Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025Wat is de Wet Bibob? Bibob staat voor ‘bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur’. Het doel van de Wet Bibob is voorkomen dat een bestuursorgaan strafbare activiteiten faciliteert en/of dat onrechtmatig verkregen voordeel wordt gebruikt. De gemeente voert daarom een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob uit bij activiteiten die een verhoogd risico op criminaliteit hebben. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit. Hierbij wordt niet alleen de integriteit van een betrokkene getoetst maar ook wordt er onderzocht of (rechts) personen die tot een zakelijk samenwerkingsverband behoren betrokken zijn of zijn geweest bij criminele activiteiten Wanneer kan de gemeente een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob doen? De gemeente mag alleen een eigen onderzoek doen bij de volgende activiteiten: activiteiten waar een vergunning/ontheffing voor nodig is. Dit geldt ook voor een wijziging van een vergunning/ontheffing. activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd; opdrachten voor de overheid (overheidsopdrachten); vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente. In de Wet Bibob staat hoe gemeenten het eigen onderzoek mogen doen. Wat kunnen de gevolgen zijn van een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob? De gemeente kan bij het vermoeden van crimineel misbruik bijvoorbeeld beslissen geen vergunning, ontheffing, subsidie of overheidsopdracht aan te gaan/af te geven, of geen vastgoedtransactie te sluiten. Ook kan de gemeente beslissen om een vergunning of subsidie in te trekken of een overeenkomst te ontbinden. Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Lelystad, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, Overwegende dat: gemeente Lelystad alleen zaken wil doen met integere partijen; de Wet Bibob een instrument is om te beoordelen of partijen waar de gemeente een relatie mee aangaat, integer zijn; het doel van de Wet Bibob is het voorkomen dat de gemeente strafbare activiteiten faciliteert en/of dat onrechtmatig verkregen voordeel wordt gebruikt; de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden; de mogelijkheden om de Wet Bibob toe te passen op grond van de Omgevingswet zijn opgenomen in onderhavige beleidsregels; Gelet op: het bepaalde in de Wet Bibob; artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsook; de relevante bepalingen de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen, de Omgevingswet, de Huisvestingswet, de Huisvestingsverordening, de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (m.b.t. de gemeentelijke vergunningen), de Verordening fysieke leefomgeving Lelystad (m.b.t. de gemeentelijke vergunningen), de Verordening Winkeltijden Lelystad, de Algemene Subsidieverordening Lelystad, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Aanbestedingswet 2012 en het Burgerlijk Wetboek. Besluiten: vast te stellen de ‘Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025’. Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.In de Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025 wordt verstaan onder: Beleidsregels: Beleidsregels toepassing Wet Bibob gemeente Lelystad 2025, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester en de gemeenteraad, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; Beschikking: een beschikking ter zake van een subsidie, alsmede een beschikking ter zake van een vergunning, toekenning, goedkeuring, erkenning, registratie, aanwijzing of ontheffing; Bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad en de gemeenteraad van Lelystad, ieder voorzover het hun bevoegdheid betreft; Betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de subsidieontvanger, de vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of zal worden aangegaan of met wie wordt onderhandeld over een dergelijke transactie en de beoogd verkrijger van de erfpacht waarvoor toestemming is gevraagd als bedoeld in de begripsbepaling “vastgoedtransactie”; Bibob-onderzoek: een onderzoek uitgevoerd krachtens de Wet Bibob; Bibob-vragenformulier: het formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 7a, vijfde lid, van de Wet Bibob; Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar. Het Bureau verricht hiertoe zelfstandig onderzoek (artikelen 8 en 9 van de Wet); De gemeente: gemeente Lelystad als rechtspersoon met een overheidstaak; Eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeentelijke organisatie aanwezig is en die de gemeente in het kader van het eigen onderzoek kan gebruiken en/of informatie waarover de gemeente op verzoek kan beschikken; Eigen onderzoek: de wijze waarop de gemeente in beginsel toepassing geeft aan artikel 7a van de Wet; Overheidsopdracht: overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, dan wel een overeenkomst zorg op grond van de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum; Vastgoedtransactie: een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel: het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht; huur of verhuur; het verlenen van een gebruikrecht; de deelname, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of zal hebben of die onroerende zaak huurt, zal huren, verhuurt, of zal verhuren; of toestemming voor vervreemding van erfpacht als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; Wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; 2.De definities in artikel 1, eerste lid, van de Wet zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregels, tenzij er in het eerste lid anders is bepaald. Artikel1.2Toepassing Wet Bibob Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op de toepassing van de Wet door de rechtspersoon gemeente Lelystad en diens bestuursorganen. Deze beleidsregels laten dus onverlet dat binnen de grenzen van de Wet op andere wijze een integriteitstoets wordt uitgevoerd en dat de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming wordt betrokken. Artikel1.3Uitvoering Bibob-onderzoek in afwijking van de Beleidsregels In deze beleidsregel heeft de gemeente Lelystad omschreven in welke gevallen het een eigen onderzoek op grond van de Wet Bibob uitvoert. Ook in andere gevallen kan de gemeente een eigen onderzoek uitvoeren als zij dat nodig vindt. De gemeente kan dit doen zolang het zich aan de Wet Bibob en andere wetten houdt. Hoofdstuk2Beschikkingen Artikel2.1Vergunningen horeca, speelautomatenhal, seksinrichting, openbare inrichting, huisvesting. 1.Het bestuursorgaan start altijd een eigen onderzoek bij elke aanvraag voor een vergunning als bedoeld in: artikel 3 van de Alcoholwet (alcoholwetvergunning); artikel 30b van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning speelautomaten); artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning openbare inrichting); artikel 2:39 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning speelgelegenheid); artikel 2:40B van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning speelautomatenhal); artikel 2:40O, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (ondermijningsartikel); artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (exploitatievergunning seksinrichting, escortbedrijf); indien er sprake is van nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf, en/of indien er sprake is van een overname of wijziging van een exploitant. 2.In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het bestuursorgaan ten aanzien van: artikel 30a van de Alcoholwet (melding wijziging leidinggevende); de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een horecabedrijf betreft van een para-commerciële rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4 van de Alcoholwet; de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, in het geval het een slijtersbedrijf is, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; artikel 2:28B van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (melding wijziging beheerder openbare inrichting); artikel 2:40K van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (melding wijziging leidinggevende speelautomatenhal); Artikel 3:10 van de algemene plaatselijke verordening (melding gewijzigde omstandigheden exploitant en beheerder seksbedrijf); artikel 5:23 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad (vergunning snuffelmarkten); de verhuurvergunning opkoopbescherming en de ontheffing verbod verhuur beschermde woonruimte, zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Huisvestingswet en de artikelen 3, 4 en 5 van de Huisvestingsverordening Lelystad; een eigen onderzoek starten, indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Artikel2.2Evenementen Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag als bedoeld in de artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 (evenementenvergunning), een eigen onderzoek starten, indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Artikel2.3Vergunning Omgevingswet 1.Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet voor: een bouwactiviteit; een omgevingsplanactiviteit; een milieubelastende activiteit; een eigen onderzoek starten, indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op situaties zoals bedoeld in artikel 5:37 van de Omgevingswet (wijziging aanvrager zoals bedoeld in artikel 5.37, tweede lid van de Omgevingswet). 3. Het bestuursorgaan kan een eigen onderzoek starten als: een omgevingsvergunning is aangevraagd voor één of meer activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid, die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1); de locatie waarvoor een vergunning is aangevraagd gelegen is in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied. Artikel2.5(Overige) vergunningen als bedoeld in artikel 7 van de Wet Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag voor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 7 van de Wet (een gemeentelijke vergunning of ontheffing die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor inrichting, bedrijf) anders dan de situaties bedoeld in artikel 2.1 van deze beleidsregels, een eigen onderzoek starten indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. Artikel2.6Subsidies 1.Het bestuursorgaan kan, in geval van een aanvraag voor (het vaststellen van) een subsidie of bij een reeds verleende (of vastgestelde) subsidie een eigen onderzoek starten, indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situatie als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2. Het bestuursorgaan kan een eigen onderzoek starten als: de subsidie is aangevraagd voor één of meer activiteiten en/of projecten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1); de locatie waarvoor een subsidie is aangevraagd gelegen is in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied. Artikel2.7Verleende beschikking 1.Het bestuursorgaan kan, in geval van een reeds verleende beschikking, een eigen onderzoek starten indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op situaties zoals bedoeld in artikel 5:37 van de Omgevingswet (wijziging vergunninghouder zoals bedoeld in artikel 5.37, tweede lid van de Omgevingswet). 3.Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op situaties wanneer de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning respectievelijk is toegevoegd aan de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) of is aangewezen op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening. Artikel2.8Uitzonderingen Uitvoering van het eigen onderzoek blijft in beginsel achterwege in het geval een aanvraag afkomstig is van overheidsinstanties, semi overheidsinstanties of woning(bouw)corporaties die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting. Hoofdstuk3Privaatrechtelijke transacties De gemeente kan een eigen onderzoek doen als de gemeente zelf een vastgoedtransactie doet, zoals het kopen of verkopen van een gebouw of een stuk grond. De gemeente moet de betrokkene laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het Landelijk Bureau Bibob om advies vraagt. De gemeente kan deze informatie bijvoorbeeld in de verkoopleidraad zetten en/of dit vertellen bij de start van de onderhandelingen. In het contract van de vastgoedtransactie wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst. Artikel3.1Vastgoedtransacties screening vooraf 1.De gemeente kan een eigen onderzoek starten, alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip) en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.De gemeente kan een eigen onderzoek starten, alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien: de transactie betrekking heeft op een beeldbepalende onroerende zaak of op een onroerende zaak die naar het oordeel van de gemeente symbolische waarde heeft; er sprake is van exceptioneel (financieel) risico voor de gemeente. 3.De gemeente start altijd een eigen onderzoek alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, als het vastgoedobject of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meer activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) en/of gebeuren in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied. Artikel3.2Vastgoedtransacties screening achteraf 1.De gemeente kan een eigen onderzoek starten nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingclausule als bedoeld in artikel 5a, sub b, van de Wet is opgenomen én indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de gemeente, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een eigen onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst bepaald. Artikel3.3Overheidsopdrachten 1.De gemeente kan een eigen onderzoek starten bij overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012, dan wel een zorgovereenkomst vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.In (aanbestedings)documenten zal worden opgenomen dat inschrijvende partijen er rekening mee moeten houden dat de gemeente, alvorens tot definitieve gunning wordt overgegaan, een eigen onderzoek kan starten, dan wel advies kan inwinnen als bedoeld in artikel 9, lid 2, van de Wet. 3.In de af te sluiten overeenkomst kan een integriteitsclausule worden opgenomen waarin is aangegeven dat de overeenkomst kan worden ontbonden indien één van de situaties, als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de Wet zich voordoet. 4.In geval van een overheidsopdracht die onder het bereik van de Wet valt, kan de gemeente een eigen onderzoek starten, indien op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het Bureau of wanneer het Bureau een tip heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 11 van de Wet, en/of situaties als bedoeld in artikel 11a van de Wet, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet (OM-tip), en/of overige signalen, vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 5.Het vierde lid is zowel van toepassing op de contractpartij als op de onderaannemer. 6.De gemeente kan een eigen onderzoek starten vóór het aangaan van de overeenkomst, als één of meer activiteiten van de overheidsopdracht betrekking vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) of gebeuren in een door de burgemeester op grond van artikel 2:40O van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad aangewezen gebied. Hoofdstuk4Gevolgen van de Bibob-procedure bij beschikkingen Artikel4.1Gevolgen van gebrekkige informatievoorziening door betrokkene 1.Het bestuursorgaan kan een aanvraag voor een beschikking buiten behandeling stellen, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek. 2.Het bestuursorgaan kan een verleende beschikking intrekken op basis van artikel 4, eerste lid, van de Wet, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek. 3.Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om een formulier, als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, van de Wet, volledig in te vullen, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet (volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet). 4.Het bestuursorgaan kan de weigering van de betrokkene om aanvullende gegevens te verschaffen aan het Bureau, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet (volgt uit artikel 4, tweede lid, van de Wet). Artikel4.2Gevolgen van een eigen onderzoek bij aanvragen (tot wijziging) van een vergunning 1.Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot weigering van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning of tot intrekking van een reeds verleende vergunning, indien uit het eigen onderzoek of uit advies van het Bureau blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, dan wel een situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet. 2.Het bestuursorgaan kan de weigering van de vergunninghouder om een formulier, als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, van de Wet, volledig in te vullen, in beginsel aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet (volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet). 3.Het bestuursorgaan kan de weigering van de aanvrager van een vergunning of de vergunninghouder om aanvullende gegevens te verschaffen, aanmerken als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet (volgt uit artikel 4, tweede lid, van de Wet). 4.Het bestuursorgaan kan bij een mindere mate van gevaar of bij een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet voorschriften aan een beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. 5.Het verstrekkende bestuursorgaan of de verstrekkende rechtspersoon met een overheidstaak, kan een advies van het Bureau gedurende vijf jaar gebruiken in verband met een andere beslissing. Artikel4.3Gevolgen van een beëindigde relatie tussen de betrokkene en een derde 1.Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet, dan kan het bestuursorgaan de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar. 2.Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie. Hoofdstuk5Gevolgen van de Bibob-procedure bij privaatrechtelijke transacties Artikel5.1Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties 1.De gemeente kan overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat één van de onderstaande situaties zich voordoet: er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten; er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd; er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar); er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd; betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a, tweede lid, en artikel 7a, derde lid, van de Wet gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden; betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 4 van de Wet gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden. indien er sprake is van het niet verschaffen van de gevraagde gegevens en bescheiden, dan wel het nalaten van de gestelde vragen te beantwoorden zoals onder e. en f. is gesteld, kan dit een ernstig gevaar opleveren zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet. 2.In de gevolgen van een eigen onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien. Artikel5.2Gevolgen van een beëindigde relatie tussen de betrokkene en een derde 1.Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet, dan kan de gemeente de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende vijf jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar met betrekking tot de vastgoedtransactie. 2.Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van de gemeente voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie. Artikel5.3Gevolgen van een eigen onderzoek bij overheidsopdrachten 1.In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht kan de informatie uit het eigen onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012. 2.Bij overeenkomsten als bedoeld in de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan de informatie uit het eigen onderzoek aanleiding zijn om de overeenkomst niet aan te gaan, dan wel te ontbinden. 3.De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek. 4.De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau gestelde vragen, dan wel niet of niet volledig verstrekken van door de het Bureau verzochte gegevens. Hoofdstuk6Informatiedeling 1.Indien sprake is van een zelfstandige gevaarbeoordeling of sprake is van een vermoeden dat de betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.