Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen gemeente Venray De gemeente van Burgemeester en wethouders van de gemeente Venray Gelet op de Verordening sociaal domein 2025 gemeente Venray; Besluit vast te stellen: De Beleidsregels Lage inkomens en geldzorgen 2025 gemeente Venray. Hoofdstuk1.Inleiding De gemeente Venray vindt het belangrijk dat inwoners actief mee kunnen doen in de samenleving en hun financiën op orde hebben. Ook is het belangrijk dat inwoners een eigen huishouden kunnen voeren en dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Inwoners moeten in de eerst plaats daar zelf voor zorgen. Lukt dat niet, dan is het de taak van de gemeente om inwoners te helpen. Op basis van de landelijke regels en de verordening Sociaal Domein 2025 van de gemeente Venray heeft de gemeente aanvullende beleidsregels opgesteld voor de toepassing binnen Venray. Het streven is hierbij dat wij uitgaan van de vragen van de inwoners maar ook van de eigen kracht van de inwoner en de omgeving. Deze beleidsregels geven aanvullend gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: Lage inkomens en geldzorgen (hoofdstuk 7 van de Verordening) Bij het toepassen van de beleidsregels houdt de gemeente rekening met de doelen van de landelijke wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het gevolg van een besluit past bij de bedoeling van die wetten. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren en zetten zich daar ook voor in. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom. Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders. Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft). Gemeente Venray zet in op vitale inwoners en een sterke omgeving. Inwoners worden zoveel mogelijk thuis en in hun eigen wijk geholpen. Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de regels in de Verordening maar ook van deze beleidsregels. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels. Hoofdstuk2.Algemene bijstand Onderstaand artikel geldt voor Algemene Bijstand en is niet van toepassing voor bijzondere bijstand en overige voorzieningen voor lage inkomens. Artikel2.1Giften en vergoedingen voor materiële en immateriële schade 1.Giften zijn middelen als die het bestedingsniveau wezenlijk verhogen. Giften, zover het bedrag genoemd in lid 2 van dit artikel op jaarbasis niet wordt overstegen, hoeven niet gemeld te worden. De meldingsplicht geldt zodra de giften opgeteld het drempelbedrag bereiken. De inwoner dient hier desgevraagd een administratie van te kunnen overleggen. 2.Giften tot het drempelbedrag van € 1.200 per kalenderjaar worden vrijgelaten. Dit wordt naar rato berekend als de bijstand gedurende het kalenderjaar begint. 3.Giften zijn geen middelen voor de bijstand als de gift expliciet bedoeld is voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had moeten/kunnen worden. 4.Vergoedingen voor materiële en immateriële schade als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub m van de Participatiewet zijn geen middelen, tenzij het gaat om een vergoeding vanwege verlies van inkomsten. 5.In het geval dat de gift is verstrekt in natura, wordt de waarde van deze gift vastgesteld aan de hand van de Nibud-richtlijnen. Als de gift hierin niet is opgenomen wordt de waarde in het economisch verkeer als uitgangspunt genomen. Hoofdstuk3.Bijzondere bijstand Vanaf artikel 3.7 worden veelvoorkomende kostensoorten voor bijzondere bijstand beschreven. Deze zijn niet uitputtend. Artikel3.1Verlening bijzondere bijstand 1.Bij de beoordeling van een aanvraag bijzondere bijstand wordt door de gemeente de werkwijze van de Omgekeerde toets gehanteerd. Er wordt een afweging gemaakt aan de hand van het te bereiken effect, de grondwaarde van de Participatiewet, de kernwaarden van de gemeente en de juridische randvoorwaarden. 2.Aan bijzondere bijstand kan de gemeente aanvullende verplichtingen aan de inwoner verbinden op basis van artikel 55 van de Participatiewet. Artikel3.2Aanvraag bijzondere bijstand 1.De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente Venray. 2.De inwoner verstrekt bij de aanvraag relevante bewijsstukken. 3.Een aanvraag bijzondere bijstand is tijdig, indien deze in afwijking van artikel 44 lid 1 Participatiewet binnen twee maanden na het ontstaan van de kosten is ingediend. Artikel3.3Hoogte bijzondere bijstand en drempelbedrag 1.Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd. 2.Voor de hoogte van de bijzondere bijstand en afschrijftermijnen wordt waar mogelijk aangesloten bij de Nibud-richtlijnen. Er wordt 50% van de Nibud-richtlijn gehanteerd als tweedehands aanschaf ook voldoet. 3.De bijzondere bijstand wordt om niet of als leenbijstand verstrekt. Achteraf kan middels een steekproef gecontroleerd worden of de bijdragen zijn besteed aan het doel waarvoor deze bedoeld is. Op verzoek moeten er bewijsstukken van de aanschaf/de kosten overlegd kunnen worden. Bij onjuiste besteding kan de bijzondere bijstand teruggevorderd worden. 4.De te verstrekken bijzondere bijstand richt zich op de goedkoopste adequate voorziening. Artikel3.4Duur bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand kan eenmalig worden verstrekt of voor een bepaalde periode. 2.De gemeente kan in de looptijd van de bijzondere bijstand controles uitvoeren om te bepalen of er nog recht bestaat op de bijzondere bijstand. Artikel3.5Draagkracht 1.Als het inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt, is er geen sprake van draagkracht. Het volledige inkomen boven 120% van de geldende bijstandsnorm is draagkracht. 2.In afwijking van lid 1, geldt voor de kosten zoals genoemd in de artikelen 3.7 tot en met 3.13 een inkomensgrens van 100% van de bijstandsnorm. Het volledige inkomen boven 100% van de geldende bijstandsnorm is draagkracht. 3.De draagkracht uit inkomen wordt vastgesteld op basis van het inkomen inclusief het vakantiegeld door: bij een vast inkomen uit te gaan van het inkomen van de maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend; Bij een onregelmatig inkomen uit te gaan van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend. 4.Als de inwoner een vermogen heeft dat hoger is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet, is het volledige vermogen boven de vermogensgrens draagkracht. De draagkracht uit vermogen wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. 5.Als de inwoner een vermogen heeft dat lager is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet, wordt individueel beoordeeld of er draagkracht is. 6.Als een inwoner in een wettelijk schuldtraject of in een minnelijk schuldtraject zit wordt voor de berekening van de draagkracht het feitelijk inkomen afgezet tegen het Vtlb. Is het Vtlb lager dan de voor de inwoner geldende norm wordt de norm aangehouden. 7.De draagkracht wordt een keer per 12 maanden vastgesteld, tenzij de inwoner meldt dat het inkomen met minimaal 15% verminderd is in de draagkrachtperiode. Dit dient vastgesteld te worden aan de hand van bewijsstukken. Artikel3.6Middelen In afwijking van artikel 35 lid 1 van de Participatiewet, is artikel 31 lid 2 van de Participatiewet in beginsel ook van toepassing voor de bijzondere bijstand. Met uitzondering van artikel 31 lid 2 sub i en sub m van de Participatiewet. Artikel3.7Gerechtelijke procedures 1.De noodzaak voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand is aanwezig als de inwoner een toevoegingsbeschikking voor deze kosten van de Raad voor Rechtsbijstand overhandigt. 2.De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de hoogte van de eigen bijdrage minus de korting op grond van een diagnosedocument van het Juridisch Loket, ongeacht of de inwoner een diagnosedocument wel of niet kan overleggen. 3.Er wordt geen korting in mindering gebracht bij zaken, waar geen korting voor van toepassing is. Artikel3.8Bewindvoering, curatele en mentorschap en griffiekosten 1.De noodzaak voor bijzondere bijstand voor kosten van onderbewindstelling, mentorschap of onder curatele stelling is aanwezig als dit door de rechter is uitgesproken. De noodzaak voor bijzondere bijstand voor kosten waar de rechter een machtiging voor heeft afgegeven wordt aangenomen; voor PGB beheer is dit niet automatisch het geval en vindt individuele beoordeling plaats. 2.Wanneer er sprake is van bewindvoering in verband met de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) wordt voor de bewindvoeringskosten geen bijzondere bijstand verstrekt, tenzij bij de slotuitdeling blijkt dat er onvoldoende saldo is voor het salaris van de bewindvoerder. 3.Voor de hoogte en de ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, tenzij in de uitspraak een afwijkend of expliciet bedrag of datum staat benoemd. 4.In afwijking van artikel 3.4 lid 1 kan bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten voor onbepaalde periode worden verstrekt. De gemeente voert tijdens de looptijd controles uit of er nog recht bestaat op de bijzondere bijstand. Dit in aanvulling op de inlichtingenplicht van de inwoner zelf. Artikel3.9Budgetbeheer De kosten voor budgetbeheer komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de gemeentelijke schulddienstverlening als voorliggend wordt beschouwd. Hier kan van worden afgeweken als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: De duur van budgetbeheer is naar verwachting van Schulddienstverlening langer dan 24 maanden en bewindvoering is een te zware maatregel; of Budgetbeheer wordt opgestart in afwachting van een gerechtelijke uitspraak op een verzoek tot onderbewindstelling; en De kosten voor budgetbeheer, die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, betreffen maximaal 75% van de kosten van standaard bewindvoering door een professionele bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerder/mentor; en Het budgetbeheer wordt uitgevoerd door een gecertificeerde budgetbeheerder. De budgetbeheerder beschikt over een AFM-vergunning. Artikel3.10Aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud 1.Een inwoner van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op een aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van de inwoner uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm (artikel 20 van de Participatiewet) en er voor deze kosten geen beroep gedaan kan worden op de ouders omdat: de middelen van de ouders niet toereikend zijn; of de inwoner redelijkerwijs het onderhoudsrecht ten aanzien van zijn ouders niet te gelde kan maken. 2.De aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud bedraagt in beginsel: Voor een alleenstaande van 18 tot 21 jaar: maximaal de HBO-norm voor levensonderhoud (Basisbeurs en aanvullende beurs) voor een uitwonende studerende op grond van de WSF 2000, zoals dat wordt genoemd in artikel 33, tweede lid, sub b van de Participatiewet; Voor een alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar: maximaal de hoogte van de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag, zoals die zou gelden voor een persoon van 21 jaar (artikel 21 van de Participatiewet). Artikel3.11Bijzondere bijstand jongeren in inrichting Voor de jongere van 18, 19 of 20 jaar in een inrichting verblijvend, die aan het genoemde onder artikel 3.10 lid 1 sub a of b voldoet wordt bijzondere bijstand voor levensonderhoud verstrekt voor kosten waarin de inrichting niet voorziet, overeenkomstig in beginsel maximaal de jongerennorm zoals genoemd in artikel 20 van de Participatiewet. Artikel3.12Woonkostentoeslag 1.In het geval van bewoning van een huurwoning, woonwagen of woonschip geldt: Als de inwoner in een woning woont, waarvan de hoogte van de woonkosten (huurkosten en eventuele servicekosten), gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor de toekenning van huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld (nog) geen aanspraak kan maken op deze toeslag, wordt bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop belanghebbende wel huurtoeslag ontvangt of redelijkerwijs had kunnen ontvangen, waarbij lid 4 en 5 van toepassing zijn. De woonkostentoeslag bedraagt maximaal het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wet op de huurtoeslag voor deze woonkosten per maand zou ontvangen. Als de inwoner in een woning woont waarvan de woonkosten boven de maximale huurprijs zoals omschreven in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag zijn, dan kan bij wijze van uitzondering bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag worden verstrekt welke in overeenstemming met lid 1 onderdeel b van dit artikel wordt berekend. Als de woonkosten uitkomen boven de maximale rekenhuur komen deze meerkosten volledig voor bijzondere bijstand in aanmerking. 2.Indien de inwoner met terugwerkende kracht door de Dienst Toeslagen huurtoeslag krijgt toegekend, kan de verstrekte woonkostentoeslag over die periode worden teruggevorderd tot de hoogte van de huurtoeslag per maand. 3.In geval van bewoning van een eigen woning geldt: Als de inwoner woont in een woning die hij in eigendom heeft en waarvan de hoogte van de woonkosten (netto hypotheekkosten en eventuele servicekosten) gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering zou vormen voor toekenning van een huurtoeslag, wordt bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verstrekt. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wet op de huurtoeslag voor deze woonkosten per maand zou ontvangen. Er wordt slechts voor één woning woonkostentoeslag verstrekt, namelijk voor de woning waarin de inwoner het hoofdverblijf heeft. Er wordt geen woonkostentoeslag verstrekt voor woningen of andere panden die niet door de belanghebbende feitelijk worden bewoond. Als de inwoner in een woning woont waarvan de woonkosten boven de maximale huurprijs zoals omschreven in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag zijn, dan kan bij wijze van uitzondering bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een woonkostentoeslag welke in overeenstemming met lid 3 onderdeel b van dit artikel wordt berekend. Als de woonkosten uitkomen boven de maximale rekenhuur komen deze meerkosten volledig voor bijzondere bijstand in aanmerking. 4.De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor de periode van maximaal 12 maanden. 5.Bij verlening van woonkostentoeslag wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting verbonden dat de inwoner: Alles in het werk stelt om binnen 12 maanden na de datum van de toekenningsbeschikking te verhuizen naar een woning waarvoor wel huurtoeslag van toepassing is; en Als het een eigen woning betreft, de woning binnen 6 maanden na de datum van de toekenningsbeschikking te koop aanbiedt en alles in het werk stelt om deze voor een marktconforme prijs te verkopen. 6.De gemeente kan beoordelen of de inwoner de verplichtingen als bedoeld in lid 5 voldoende naleeft. Als dit niet het geval is kan de bijstandsverlening direct worden beëindigd. Als dit wel het geval is kan de woonkostentoeslag worden verlengd met maximaal 3 keer 6 maanden. Artikel3.13Vergoedingen voor statushouders 1.De volgende vergoedingen kunnen (op aanvraag) worden verstrekt aan de statushouder, die na toekenning van de verblijfsvergunning in de gemeente gehuisvest wordt en per direct recht heeft op algemene bijstand: Een overbruggingsuitkering om niet Inrichtingskosten als leenbijstand 2.De bijstand wordt verleend aan de statushouder, die voor vestiging in de gemeente verbleef in een Nederlands Asielzoekerscentrum of hervestiger en direct op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd door de IND wordt toegelaten tot Nederland. 3.De overbruggingsuitkering wordt bij aanvang van de bijstandsuitkering verstrekt en is bedoeld om te kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die direct samenhangen met de eerste vestiging in Venray. 4.De overbruggingsuitkering bestaat uit de voor de inwoner van toepassing zijnde bijstandsnorm (voor één maand), exclusief de vakantietoeslag zoals genoemd in artikel 19, lid 3 van de Participatiewet. Van de overbruggingsuitkering wordt de eerste maand huur rechtstreeks doorbetaald aan de verhuurder. 5.De overbruggingsuitkering wordt niet verstrekt bij gezinshereniging. 6.De aflossing van de leenbijstand voor inrichtingskosten vindt plaats in 36 termijnen. Als er dan nog een restant overblijft, kan dit worden omgezet naar om niet. Voor de wijze van aflossing gelden de beleidsregels terug- en invordering van de gemeente Venray. Hoofdstuk4.Meedoenbudget Artikel4.1Doel van het meedoenbudget 1.Het meedoenbudget voorziet in een bijdrage voor maatschappelijke participatie, waaronder begrepen kosten voor deelname aan sociaal culturele, educatieve en sportieve activiteiten. De regeling dient ter bevordering van meedoen, maar ook ter bevordering van het doen van vrijwilligerswerk. Voor ouders met minderjarige kinderen voorziet het meedoenbudget in een bijdrage voor meerkosten waarmee ouders, vanwege hun financiële situatie zich ten behoeve van hun kinderen geconfronteerd zien. 2.De hoogte van de bijdrage wordt bepaald aan de hand van de gevraagde vergoeding voor de kosten, maar bedraagt: maximaal € 155,00 per kalenderjaar, per kind van 4 tot 18 jaar. maximaal € 210,00 per kalenderjaar, per volwassene. 3.De bedragen genoemd in lid 2 worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op vijf euro’s. Artikel4.2Doelgroep 1.Het meedoenbudget volwassenen zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub b, is bedoeld voor een volwassen inwoner ingeschreven in de gemeente Venray met een laag inkomen en vermogen. Het inkomen en vermogen wordt vastgesteld op basis van artikel 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet en wordt ambtshalve of op aanvraag als bijzondere bijstand verleend. 2.Het meedoenbudget kind zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub a, wordt op aanvraag of ambtshalve verleend aan de alleenstaande ouder of gezin met kinderen van 4 tot 18 jaar. 3.Een inwoner heeft een laag inkomen als het in aanmerking te nemen inkomen op de aanvraagdatum en gedurende de referteperiode niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. Ook is er sprake van een laag inkomen als de inwoner een minnelijke schuldregeling heeft met een erkende schuldhulpverlenende instantie of de WSNP is over de inwoner uitgesproken. 4.Een inwoner voldoet aan de vermogensvoorwaarde, indien het conform artikel 34 Participatiewet vastgestelde vermogen op de aanvraagdatum niet hoger is dan de in lid 3 van dat artikel genoemde vermogensgrenzen. Het vermogen in de eigen woning wordt volledig buiten beschouwing gelaten. 5.Onder referteperiode wordt verstaan de periode van 3 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum. 6.Studerenden (met recht op studiefinanciering) komen niet in aanmerking voor het meedoenbudget. Artikel4.3Ambtshalve toekenning 1.Huishoudens die voldoen aan de doelgroepomschrijving van artikel 4.2 en op 1 januari van ieder jaar: algemene bijstand ontvangen; of die toegelaten zijn tot de Wgs én een schuldenregeling hebben; ontvangen het meedoenbudget éénmaal per kalenderjaar ambtshalve. Zij hoeven géén aanvraag in te dienen. Artikel4.4Aanvraag 1.Een inwoner die niet in aanmerking komt voor een ambtshalve toekenning van het meedoenbudget kan jaarlijks een aanvraag indienen. 2.De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente Venray. 3.Bij de aanvraag moet worden aangegeven voor welke kosten in het kader van maatschappelijke participatie deze aanvraag wordt gedaan. De verstrekking vindt plaats als het aansluit bij het doel van maatschappelijke participatie volgens deze regeling. 4.Uiterste indieningstermijn van de aanvraag is 31 december van het betreffende kalenderjaar. Artikel4.5Controle De kosten moeten gemaakt zijn in het jaar waar de toekenning betrekking op heeft en hiervan moeten achteraf op verzoek de bewijsstukken overlegd kunnen worden. Achteraf kan middels een steekproef gecontroleerd worden of de bijdragen zijn besteed aan het doel waarvoor deze bedoeld is. Bij onjuiste besteding kan het meedoenbudget teruggevorderd worden. Hoofdstuk5.Tegemoetkoming eigen risico zorgverzekering Artikel5.1Doel van de tegemoetkoming eigen risico zorgverzekering 1.De tegemoetkoming eigen risico zorgverzekering voorziet in een tegemoetkoming voor het leven met een handicap of chronische ziekte. Dit brengt namelijk extra kosten met zich mee zoals meerkosten voor zorg, vervoer, hulpmiddelen, aanpassingen en voorzieningen. 2.De tegemoetkoming bedraagt € 150,00 per kalenderjaar per volwassene van 21 jaar of ouder. Artikel5.2Doelgroep 1.De tegemoetkoming van € 150,00 is bedoeld voor een volwassen inwoner van 21 jaar of ouder ingeschreven in de gemeente Venray met een laag inkomen als bedoeld in lid 3, met hoge zorgkosten als bedoeld in lid 4, en wordt op aanvraag als bijzondere bijstand verleend. 2.Een inwoner heeft een laag inkomen als gedurende de 2 jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Ook is er sprake van een laag inkomen als de inwoner een minnelijke schuldregeling heeft met een erkende schuldhulpverlenende instantie of de WSNP over de inwoner is uitgesproken. 3.Een inwoner heeft hoge zorgkosten als gedurende de twee afgesloten kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraagdatum het verplicht eigen risico op grond van artikel 19 van de Zorgverzekeringswet is opgemaakt. 4.Voor toepassing van deze tegemoetkoming wordt het vermogen in het kader van de Participatiewet niet in aanmerking genomen. Artikel5.3Aanvraag 1.Een inwoner kan jaarlijks een aanvraag indienen. 2.De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij de gemeente Venray. 3.De inwoner verstrekt bij de aanvraag de op het aanvraagformulier vermelde bewijsstukken. 4.Uiterste indieningstermijn van de aanvraag is 31 december van het betreffende kalenderjaar. Hoofdstuk6.Studietoeslag Artikel6.1Doel van de studietoeslag 1.De studietoeslag is bedoeld voor studenten met een medische beperking die niet kunnen bijverdienen naast hun studie. 2.De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.