Beleidsregels Gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang 2025 gemeente Hulst1.Besluit, toepassing, citeertitel beleidsregels en definities 1.1Besluit Burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang; Gelet op de artikelen 1.45, 1.46, 1.47 en 148d Wet kinderopvang. Besluiten: Vast te stellen de Beleidsregels Gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang 2025 gemeente Hulst. 1.2Toepassing Deze beleidsregels beschrijven de invulling van de gemeentelijke taken en bevoegdheden bij: het houden van toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang; het behandelen van aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang; het handhaven op het niet naleven van voorschriften van de bij of volgens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving. Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle voorzieningen voor kinderopvang in de gemeente Hulst. 1.3Citeertitel beleidsregels Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang 2025 gemeente Hulst’. 1.4Definities In onderstaand overzicht staan de definities van de belangrijkste in dit beleid voorkomende termen. Voor alle (overige) termen sluiten we aan bij de definities in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. Definities (en afkortingen) Afwegingsmodel In het afwegingsmodel zijn per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een hersteltermijn, de hoogte van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom. Het afwegingsmodel is een bijlage bij deze beleidsregels. Awb Algemene wet bestuursrecht. Beleidsregels Beleidsregels Gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang 2025 gemeente Hulst. College Het college van burgemeester en wethouders. Gastouderbureau Een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt. GGD Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland (zie toezichthouder). GIR Gemeentelijke Inspectie Ruimtes (portaal voor gemeenten en de toezichthouder, staat in verbinding met het LRK). Herstelaanbod Het aanbod van de toezichthouder kinderopvang aan de houder om binnen een gestelde termijn een tekortkoming te herstellen. Uit het inspectierapport blijkt of de houder gebruik heeft gemaakt van het herstelaanbod. Houder Degene met een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert. Illegale kinderopvang Kinderopvangvoorziening zonder gemeentelijke toestemming tot exploitatie en/of zonder registratie in het LRK. Kindercentrum Voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang. Kinderopvang Het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor de kinderen begint. Kinderopvang- voorziening Dagopvang en buitenschoolse opvang op een specifiek adres (als er sprake is van een gastouder), een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang. Kwaliteitseisen De voorschriften genoemd in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving waar de opvang aan moet voldoen. LRK Landelijk Register Kinderopvang Overtreding Niet nagekomen verplichting als genoemd in artikel 1.72, eerste lid van de Wet kinderopvang. Zie het tweede lid van dit artikel. De toezichthouder spreekt in de rapporten altijd van een overtreding. Tekortkoming Niet nageleefde regels als genoemd in artikel 1.62, eerste tot en met vierde lid van de Wet kinderopvang. Zie het vijfde lid van dit artikel. Toezichthouder De inspecteur van de GGD belast met de controle op de naleving van de voorschriften. VE Voorschoolse educatie, moet succesvolle instroom van kinderen in het basisonderwijs mogelijk maken. Verhuizing Adreswijziging conform de GBA niet zijnde een adresvernummering. Wko Wet kinderopvang 2.Inleiding 2.1Waarom beleid Dit beleidsstuk betreft het beleid dat wij hanteren bij de uitvoering van de gemeentelijke taken die voortvloeien uit de Wet kinderopvang. De Zeeuws-Vlaamse gemeenten kiezen voor een gezamenlijk beleid omdat houders vaak over gemeentegrenzen heen werken. Het vastleggen van ons beleid draagt bij aan een transparante werkwijze omdat iedere belanghebbende zich kan informeren over het gemeentelijk beleid. Deze beleidsregels zijn voor iedereen van toepassing en verhogen daarmee de rechtsgelijkheid. De beleidsregels moeten ook bijdragen aan het stimuleren van kwalitatief goede kinderopvang. 2.2Wat komt aan de orde In hoofdstuk 3 beschrijven wij de regionale visie op de handhaving op het gebied van de kinderopvang. In hoofdstuk 4 komt het toezicht aan de orde. Vooral de taakverdeling tussen enerzijds de GGD als toezichthouder en anderzijds het college als bevoegd orgaan. In hoofdstuk 5 gaan wij nader in op de administratieve processen die voortvloeien uit deze gemeentelijke taak, waaronder het proces dat volgt op nieuwe aanvragen voor het mogen exploiteren van een kindercentrum. In hoofdstuk 6 leggen wij uit welke overwegingen van belang zijn bij de besluitvorming. In hoofdstuk 7 komen de handhavingsmiddelen aan de orde, in zwaarte variërend van overleg tot het intrekken van de toestemming tot het exploiteren van een kindercentrum. Aan het eind van het rapport vindt u de bijlage: Het gemeentelijke afwegingsmodel, met onder andere de standaard voorgeschreven bestuurlijke boete en last onder dwangsom; De werk- en procesbeschrijvingen. 2.3Landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen De Wet kinderopvang is sinds 2005 van toepassing. In 2018 en 2019 is de wetgeving met de (wijzigings-)Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang aangepast. De drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen werken samen met als doel om het toezicht en de handhaving efficiënter uit te oefenen. We maken gezamenlijk beleid, met als basis het model van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. 3.Kader, visie, ambitie en speerpunten 3.1Kader De Wet kinderopvang en aanverwante regelingen stellen kwaliteitseisen, die in de inspectierapporten van de toezichthouder (GGD) in domeinen zijn onderverdeeld: registratie, wijzigingen en administratie het pedagogisch klimaat personeel en groepen veiligheid en gezondheid accommodatie ouderrecht De Wet kinderopvang maakt gemeenten verantwoordelijk voor het handhaven van de kwaliteitseisen in die wet. De GGD is de aangewezen toezichthouder die tijdens inspecties bij de voorzieningen controleert op de naleving van de kwaliteitseisen. Wij hebben de directeur publieke gezondheid van de GGD aangewezen als toezichthouder. De Inspectie van het Onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of de gemeenten hun wettelijke taken met betrekking tot de registervoering en de uitvoering van het toezicht goed uitvoeren. Het college legt jaarlijks verantwoording af aan de genoemde inspectie en de gemeenteraad. 3.2Visie op handhaving en ambitie De Zeeuws-Vlaamse gemeenten vinden kwalitatief goede kinderopvang belangrijk. Het uitvoeren van de toezichts- en handhavingstaken zien wij als belangrijke voorwaarde. Dit vraagt om een kinderopvang die voorziet in een veilige en gezonde omgeving voor de kinderen, waar vaste gezichten en vertrouwde personen bijdragen aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling. Die medewerkers geven de kinderen normen en waarden mee die in het onderwijs en in de maatschappij van belang zijn. Wij streven naar een goede relatie met de houder van een voorziening en vinden het belangrijk om vanuit vertrouwen te handelen. Om deze visie te realiseren, houdt de GGD risico gestuurd toezicht op naleving van de kwaliteitseisen: meer toezicht waar nodig, minder waar kan, dit alles is afhankelijk van het risicoprofiel. Dit profiel is een weerslag van eerdere inspectierapporten. Handhaving richt zich niet slechts op eenmalig herstel, maar ook op langdurige verbetering en het voorkomen van herhaling. De Inspectie van het Onderwijs controleert of wij onze taken naar behoren uitvoeren. Eén van de aspecten waar de inspectie op toetst, is of wij tijdig besluiten nemen op rapporten van de GGD. Het streven is om een besluit te nemen binnen acht weken nadat de GGD een rapport in de GIR (Gemeentelijke Inspectie Ruimtes) heeft geplaatst. In gevallen waarin er geen sprake meer is van een bestaande tekortkoming – de tekortkoming is dan hersteld tijdens het herstelaanbod – is het mogelijk die termijn van acht weken in te korten. Als we de houder om aanvullende informatie vragen of als de houder extra tijd krijgt voor het indienen van een aanvullende zienswijze, is het mogelijk dat we die termijn van acht weken overschrijden. Bij het versturen van een voornemen heeft de houder altijd de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De hiervoor geldende redelijke termijn van twee weken bekort de tijd voor interne besluitvorming. De termijn van acht weken is ook niet haalbaar bij het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Dergelijke besluiten vereisen een directe betrokkenheid van ons college en de bijbehorende processen vragen meer tijd. 3.3Speerpunten Wij kunnen bepaalde kwaliteitseisen extra aandacht geven. Dit kan door bijvoorbeeld intensiever toezicht uit te voeren op voorschriften die al onderdeel uitmaken van het onderzoek, maar ook door extra (aanvullende) voorschriften in het onderzoek op te nemen. Zo krijgen wij een beter beeld van de kwaliteit van de kinderopvang en waar nodig kunnen we handhaving inzetten. Zo dragen wij bij aan een hoge kwaliteit van de kinderopvang. Wij maken met de GGD Zeeland jaarlijks afspraken over het toezicht in het betreffende kalenderjaar. We informeren houders hierover via een mailing. 4.Toezicht De toezichthouder inspecteert jaarlijks alle kindercentra en om het jaar de gastouderbureaus en toetst de kwaliteit van de opvang1artikel 1.62, tweede en derde lid Wet kinderopvang. De toezichthouder fungeert daarmee als de ogen en oren van een gemeente. De toezichthouder onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en adviseert ons over deze naleving. Elke inspectie leidt tot een inspectierapport, waarvan de houder een afschrift ontvangt. Als de toezichthouder constateert dat aan alle eisen is voldaan, dan ontvangt de houder van ons een brief. Als een houder na een herstelaanbod alsnog aan alle voorwaarden voldoet, dan blijkt dit uit het inspectierapport van de toezichthouder. De houder ontvangt van ons de brief ‘niet handhaven na herstelaanbod’. In die brief staat welke tekortkoming is vastgesteld, met de bevestiging dat deze na het herstelaanbod is opgeheven. Als de toezichthouder meent dat een tekortkoming niet in aanmerking komt voor een herstelaanbod, geeft de toezichthouder het college het advies om over te gaan tot handhaving conform het handhavingsbeleid. De toezichthouder kan tijdens de inspectie aan de houder toelichten welke kwaliteitseisen onderdeel uitmaken van een inspectie en waarom. 4.1Onderzoeken De toezichthouder (GGD) voert de volgende onderzoeken uit: Onderzoek voor registratie Na een aanvraag tot exploitatie van een nieuwe voorziening, om antwoord te krijgen op de vraag of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. Onderzoek na registratie Binnen drie maanden na registratie in het LRK (met uitzondering van voorzieningen voor gastouderopvang). Jaarlijks onderzoek Alle kindercentra en gastouderbureaus krijgen jaarlijks een inspectie. Onderzoek voorzieningen voor gastouderopvang 50% van de gastouders krijgt jaarlijks bezoek van de GGD. De GGD kijkt hierbij naar de datum van de laatste inspectie. Nader onderzoek Nadat wij zijn overgegaan tot handhaving, onderzoekt de toezichthouder - zodra de begunstigingstermijn van de schriftelijke aanwijzing is verstreken - op ons verzoek of de tekortkoming is hersteld. Incidenteel onderzoek Een onderzoek naar aanleiding van onder meer een incident, een signaal, een wijzigingsverzoek van een houder of bijvoorbeeld een thema-onderzoek passend bij de gemeentelijke speerpunten. De toezichthouder verwerkt de bevindingen uit de inspectie in een inspectierapport. Deze inspectierapporten geven een beeld van de kwaliteit van de voorziening. De rapporten van de GGD zijn openbaar (LRK); de brieven van de gemeente plaatsen we in ons zaaksysteem. 4.2Risicogestuurd en onaangekondigd toezicht Om een goed beeld te krijgen van de kwaliteit van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, vinden de onderzoeken (met uitzondering van het onderzoek voor registratie) in principe onaangekondigd plaats. Het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus die daarvoor in aanmerking komen, is risico gestuurd. Dit betekent meer toezicht waar het nodig is, minder waar het kan. Om hier invulling aan te geven, stelt de toezichthouder een risicoprofiel op. Dit risicoprofiel komt bij elk onderzoek aan de orde. Het risicoprofiel bepaalt de intensiviteit van de volgende inspectie. 4.3Herstelaanbod Een herstelaanbod is mogelijk bij alle voorzieningen, bij een onderzoek na registratie, bij een jaarlijks onderzoek en bij een incidenteel onderzoek. Bij een onderzoek voor registratie en bij een nader onderzoek staat de wet een herstelaanbod niet toe. De periode tot herstel kan maximaal vier weken bedragen. De toezichthouder vermeldt in het inspectierapport waarvoor een herstelaanbod is verleend en of de houder de tekortkoming binnen de gegeven termijn heeft hersteld. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken. In de onderstaande situaties kan de toezichthouder geen herstelaanbod geven: Als een tekortkoming uit een vorige inspectie niet is opgelost of pas na een herstelaanbod. Dan is er sprake van recidive; Als de voorziene termijn voor het herstellen van een tekortkoming langer is dan vier weken; Als de toezichthouder te veel tekortkomingen heeft geconstateerd. Het begrip te veel wordt ingevuld op basis van de deskundigheid van de toezichthouder; Als er een andere overtreding is geconstateerd die dermate ernstig of spoedeisend is, dat hiervoor geen herstelaanbod mogelijk is; Als de voorziening op de datum van de inspectie een rood risicoprofiel had. Wij wegen de oorspronkelijke tekortkoming en de resultaten van het herstelaanbod mee bij de besluitvorming over het al dan niet handhaven. Wij verwijzen ook naar paragraaf 6.4, Handhaving na herstelaanbod. 4.4Schriftelijk bevel Als de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie tegenkomt waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel2artikel 1.65, derde lid van de Wet kinderopvang. Dit schriftelijk bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. In het bevel beschrijft de toezichthouder de tekortkoming, welke actie de houder moet ondernemen en binnen welke termijn dit moet gebeuren. De toezichthouder informeert de gemeente over het opgelegde schriftelijk bevel. Hierdoor is de gemeente tijdig op de hoogte om eventueel vervolgstappen (zoals een verlenging van het schriftelijk bevel) te nemen. 5.Aanvraag tot exploitatie In de volgende situaties betreft het een aanvraag tot exploitatie: Er is sprake van een nieuwe voorziening; Er is sprake van een wijziging van de houder; Er is sprake van een verhuizing. In tegenstelling tot een aanvraag voor een nieuwe voorziening en een verhuizing, is voor een houderwijziging een wijzigingsverzoek vereist. 5.1Nieuwe voorziening Een (nieuwe of bestaande) houder moet een aanvraag tot exploitatie van een voorziening indienen bij de gemeente waar de beoogd te exploiteren kinderopvangvoorziening zich bevindt. Op de gemeentelijke website staat een link naar het aanvraagformulier. Het is van belang dat de houder een aanvraag tijdig indient en rekening houdt met de gewenste startdatum van de exploitatie. Wij nemen binnen tien weken een besluit3artikel 1.46, eerste lid van de Wet kinderopvang. Opschorting van het besluit is mogelijk, bijvoorbeeld als de voorziening nog niet aan alle kwaliteitseisen voldoet. Een nieuwe kinderopvangvoorziening mag pas starten met de exploitatie na schriftelijke toestemming van het college, op de in het besluit genoemde datum. Wij registreren de verleende toestemming in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Bij het indienen van een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening zijn leges verschuldigd conform de gemeentelijke legesverordening. 5.1.1Illegale kinderopvang De wettelijke definitie van kinderopvang4artikel 1.1 van de Wet kinderopvang is het 'bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor de kinderen begint’. Er is sprake van ‘illegale kinderopvang' wanneer niet aan die definitie is voldaan én: bij de gemeente geen aanvraag tot exploitatie is ingediend; of bij de gemeente een aanvraag is ingediend, maar de exploitatie is gestart voordat het onderzoek van de GGD heeft plaats gevonden; of bij de gemeente een aanvraag is ingediend en het onderzoek voor registratie heeft plaatsgevonden, maar de exploitatie is gestart voordat er een besluit op de aanvraag is genomen. Als wij constateren dat er sprake is van illegale opvang, is dit een reden om handhavend op te treden door het opleggen van een bestuurlijke boete. Illegale opvang kan op grond van de Wet Economische Delicten een reden zijn om aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie5het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar gesteld. Dit is een economisch delict (artikel 1, tweede lid Wet op de economische delicten).. Als wij dit nodig achten, doen wij aangifte. 5.1.2Streng aan de poort Vanaf de start van de exploitatie moet een kindercentrum of een voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang bieden. Het kindercentrum en de voorziening voor gastouderopvang moeten aan de kwaliteitseisen voldoen. De toezichthouder toetst bij het onderzoek voor registratie of er voldoende vertrouwen is dat er vanaf de start van exploitatie kwalitatief goede opvang of begeleiding zal zijn. Bij dit onderzoek komen (voor zover mogelijk) alle kwaliteitseisen aan de orde. Een gesprek met de houder kan duidelijkheid geven of men ‘redelijkerwijs’ aan de kwaliteitseisen zal voldoen. Op basis hiervan vormt de toezichthouder zich een oordeel over de aanvraag tot exploitatie. Indien nodig betrekken wij bij de beoordeling van de aanvraag tot exploitatie de kwaliteit en handhavingshistorie van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder. Voortdurende, ernstige en/of vele overtredingen op deze voorzieningen vormen een contra-indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen uit andere bronnen kunnen ook meewegen bij de beoordeling van de aanvraag. Wij toetsen een nieuwe aanvraag voor het starten van een kindercentrum aan de hand van criteria (voorschriften) in de Wet kinderopvang. Vóór het inrichten van het kindercentrum moet de houder voldoen aan de eisen die andere wetten stellen, zoals bijvoorbeeld de bouwvoorschriften en brandveiligheidsvoorschriften. De houder is verantwoordelijk voor de aanvraag van de benodigde vergunningen. 5.1.3Startdatum exploitatie Op basis van het onderzoek voor registratie neemt de gemeente een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag staat vanaf welke datum de exploitatie mag starten. 5.1.4Onderzoek na registratie De toezichthouder controleert binnen drie maanden na de registratiedatum of de kinderopvangvoorziening (uitgezonderd gastouderopvang) in de praktijk aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet. Dit onderzoek betreft vooral het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze van opvang van de kinderen. 5.1.5Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie Als een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om met succes een nieuwe aanvraag in te dienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden6artikel 4:6, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Als de aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat, kunnen wij de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerder afgegeven afwijzende beschikking7artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. 5.2Houderwijziging Bij de overname van een actief kindercentrum of gastouderbureau is het voor de continuïteit van belang dat de oude en nieuwe eigenaar samen een overname goed regelen. Een houderwijziging vindt plaats met een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier. De formulieren zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten bij een overname: Wij behandelen een overname als een nieuwe aanvraag met de bijbehorende toetsing door de toezichthouder. De naleving van de kwaliteitseisen bij andere kinderopvangvoorzieningen en de handhavingshistorie van de nieuwe houder is relevant; Bij een overname brengen wij leges in rekening conform de gemeentelijke legesverordening; Wij houden rekening met de tijd die de nieuwe houder nodig heeft bij het opheffen van eventuele bestaande tekortkomingen. 5.3Verhuizing 5.3.1Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang Als een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist, nemen wij de verhuizing in behandeling als een nieuwe aanvraag. Hiervoor zijn de volgende documenten vereist: Voor de oude kinderopvangvoorziening: een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving) wegens verhuizing; Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening: een aanvraag tot exploitatie (inschrijving). Voor een verhuizing – die gelijk staat aan een nieuwe aanvraag – brengen wij eveneens leges in rekening, conform de gemeentelijke legesverordening. 5.3.2Verhuizing van een gastouderbureau Als een gastouderbureau (GOB) verhuist, geldt er een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een GOB geen nieuwe aanvraag tot exploitatie moet indienen als het adres wijzigt. Hiervoor moet de houder een verzoek tot wijziging van het vestigingsadres indienen. Bij een verhuizing naar een andere gemeente, moet het wijzigingsverzoek naar de huidige gemeente van vestiging. Die gemeente stuurt het verzoek (na verwerking in het LRK) door naar de nieuwe gemeente van vestiging, die een besluit neemt op het wijzigingsverzoek. 6.Handhaving Wij zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen en de handhaving conform ons gemeentelijk beleid. Handhaving vindt plaats op basis van de inspectierapporten van de toezichthouder. Als wij – onafhankelijk van de toezichthouder – signaleren dat er mogelijk sprake is van tekortkomingen, vragen wij de toezichthouder een onderzoek in te stellen. De Wet kinderopvang verplicht gemeenten om na het onherroepelijk worden van een handhavingsbesluit dit besluit te publiceren in het LRK. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk nadat de mogelijkheden van rechtsbescherming (bezwaar, beroep) zijn uitgeput door het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep. 6.1Preventie De gemeente vindt het van belang om het niet naleven van kwaliteitseisen (zoveel mogelijk) te voorkomen. In dit kader informeren wij houders over ons toezicht en handhavingsbeleid. Wij zetten de volgende preventieve middelen in: Voorgesprek bij aanvraag van nieuwe houders Tijdens het voorgesprek wordt besproken wat de verwachtingen/eisen zijn bij het starten van een kinderopvang. Dit gesprek wordt in principe niet gehouden met nieuwe gastouders en al bekende houders in de regio. Delen van informatie De gemeente kan (eventueel samen met GGD) de houders informeren over actualiteiten, ontwikkelingen en aandachtspunten in toezicht en handhaving. Service-gesprekken met houders Als de toezichthouder bij opeenvolgende inspecties tekortkomingen signaleert, kan dat een reden zijn de houder uit te nodigen voor een gesprek. 6.2Maatwerk in handhaving Wij hebben in beginsel een plicht tot handhaven. De wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Met deze beleidsregels geven wij invulling aan de gemeentelijke taken en bevoegdheden. Op een juiste en consequente manier handhaven betekent ook oog hebben voor de specifieke situatie en feiten en/of omstandigheden waaronder de tekortkomingen zijn ontstaan. Individuele omstandigheden – verzwarend of verzachtend – kunnen van invloed zijn op het instrument dat wij kiezen om handhavend op te treden. Niet alle situaties zijn ‘standaard’; handhaven is vaak maatwerk. 6.2.1Herstellend en/of bestraffend handhaven Wij kunnen herstellend en bestraffend handhaven: Herstellend: de houder bewegen om de tekortkoming te herstellen en hersteld te houden; Bestraffend: gericht op het toevoegen van financieel leed (punitieve sanctie), ter voorkoming van tekortkomingen in de toekomst. Het is mogelijk herstellend en bestraffend handhaven te combineren. 6.2.2Escalatieladder In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een schriftelijke aanwijzing, inclusief een hersteltermijn waarbinnen de tekortkoming moet zijn hersteld. Gelijktijdig met het geven van de schriftelijke aanwijzing geven wij de toezichthouder de opdracht om kort na het verstrijken van de gegeven termijn een nader onderzoek in te stellen. Blijkt uit het nader onderzoek van de toezichthouder dat de tekortkoming niet is opgeheven, dan vindt er een afweging plaats over de te nemen vervolgstap in de handhaving. Dit kan zijn het opleggen van een last onder dwangsom. Leidt ook deze stap niet tot (volledige) naleving, dan vindt wederom een afweging plaats over de te nemen vervolgstap. In dat geval ligt een verhoogde last onder dwangsom of een exploitatieverbod voor de hand. Het uiterste middel binnen een herstellend traject is het intrekken van de toestemming tot exploitatie. Naast een herstellend traject is het, zoals in 6.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.