minimumniveau gaat om bijstandsniveau. Lid 1 aanhef en onder c In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen meerkosten met zich meebrengt. Denk bijvoorbeeld aan iemand die al geruime tijd een eigen auto tot zijn beschikking heeft waarmee - gelet op de beperkingen - wordt voorzien in de verplaatsingsbehoefte. Lid 1 aanhef en onder d Wanneer de voorziening voor de melding reeds is gerealiseerd of geaccepteerd, bestaat er geen noodzaak meer om een beroep op de Wmo te doen. Alleen als er sprake is van een acute situatie kan er toch een noodzaak zijn voor een maatwerkvoorziening. Lid 1 aanhef en onder e Het is denkbaar dat de situatie zich voor doet dat cliënt een voorziening nodig heeft op een kortere termijn dan de termijn waarbinnen het onderzoek en de besluitvorming plaats kan vinden. Derhalve is opgenomen dat ingeval er reeds een melding is gedaan, maar nog geen besluit is genomen toch een voorziening toegekend kan worden. Hierbij gelden de voorwaarden als gesteld in dit lid. Lid 1 aanhef en onder f Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder wordt van de cliënt die een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Lid 1 aanhef en onder g Omdat een maatwerkvoorziening een individuele voorziening is, spreekt het voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning zoals gezegd in overwegende mate op de cliënt is gericht. De maatwerkvoorziening beoogt aldus de cliënt zelf passend te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Lid 1 aanhef en onder h Langdurig nodig zijn Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de beperkingen slechts tijdelijk zijn, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op Zorgverzekeringswet. Langdurig geeft een grens aan in tijd. Waar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet duidelijk aan te geven. Een afbakening die gemaakt kan worden, is te kijken naar andere regelgeving, die voor beperkte duur een voorziening verstrekken. Op grond van de Zvw kunnen rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen zoals draaischijven, patiëntentilliften en transferplanken, toiletverhogers, toilet- en douchestoelen slechts voor beperkte of onzekere duur worden verstrekt (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). In de toelichting (Staatscourant 2012, nr. 14946, p. 12) staat uitgelegd wat met 'beperkte of onzekere duur' wordt bedoeld: "In de regel gaat het dan om een uitleentermijn van ten hoogste 26 weken. […] Om te voorkomen dat een hulpmiddel stipt na 26 weken bij de cliënt wordt weggehaald, is de term ‘beperkte of onzekere duur’ geïntroduceerd. Het ligt in de rede dat de zorgverzekeraar als de termijn van 26 weken dreigt te worden overschreden de specifieke situatie in ogenschouw neemt. Afhankelijk van de individuele situatie kan het hulpmiddel zo nodig langer worden uitgeleend." Tijdelijkheid van een beperking Een andere werkwijze gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een beperking. In dit kader is de prognose van groot belang. Zegt de prognose dat de belanghebbende na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag het college van kortdurende noodzaak uitgaan en dus de Wmo-aanvraag afwijzen. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de situatie gevolgd wordt door situaties van terugval, kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Beperkingen langdurig maar wel tijdelijk Een enkele keer komt het voor dat de cliënt als gevolg van een ernstig ongeval een lange revalidatie doormaakt maar uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Als de herstelperiode bijvoorbeeld twee jaar zou zijn, dan moet het college toch een voorziening te treffen. Vervoersvoorzieningen zijn naar hun aard tijdelijk en kunnen ook in de tijd worden begrensd. Anders ligt het bij woonvoorzieningen of woningaanpassingen. Die zijn vaak bouwkundig en moeilijk terug te draaien. In zo'n geval kan het college bij de belangenafweging voor de vraag komen te staan wat te doen. Een kostbare traplift en aangepaste badkamer, een verhuiskostenvergoeding of wellicht iets anders. Gelet op het feit dat de woonvoorziening slechts tijdelijk nodig zal zijn, is het denkbaar dat zowel aanpassen als verhuizen als middel erger is dan de kwaal. Anderzijds heeft de cliënt wel een beperking bij het normale gebruik van zijn woning, ook al is beperking niet permanent. In dat geval zou een voorziening verstrekt kunnen worden in de vorm van het vergoeden van tijdelijke huisvesting. Terminale patiënten De voorwaarde dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn om op grond van de Wmo verstrekt te kunnen worden, betekent niet dat terminale patiënten geen beroep op de Wmo 2015 zouden kunnen doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort voorziening rekening gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft. Lid 1 aanhef en onder i Voorzienbaar of voorzienbaarheid is wanneer er ten gevolge van ziekte op dit moment nog geen of in mindere mate beperkingen zijn, maar het ziektebeeld wel (meer) beperkingen in het vooruitzicht stelt. Ook als onduidelijk is wanneer deze achteruitgang komt. Denk aan progressieve ziekten. De cliënt dient rekening te houden met de verwachte ontwikkelingen van beperkingen. Het gaat dan om de op het moment van verhuizing redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen van de beperkingen. Het college mag verwachten dat de cliënt bij het kiezen van een andere woning van te voren rekening houdt met de verwachten ontwikkelingen van de beperkingen. Het college kan een aangevraagde maatwerkvoorziening of meerdere aangevraagde maatwerkvoorzieningen op grond van voorzienbaarheid weigeren als de cliënt onvoldoende rekening houdt met de verwachten beperkingen of als de cliënt het college onvoldoende betrekt bij het maken van keuzes. Lid 1 aanhef en onder j Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale netwerk. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 1 aanhef en onder k en l Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Lid 2 Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Hoofdstuk
- Persoonsgebonden budget Artikel
- Criteria aanspraak en verplichtingen pgb Indien de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan geldt dat de cliënt kan verzoeken om dit in de vorm van pgb te verstrekken. Lid 1 De beoordeling of er recht bestaat op een persoonsgebonden budget is op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet voorbehouden aan het college. De aanspraak op een persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst (aanvraagt). Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 De verplichting tot het overleggen van een budgetplan geldt voor diensten zoals hulp bij het huishouden en begeleiding. Het college zorgt voor toezending van het format budgetplan dat door cliënt gebruikt kan worden. Lid 3t/m5 Spreekt voor zich,
Lid 6 aanhef In dit artikel zijn criteria (lees ook voorwaarden) opgenomen die verbonden (kunnen) zijn als het college het recht op een persoonsgebonden budget heeft vastgesteld. Deze bevoegdheid van de gemeenteraad vloeit voort uit de wettelijke opdracht van artikel 2.1.3 om criteria vast te stellen voor de door het college te nemen besluiten zonder dat de gemeenteraad treedt in de bevoegdheden van het college als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet. Lid 6 onder a Een persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Dit is in lijn met het bepaalde in artikel 24, lid 1, aanhef en onder b, van de verordening. Lid 6 onder b In geval een huisgenoot naar oordeel van het college wordt geacht gebruikelijke hulp te kunnen bieden mag het persoonsgebonden budget niet aan die huisgenoot worden besteed. Lid 6 onder c Spreekt voor zich,
. Lid 6 onder d In deze bepaling is vastgelegd dat een professionele ondersteuner als bedoeld in art 1, niet het beheer mag voeren over het pgb van degene aan wie zorg verleend wordt. Lid 6 onder e In deze bepaling is aangegeven dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning dient te zijn aangewend waarvoor het is verleend. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de bevoegdheid het toekenningsbesluit in te trekken. Zie verder hoofdstuk 6 van deze verordening. Voor woningaanpassingen kan een langere termijn gelden omdat het realiseren daarvan meer tijd in beslag kan nemen. Lid 6 onder f Het persoonsgebonden budget valt onder het trekkingsrecht. In artikel 2b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is sinds 1 augustus 2016 bepaald dat de cliënt (of diens budgethouder) een overeenkomst moet sluiten met iedere derde die hij ten laste van diens budget maatschappelijke ondersteuning wenst te laten verlenen. Verder bepaalt dat artikel dat de overeenkomst goedkeuring behoeft van zowel het college als ook de Sociale verzekeringsbank (Svb). De Svb stelt modelovereenkomsten beschikbaar. Het ligt dan ook voor de hand dat hiervan gebruik wordt gemaakt. Lid 6 onder g Spreekt voor zich,
. Lid 6 onder h Spreekt voor zich,
. Lid 8 Het college kan een pgb weigeren indien er belangenverstrengeling kan ontstaan doordat ondersteuning aan de cliënt en beheer van het pgb in één hand liggen. Lid 7 en 8 Om te controleren hoe het pgb wordt besteedt en of het pgb wordt besteed aan de voorziening waarvoor deze is toegekend, dient de cliënt de pgb besteding aan het college te verantwoorden. Artikel 26. Criteria voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, aanpassingen en andere maatregelen uit het sociale netwerk van cliënt Spreekt voor zich,
. Artikel
- Hoogte van het pgb Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. In lid 3 maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een vrijwilliger of persoon die niet is opgeleid voor de betreffende werkzaamheden, wordt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb een lager tarief gehanteerd dan voor een daarvoor opgeleid persoon. Waar bijzondere deskundigheid is vereist, wordt in sommige gevallen nog weer een ander tarief gehanteerd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis het laagste tarief per uur, resultaat of dagdeel dat voor de te leveren hulp – rekening houdende met de kwalificaties van degenen die deze leveren – zou worden gehanteerd als deze door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zou worden geleverd. In lid 4 wordt de hoogte van het pgb hulp bij het huishouden voor een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt beperkt tot 75% van het laagste bedrag voor een gecontracteerde aanbieder. De reden hiervan is dat een persoon uit het sociaal netwerk niet meer mag ontvangen dan iemand, die de werkzaamheden hulp bij het huishouden in het kader van een zelfstandig ondernemerschap uitoefent. Hoofdstuk
- Eigen bijdrage en kostprijs Artikel
- Eigen bijdrage Het abonnementstarief voor de Wmo is 1 januari 2020 definitief van kracht. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener enerzijds en algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. Algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie met een hulpverlener wordt aangegaan, moeten onder het abonnementstarief worden gebracht. Er is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie als de inwoner voor een langere periode structureel persoonlijke hulpverlening krijgt. Er moet een betrokkenheidsaspect tussen cliënt en hulpverlener zijn waarbij continuïteit van die band van waarde is. Lid 1 bepaalt de startdatum van de eigen bijdrage. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen diensten (hulp bij het huishouden, begeleiding) en eenmalige voorzieningen (hulpmiddelen en woningaanpassing). De startdatum van de eigen bijdrage is de datum die wordt doorgegeven aan het CAK als datum eerste inning eigen bijdrage. In lid 2 staat de hoogte van de, via het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, eigen bijdrage. De eventuele indexering van dit bedrag wordt landelijk bepaald en aangepast via het Uitvoeringsbesluit Wmo
- Naast de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen kunnen er ook overige kosten zijn. Eventuele overige kosten zoals koffie/thee, maaltijden, deelname aan extra activiteiten komen voor rekening van de inwoner die hiervan gebruikmaakt. Deze kosten zijn algemeen gebruikelijk en vormen geen onderdeel van de eigen bijdrage in de zin van de Wmo. Met andere woorden een eigen bijdrage heeft altijd betrekking op de kosten die gemeenten maken en staan daarom los van het abonnementstarief. Lid 3 en 4 Spreekt voor zicht,
Artikel 29
. Eigen bijdrage algemene voorziening Bij een algemene voorziening kan een eenvoudige toegangstoets toegepast worden om, onder andere, vast te stellen of inwoner tot de Wmo doelgroep behoort en de algemene voorziening voldoende compensatie biedt voor het probleem. Voor de algemene voorziening voor hulp bij het huishouden is dit het geval. Zonder uitgebreid onderzoek wordt bekeken of deze algemene voorziening passend is. Gemeenten moeten in de verordening regelen of een bijdrage wordt gevraagd voor algemene voorzieningen en zo ja, voor welke voorzieningen en hoe hoog die bijdrage is. De wetgever verplicht het abonnementstarief voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. Die moet de gemeente verplicht ‘aanwijzen’ in de verordening als voorzieningen waarvoor het abonnementstarief geldt. Lid 2 bepaalt dat in afwijking van lid 1 voor de inloopvoorziening geen eigen bijdrage wordt opgelegd. In lid 3 is een korting op de eigen bijdrage opgenomen voor cliënten die behoren tot aangewezen categorieën, in dit geval cliënten jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met een inkomen tot 110% van de bijstandsuitkering en cliënten die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt met een inkomen tot 110% van de AOW-uitkering. Artikel
- Eigen bijdrage maatwerkvoorziening in natura en pgb Beschermd wonen, opvang en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen maatwerkvoorzieningen worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer dat in lid 3 is opgenomen. In lid 5 is een korting op de eigen bijdrage opgenomen voor cliënten die behoren tot aangewezen categorieën, in dit geval cliënten jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met een inkomen tot 110% van de bijstandsuitkering en cliënten die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt met een inkomen tot 110% van de AOW-uitkering. Artikel
- Eigen bijdrage bij verblijf in opvang of beschermd wonen Dit wordt uitgevoerd door gemeente Haarlem, zie ook de toelichting op artikel 2, lid
- De eigen bijdrage wordt geïnd door het CAK conform het Uitvoeringsbesluit Wmo
- De hoogte van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 31 lid 2 geldt voor indicaties waarin een wooncomponent is opgenomen. Voor indicaties zonder wooncomponent geldt het abonnementstarief. De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen, maatschappelijke opvang en opvang slachtoffers huiselijk geweld zijn uitgezonderd van het abonnementstarief. De hoogte van de eigen bijdrage voor deze voorzieningen komt op andere wijze tot stand. Artikel 2.1.4a, 7e lid van de wet geeft aan dat voor de bijdragen voor beschermd wonen en opvang regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Artikel
- Kostprijs Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening, in natura of pgb, of een bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is. Hoofdstuk
- Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel
- Tegengaan oneigenlijk gebruik Lid 1 t/m 3 Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De regering vindt het namelijk van groot belang dat misbruik en oneigenlijk gebruik van Wmo-voorzieningen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het college zet daarom in op preventie. Denk daarbij vooral aan goede voorlichting over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Lid 4 Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel
- Beëindiging van een maatwerkvoorziening Dit artikel ligt in het verlengde van artikel
- In dit artikel zijn een aantal situaties opgenomen waarbij het college de maatwerkvoorziening of het pgb kan herzien of beëindigen, om te voorkomen dat hier misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt gemaakt. Deze bevoegdheid komt naast de bevoegdheid die het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet heeft. Artikel
- Maatregelen bij wangedrag, misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden. Artikel
- Opschorting betaling uit het pgb De SVB biedt het college de mogelijkheid om, indien er een ernstig vermoeden van misbruik/oneigenlijk gebruik van het pgb bestaat, een gemotiveerd verzoek tot opschorting van betaling van het pgb in te dienen. De SVB heeft deze bevoegdheid op grond van art. 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo
- Gedurende de periode van opschorting kan het college dit vermoeden nader onderzoeken. Artikel
- Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorziening in natura en in pgb Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel
- Herziening, intrekking en terugvordering Lid 1 Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken met het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het persoonsgebonden budget leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. Lid 2 In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een te hoog bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Als sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) zal het terugvorderen in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. De bevoegdheid tot terugvordering als bedoeld in dit lid betreft een kan-bepaling. Als het college besluit terug te vorderen moeten daarbij de belangen van alle betrokkenen worden meegewogen. Hoofdstuk
- Kwaliteitseisen Artikel
- Kwaliteitseisen en artikel
- Verhouding prijs en kwaliteit van de levering van voorzieningen door derden De Wmo 2015 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van (maatwerk)voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in de artikelen uitgewerkt. Zo is het belangrijk dat de verschillende vormen van zorg en ondersteuning goed met elkaar, maar ook met het sociaal netwerk, waaronder de mantelzorger(s), wordt afgestemd. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening of diensten gelden eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Het kan ook zijn dat in de (bepaalde) sector erkende keurmerken van toepassing zijn. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt ook een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven rekening moet houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die het college door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder deskundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Bij de prijs kwaliteitsverhouding kunnen eventuele extra taken in verband met de maatwerkvoorziening een rol spelen. Artikel
- Klachtenregeling en medezeggenschap Lid 1 Dit artikel bepaalt dat aanbieders van voorzieningen een regeling moeten treffen voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. De gemeente laat de aanbieders vrij om de regeling vorm te geven. Lid 2 De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid onder b, van de wet). In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Lid 3 en 4 Het college overlegt periodiek met de gecontracteerde aanbieders. Naast de in dit lid genoemde onderwerpen is ook de klachtenafhandeling onderdeel van de gesprekken. Hoofdstuk
- Overige bepalingen Artikel
- Waardering mantelzorgers Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel 43.. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Artikel
- Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het vorenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel
- Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen. Hoofdstuk
- Slot- en overgangsbepalingen Artikel
- Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel
- Inwerkingtreding en citeertitel Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Bijlage1Normenkader Hulp bij het huishouden Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader hulp bij het huishouden
- Deze tijdnormering is afgeleid uit het rapport van het onafhankelijk onderzoek uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM (juli 2016). Definitie van het resultaat Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Indien de situatie rondom het huishouden daarom vraagt kan met goede redenen worden afgeweken.. Activiteiten We onderscheiden de activiteiten in: - Basisactiviteiten: Deze activiteiten dienen regelmatig uitgevoerd te worden; en - Incidentele activiteiten: Deze activiteiten worden slechts één of enkele malen per jaar uitgevoerd. Basisactiviteiten: stof afnemen nat en droog, stofzuigen, dweilen, keukenblok schoonmaken, badkamer en toilet schoonmaken, bed verschonen, afval opruimen. De activiteit opruimen maakt in principe geen onderdeel uit van de basisvoorziening ‘Schoon Huis’. Incidentele activiteiten: ramen wassen binnenzijde, raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, reinigen radiatoren, keukenapparatuur schoonmaken, binnen- en bovenzijde keukenkastjes afnemen, deuren afnemen, deurposten en tegelwanden afnemen. Bepaling van de mate van hulp bij het huishouden Is er geen sprake van gebruikelijke hulp, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren. Er is gekozen voor normtijden om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. Het aantal uren dat verstrekt wordt én het niveau van schoon dat hiermee behaald kan worden is gebaseerd op het objectieve en onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM (juli 2016). In december 2018 bevestigde de CRvB in haar uitspraken van 10 december 2018 dat dit normenkader voldoet aan de eisen die in mei 2016 werden gesteld aan de onderbouwing van normtijden. Kinderverzorging en –opvang bij gehandicapte of zieke ouder Valt de ene ouder uit, dan neemt de andere ouder de zorg voor de kinderen over. Zo nodig met behulp van (buitenschoolse) opvang of door het opnemen van zorgverlof. Heeft iemand alle mogelijkheden benut en krijgt hij/zij het nog niet rond? Dan kan tijdelijk een indicatie worden afgegeven voor hulp bij het huishouden. De indicatie is dan bedoeld om het gezin korte tijd te ontlasten en op zoek te gaan naar een alternatief. Een ziek of gehandicapt gezinslid kan een grote belasting betekenen voor een gezin. Het risico op overbelasting van een gezonde verzorgende ouder is aanwezig; dit kan leiden tot inzet van hulp bij het huishouden ter ontlasting. Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding Bij echtscheiding vervalt de gebruikelijke hulp voor het huishouden van de voormalige partner en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Als de verzorgende ouder, waar de kinderen hun hoofdverblijf hebben, uitvalt moet onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen bij de andere ouder. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de door de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten. Voor de perioden dat de kinderen bij de verzorgende ouder zijn kan er een indicatie voor opvang zijn, als er geen gebruik kan worden gemaakt van voorliggende voorzieningen. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder niet wordt nagekomen, wordt de situatie beschouwd als een eenoudergezin. Hulp bij het huishouden in relatie tot begeleid wonen Hulp bij het huishouden in het RIBW (Regionale Instelling Beschermende Woonvormen) en gezinsvervangend tehuis (GVT): voor het ondersteunen van een cliënt in het uitvoeren van huishoudelijke taken zal vooral begeleiding worden ingezet. Indien overname van taken aan de orde is, is hulp bij het huishouden aan de orde. Hulp bij het huishouden in terminale situaties Als een cliënt een zeer korte levensverwachting heeft (korter dan drie maanden) kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp. Het overnemen van huishoudelijke taken indien een persoon terminaal is, kan er voor zorgen dat de gezinsleden minder belast worden. Hulp bij het huishouden boven de vijfenzeventig jaar Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden gesteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals soms het geval is bij ouderen, kan hulp bij het huishouden worden ingezet. Indien de cliënt wel tot leren in staat is, wordt slechts kortdurend inzet gepleegd voor het aanleren van de huishoudelijke activiteiten. Het betreft dan instructie. Extra hulp bij het huishouden bij cliënten met huisstofmijtallergie Een vraag naar hulp bij het huishouden is pas aan de orde wanneer sanering van de woning heeft plaatsgevonden. Voor het stofvrij houden van de woning kunnen meer uren worden ingezet dan in een situatie waar huisstofmijtallergie niet aan de orde is. Revalideren Het is van belang om te bekijken of er bij een cliënt die hulp bij het huishouden aanvr