Ondermandaatbesluit van de directeur DCMR Milieudienst Rijnmond voor provinciale bevoegdheden 2025De directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond, Gelet op: Het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 19 november 2024, PZH-2024-861793528, tot 1e wijziging van het Mandaatbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor de DCMR Milieudienst Rijnmond 2024; Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht; De Gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond; Artikel 4 van de Instructie directeur DCMR Milieudienst Rijnmond 2019. BESLUIT Vast te stellen het Ondermandaatbesluit van de directeur DCMR Milieudienst Rijnmond voor provinciale bevoegdheden 2025. Artikel1Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: Ambtelijk opdrachtgever: ambtelijk opdrachtgever als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Regeling opgavegerichte organisatie provincie Zuid-Holland; Basistaken Seveso-inrichtingen: de taken en activiteiten, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht, voor zover deze betrekking hebben op de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 18.22 van de Omgevingswet, met inbegrip van de daaraan verbonden bevoegdheid tot het nemen van besluiten; Directeur Omgevingsdienst: directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; Geografisch gebied van de Omgevingsdienst: gebied behorende tot de gemeenten van de deelnemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond 2015; Inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer; Omgevingsdienst: DCMR Milieudienst Rijnmond; Milieubelastende activiteit: milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; Omgevingsdienst: DCMR; Portefeuillehouder: lid van Gedeputeerde Staten dat zich bezighoudt met het betreffende beleidsterrein; Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zuid-Holland; Provinciesecretaris: Provinciesecretaris als bedoeld in artikel 4 van de Regeling opgavegerichte opganisatie provincie Zuid-Holland; Seveso-inrichting: Seveso-inrichting als bedoeld in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel2Ondermandaat 1.Aan leidinggevenden van de DCMR wordt ondermandaat verleend tot het nemen van besluiten, welke verbonden zijn aan de basistaken Seveso-inrichtingen. Voorts wordt aan leidingggevenden mandaat verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende mandaatlijst zulks voor zover de daarin benoemde bevoegdheden niet vallen onder de basistaken Seveso-inrichtingen 2.Het ondermandaat heeft betrekking op het geografisch gebied van de Omgevingsdienst, tenzij in dit besluit of de bij dit besluit behorende ondermandaatlijst anders is bepaald. 3.Het ondermandaat houdt zowel een beslissings- als een ondertekeningsmandaat in. 4.De algemene ondermandaten bedoeld in de ondermandaatlijst, kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van besluiten die voortvloeien uit of verband houden met een ander besluit waartoe de leidinggevende bevoegd is krachtens dit ondermandaatbesluit. 5.Indien ten gevolge van wijziging van wet- en regelgeving bevoegdheden als bedoeld in dit besluit en de bij dit besluit behorende ondermandaatlijst gaan strekken ter uitvoering van andere wet- of regelgeving dan waarvan zij ten tijde van het in werking treden van dit besluit strekten, dan wel indien in de uitoefening ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de bevoegdheden zoals genoemd in dit besluit en de bij dit besluit behorende ondermandaatlijst, die aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen; 6.Het ondermandaat als bedoeld in de bij dit besluit behorende mandaatlijst de bevoegdheid verstrekt tot het nemen van een besluit, behelst dit ondermandaat tevens de bevoegdheid om dit besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken of te wijzigen, tenzij in de mandaatlijst anders is vermeld. Artikel3Ondermachtiging 1.De leidinggevenden aan wie overeenkomstig artikel 2 eerste lid, ondermandaat is gegeven zijn gemachtigd om namens Gedeputeerde Staten aan de ondergemandateerde bevoegdheden gelieerde feitelijke handelingen te verrichten, zijnde handelingen die geen rechtsgevolg hebben. 2.Aan medewerkers van de DCMR wordt ondermachtiging verleend voor het verrichten van feitelijke handelingen, zijnde handelingen die geen rechtsgevolgen hebben, voor zover het standaardbrieven betreft zoals ontvangstbevestigingen, procedurebrieven. 3.Onder het eerste, tweede en derde lid wordt mede verstaan het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, alsmede het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 18 van de Omgevingswet. 4.De feitelijke handelingen bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, omvatten in ieder geval de basistaken Seveso-inrichtingen en de overige basistaken, voor zover deze betrekking hebben op de in dit mandaatbesluit begrepen bevoegdheden. 5.De leidinggevenden aan wie overeenkomstig artikel 2, eerste lid, ondermandaat is gegeven, zijn gevolmachtigd om namens de Provincie privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, voor zover deze voortvloeien uit de bevoegdheden als bedoeld in mandaatnummers RBS14. Artikel4Kaders en beleid 1.De leidinggevende betrekt bij de uitoefening van de aan hem ondergemandateerde bevoegdheden de relevante door Provinciale Staten vastgestelde kaders, alsmede het door Gedeputeerde Staten gehanteerde beleid en de door Gedeputeerde Staten gehanteerde bestendige gedragslijnen. 2.De directeur of een vervanger treedt in overleg met de ambtelijk opdrachtgever, indien hij het noodzakelijk acht af te wijken van de in het eerste lid bedoelde kaders of beleid. Artikel5Informatieplicht De leidinggevende neemt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden de volgende door Gedeputeerde Staten voor de directeur Omgevingsdienst gestelde regels in acht: De directeur of een vervanger informeert de ambtelijk opdrachtgever en de portefeuillehouder indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de provincie of Gedeputeerde Staten aansprakelijk worden gesteld of anderszins aangesproken worden. In de gevallen bedoeld in de vorige volzin verschaft de directeur of diens vervanger tijdig vooraf alle benodigde informatie en voert hij overleg met het bureauhoofd en de portefeuillehouder alvorens de bewuste bevoegdheid uit te oefenen. Van een situatie zoals bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij de volgende besluiten en/of situaties: Bij overschrijden van de wettelijke beslistermijn bij vergunningverleningsprocedures zonder wederzijdse overeenstemming over termijnverlenging; Een vergunningverleningsprocedure bij een aandachtsbedrijf, een nieuw te vestigen bedrijf of een uitbreiding waardoor er meer milieugebruiksruimte wordt aangevraagd dan reeds vergund; Woo- of informatieverzoeken vanuit de media; Wanneer tijdens een vergunningverleningsproces er een samenloop is met andere overheden die een negatieve invloed heeft op de procesgang; Bij risico op ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu; Bij onderwerpen waarvan het redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze op de agenda komen te staan van de Tweede Kamer of van Provinciale Staten; Bij situaties met mediagevoelige casuïstiek; Bij mogelijke financiële aansprakelijkheidsstelling of andere niet voorziene kosten voor de provincie. De directeur Omgevingsdienst pleegt altijd vooroverleg met het bureauhoofd en de portefeuillehouder bij toepassing van mandaten die door de directeur Omgevingsdienst niet in ondermandaat mogen worden gegeven aan onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevenden, tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de mandaatlijst anders is bepaald. Van een situatie zoals bedoeld in het derde lid is in ieder geval sprake bij de volgende besluiten en/of situaties: Bij bezwaar- en beroepsprocedures waarbij Gedeputeerde Staten op voorhand een (overwogen) bestuurlijke risicoafweging maken; Het opleggen last onder dwangsom en/of het, na het bedrijf gehoord te hebben (hoorbrief), besluit tot afzien van opleggen last onder dwangsom; Het voornemen tot opleggen en het opleggen van een last onder bestuursdwang Het vaststellen van een gedoogbeschikking; De voortgang van bezwaar- en beroepsprocedures, inclusief mediationgesprekken. De directeur Omgevingsdienst en de secretaris, of hun plaatsvervangers, overleggen minimaal twee keer per jaar over de uitvoering en voortgang van de opgedragen taken, de toepassing van de mandaten, het budget, en de werkzaamheden in het kader van dit besluit. De directeur Omgevingsdienst en de secretaris, of diens plaatsvervanger, overleggen minimaal één keer per jaar over de samenwerking tussen de omgevingsdienst en de provincie. De directeur Omgevingsdienst brengt drie keer per jaar schriftelijk verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de gebruikmaking van de in mandaat uitgeoefende bevoegdheden. Hierbij wordt gerapporteerd over alle mandaten die niet ondergemandateerd mogen worden, met een toelichting over elk onbevoegd genomen besluit, de (mogelijke) financiële en juridische risico’s hiervan, de genomen maatregelen ter reparatie van het besluit, alsmede de genomen maatregelen om herhaling te voorkomen. Tevens wordt gerapporteerd over alle overige mandaten; waarbij een a-selecte steekproef van 5%. met een minimum van één besluit, per mandaatnummer wordt genomen. Indien hierbij onbevoegd genomen besluiten worden geconstateerd, wordt een toelichting gegeven over de (mogelijke) financiële en juridische risico’s, de genomen maatregelen ter reparatie van het besluit, alsmede de genomen maatregelen om herhaling in de toekomst (idem) te voorkomen. Voor deze rapportages wordt gebruik gemaakt van door gedeputeerde Staten verstrekte formulieren. Artikel6Ondertekening 1.Indien een besluit wordt genomen op grond van artikel 2, eerste lid, wordt voor de ondertekening het volgende model gebruikt: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, namens dezen, gevolgd door de handtekening, naam en functie van de directeur of functionaris, of gevolgd door middel van naam-functieaanduiding en een automatisch gegenereerde disclaimer. 2.Indien een besluit wordt genomen op grond van artikel 2, vierde lid, van dit besluit wordt voor de ondertekening het volgende model gebruikt: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, namens dezen, Gevolgd door de handtekening, naam en functie van de functionaris of gevolgd door een ondertekening door middel van naam-functieaanduiding en een automatisch gegenereerde disclaimer. Artikel7Intrekking mandaatbesluit Het Ondermandaatbesluit directeur DCMR Milieudienst Rijnmond voor provinciale bevoegdheden 2024 (Provinciaal Blad 2024, nr.157) wordt ingetrokken. Artikel8Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provincie Blad en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2024; de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel9Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directeur DCMR Milieudienst Rijnmond voor provinciale bevoegdheden 2025. Schiedam, 22 januari 2025Mr. R.M. ThéDirecteur DCMR Milieudienst Rijnmond Ondermandaatlijst DCMR milieudienst Rijnmond 2025 BEVOEGDHEDEN/BESLUITEN Algemeen TOELICHTING/VOORWAARDEN Ondermandaat teammanager, tenzij anders vermeld RAA01 Besluiten in bestuursrechtelijke procedures: Proceshandelingen in bestuursrechtelijke procedures zoals het voeren van verweer, indien het besluit in mandaat is genomen door de directeur Omgevingsdienst of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevende. Besluiten inzake verzoeken om toepassing van rechtstreeks beroep (art. 7:1a Awb). Op een verzoek om toepassing van rechtstreeks beroep kan op grond van art. 10:3 Awb niet worden beslist door degene die het besluit waartegen een bezwaar zich richt in mandaat heeft genomen. RAA02 Besluiten op grond van: art. 4:5 en 4:6, Awb (vereenvoudigde wijze van afdoen en afdoen herhaalde aanvraag); art. 4:7 en 4:8, Awb (horen); afdeling 4.1.3, Awb (opschorten beslistermijn); besluiten over dwangsommen bij niet tijdig beslissen; titel 4.4, Awb (bestuursrechtelijke geldschulden) met uitzondering van afdeling 4.4.4, Awb (aanmaning en invordering bij dwangbevel); art. 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b, Awb (bestuurlijke lus en tussenuitspraak); afdeling 3.4 Awb (openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren); afdeling 3.5 Awb (instemmen met) coördinatiebesluiten en het optreden als coördinerend bestuursorgaan; art. 16.10 Ow (buiten behandeling laten aanvraag); art. 16.24, tweede lid, ow (afdeling 3.4 Awb buiten toepassing verklaren bij kennelijke verschrijving). RAA03 Het eenmalig dan wel doorlopend machtigen van medewerkers of externe adviseurs om Gedeputeerde Staten te vertegenwoordigen in bestuursrechtelijke procedures. Het eenmalig dan wel doorlopend machtigen van medewerkers of externe adviseurs om namens Gedeputeerde Staten ter zitting, binnen de grenzen van het geschil en het daarmee gepaarde gaande financiële belang, mee te werken aan finale geschillenbeslechting en toezeggingen ten aanzien daarvan te doen. Kan niet in ondermandaat worden gegeven. Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is niet van toepassing. Directeur RAA04 Het aanwijzen van functionarissen voor het voeren van mediationgesprekken en voor het aangaan en ondertekenen van mediationovereenkomsten. Het maken van afspraken en het aangaan en ondertekenen van vaststellingsovereenkomsten naar aanleiding van mediationgesprekken. Vaststellingsovereenkomsten als resultaat van mediationgesprekken mogen alleen in mandaat worden aangegaan en ondertekend, indien het conflict zijn oorsprong vindt in een besluit dat is genomen door de directeur Omgevingsdienst of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende leidinggevende. Kan niet in ondermandaat worden gegeven. Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is voor wat betreft het aanwijzen van functionarissen voor het voeren van mediationgesprekken niet van toepassing. Directeur RAA05 Besluiten op bezwaarschriften op grond van de Awb conform advies van de bezwarencommissie (art. 7:11, Awb), indien het primaire besluit genomen is door een onder de verantwoordelijkheid van de directeur Omgevingsdienst vallende leidinggevende. Omvat mede besluiten in het kader van de voorbereiding, zoals toepassing van art. 2:2 (weigeren raadsman of vertegenwoordiger) en 7:10 (verdagen beslistermijn), Awb. Kan niet in ondermandaat worden gegeven. Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is niet van toepassing. Directeur RAA06 Het aanwijzen van personen belast met het houden van toezicht (art. 18.6 Ow). Directeur RAA07 Het aanvragen en verantwoorden van subsidies op basis van regelingen van andere overheidsorganen, het Rijk en de Europese Unie, alsmede het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten ter verkrijging van deze subsidies. Het mandaat heeft geen betrekking op: Het besluit om als leadpartner op te treden en daarmee (mede) de verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van projecten door derden. Het besluit om Gedeputeerde Staten te committeren aan het vaststellen van een subsidieregeling. De uitgezonderde besluiten blijven voorbehouden aan Gedeputeerde Staten. Kan niet in ondermandaat worden gegeven. Directeur RAA08 Besluiten in het kader van het beheren van een zekerheidstelling. RAA09 Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bibob, met uitzondering van Het weigeren van een vergunning, Het verlenen van een vergunning onder voorwaarden, of het verwerken van het advies “ernstig gevaar” van het Landelijk Bureau Bibob of vanwege eigen onderzoek. Het mandaat betreft evenmin het verlenen van een vergunning in situaties van ernstig gevaar. Het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob en het verwerken van dit advies kan niet in ondermandaat worden gegeven. Artikel 5, derde lid van het mandaatbesluit is niet van toepassing op het vragen van advies. N.B. Het mandaat omvat mede het, voorafgaand aan het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob, uit te voeren eigen onderzoek. Het verwerken van het advies “ernstig gevaar” van het Landelijk Bureau Bibob (weigeren vergunning, verlenen vergunning onder voorwaarden, intrekken vergunning) is voorbehouden aan Gedeputeerde Staten. Teammanager, m.u.v. het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB) en het verwerken van dit advies, dan directeur. RAA10 Het uitoefenen van bevoegdheden op grond van de Woo. Het mandaat omvat zowel de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot passieve openbaarmaking als tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot actieve openbaarmaking. Uitoefening van het mandaat vindt plaats met inachtneming van een door het college van Gedeputeerde Staten te geven werkinstructie Woo, alsmede met inachtneming van de door het college van Gedeputeerde Staten vastgestelde beleidsregels inzake actieve openbaarheid, zoals deze op het moment waarop het onderhavige mandaat wordt uitgeoefend geldend zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 5, eerste lid van het mandaatbesluit, zendt de directeur van de omgevingsdienst in de eerste week van elke kalendermaand een overzicht aan Gedeputeerde Staten van alle bij de omgevingsdienst ingediende verzoeken om passieve openbaarheid, alsmede informatie over de stand van zaken van in de behandeling zijnde verzoeken. RAA11 Besluiten op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (JAVG), met uitzondering van het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens (datalekken). Kan niet in ondermandaat worden gegeven. directeur RAA12 Het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens (datalekken) als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene verordening (UAVG). Kan niet in ondermandaat worden gegeven. directeur BEVOEGDHEDEN/BESLUITEN Vergunningverlening TOELICHTING/VOORWAARDEN RMV01 Omgevingsvergunningen (enkelvoudige aanvraag) voor een milieubelastende activiteit op grond van art. 5.1, tweede lid, van de Ow en het Bal (met uitzondering van “het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergie-systeem” als bedoeld in art. 3.19, eerste lid, sub a Bal), waarover Gedeputeerde Staten op grond van art. 4.6, eerste lid, onder c Ob of art. 4.16 Ob (“eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag”) dienen te beslissen; Omgevingsvergunningen (enkelvoudige aanvraag) voor een activiteit met betrekking tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater waarvoor in paragraaf 3.4.3. van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden; Omgevingsvergunningen (enkelvoudige aanvraag) voor een activiteit anders dan een milieubelastende activiteit op grond van art. 5.1, tweede lid, Ow en het Bal, waarover Gedeputeerde Staten op grond van art. 4.16 Ob (“eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag”) dienen te beslissen; Omgevingsvergunningen (meervoudige aanvraag) voor activiteiten, waarover Gedeputeerde Staten op grond van art. 4.6, eerste of tweede lid, Ob dienen te beslissen; Omgevingsvergunningen (meervoudige aanvraag) voor meerdere activiteiten, waarover Gedeputeerde Staten op grond van art. 4.16 Ob (“eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag”) dienen te beslissen; het stellen van maatwerkvoorschriften voor zover het betreft milieubelastende activiteiten. Hieronder valt ook: De activiteiten in afdeling 3.4 ZHOV voorkomen, beperken, beheren van verontreinigd grondwater; besluiten op verzoeken om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, voor zover het betreft milieubelastende activiteiten; het afhandelen van meldingen in verband met milieubelastende activiteiten; het afhandelen van meldingen, stellen van maatwerkvoorschriften en het beslissen op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel op grond van het Bbl. Het mandaat geldt niet voor besluiten waarmee een vergunning vanwege de Wet Bibob wordt geweigerd of verleend onder voorwaarden op grond van art. 5.31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ow juncto art. 8.8 van het Bkl (juncto art. 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, Ow). Het mandaat geldt eveneens niet met betrekking tot Seveso-inrichtingen of het exploiteren van een ippc-installatie als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies. Betreft: procedurestappen; ontwerpbesluit; besluit. T.a.v. de volgende specifieke activiteiten geldt een van c., d. en e. afwijkende regeling: Natura 2000-activiteiten (ODH); Flora- en fauna-activiteiten (ODH); Ontgrondingsactiviteiten (ODH); Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden o.g.v. de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ODH); Activiteiten in stiltegebieden o.g.v. de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (DCMR). Indien een aanvraag uitsluitend op één of meer van deze activiteiten betrekking heeft, heeft de specifieke omgevingsdienst het exclusieve mandaat voor de aan hem toegewezen specifieke activiteit(en), ongeacht waar de activiteit plaatsvindt. Indien de aanvraag bestaat uit een combinatie van een of meerdere specifieke ODH-activiteiten en een specifieke DCMR- activiteit, zijn beide omgevingsdiensten bevoegd voor alle activiteiten en wordt in onderling overleg bepaald wie, met advies van de andere omgevingsdienst, de aanvraag behandelt. Indien sprake is van een meervoudige aanvraag die niet uitsluitend op één of meer van deze specifieke activiteiten betrekking heeft, neemt de omgevingsdienst in wiens regio die activiteit plaatsvindt een besluit over alle aangevraagde activiteiten, waarbij ODH/DCMR m.b.t. de specifieke activiteit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.